Begrippen

Lijst met begrippen die CBS hanteert in zijn statistieken. Door overal dezelfde definities te gebruiken, kunnen cijfers beter met elkaar vergeleken worden.

Lijst van begrippen

Rentetarief dat is vastgesteld door de Europese Centrale Bank (ECB) of de Nederlandse overheid.

Toelichting
Onderscheiden worden:
- Reporente ECB,
- Marginale beleningsrente ECB,
- Depositorente ECB,
- Heffings- en invorderingsrente (Belastingdienst),
- Wettelijke rente (Ministerie van Justitie),
- Rente op studieleningen (Ministerie van Onderwijs, cultuur en wetenschappen).

Vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie in de rechtszaal. De Officier van justitie heeft de leiding van het opsporingsonderzoek.

Zie ook: Openbaar Ministerie (OM)

Strafbeschikking waarmee het Openbaar Ministerie (OM) lichte strafbare feiten zelf kan afdoen, zonder tussenkomst van een rechter. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling.

Toelichting
Dit soort afdoeningen betreft dus niet het voorkómen van strafvervolging, maar zijn zelf een vorm van strafvervolging. Er wordt een sanctie opgelegd.

Zie ook: Openbaar Ministerie (OM), Sanctie, Strafbaar feit, Verdachte, Verzet tegen strafbeschikking

Het aantal adressen binnen een cirkel met een straal van één kilometer rondom dat adres, gedeeld door de oppervlakte van de cirkel.

Toelichting
De omgevingsadressendichtheid wordt uitgedrukt in adressen per vierkante kilometer en beoogt de mate van concentratie van menselijke activiteiten (wonen, werken, naar school gaan, winkelen, uitgaan etc.) weer te geven. Het CBS gebruikt de omgevingsadressendichtheid om de mate van stedelijkheid van een bepaald gebied (rastervierkant, buurt, wijk, gemeente) te bepalen. Voor de berekening hiervan wordt eerst voor ieder adres de omgevingsadressendichtheid vastgesteld. Daarna is het gemiddelde berekend van de omgevingsadressendichtheden van alle afzonderlijke adressen binnen het beschouwde gebied.
De adressen en coördinaten van de rastervierkanten zijn afkomstig uit het Geografisch basisregister (GBR) dat jaarlijks wordt geactualiseerd. Dit register bevat alle adressen van Nederland die zijn voorzien van de postcode, de gemeentecode, de wijk- en buurtcode en de coördinaten van het betrokken rastervierkant.
Meer informatie over de oad en zijn rol in de bepaling van de stedelijkheid van een gebied is te vinden in het artikel: "Een nieuwe maatstaf voor stedelijkheid: de omgevingsadressendichtheid" in de Maandstatistiek van de bevolking, jaargang 40, juli 1992, 14-27.

Zie ook: Stedelijkheid (van een gebied)

De totale omzet uit de hoofdactiviteit aan binnenlandse afnemers.

De totale omzet uit de hoofdactiviteit aan buitenlandse afnemers (export en transitohandel).

Opbrengst (excl. btw) uit verkoop van goederen en levering van diensten aan derden.

Toelichting
Derden zijn particulieren dan wel bedrijven buiten het (Nederlandse deel van het) eigen concernverband.
Waar van toepassing wordt de netto omzet vastgesteld na aftrek van kortingen, bonussen, statiegeld en doorberekende vrachtkosten

Het onbenut arbeidsaanbod bestaat uit personen zonder betaald werk of met betaald werk voor minder dan twaalf uur per week, die twaalf uur of meer per week willen werken. Hiertoe behoren: - personen die werk willen, hiervoor op korte termijn beschikbaar zijn en recent naar werk hebben gezocht (de werkloze beroepsbevolking); - personen die werk willen, hiervoor op korte termijn beschikbaar zijn maar niet recent naar werk hebben gezocht; - personen die werk willen maar hiervoor niet op korte termijn beschikbaar zijn.

Arbeid waar geen betaling tegenover staat.

Toelichting
De definitie volgens de Nationale rekeningen (NR) is conform het ESR 1995, par. 3.09. Werkzaamheden in het eigen huishouden, verzorging eigen kinderen e.d. worden in deze opvatting niet als onbetaalde arbeid beschouwd. Dit in tegenstelling met de definitie volgens het Tijdsbestedingsonderzoek (TBO).

Zie ook: Arbeid, Onbetaalde arbeid (TBO)

Het verrichten van onbetaalde productieve activiteiten. Dit omvat huishoudelijke werkzaamheden, kinderverzorging, vrijwilligerswerk, hulp aan en verzorging van anderen, klussen en karweitjes, en de met deze activiteiten gemoeide reistijd.

Toelichting
Definitie volgens het Tijdsbestedingsonderzoek (TBO). Conform deze definitie worden ook werkzaamheden in het eigen huishouden, verzorging van eigen kinderen e.d. tot onbetaalde arbeid gerekend. Activiteiten die niet aan derden kunnen worden uitbesteed, zoals studie, worden niet als zodanig aangemerkt. Sinds 1997 vindt actualisering van dit gegeven alleen nog plaats in het kader van de Statline-publicatie 'Sociale Monitor' waarbij echter, in tegenstelling tot voorgaande jaren en in afwijking van de definitie, de reistijd buiten beschouwing blijft.

Zie ook: Arbeid, Onbetaalde arbeid (NR)

Beslissing van een rechter dat deze op grond van wettelijke bepalingen niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. De beslissing hiertoe neemt de rechter zelf.

Toelichting
Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de wet een andere rechter voorschrijft.

Zie ook: Strafbaar feit

Personeel dat geen arbeidsloon ontvangt voor de geleverde arbeidsprestatie, zoals vrijwilligers, stagiaires.

De onderliggende reeksen zijn gelijk aan de consumentenprijsindex (CPI) of afgeleide CPI exclusief de invloed van enkele productgroepen die sterk in prijs fluctueren of grotendeels door de overheid gereguleerd zijn.

Toelichting
Zo bestaat reeks I uit de consumentenprijsindex alle huishoudens, exclusief aardappelen, groente, fruit, energie, autobrandstoffen en uitgaven gedaan door Nederlanders in het buitenland. Deze onderliggende reeksen worden samengesteld op verzoek van externe partijen zoals De Nederlandse Bank en CPB. De onderliggende reeksen worden gebruikt voor lange termijn analyses.

Een verzekeringsinstelling als een bijzondere vorm van een vereniging. De leden sluiten verzekeringsovereenkomsten met de vereniging af. Behaalde winst kan ten goede komen aan de leden, bijvoorbeeld via directe uitkering of premiekorting.

Toelichting
Voor deze rechtsvorm gelden vrijwel dezelfde regels als voor een coöperatie. Een onderlinge waarborgmaatschappij is een coöperatieve verzekeraar. Verzekerden zijn doorgaans eveneens lid van de vereniging. Een ledenraad controleert het bestuur.

Zie ook: Coöperatie, Vereniging

De statistische eenheid van het productiestelsel van de EU, bestaande uit de kleinste combinatie van juridische eenheden (of hun equivalent). Het is een organisatorische eenheid die goederen en diensten voortbrengt en die een zekere zelfstandige beslissingsbevoegdheid heeft, met name ten aanzien van de bestemming van haar vlottende middelen. Zij kan uit een of meer juridische eenheden bestaan en een of meer activiteiten uitoefenen op een of meer locaties.

Toelichting
De onderneming wordt gezien als een organisatorische eenheid zoals die zich vanuit de economische werkelijkheid aan ons presenteert.
Ze vormt de basis voor de vorming van de bedrijfseenheid, vestiging en lokale bedrijfseenheid.

De onderneming is een economische entiteit, waarin onder bepaalde omstandigheden diverse juridische eenheden kunnen samenkomen. Bepaalde juridische eenheden oefenen hun activiteiten namelijk uitsluitend ten behoeve van een andere juridische entiteit uit en hebben hun bestaan uitsluitend aan administratieve ( bij voorbeeld fiscale) factoren te danken, terwijl ze vanuit economisch oogpunt niet significant zijn. Hiertoe behoren ook vele van de juridische eenheden zonder werkenden. De werkzaamheden van deze juridische eenheden dienen in vele gevallen te worden gezien als hulpactiviteiten naast de activiteiten van de juridische moedereenheid waarvan zij afhangen en waaraan zij gekoppeld dienen te worden om de voor de economische analyse gebruikte eenheid "onderneming" te vormen.

Zie ook: Bedrijf, Kind-of-activity unit, Vestiging (economische statistiek)

De eenheid die feitelijk optreedt als financiële transactor.

Toelichting
Operationeel wordt de ondernemingengroep gedefinieerd als de meest omvattende verzameling van in Nederland gevestigde juridische eenheden waarover zeggenschap kan worden uitgeoefend en die homogeen is naar institutionele sector.

