Begrippen

Lijst met begrippen die CBS hanteert in zijn statistieken. Door overal dezelfde definities te gebruiken, kunnen cijfers beter met elkaar vergeleken worden.

Lijst van begrippen

Saba is sinds 10 oktober 2010 een "bijzondere" gemeenten van Nederland.

Toelichting
Met deze nieuwe status als "bijzondere gemeente" is Saba officieel erkend als openbaar lichaam van Nederland. Dit is geregeld in de Wet Openbare lichamen BES.

Salaris is loon. De begrippen loon en salaris worden tegenwoordig door elkaar gebruikt. Aanvankelijk was salaris het loon of de bezoldiging van een ambtenaar.

Zie: Loon

Administratieve opnemingen in de gemeentelijke bevolkingsregisters min de administratieve afvoeringen uit de gemeentelijke bevolkingsregisters.

Toelichting
Het saldo van de administratieve correcties kan worden beschouwd als het saldo van de niet gemelde buitenlandse migratie.

Zie ook: Administratieve afvoering, Administratieve opneming

Het saldo van de baten en lasten die niet te maken hebben met de normale bedrijfsvoering, zoals kosten voortvloeiende uit reorganisatie, boekwinsten en -verliezen uit de verkoop van een bedrijf of andere activa, waaronder (im-)materiële vaste activa. Afschrijving (dubieuze) debiteuren valt ook onder deze post.

Saldo administratieve correcties plus overige correcties.

Het verschil tussen de inzet voor en productie uit energieomzetting.

Toelichting
Voor de ingezette energiedragers, zoals aardgas en steenkool, is het saldo energieomzetting altijd positief. Voor de geproduceerde energiedragers, zoals elektriciteit of benzine, is het saldo altijd negatief. Bij de omzetting naar deze energiedragers wordt er immers meer van geproduceerd dan ingezet. Voor het totaal van alle energiedragers is het saldo de energie die verloren is gegaan bij de omzetting van energiedragers.

Zie ook: Energieomzetting

Het saldo van rentebaten en -lasten, baten en lasten uit deelnemingen, ontvangen dividenden, kosten van leningen, winst en verlies op beleggingen en overige financiële baten en lasten.

Saldo van ontvangsten uit en betalingen aan het buitenland uit hoofde van diensten- en inkomenstransacties. Het saldo is opgebouwd uit drie onderdelen: - het uitvoeroverschot, - het saldo van primaire inkomens ontvangen uit of betaald aan het buitenland, - het saldo van inkomensoverdrachten ontvangen uit of betaald aan het buitenland.

Toelichting
Het uitvoeroverschot is het bedrag waarmee de uitvoer de invoer overtreft.
Primaire inkomens omvatten belastingen op productie en invoer, subsidies, beloning van werknemers en inkomen uit vermogen, zoals rente en dividend.
Inkomensoverdrachten omvatten de dividendbelasting, de uitkeringen sociale verzekering en de overige inkomensoverdrachten.
Het saldo lopende transacties van Nederland met het buitenland wijkt af van het saldo lopende rekening volgens de betalingsbalans op transactiebasis, zoals vastgesteld door De Nederlandsche Bank in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De verschillen tussen beide saldi worden vooral veroorzaakt door definitie- en meetverschillen.

Zie ook: Inkomensoverdrachten, Invoer, Lopende rekening buitenland, Primair inkomen (NR), Uitvoer

Het aantal inwoners van Nederland dat de Nederlandse nationaliteit heeft gekregen anders dan door geboorte min het aantal inwoners van Nederland dat de Nederlandse nationaliteit heeft verloren anders dan door overlijden.

Het verschil tussen toevoegingen en onttrekkingen (incl. vrijval) aan voorzieningen. Het betreft de toevoegingen en onttrekkingen aan interne voorzieningsfondsen, zoals aanloop- en reorganisatiefondsen, onderhoudsfondsen.

Situatie waarbij een persoon tegelijkertijd verschillende uitkeringen ontvangt, bijvoorbeeld een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een bijstandsuitkering.