De ondernemingengroep is de statistische eenheid op basis waarvan het financierings- en inkomensverdelingproces in Nederland wordt beschreven. Vooral bij grotere eenheden komt deze feitelijke transactor doorgaans niet overeen met één juridische eenheid, maar is een combinatie van juridische eenheden. Beslissingen over het financierings- en inkomensverdelingproces worden op verschillende niveaus binnen een concern genomen. Omdat de ondernemingengroep de eenheid is die gebruikt wordt bij de beschrijving van deze processen, dient deze alle juridische eenheden te omvatten waarover overwegende zeggenschap kan worden uitgeoefend. Zo maken alle niveaus waarop financiële beslissingen worden genomen deel uit van de ondernemingengroep. Echter, delen van een concern in verschillende institutionele sectoren werkzaam, zijn per definitie verschillende financiële actoren.

Zie ook: Bedrijf

Een aan een onderneming verbonden fonds waarin gelden bijeen gebracht worden ter verzekering van de pensioenen van personen die aan die onderneming zijn verbonden.

Toelichting
Ondernemingspensioenfondsen zijn de fondsen vallende onder art. 1, punt c van de Pensioen- en spaarfondsenwet (1952, Stb. 275)).

Maatregel die het ouderlijk gezag beperkt en die inhoudt dat de ouders bij de opvoeding van hun kinderen hulp en steun krijgen van een gezinsvoogdijwerker. Ze zijn verplicht diens aanwijzingen op te volgen.

Toelichting
De gezinsvoogdijwerker is in dienst van het Bureau Jeugdzorg of van een landelijk werkende instelling voor (gezins)voogdij. Het kind kan thuis blijven wonen of het kan uit huis worden geplaatst, maar de ouders behouden in principe het gezag over het kind.

Zie ook: Voogdij (justitiële kinderbescherming)

Georganiseerde communicatie van niet-incidentele aard met als doel overdracht van kennis, vermeerdering van inzicht en/of aanleren van vaardigheden.

Toelichting
Deze definitie is ontleend aan de International Standard Classification of Education (ISCED) van de UNESCO en zo wordt onderwijs ook in de Standaard Onderwijs Indeling 1998 (SOI 1998) omschreven.

‘Communicatie’ vereist een relatie tussen twee of meer personen; hierdoor wordt zelfstudie uitgesloten.
‘Georganiseerd’ is bedoeld als: opgezet door personen of instellingen en volgens een schema met vastgelegde doeleinden of curricula; dit veronderstelt tevens een persoon of instelling die de leersituatie organiseert en leerkrachten die het communicatieproces richting geven.
‘Niet-incidenteel’ wil zeggen dat de communicatie de elementen duur en continuïteit bevat; hierdoor wordt bijvoorbeeld een enkele lezing uitgesloten.
Onder ‘overdracht van kennis en vermeerdering van inzicht’ wordt verstaan iedere verandering in gedrag, kennis, begrip, houding, vaardigheden of capaciteiten die niet kan worden toegeschreven aan het natuurlijke groeiproces of aan de ontwikkeling van overgeleverde gedragspatronen.

Onder deze definitie vallen ook activiteiten als: bedrijfsopleidingen en -cursussen, omscholing, educatie en vorming, sociaal-culturele, creatieve en handvaardigheidscursussen. Theoretisch vallen sporttrainingen en -lessen, psychosociale therapie, catechisatie onder het begrip onderwijs. Deze activiteiten zijn niet als onderwijs beschouwd in de SOI. Het CBS heeft deze soorten activiteiten, evenals rijlessen, niet-beroepsonderwijs in muziek, en reanimatielessen bij een belangrijk deel van de onderwijsstatistieken ook niet als onderwijs beschouwd. Sporttrainingen en -lessen en psychosociale therapie zijn ook niet in de ISCED opgenomen, catechisatie wel. In de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) van het CBS zijn de activiteiten van autorij-, vlieg- en vaarscholen en van muziekleraren wel onder de activiteit (Overig) Onderwijs opgenomen en die van muziekscholen, sociaal-culturele, creatieve en handvaardigheidscursussen, sporttrainingen en -lessen, catechisatie, psychosociale therapie en EHBO-/reanimatielessen niet.

Wat wel en niet als onderwijs wordt beschouwd verschilt ook van land tot land. In een aantal landen buiten Nederland wordt bijvoorbeeld het muziekonderwijs en ander kunstonderwijs, ook als het niet beroepsmatig is, gerekend tot onderwijs. In de Nederlandse onderwijsstatistieken is uiteraard wel kunstberoepsonderwijs opgenomen.

Zie: Standaard Onderwijsindeling (SOI)

De plaats in de indeling van opleidingen naar niveau volgens de Standaard Onderwijsindeling 1978 (SOI 1978) van het CBS. Dit niveau wordt bepaald door de minimale onderwijsloopbaan die nodig is om een opleiding met succes te kunnen volgen.

Toelichting
Deze niveau-indeling heeft in haar geldigheidsperiode 1978-1998 diverse wijzigingen ondergaan. Aansluitend bij de structuur van het reguliere onderwijs werden de volgende niveaus onderscheiden:
1. onderwijs aan kleuters;
2. lager onderwijs;
3. voortgezet onderwijs, lagere trap (onder meer mavo en lager beroepsonderwijs);
4. voortgezet onderwijs, hogere trap (onder meer havo, vwo en middelbaar beroepsonderwijs);
5. hoger onderwijs, eerste fase/trap (onder meer hoger beroepsonderwijs en universitair onderwijs (oude stijl) op kandidaatsniveau);
6. hoger onderwijs tweede fase/trap (onder meer universitair onderwijs oude stijl op doctoraalniveau);
7. hoger onderwijs derde trap (tweedefase-opleidingen en daarmee vergelijkbare oudere opleidingen; een nieuw niveau 7, toegevoegd in 1986);
8. niet naar niveau in te delen (verwijderd in 1989).

In navolging van de ISCED heeft het niveau van opleidingen in de SOI 1978 geen betrekking op de onderwijskundige gelijkwaardigheid of maatschappelijke uitwisselbaarheid van opleidingen, maar op de minimum onderwijsloopbaan die gevolgd moet zijn om de opleiding met succes te kunnen volgen. Het onderwijsniveau wil niet meer, maar ook niet minder zijn dan een maat voor de hoeveelheid onderwijs van een opleiding, in samenhang met de nominale duur van de daarbij behorende voorafgaande opleiding. Hiertoe is als maat gekozen de tijd die op basis van voltijdonderwijs aan het volgen van een opleiding moet worden besteed. Het onderwijs is georganiseerd in een volgtijdelijke structuur, d.w.z. dat bepaalde opleidingen pas kunnen worden gevolgd nadat andere opleidingen met succes zijn voltooid. Ook internationaal zijn in deze ladderstructuur van het onderwijs perioden van min of meer vaste duur en gelijke lengte te onderkennen. Het zijn deze perioden, in hun volgtijdelijkheid, die het onderwijsniveau van een opleiding bepalen, dus niet de perioden uit de individuele schoolloopbaan van een persoon.

De plaats in de indeling van opleidingen naar niveau volgens de Standaard Onderwijsindeling 1998 (SOI 1998) van het CBS. Dit niveau wordt bepaald door de minimale onderwijsloopbaan die nodig is om een opleiding met succes te kunnen volgen en de duur van de opleiding.

Toelichting
In de SOI 1998 worden de volgende niveaus onderscheiden:
1 Onderwijs aan kleuters
- basisonderwijs groep 1 en 2,
- speciaal onderwijs voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (IOBK).

2 Lager of Primair onderwijs
- basisonderwijs groep 3 en hoger,
- speciaal onderwijs.

3 Voortgezet of Secundair onderwijs, lagere trap
Algemeen vormend en beroepsvoorbereidend onderwijs dat in directe aansluiting op het basisonderwijs gevolgd kan worden en daarnaast kort beroepsonderwijs zonder wettelijke toelatingseisen waarvan het eindniveau niet hoger is dan mavo/vbo:
- mavo,
- vbo (voorbereidend beroepsonderwijs),
- vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs),
- voortgezet speciaal onderwijs,
- havo/vwo leerjaren 1-3,
- assistentenopleiding in het kader van de WEB en sommige van de inmiddels niet meer bestaande primaire opleidingen in het kader van het leerlingwezen,
- korte beroepsopleidingen aansluitende op ca 2 jaar mavo of vbo,
- een deel van de cursussen zonder vooropleidingseisen,
- cursussen die aansluiten op niveau 3 met een duur van minder dan vier maanden in voltijdequivalenten.

4 Voortgezet of Secundair onderwijs, hogere trap
Algemeen vormend en beroepsonderwijs dat aansluit op het secundair onderwijs lagere trap, overige WEB-opleidingen, andere particuliere opleidingen en de niet meer bestaande leerlingwezenopleidingen met een cumulatieve duur van de opleidingen (omgerekend in fulltime-equivalenten) na niveau 3 via de kortste leerweg van minder dan vijf jaar.

4.1 Kort
Korte beroepsopleidingen waarvoor een diploma niveau 3 is vereist of gewenst:
- beroepsonderwijs met een fulltime duur van maximaal één jaar,
- leerlingwezenopleidingen met een cumulatieve studieduur van maximaal 24 maanden,
- kmbo (kort middelbaar beroepsonderwijs; dit is inmiddels beëindigd),
- WEB-basisberoepsopleiding,
- opleidingen voor certificaten havo en vwo.

4.2 Middellang
Beroepsopleidingen waarvoor een diploma niveau
3 (of 4.1) is vereist of gewenst:
- beroepsonderwijs met een cumulatieve voltijds studieduur van 13 maanden tot 3 jaar,
- leerlingwezenopleidingen met een cumulatieve studieduur van 25 maanden tot 6 jaar,
- WEB-vakopleiding,
- algemeen vormend onderwijs: havo (leerjaar 4-5)
en vhbo (voorbereidend hoger beroepsonderwijs).

4.3 Lang
Beroepsopleidingen waarvoor een diploma niveau
3 (of 4.2) is vereist of gewenst:
- beroepsonderwijs met een cumulatieve fulltime-duur van tenminste 3 jaar,
- mbo (3- of 4-jarig; dit is inmiddels beëindigd),
- leerlingwezenopleiding met een cumulatieve duur van tenminste 6 jaar,
- WEB-middenkader- en specialistenopleiding,
- algemeen vormend onderwijs: vwo e.d. (leerjaar 4-6).

5 Hoger onderwijs, eerste trap
Beroepsonderwijs dat aansluit op beroepsonderwijs op niveau 4.3 en algemeen vormend onderwijs op niveau 4.2; eerste fase van het wetenschappelijk onderwijs:
- hbo (hoger beroepsonderwijs) en daarmee vergelijkbare opleidingen,
- propedeuse en kandidaats/baccalaureaatsfase van het wetenschappelijk onderwijs,
- bachelor-opleidingen in hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs,
- post-hbo, voor zover niet niveauverhogend.

6 Hoger onderwijs, tweede trap
Onderwijs dat aansluit op het hoger onderwijs eerste trap:
- wetenschappelijk onderwijs na propedeuse/ kandidaats tot en met doctoraal examen,
- opleidingen na het hbo (post-hbo), voor zover niveauverhogend, w.o. eerstegraadslerarenopleiding,
- cursussen PAO (postacademisch onderwijs),
- postdoctorale lerarenopleidingen,
- master-opleidingen in hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs.

7 Hoger onderwijs, derde trap
Onderwijs dat aansluit op hoger onderwijs, tweede trap:
- ‘onderwijs’ dat leidt tot promotie,
- opleidingen aan postdoctorale onderzoekscholen,
- als aio (assistent in opleiding) of oio (onderzoeker in opleiding),
- postdoctorale beroepsopleidingen (w.o. medici, apotheker, accountancy).

De plaats in de indeling van opleidingen naar niveau volgens de Standaard Onderwijsindeling 2006 (SOI 2006) van het CBS. Dit niveau wordt bepaald door de minimale onderwijsloopbaan die nodig is om de opleiding met succes te kunnen volgen, de duur van de opleiding en de toegang die de opleiding biedt aan vervolgonderwijs. De niveau-indeling is gelijk aan die volgens de Standaard Onderwijsindeling 2003 (SOI 2003).

Toelichting
In de SOI 2003 worden de volgende niveaus onderscheiden:
1 Onderwijs aan kleuters
- basisonderwijs groep 1 en 2,
- speciaal onderwijs voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (IOBK).

2 Primair onderwijs
- basisonderwijs groep 3 en hoger,
- speciaal onderwijs,
- cursussen basiseducatie.

3 Secundair onderwijs, eerste fase
Algemeen vormend en beroepsvoorbereidend onderwijs en voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs dat in directe aansluiting op het basisonderwijs gevolgd kan worden en daarnaast kort beroepsonderwijs zonder wettelijke toelatingseisen waarvan het eindniveau niet hoger is dan mavo/ theoretische leerweg vmbo.

3.1 Laag
Opleidingen die geen toegang geven tot SOI-4:
- een deel van de cursussen zonder vooropleidingseisen.

3.2 Midden
- vmbo basisberoepsgerichte leerweg.

3.3 Hoog
- vbo (voorbereidend beroepsonderwijs),
- voortgezet speciaal onderwijs,
- vmbo theoretische, gemengde en kadergerichte leerweg,
- mavo,
- havo/vwo leerjaren 1-3,
- assistentenopleiding in het kader van de WEB en sommige van de inmiddels niet meer bestaande primaire opleidingen in het kader van het leerlingwezen,
- korte beroepsopleidingen aansluitende op ca 2 jaar mavo of vbo,
- cursussen die aansluiten op niveau 3 niet vergelijkbaar met een basisberoepsopleiding.

4 Secundair onderwijs, tweede fase
Algemeen vormend en beroepsonderwijs dat aansluit op het secundair onderwijs lagere trap, overige WEB-opleidingen, andere particuliere opleidingen en de niet meer bestaande leerlingwezenopleidingen met een cumulatieve duur van de opleidingen (omgerekend in fulltime-equivalenten) na niveau 3 via de kortste leerweg van minder dan vijf jaar.

4.1 Laag
De WEB-basisberoepsopleiding en andere eenvoudige beroepsopleidingen die daarmee vergelijkbaar zijn:
- leerlingwezenopleidingen met een cumulatieve studieduur van maximaal 24 maanden na niveau 3,
- kmbo (kort middelbaar beroepsonderwijs; dit is inmiddels beëindigd),
- voorgangers van basisberoepsopleidingen die vroeger gegeven werden aan lbo-scholen, die aansloten op het lbo,
- opleidingen voor certificaten havo en vwo.

4.2 Midden
Beroepsopleidingen waarvoor een diploma niveau 3 (of 4.1) is vereist of gewenst:
- beroepsonderwijs met een cumulatieve voltijds studieduur van 13 maanden tot 3 jaar,
- leerlingwezenopleidingen met een cumulatieve studieduur van 25 maanden tot 6 jaar,
- WEB-vakopleiding,
- algemeen vormend onderwijs: havo (leerjaar 4-5) en vhbo (voorbereidend hoger beroepsonderwijs).

4.3 Hoog
Beroepsopleidingen waarvoor een diploma niveau 3 (of 4.2) is vereist of gewenst:
- beroepsonderwijs met een cumulatieve fulltime-duur van tenminste 3 jaar,
- mbo (3- of 4-jarig; dit is inmiddels beëindigd),
- leerlingwezenopleiding met een cumulatieve duur van tenminste 6 jaar,
- WEB-middenkader- en specialistenopleiding,
- algemeen vormend onderwijs: vwo e.d. (leerjaar 4-6),
- propedeuse hbo en wo (indien hoogstbehaald examen).

5 Hoger onderwijs, eerste fase
Beroepsonderwijs dat aansluit op beroepsonderwijs op niveau 4.3 en algemeen vormend onderwijs op niveau 4.2; eerste fase van het wetenschappelijk onderwijs.

5.1 Laag
Opleidingen met een voltijds studieduur van 2 tot 4 jaar na havo of 4-jarig mbo:
- kort hbo,
- ander beroepsonderwijs.

5.2 Midden
 -4-jarig hbo en daarmee vergelijkbare beroepsopleidingen,
- hbo bachelors,
- post-hbo, voor zover niet niveauverhogend.

5.3 Hoog
Kandidaats en bachelors van het wetenschappelijk onderwijs.

6 Hoger onderwijs, tweede fase
- wetenschappelijk onderwijs leidend tot een doctoraal examen,
- masteropleidingen in hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs,
- overige masteropleidingen,
- opleidingen na het hbo (post-hbo), voor zover niveauverhogend, w.o. eerstegraads lerarenopleiding,
- cursussen PAO (postacademisch onderwijs),
- postdoctorale lerarenopleidingen,
- officiersopleidingen aansluitend op vwo.

7 Hoger onderwijs, derde fase
Onderwijs dat aansluit op hoger onderwijs, tweede fase:
- ‘onderwijs’ dat leidt tot promotie,
- opleidingen aan postdoctorale onderzoekscholen,
- als aio (assistent in opleiding) of oio (onderzoeker in opleiding),
- postdoctorale beroepsopleidingen (w.o. medici, apotheker, accountancy).

Een uniek nummer voor elke leerling of student die in Nederland door de overheid bekostigd onderwijs volgt.