Toelichting
De som van de personen met een bijstandsuitkering, personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering en personen met een WW-uitkering is door samenloop groter dan het totaal aantal personen met een uitkering. Voorbeelden van samenloop bij uitkeringen: een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een bijstandsuitkering of twee WW-uitkeringen.

Typering van een particulier huishouden op basis van de onderlinge relaties van de personen binnen het huishouden.

Toelichting
De standaardindeling van huishoudens naar samenstelling kent twee varianten. De varianten onderscheiden zich van elkaar door een andere wijze van onderverdeling van de meerpersoonshuishoudens met het oog op toepassingen in respectievelijk demografische en sociaaleconomische statistische beschrijvingen.

Variant 1 Samenstelling huishouden (globale classificatie)
- Eenpersoonshuishouden
- Meerpersoonshuishouden met kinderen
- Meerpersoonshuishouden zonder kinderen

Variant 2a Demografische samenstelling huishouden
- Eenpersoonshuishouden
- Meerpersoonshuishouden met kinderen
• Eenouderhuishouden
• Huishouden met paar met kinderen
- Meerpersoonshuishouden zonder kinderen
• Huishouden met paar zonder kinderen
• Overig huishouden

Variant 2b Sociaaleconomische samenstelling huishouden
- Eenpersoonshuishouden
- Meerpersoonshuishouden met kinderen
• Eenoudergezin met minimaal een minderjarig kind
• Paar met minimaal een minderjarig kind
• Overig meerpersoonshuishouden met kinderen
- Meerpersoonshuishouden zonder kinderen
• Paar zonder kinderen
• Overig meerpersoonshuishouden zonder kinderen.

Rechtsvorm, behorende bij een georganiseerde groep waarin natuurlijke personen, rechtspersonen of combinaties daarvan samenwerken voor een gemeenschappelijk doel of belang, maar waarbij die groep zelf niet in het recht als rechtssubject is erkend als drager van wettelijke rechten en plichten.

Toelichting
Voorbeelden van deze rechtsvorm zijn de maatschap, de vennootschap onder firma (vof) en de commanditaire vennootschap (cv). Na de inwerkingtreding van de Wet Personen Vennootschappen zullen dergelijke samenwerkingsverbanden aangeduid worden als openbare vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (ov), of als openbare vennootschappen mét rechtspersoonlijkheid (ovr). Een ov kan een ovr worden als het vennootschapscontract wordt vastgelegd in een notariële akte.

Zie ook: Juridische eenheid, Natuurlijk persoon, Rechtspersoon

Situatie van twee personen die als paar, al dan niet met kinderen, een particulier huishouden vormen.

Straf of maatregel die is opgelegd in een strafzaak, zoals geldboete, gevangenisstraf, terbeschikkingstelling en ontzegging van de rijbevoegdheid.

Zie ook: Gevangenisstraf, Strafrecht, Terbeschikkingstelling

Schadevergoeding die een ex-verdachte kan claimen als hij voor een strafzaak in verzekering is gesteld en/of in voorlopige hechtenis is genomen, terwijl de strafzaak is geëindigd zonder dat een straf of maatregel is opgelegd. Ook kan een verdachte deze schadevergoeding claimen als hij wel is veroordeeld, maar er voorlopige hechtenis is toegepast voor een feit waarvoor dat niet is toegelaten (art. 89 Wetboek van Strafvordering). Als een zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel, kan de ex-verdachte bovendien een beroep doen op vergoeding van gemaakte kosten (art. 591a Wetboek van Strafvordering).

Toelichting
De ex-verdachte kan ook gelijktijdig een beroep doen op beide regelingen. In dat geval worden de verzoeken op grond van art. 89 Sv en art. 591a Sv als aparte verzoeken behandeld en geteld.

Zie ook: Inverzekeringstelling, Strafrecht, Verdachte, Voorlopige hechtenis, Wetboek van Strafvordering (Sv)

Schadevergoeding wegens gemaakte kosten waarop een ex-verdachte een beroep kan doen als een strafzaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel.(art. 591a Wetboek van Strafvordering).