Toelichting
Na invoering van de Wet op het Onderwijsnummer hebben alle leerlingen en studenten in het reguliere onderwijs in Nederland een onderwijsnummer. In het verleden werd dit ook wel het persoonsgebonden nummer genoemd. Het onderwijsnummer komt in principe overeen met het burgerservicenummer (voorheen sofinummer), tenzij dit niet voorhanden is.
Voor het onderwijs gebeurt de registratie via het onderwijsnummer bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in het zogenaamde Basisregister Onderwijsnummer (BRON). Het onderwijsnummer blijft gedurende de gehele schoolcarrière hetzelfde. Hierdoor kan van elke leerling de schoolloopbaan over de jaren heen gevolgd worden.
Bij het CBS wordt het burgerservicenummer, het onderwijsnummer en andere identificerende persoonskenmerken vervangen door een willekeurig volgnummer, zodat het voor interne en externe onderzoekers niet duidelijk is om wie het gaat, maar wel dat het bij koppeling van bestanden om dezelfde leerling/student gaat.

In het hoger onderwijs bestaat er al vanaf 1986 een registratie op persoonsniveau met aanvankelijk het sofinummer en later het burgerservicenummer als identificerende sleutel. Het voortgezet onderwijs is met het onderwijsnummer begonnen in 2002/’03 en het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie in 2004/’05. In het basisonderwijs en op de speciale scholen is de registratie met het onderwijsnummer in 2008/’09 van start gegaan. In 2010/’11 moet dit proces voltooid zijn en kan de schoolloopbaan van elk kind vanaf de basisschool worden gevolgd.

Personeel dat werkzaamheden verricht op het gebied van algehele leiding, organisatie en/of administratie in een instelling voor kunstzinnige vorming.

De plaats van opleidingen in de ISCED op basis van de thematische inhoud van het onderwijs.

Toelichting
Onderwijs-/studierichtingen worden door de ISCED ingedeeld in zogenaamde broad fields (eerste digit) en daarbinnen in narrow fields (tweede digit). Daarnaast is een indeling naar ‘fields of education and training'(derde digit) voorgesteld; deze is echter nog niet vastgesteld. Wel is een iets globalere indeling naar ‘fields of training’ (driedigitindeling die een gedeeltelijke aggregatie is van de ‘fields’) vastgesteld, die bedoeld is voor gebruik binnen de EU-landen voor Europese enquêtes naar beroepsonderwijs.
In tegenstelling tot eerdere edities van de SOI sluit de richtingsindeling van de SOI 2006 op het laagste aggregatieniveau, de rubriek, geheel aan bij de indeling naar 'fields of education and training' van de ISCED. In de SOI 2006 is, net zoals in de ISCED, de inhoud van het onderwijs doorslaggevend voor de richting. In eerdere edities van de SOI was de richting gebaseerd op de maatschappelijke sector waartoe een opleiding voorbereid.

De plaats van opleidingen in de Standaard Onderwijsindeling (SOI) op basis van de maatschappelijke sector of het wetenschapsgebied waarop de opleiding gericht is.

Toelichting
De onderwijsrichting SOI heeft betrekking op de aard van het onderwijs, dus niet op de denominatie van de onderwijsinstelling, noch op het soort onderwijsinstelling of de onderwijsmethode. De SOI deelt de richting van een opleiding hiërarchisch in naar sectorgroepen, (sub-)sectoren, rubrieksgroepen en rubrieken. Hierbij vormen de sectorgroepen het hoogste aggregatieniveau en de rubrieken het laagste aggregatieniveau.

In tegenstelling tot eerdere edities van de SOI sluit de richtingsindeling van de SOI 2006 op het laagste aggregatieniveau, de rubriek, geheel aan bij de indeling naar 'fields of education and training' van de ISCED. In de SOI 2006 is, net zoals in de ISCED, de inhoud van het onderwijs doorslaggevend voor de richting. In eerdere edities van de SOI was de richting gebaseerd op de maatschappelijke sector waartoe een opleiding voorbereid.

De plaats van opleidingen in de Standaard Onderwijsindeling (SOI) 2006 op basis van de maatschappelijke sector of het wetenschapsgebied waarop de opleiding gericht is.

Toelichting
De onderwijsrichting SOI 2006 heeft betrekking op de aard van het onderwijs, dus niet op de denominatie van de onderwijsinstelling, noch op het soort onderwijsinstelling of de onderwijsmethode. De SOI 2006 deelt de richting van een opleiding hiërarchisch in naar sectorgroepen, (sub)sectoren, rubrieksgroepen en rubrieken. Hierbij vormen de sectorgroepen het hoogste aggregatieniveau en de rubrieken het laagste aggregatieniveau.
Op het laagste aggregatieniveau, de rubriek sluit de indeling geheel aan bij de indeling naar fields of education and training (ontwikkeld door Eurostat) van de ISCED 1997. Dit is de internationale onderwijsindeling van UNESCO.

De sector van de samenleving of het wetenschapsgebied waarop de opleiding gericht is in die zin dat zij daarop een voorbereiding geeft. De SOI 2006 onderscheidt in eerste instantie tien richtingsgroepen, die aangeduid worden als sectorgroepen, namelijk: algemeen; leraren; humaniora, sociale wetenschappen, communicatie en kunst; economie, commercieel, management en administratie; juridisch, bestuurlijk, openbare orde en veiligheid; wiskunde, natuurwetenschappen en informatica; techniek; agrarisch en milieu; gezondheidszorg, sociale dienstverlening en verzorging; horeca, toerisme, vrijetijdsbesteding, transport en logistiek. Deze sectorgroepen zijn opgebouwd uit sectoren of bij zeer grote sectoren rechtstreeks uit subsectoren. De sectorgroep is het hoogste (4e) aggregatieniveau van de indeling naar richting.

Toelichting
De onderwijssectoren die worden onderscheiden vinden hun oorsprong in de geledingen binnen het maatschappelijk bestel. De geleidelijke ontwikkeling van dit bestel, van primaire tot en met kwartaire sector, heeft hierbij zeker een belangrijke rol gespeeld. Heel lang is de algemene vorming de belangrijkste geïnstitutionaliseerde vorm van onderwijs geweest. De beroepsopleiding werd overgelaten aan het gildewezen. Door de economische ontwikkelingen kregen de primaire sector (agrarisch) en de secundaire (industrie en nijverheid) gaandeweg steeds grotere behoefte aan beroepsbeoefenaren met een specifieke scholing. Er ontstond daardoor een vraag naar andere opleidingen Zo kwamen naast het algemeen onderwijs het agrarisch onderwijs en het technisch onderwijs tot ontwikkeling. Enzovoort. Sinds de SOI2006 zijn o.a. Informatica en Communicatie en informatie afzonderlijke sectoren.

Zie ook: Standaard Onderwijsindeling 1998 (SOI 1998)

Een in de wet vastgelegd deel van het Nederlands onderwijsstelsel.

Toelichting
Iedere onderwijssoort heeft zijn eigen onderwijsprogramma en meestal een vast aantal opleidingsjaren. Binnen het huidige Nederlands onderwijsstelsel zijn de belangrijkste onderwijssoorten:

- Primair onderwijs:
- Basisonderwijs (nominale duur: 8 jaar);
- Speciaal basisonderwijs (nominale duur: 8 jaar);
- Speciale scholen (basis- en voortgezet onderwijs).

- Voortgezet onderwijs:
- Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo; nominale duur: 4 jaar);
- Hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo; nominale duur: 5 jaar);
- Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo; nominale duur: 6 jaar);
- Praktijkonderwijs.

- Middelbaar beroepsonderwijs en educatie:
- Beroepsopleidende leerweg (bol; nominale duur: afhankelijk van het niveau 0,5 tot 4 jaar);
- Beroepsbegeleidende leerweg (bbl; nominale duur: afhankelijk van het niveau 0,5 tot 4 jaar);
- (Basis-)educatie;
- Voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo).

- Hoger onderwijs:
- Hoger beroepsonderwijs (hbo). Binnen het hoger beroepsonderwijs wordt onderscheid gemaakt tussen associate degree-opleidingen (nominale duur 2 jaar) en bacheloropleidingen (nominale duur 4 jaar);
- Wetenschappelijk onderwijs (wo). Binnen het wetenschappelijk onderwijs wordt onderscheid gemaakt tussen bacheloropleidingen (nominale duur 3 jaar) en masteropleidingen (nominale duur 1, 2 of 3 jaar);
- Open Universiteit.

Een verdere onderverdeling van de onderscheiden onderwijssoorten naar niveau en richting is opgenomen in de Standaard Onderwijsindeling (SOI).

Zie ook: Standaard Onderwijsindeling (SOI)

Personeel dat lessen en/of cursussen geeft aan een instelling voor kunstzinnige vorming.

Onderzoek met als doelstelling het mobiliteitspatroon van de Nederlandse bevolking te beschrijven.

Toelichting
Sinds 1978 wordt door het CBS jaarlijks de enquête Onderzoek Verplaatsingsgedrag uitgevoerd. Per 1 januari 1999 is de onderzoeksmethodiek voor de tweede keer gewijzigd. Concreet houdt dit onderzoek in dat bij verplaatsingen informatie wordt verzameld over de plaats van herkomst en bestemming, tijdstip van vertrek en aankomst, welke vervoermiddelen worden gebruikt en met welk motief de verplaatsingen worden gemaakt. Daarnaast wordt ruime aandacht geschonken aan verklarende factoren voor het verplaatsingsgedrag.

Wetenschappelijk onderzoeker, die in het kader van de kennismigrantenregeling een verblijfsvergunning krijgt.

Zie ook: Immigratie

Oordeel van de rechter dat het rechtsmiddel op grond van de (schriftelijk) geleverde informatie onterecht is ingesteld.

Zie ook: Gegrondverklaring, Rechtsmiddel

Burgerlijke staat die aangeeft dat een persoon nog nooit een huwelijk heeft gesloten of een geregistreerd partnerschap is aangegaan.

Zie ook: Burgerlijke staat

Een plotseling optredende, ongewilde en onvoorziene gebeurtenis, waarbij de inwerking van een externe oorzaak leidt tot fysiek letsel en waarbij geen sprake is van opzettelijk geweld of voedselvergiftiging.

Beslissing van de rechter waartegen geen (gewoon) rechtsmiddel meer openstaat.

Zie ook: Rechtsmiddel

Arbeid die niet op gezette tijden plaatsvindt.

Onverplaatsbare, vast aan of in de bodem verankerde objecten zoals woningen, gebouwen, bedrijfsruimten, gronden, bossen en mijnen.

Balanspost van sociale verhuurders die de waarde omvat van de materiële en immateriële vaste activa. De waarde is de historische kostprijs verminderd met afschrijvingen, maar ook wel de bedrijfswaarde.

Toelichting
De waardebepaling door de sociale verhuurders vindt per woning of per complex plaats.

Belasting op het bezit en gebruik van onroerende zaken.

Toelichting
Belasting die kan worden geheven van diegenen die bij het begin van het kalenderjaar onroerende zaken, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken en van diegenen die bij het begin van het kalenderjaar van onroerende zaken het genot hebben krachtens eigendom, bezig of beperkt recht. Gemeenten zijn gerechtigd onroerendezaakbelasting te heffen op grond van de Gemeentewet.

Uitspraak van de rechter om op verzoek van een van de partners een geregistreerd partnerschap te ontbinden. De beëindiging van het geregistreerd partnerschap wordt definitief door inschrijving bij de burgerlijke stand.

Toelichting
Beëindiging van een geregistreerd partnerschap kan door tussenkomst van de rechter, maar dit hoeft niet. De zogenaamde flitsscheidingen die buiten de rechter om plaats vinden zijn niet in de statistiek ‘Echtscheidingsprocedures’ opgenomen.

Zie ook: Beëindiging geregistreerd partnerschap, Flitsscheiding, Geregistreerd partnerschap

Maatregel van de rechter om ouders het ouderlijk gezag te ontnemen als ze ongeschikt zijn of onmachtig om hun kind te verzorgen en op te voeden.

Toelichting
Het Bureau Jeugdzorg of een landelijk werkende instelling voor (gezins)voogdij krijgt de voogdij over het kind. Het kind gaat meestal voor onbepaalde tijd naar een pleeggezin of een instelling.

Zie ook: Voogdij (justitiële kinderbescherming)

Beslissing van de rechter, waarbij hij het door de officier van justitie ten laste gelegde feit wel bewezen acht, maar van oordeel is dat het feit of de verdachte niet strafbaar is.

Zie ook: Schuldigverklaring, Strafbaar feit, Verdachte, Vrijspraak

Arbeidszaak op grond van artikel 7: 685 van het Burgerlijk Wetboek. Het gaat dan om het ontbinden van een arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter.

Zie ook: Arbeidszaak

Klasse uit de indeling Vaarwegen recreatievaart (BRTN). De vaarweg is een verbindingswater tussen plassen/merengebieden onderling, of tussen grootvaarwatergebieden en kleine plassen/merengebieden. Tevens geldt dat de vaarweg geschikt is voor motorboten met een maximale diepgang van 1,50 meter en een maximale opbouwhoogte van 2,75 meter.

Zie ook: Vaarwegen, recreatievaart (BRTN)

Klasse uit de indeling Vaarwegen recreatievaart (BRTN). De vaarweg is een verbindingswater tussen plassen/merengebieden onderling, of tussen grootvaarwatergebieden en kleine plassen/merengebieden. Tevens geldt dat de vaarweg geschikt is voor boten met een maximale diepgang van 1,90 meter en een maximale masthoogte van 30 meter.

Zie ook: Vaarwegen, recreatievaart (BRTN)

Veiligheidsmaatregel waarbij (gevaarlijke) voorwerpen het eigendom worden van de staat. De strafrechter legt deze maatregel op.

Zie ook: Strafrecht

Maatregel van de rechter om ouders het ouderlijk gezag te ontnemen als ze hun kind heel ernstig verwaarlozen of hun ouderschap misbruiken.

Toelichting
Het Bureau Jeugdzorg of een landelijk werkende instelling voor (gezins)voogdij krijgt de voogdij over het kind. Het kind gaat meestal voor onbepaalde tijd naar een pleeggezin of een instelling.

Zie ook: Voogdij (justitiële kinderbescherming)

Gratieverlening waarbij geen voorwaarden worden gesteld aan de veroordeelde. Er is dan ook geen sprake van een proeftijd.

Zie ook: Gratieverlening, Voorwaardelijke gratieverlening

Het water gelegen tussen de Oosterscheldekering, de Grevelingendam, de Philipsdam en de Oesterdam.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Het bedrag dat een museum ontvangt van de Stichting museumkaart op basis van het aantal bezoeken door houders van de museumkaart.

De gerealiseerde verkoopopbrengst van zelfstandige materiële vaste activa minus eventuele kosten van eigendomsoverdracht.

Toelichting
Niet de (rest)boekwaarde of een eventuele boekwinst.

Open terrein met een droge ondergrond, met als belangrijkste functie natuur.

Toelichting
Tot open droog natuurlijk terrein wordt gerekend:
- droog heideterrein;
- droog terrein begroeid met kruidgewassen en struweel;
- met grasachtig gewas begroeid natuurlijk terrein (geen agrarisch terrein);
- duin;
- zandverstuiving;
- zandplaat;
- strand.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Open terrein met een natte ondergrond met als belangrijkste functie natuur.

Toelichting
Tot nat natuurlijk terrein wordt gerekend:
- nat heideterrein;
- nat terrein begroeid met kruidgewassen en struweel;
- riet en biezen (ook indien in cultuur);
- kwelder, schor of gors (bij gemiddeld hoogwater niet onderlopend);
- drooggevallen grond, mits onbegroeid;
- blauwgrasland.
Hiertoe wordt echter niet gerekend:
- griend;
- nat bos.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Alle archiefstukken die zijn overgebracht in de zin van de archiefwet, ongeacht de beperking op de openbaarheid. Archiefstukken afkomstig van bijvoorbeeld particulieren, verenigingen en bedrijven vallen hier niet onder.

Overheidsorgaan met als taken: wetten te handhaven, strafbare feiten op te sporen en te vervolgen, strafvonnissen uit te voeren en de rechter te informeren voor zover de wet dat voorschrijft.

Toelichting
Het Openbaar Ministerie bepaalt of een strafbaar feit wordt voorgelegd aan een rechter, of door het Openbaar Ministerie zelf wordt afgedaan met een transactie (voldoen aan bepaalde voorwaarden om strafvervolging te voorkomen), of een sepot (op beleidsmatige of technische gronden afzien van vervolging).

Zie ook: Afdoening door het Openbaar Ministerie, OM-afdoening, Sepot, Strafbaar feit, Transactie (juridisch)

Vervoer volgens een dienstregeling met vastgestelde haltes en routes en dat door iedereen is te gebruiken.

De emissie van effecten via openbare inschrijving.

Toelichting
De voorwaarden van inschrijving worden bekend
gemaakt door middel van een prospectus, pricing supplement of advertentie.

Zie ook: Emissie (effecten), Herplaatsing (aandelen)

Een opzegbare overeenkomst tussen lessee en lessor tot het verlenen/verkrijgen van het recht op het gebruik van een zelfstandig materieel kapitaalgoed gedurende een bepaalde tijd tegen betaling van een periodieke vergoeding.

Toelichting
Een overeenkomst tot operational lease is in feite een huurovereenkomst.