Zie ook: Schadevergoeding aan ex-verdachten

Schadevergoeding die een ex-verdachte kan claimen als hij voor een strafzaak in verzekering is gesteld en/of in voorlopige hechtenis is genomen, terwijl de strafzaak is geëindigd zonder dat een straf of maatregel is opgelegd. Ook kan een verdachte deze schadevergoeding claimen als hij wel is veroordeeld, maar er voorlopige hechtenis is toegepast voor een feit waarvoor dat niet is toegelaten (art. 89 Wetboek van Strafvordering).

Zie ook: Schadevergoeding aan ex-verdachten

Premie die betaald wordt om de schade te verzekeren als gevolg van ongeval, ziekte, diefstal, aanrijding, enz. Zij worden betaald door ingezeten en niet-ingezeten polishouders aan ingezeten en niet-ingezeten verzekeringsinstellingen.

Toelichting
Het totaal van de schadeverzekeringspremies is gelijk aan dat van de schadeverzekeringsuitkeringen, omdat de vergoeding voor verzekeringsdiensten bij schadeverzekeringsmaatschappijen wordt berekend als het verschil tussen de brutopremies (in rekening gebrachte premies en de aanvulling uit het beleggingsinkomen) en de uitkeringen.

Uitkering die betaald wordt ter compensatie van schade als gevolg van ongeval, ziekte, diefstal, aanrijding enz. Zij worden betaald door ingezeten en niet-ingezeten verzekeringsinstellingen aan ingezeten en niet-ingezeten polishouders.

Toelichting
Het totaal van de schadeverzekeringsuitkeringen is gelijk aan dat van de schadeverzekeringspremies, omdat de vergoeding voor verzekeringsdiensten bij schadeverzekeringsmaatschappijen wordt berekend als het verschil tussen de brutopremies (in rekening gebrachte premies en de aanvulling uit het beleggingsinkomen) en de uitkeringen.

Ontbinding van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenwoonrelatie anders dan door overlijden.

Gerechtelijke uitspraak waarbij in het verleden (tot 22 juni 2001) de verplichting tot samenwonen werd opgeheven, terwijl het huwelijk wettelijk in stand bleef. Na die datum ligt het accent bij dit type scheiding meer op het scheiden van de huwelijksgoederengemeenschap.

Misdrijf tegen de openbare orde, omschreven in artikel 239 Wetboek van Strafrecht.

Toelichting
Het bekendste voorbeeld hiervan is ‘potloodventen’.

Strafrechtelijke of bestuursrechtelijke afdoening van een overtreding op voorstel van het Openbaar Ministerie. Dit is meestal een door de verdachte te betalen geldsom ('boete').

Zie ook: Bestuursrecht, Overtreding (algemeen), Strafrecht, Transactie (juridisch)

Het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli van het daaropvolgend jaar

Toelichting
In een schooljaar wordt een samenhangend deel van het leerplan aangeboden voor alle schoolsoorten behalve het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs. Het schooljaar heeft betrekking op het basisonderwijs, het speciaal basisonderwijs, de speciale scholen, het voortgezet onderwijs (vo), het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo).
In het basisonderwijs kan het schooljaar voor vierjarigen in de praktijk een kortere periode omvatten, omdat zij vanaf het moment dat zij vier jaar worden aan groep 1 kunnen beginnen.

Zie ook: Studiejaar

Brand in een rookafvoerkanaal.

Zie ook: Binnenbrand, Brand (juridisch), Buitenbrand

Uitspraak door de rechter, dat hij het door het Openbaar Ministerie ten laste gelegde feit bewezen en strafbaar acht en van oordeel is dat de verdachte strafbaar is.

Zie ook: Ontslag van (alle) rechtsvervolging, Vrijspraak

Opleidingen in het niet-bekostigd onderwijs die volgens de Standaard Onderwijsindeling (SOI) vallen onder de studierichtingen: 00 'algemeen onderwijs', 05 'opleidingen voor onderwijzend personeel', 10 'onderwijs in de humaniora', 15 'onderwijs in de theologie'.