Het deel van het brandweerpersoneel met een opleiding om brand- en hulpverleningsactiviteiten te mogen verrichten. Ook het personeel dat een leidinggevende functie heeft is hierbij inbegrepen.

Zie ook: Brandweer, Overig personeel brandweer, Totaal personeel brandweer, Vrijwillig personeel brandweer

Misdrijf waarbij tenminste één verdachte bij de politie bekend is, ook al is deze voortvluchtig of ontkent hij of zij het strafbare feit te hebben gepleegd.

Toelichting
Het is dus mogelijk dat een opgehelderd misdrijf niet tot een werkelijke veroordeling van een verdachte leidt.

Zie ook: Misdrijf, Politie, Strafbaar feit, Verdachte

De in ambtshalve opgemaakte processen-verbaal vastgelegde strafbare feiten.

Zie ook: Ambtshalve aangifte, Criminaliteit (algemeen), Proces-verbaal

Het staken of zodanig verminderen van de bedrijfsactiviteiten dat er een marginaal bedrijf resteert.

Toelichting
De opheffing van bedrijven heeft vrijwel uitsluitend betrekking op kleine bedrijven en wordt nogal eens verward met faillissement. Het aantal faillissementen is echter maar een fractie van het aantal bedrijfsbeëindigingen. Dit betekent dat veel bedrijven worden opgeheven zonder dat er sprake is van een faillissement. Overigens is bij faillissement niet altijd sprake van opheffing van een bedrijf. Een bedrijf kan na een faillissement voortbestaan doordat het onder een nieuwe eigenaar wordt voortgezet. Er kan ook een faillissement plaatsvinden zonder dat er sprake is geweest van een bedrijf; bij een opheffing moet er wel eerst een bedrijf zijn geweest. Faillissementen waarbij sprake is van fraude vallen doorgaans onder deze categorie. Hierbij is vaak sprake van een keten van besloten vennootschappen, die enkel aan elkaar doorleveren zonder de rekening te voldoen. Omdat er dan geen sprake is van economische activiteiten, is er geen bedrijf.

Zie ook: Faillissement

Het percentage geregistreerde misdrijven dat is opgehelderd.

Zie ook: Misdrijf, Opgehelderd misdrijf

Wet die de opsporing, vervolging en berechting regelt van handelingen die te maken hebben met (verboden) drugsbezit en drugshandel. De wet maakt onderscheid tussen misdrijven en overtredingen.

Toelichting
Op grond van de Opiumwet geldt een verbod op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van middelen die genoemd worden op de zogeheten lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs). Voorbeelden van de hier bedoelde stoffen zijn cocaïne, heroïne, methadon, morfine, opium en hennep.

Zie ook: Middelenlijst I, Middelenlijst II

Het aantal uitgebrachte stemmen per honderd kiesgerechtigden.

Tijdsverloop tussen het moment van brandmelding en het moment dat het eerste brandweervoertuig de plaats van de brand bereikt.

Toelichting
De opkomsttijd is gelijk aan de som van de uitruktijd en de rijtijd van de brandweer.

Zie ook: Brand (juridisch), Brandweer, Rijtijd brandweer, Uitruktijd brandweer

Wegvoertuig voor goederenvervoer zonder vooras, dat zodanig is ontworpen dat een gedeelte van het voertuig en een belangrijk gedeelte van zijn lading op een trekker voor het wegverkeer rust.

Toelichting
Met ingang van september 2003 dienen aanhangwagens en opleggers te zijn voorzien van een geldig kenteken. Vanaf 2004 zijn deze categorieën opgenomen in de overzichten van de statistiek motorvoertuigen.

Wordt naar analogie met de ISCED 1997 beschouwd als een selectie van één of meer onderwijsactiviteiten of cursussen. Het is de basiseenheid van classificatie van onderwijsprogramma's in de SOI en de ISCED.

Toelichting
SOI en ISCED kunnen worden toegepast op een opleiding die iemand volgt of heeft gevolgd (al dan niet met succes afgerond), die gevraagd wordt voor een vacature, of die door een onderwijsinstelling wordt aangeboden.

Elk onderwijsprogramma wordt verondersteld een expliciet of impliciet doel te hebben, zoals het verkrijgen van een kwalificatie die toegang verschaft tot een vervolgopleiding of een beroep of een reeks beroepen, of louter een toename van kennis of begrip. Dit betekent in beginsel dat een cursus die kan worden afgerond met een deelcertificaat (algemeen vormend onderwijs) of een deelkwalificatie (beroepsonderwijs) als afzonderlijke opleiding kan worden beschouwd als de cursist niet van plan of in staat is het geheel van cursussen te volgen dat tezamen tot een diploma leidt. In de SOI zijn wel de deelcertificaten van het algemeen vormend onderwijs opgenomen, de modules van de Open Universiteit en de zogenaamde AMBI-modules, maar niet de deelcertificaten die in het kader van de WEB behaald kunnen worden. Het aantal opleidingen zou dan onoverzichtelijk groot worden. Ook is het niveau van de afzonderlijke certificaten zeer moeilijk in te delen. Maatwerkcursussen en cursussen zonder open inschrijving (die alleen voor een bepaalde categorie, veelal werknemers, toegankelijk zijn) worden niet in de SOI opgenomen. Een uitzondering op deze regel wordt gevormd door bedrijfsopleidingen voor beroepen waarvoor geen opleidingen bestaan met een open inschrijving, zoals bijvoorbeeld opleidingen voor machinisten van de NS, de beroepsopleidingen voor de rechterlijke macht en bepaalde specialiserende verpleegkundige opleidingen.

Een deel van de leerjaren van een opleiding.

Toelichting
Bij de opleidingsfase worden verschillende indelingen gehanteerd.

Bij sommige onderwijssoorten wordt onderscheid gemaakt tussen de onder- en bovenbouw, dat wil zeggen tussen de laagste en hoogste klassen van een school. Dit gebeurt onder meer bij het basis- en voortgezet onderwijs.
Bij het basisonderwijs behoren de groepen 1 tot en met 4 tot de onderbouw en de groepen 5 tot en met 8 tot de bovenbouw. Bij het vmbo behoren de klassen 1 en 2 tot de onderbouw en bij havo en vwo de klassen 1 tot en met 3. De overige klassen van vmbo, havo en vwo behoren tot de bovenbouw.

Bij havo en vwo wordt er vanaf 1998/’99 ook onderscheid gemaakt tussen de eerste en de tweede fase. De eerste fase omvat bij beide onderwijssoorten de klassen 1 tot en met 3, de tweede fase de hogere leerjaren. In de eerste fase is de lesstof voor alle leerlingen grotendeels gelijk. Kenmerkend voor de tweede fase zijn het studiehuis en de profielkeuze. In het studiehuis gaan leerlingen in toenemende mate hun eigen studie plannen en meer zelfstandig en in groepjes opdrachten uitvoeren. In de tweede fase kunnen de leerlingen kiezen uit vier profielen: cultuur en maatschappij, economie en maatschappij, natuur en gezondheid en natuur en techniek. Elk profiel kent vakken die voor alle leerlingen gelijk zijn, een deel dat specifiek is voor het gekozen profiel en een vrij in te vullen deel.

Tot slot kan bij alle bacheloropleidingen in het hbo en een deel van de bacheloropleidingen in het wo onderscheid worden gemaakt tussen de propedeuse, dat wil zeggen het eerstejaarsprogramma, en het vervolg van de opleiding.

Opleidingsschool (onder andere voor politie en krijgsmacht) met interne huisvesting en huishoudelijke verzorging van de leerlingen.

Het onderscheid tussen voltijd-, deeltijd- en duaal onderwijs.

Toelichting
Bij de opleidingsvorm wordt onderscheid gemaakt tussen voltijd-, deeltijd- en duaal-onderwijs.

Voltijdonderwijs is dagonderwijs, dat op doordeweekse dagen wordt gegeven. Meestal is er een wettelijk minimumaantal lesuren.
Zo moeten basisscholen in acht opeenvolgende jaren minstens 7 520 uur les geven. Per leerjaar komt dit neer op een gemiddelde van minstens 940 uur.
In het voortgezet onderwijs moeten de scholen in de onder- en bovenbouw minimaal 1 000 uur onderwijs per schooljaar aanbieden, met uitzondering van het examenjaar waarvoor een minimum van 700 uur les geldt.
In het middelbaar beroepsonderwijs moet bij voltijdopleidingen per leerjaar minstens 850 uur onderwijs (lessen, stages en begeleiding) worden aangeboden.
In het hoger onderwijs (hbo en wo) vallen de opleidingen die als dagonderwijs worden aangeboden onder het voltijdonderwijs.

Deeltijdonderwijs is onderwijs voor personen die hun studie willen combineren met andere bezigheden, zoals werk, zorgtaken of vrijwilligerswerk. Bij deeltijdonderwijs doorloopt men hetzelfde onderwijsprogramma als bij voltijdonderwijs, maar kan men zelf het studietempo bepalen. Bij deeltijdonderwijs vinden de lessen of colleges op aangepaste tijden plaats, bijvoorbeeld op een aantal middagen of avonden per week. In vergelijking met het voltijdonderwijs worden er minder lessen of colleges gegeven, maar neemt zelfstudie een belangrijker plaats in.
In de Onderwijsstatistieken van het CBS vallen onder deeltijdonderwijs de volgende onderwijssoorten, die voornamelijk door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) worden bekostigd:
- de (basis-)educatie;
- het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vmbo theoretische leerweg, havo en vwo);
- het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) met minder dan 850 uren onderwijs (lessen, stages en begeleiding) per jaar (deeltijd-bol);
- het hoger onderwijs (hbo en wo) dat in deeltijd wordt aangeboden;
- de Open Universiteit.

Duaal onderwijs is onderwijs waarbij werken en leren worden gecombineerd. Duaal leren is meer dan stage lopen. De leerprocessen op school en op de werkplek vullen elkaar aan en versterken elkaar. Soms krijgt een scholier of student opdrachten vanuit de opleiding mee die op de werkplek moeten worden uitgevoerd. Omgekeerd komt de opgedane werkervaring terug in de lessen of colleges van de opleiding die men volgt. Duale opleidingen komen vooral voor in het middelbaar beroepsonderwijs (bbl) en het hoger beroepsonderwijs.

Som van de oppervlakten van de verticale projectie van bebouwing.

Toelichting
Met de verticale projectie van de bebouwing wordt bedoeld de grondoppervlakte die de bebouwing inneemt plus de grondoppervlakte die onder uitbouwen van hogere verdiepingen ligt, bijvoorbeeld uitstekende balkons. De oppervlakte van bebouwing wordt berekend in het kader van de Financiële verhoudingswet (Fv).

Zie ook: Bebouwing

Het toetreden van een nieuw bedrijf tot de populatie van bedrijven. Hiervan is geen sprake bij voortzetting van activiteiten van één of meer bestaande bedrijven onder een andere naam, door eigenaarswisseling, fusie of afsplitsing.

Werknemer die op oproep of afroep beschikbaar is voor het verrichten van werkzaamheden en met wie geen vaste arbeidsduur is overeengekomen.

Toelichting
Oproepkrachten worden ook wel aangeduid als afroep- of invalkrachten.

Werknemer van een overheidsorgaan die met de opsporing van strafbare feiten is belast (zie artikel 127 Sv).

Zie ook: Strafbaar feit

Formele opvang van kinderen in de eigen woning of in de woning van de gastouder in het kader van de Wet Kinderopvang (WKO).

Toelichting
Onder de Wet Kinderopvang vallen alleen gastouders die zijn aangemeld bij een geregistreerd gastouderbureau.

Plaats die een kindercentrum ter beschikking heeft om kinderen op te vangen.

Het aantal werknemers dat lid van een vakbond is, uitgedrukt in procenten van het totaal aantal werknemers.

Eénjarige opleiding binnen het mbo 'oude stijl'. Deze programma's konden tot en met 1998/'99 gevolgd worden.

Toelichting
Oriënteren en schakelen is een noodzakelijke voorbereiding voor het volgen van een bepaalde opleiding, omdat de gevolgde onderwijsloopbaan nog niet voldoende is. Oriënteren en schakelen wordt gezien als onderwijs nevengeschikt aan de vooropleiding, dat alleen een manco van die vooropleiding aanvult en daarom niet als niveauverhogend gerekend kan worden.

Persoon die niet samenwoont met een partner, maar wel thuiswonende kinderen heeft.

Zie ook: Positie in het huishouden, Thuiswonend kind

Verzamelnaam voor sportzaalaccommodaties, sporthalaccommodaties, tennishalaccommodaties en overige overdekte sportaccommodaties (excl. Zwembaden).

Wijze van afdoening van strafzaken door het Openbaar Ministerie in een bepaald arrondissement door de verdere behandeling van de strafzaak over te dragen aan de officier van justitie in een ander arrondissement.

De duur van de arbeid die in samenspraak met de werknemer door de werkgever is vastgesteld.

Toelichting
De arbeidsduur wordt meestal uitgedrukt in een aantal uren per week.

Zie ook: Arbeidsduurverkorting (ADV), Contractuele arbeidsduur

In de Nationale rekeningen (NR) van het CBS wordt hieronder verstaan: het aantal uren dat een werknemer volgens contract geacht wordt te werken in een bepaalde tijdsperiode (week, maand, etc…).

Toelichting
De in de branche gangbare verlof-, feest- en ADV-dagen horen niet bij de overeengekomen uren. Bijzondere verloven als zwangerschaps- of ouderschapsverlof vallen er wel onder, alsmede uren die verloren gaan met ziekte.

Archief van een overheidsorgaan: Rijk, provincie, gemeente, waterschap of ander overheidsorgaan.

Een instelling zonder winstoogmerk die onder toezicht staat en hoofdzakelijk wordt gefinancierd door de overheid.

Toelichting
Toezicht wordt gedefinieerd als de mogelijkheid om het algemene beleid of het programma van een institutionele eenheid te bepalen, zo nodig door hiervoor geschikte directieleden of managers te benoemen. Hoofdzakelijk gefinancierd door de overheid betekent dat meer dan 50% van de productiekosten door de overheid worden gefinancierd. De overheidsIZW worden ingedeeld bij de sector overheid. Voorbeelden van overheidsIZW zijn musea, Kamers van Koophandel, openbare bibliotheken.

Zie ook: Instelling zonder winstoogmerk (IZW)

Verkorte aanduiding voor een overheidsinstelling zonder winstoogmerk.

Zie: Overheidsinstelling zonder winstoogmerk (IZWo)

Een toeslag op het salaris en/of uitkering die door de werkgever of uitkerende instantie betaald wordt als compensatie voor de werknemers en/of uitkeringsgerechtigden te betalen sociale premies.

Agrarisch terrein niet in gebruik voor glastuinbouw, zoals grasland, tuinland, bouwland of boomgaard.

Toelichting
Tot overig agrarisch terrein wordt gerekend:
- grasland (hooi- en weiland) inclusief de met gras begroeide dijken en uiterwaarden;
- terrein bestemd voor veehouderij;
- hoogstam- zowel als laagstamboomgaard, inclusief onderteelt, verzorgingspaden en windsingels;
- terrein beteeld met akkerbouw- en tuinbouwgewassen;
- terrein in gebruik voor de teelt van kleinfruit;
- natuurlijk grasland.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Binnenwater, breder dan zes meter, dat niet onder een andere categorie van bodemgebruik valt.

Toelichting
Tot overig binnenwater wordt gerekend:
- vaarwegen (kanalen, grachten, vaarten e.d.);
- rivieren (m.u.v. Rijn en Maas);
- meren en plassen;
- sloten;
- havens, voor zover geen jachthavens.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Biogas wat niet valt onder biogas uit stortplaatsen, biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties of biogas uit co-vergisting van mest.

Toelichting
Het gaat hierbij voornamelijk om vergisting van afval van plantaardige oorsprong in de industrie en om vergisting van groente- fruit- en tuinafval (GFT). Tot en met 2004 inclusief Biogas, co-vergisting van mest.

Particulier huishouden dat uitsluitend bestaat uit overige leden.

Zie ook: Positie in het huishouden, Samenstelling huishouden

Persoon die anders dan als partner, ouder in een eenouderhuishouden of als thuiswonend kind deel uitmaakt van een particulier huishouden.

Toelichting
Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan iemand die samen met broer(s) en/of zus(sen) een huishouden vormt, een pleegkind, of een kostganger die bij een gezin inwoont.

Zie ook: Positie in het huishouden

Particulier huishouden bestaande uit een eenoudergezin of paar met uitsluitend meerderjarige thuiswonende kinderen, of uit een eenoudergezin of paar met minderjarige thuiswonende kinderen en met overige leden van het huishouden.

Zie ook: Samenstelling huishouden

Particulier huishouden bestaande uit een paar zonder thuiswonende kinderen met overige leden of particulier huishouden met uitsluitend overige leden.

Zie ook: Samenstelling huishouden

Het deel van het brandweerpersoneel dat geen brand- en hulpverleningsactiviteiten verricht. Te denken valt daarbij aan administratieve taken en preventieve taken, zoals voorlichting.

Zie ook: Brandweer, Operationeel personeel brandweer, Totaal personeel brandweer, Vrijwillig personeel brandweer

Plantaardig materiaal dat ontstaat bij industriële processen (vooral de papierindustrie) of landbouwafval (stro, schillen van koffiebonen en dergelijke).

Aardoliegrondstoffen uit andere bronnen.

Toelichting
Voorbeelden zijn synthetische ruwe olie uit teerzanden en olie uit omzetting van kool of aardgas.

De kosten van energieverbruik, huisvesting, machines/installaties /inventaris en dergelijke, vervoermiddelen, verkoopkosten, communicatiekosten, kosten van dienstverlening door derden en overige bedrijfslasten die niet apart zijn gespecificeerd.

Toelichting
Vanaf 2006 zijn bij de Productiestatistieken de overige personeelskosten ondergebracht in de rubriek ‘Personele kosten’.

De bedrijfskosten die niet betrekking hebben op de inkoopwaarde van de omzet, de arbeidskosten (PS) en de afschrijvingen op vaste activa.

Toelichting
Vanaf 2006 zijn bij de Productiestatistieken de overige personeelskosten ondergebracht in de rubriek ‘Personele kosten’. Als overige bedrijfskosten worden beschouwd: kosten van energieverbruik, vervoermiddelen, huisvesting, machines/inventaris/installaties e.d., verkoopkosten, communicatiekosten, kosten van dienstverlening aan derden, overige personeelskosten en overige bedrijfskosten die niet apart zijn gespecificeerd.

Overige personeelskosten betreffen betalingen i.v.m. uitzendkrachten en ingeleend personeel, opleidingskosten, kosten van werving en selectie van personeel, kosten van kantine, arbodiensten, bedrijfskleding, jubilea e.d.

Niet apart gespecificeerde bedrijfskosten kunnen betrekking hebben op kosten voor:
- licentierechten, octrooirechten, auteursrechten, royalty's (alleen indien door derden in rekening gebracht);
- algemeen beheer (doorbelaste intraconcerndiensten);
- kantoorbehoeften, contributies, abonnementen, vakliteratuur;
- de huur of de lease van bedrijfsmiddelen zoals software (echter niet de huur van gebouwen, terreinen, machines, installaties en vervoermiddelen);
- uitbesteed klein onderhoud en reparaties;
- kostprijsverhogende heffingen die niet zijn gespecificeerd;
- overige algemene kosten die evenmin zijn gespecificeerd.

Zie ook: Bedrijfskosten

Bedrijfsopbrengsten die niet behoren tot de netto-omzet.

Toelichting
Het gaat hier met name om:
- de waarde van voorraadmutaties, incl. onderhanden werk;
- vergoedingen voor uitgeleend personeel;
- geactiveerde productie voor het eigen bedrijf;
- subsidies en exportrestituties;
- schade-uitkeringen.

Zie ook: Bedrijfsopbrengsten

Verschillen in de omvang en samenstelling van de bevolking tussen twee opeenvolgende jaren die niet kunnen worden verklaard uit de door de gemeenten gedurende het jaar doorgevoerde wijzigingen in de bevolkingsregisters.

Een nog niet eerder genoemde transactie, die niet het karakter heeft van een kapitaaloverdracht.

Toelichting
Hiertoe behoren voornamelijk de onderlinge overdrachten tussen de verschillende overheidsinstellingen en inkomensoverdrachten in verband met internationale samenwerking.

Zie ook: Inkomensoverdrachten, Kapitaaloverdracht

Kapitaaloverdracht die geen investeringsbijdrage of vermogensheffing is.

Zie ook: Investeringsbijdragen, Kapitaaloverdracht, Vermogensheffingen

Verkeersmisdrijven, omschreven in andere artikelen van de Wegenverkeerswet dan in de artikelen 7, lid 1 en 8.

Toelichting
Voorbeelden zijn: het rijden na een ontzegging, het rijden met een ongeldig rijbewijs, joyriding, het rijden na een opgelegd rijverbod, het weigeren van een blaastest of het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek.

Overige misdrijven omschreven in artikel 1 van de Wet op de economische delicten.

Alle misdrijven die niet vallen onder de categorieën geweldsmisdrijven, vermogensmisdrijven, vernieling en openbare orde.

Toelichting
Enkele voorbeelden zijn: meineed, belediging en stroperij

Niet elders genoemde aardolieproducten.

Een accommodatie met een of meer sportruimten, maar zonder sportzaal, sporthal of tennishal.

Premies afgedragen aan overige particuliere sociale verzekeringsinstellingen. De premies kunnen op dezelfde manier afgeleid worden als de pensioenpremies.

Particuliere sociale uitkeringen die niet gebaseerd zijn op verzekeringen afgesloten bij pensioenfondsen of levensverzekeringsmaatschappijen.

De betalingen voor uitzendkrachten, gedetacheerd en ingeleend personeel, opleidingskosten, kosten van werving en selectie van personeel, kosten van kantine, Arbodiensten, bedrijfskleding, jubilea, personeelsfeestjes en dergelijke.

Geweldsmisdrijven, omschreven in art. 243 t/m 245, 247 t/m 250 Wetboek van Strafrecht.

Toelichting
Bijvoorbeeld ontucht plegen of gemeenschap hebben met een persoon beneden 16 jaar.

Zie ook: Geweldsmisdrijf, Wetboek van Strafrecht

Het werkgeversaandeel in de kosten van de aanvulling WAO-gat, bijdragen aan ziektekostenregelingen, kosten van verhuizing, huisvesting, kinderopvang en dergelijke.

Alle overige voertuigen met een geldig bromfietskenteken anders dan snorfiets, bromfiets of brommobiel.

Toelichting
Hieronder vallen onder andere bromfiets-quads, bakbromfietsen en 3-wielige brommers.

Een persoon die arbeid verricht voor eigen rekening of risico, maar niet in een eigen bedrijf of als meewerkend gezinslid. Tot deze categorie behoren onder meer personen met resultaat uit overige werkzaamheden zoals freelancers..

Zie ook: Zelfstandige

Vlucht waarbij de opstijging en de daarop volgende landing niet op hetzelfde luchtvaartterrein plaatsvinden.

Persoon die is overleden waarbij een bevoegde arts een overlijdensakte heeft ondertekend.

Toelichting
Overledenen worden geteld naar de woongemeente en niet naar de gemeente van overlijden.

In CBS-statistieken hebben overledenen betrekking op personen die bij overlijden in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente zijn opgenomen, ongeacht het land waar het overlijden heeft plaatsgevonden. Personen die niet in Nederland wonen maar wel hier overlijden worden niet meegeteld.

Het uitleveren van personen door een Europese lidstaat aan een andere Europese lidstaat ter berechting en bestraffing voor aldaar begane misdrijven, op grond van het Europees Arrestatiebevel (EAB).

Zie ook: Uitlevering

Tabel die aangeeft hoeveel van 100 duizend pasgeboren jongens of meisjes de leeftijd van een half, anderhalf, 2,5 jaar enzovoort zullen bereiken. De sterfteverhoudingen die gedurende een bepaalde periode (periode-overlevingstafels) of een bepaald geboortecohort (generatie-overlevingstafels) zijn waargenomen vormen hiervoor de basis.

Toelichting
Aan de hand van deze gegevens kan ook voor elk geslacht en elke leeftijd worden berekend hoe groot de kans op overlijden vóór het bereiken van een volgende leeftijd is. Verder kan er per geslacht het aantal nog te verwachten levensjaren na het bereiken van een bepaalde leeftijd uit worden afgeleid (levensverwachting).

Zie ook: Generatie-overlevingstafel, Levensverwachting, Levensverwachting bij geboorte, Periode-overlevingstafel

Elke nacht die een gast doorbrengt in een logiesaccommodatie.

Een in de Nederlandse wetgeving als zodanig aangeduid strafbaar feit van de minder ernstige soort.

Zie ook: Misdrijf, Strafbaar feit, Wetboek van Strafrecht

Het regelmatig buiten de vastgestelde werktijden werken waardoor het aantal contractuele arbeidsuren wordt overschreden.

Toelichting
In de Enquête beroepsbevolking (EBB) wordt aan werknemers gevraagd of ze
overwerken. Dit kan betaald of onbetaald overwerk zijn. Zowel langer op het werk blijven, als werk mee naar huis nemen wordt gerekend tot overwerk. Mensen kunnen aangeven regelmatig, soms of nooit over te werken. Alleen de mensen die aangeven dat ze regelmatig overwerken worden meegenomen in de cijfers.

Uren die boven de voor de werknemer geldende arbeidsduur werkelijk zijn gewerkt en volledig zijn uitbetaald.

Openbaarvervoergebruiker: persoon die tijdens de dag van enquêtering minimaal één rit met het openbaar vervoer heeft gemaakt.

Jaarkaart voor het openbaar vervoer (OV) ingevoerd per 1 januari 1991, die deel uitmaakt van de voorzieningen op basis van de Wet studiefinanciering (WSF).

Toelichting
Vanaf 1994 moet gekozen worden uit een weekkaart of een weekendkaart.