Zie ook: Niet-bekostigd onderwijs, Standaard Onderwijsindeling 1998 (SOI 1998)

Opleidingen in het niet-bekostigd onderwijs die volgens de Standaard Onderwijsindeling (SOI) vallen onder de studierichtingen: 20 'agrarisch onderwijs', 30 'onderwijs in de wiskunde en natuurwetenschappen', 35 'technisch onderwijs', 40 'transport-, communicatie- en verkeersonderwijs', 50 'medisch, paramedisch onderwijs'.

Zie ook: Niet-bekostigd onderwijs, Standaard Onderwijsindeling 1998 (SOI 1998)

Subsector van de institutionele sector overheid. Tot deze subsector behoren: het Rijk (ministeries en begrotingsfondsen, zoals Gemeentefonds, Provinciefonds, Mobiliteitsfonds en Infrastructuurfonds), de universiteiten, product- en bedrijfschappen, verschillende landelijke stichtingen en organisaties (zoals onderzoeksinstellingen (bijvoorbeeld NWO, KNAW) en aan de universiteiten gelieerde instituten), ideële organisaties (waaronder Oxfam NOVIB, Veilig Verkeer Nederland), verzelfstandigde landelijke overheidsdiensten (zoals de Informatie Beheer Groep) en overige instellingen zoals de Open Universiteit en NS-railinfrabeheer.

Zie ook: Institutionele sector, Sector overheid

Opleidingen in het niet-bekostigd onderwijs die volgens de Standaard Onderwijsindeling (SOI) vallen onder de studierichtingen: 60 'economisch, administratief en commercieel onderwijs', 65 'juridisch en bestuurlijk onderwijs', 90 'onderwijs in de openbare orde en veiligheid'.

Zie ook: Niet-bekostigd onderwijs, Standaard Onderwijsindeling (SOI)

De institutionele sector van de economie die alle (quasi-)vennootschappen bevat met als hoofdfunctie financiële intermediatie, dat wil zeggen het aantrekken, transformeren en distribueren van financiële middelen.

Toelichting
De sector financiële instellingen bestaat uit drie subsectoren: monetaire financiële instellingen, verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen en overige financiële instellingen.

Niet in de sector financiële instellingen begrepen zijn:
- juridisch zelfstandige beleggingsmaatschappijen in het bezit van één of enkele eigenaren, die zelf niet tot de financiële instellingen behoren. Deze zijn ingedeeld bij de sector waartoe de eigenaar behoort;
- niet onder toezicht staande fondsen gericht op de pensioenverzekering van één enkel persoon (pensioen-bv’s). Deze zijn ingedeeld bij de sector huishoudens;
- financiële hulpbedrijven en dergelijke die geen rechtspersoonlijkheid bezitten. Deze zijn ingedeeld bij de sector huishoudens.

Vanuit de bedrijfsklassen gezien bevat de sector financiële instellingen alle eenheden uit de bedrijfsklassen banken, verzekeringswezen en pensioenfondsen en financiële hulpactiviteiten, met uitzondering van de niet onder toezicht staande financiële eenheden die werkzaam zijn voor een niet-financiële vennootschap, waarvan zij onderdeel vormen.
Daarnaast zijn er eenheden in een aantal andere bedrijfsklassen die eveneens tot de sector financiële instellingen behoren. Voorbeelden hiervan zijn:
- operationele lease door maatschappijen die onderdeel vormen van een financiële instelling (bedrijfsklasse verhuur van roerende goederen);
- houdstermaatschappijen van verzekeringsmaatschappijen en monetaire financiële instellingen die zelf niet onder toezicht staan (bedrijfsklasse economische dienstverlening);
- werkgevers-, werknemers- en beroepsorganisaties voor zover die in verband staan met financiële instellingen (bedrijfsklasse overige dienstverlening n.e.g. (niet elders genoemd)).

Zie ook: Financiële intermediatie, Institutionele sector, Sector monetaire financiële instellingen, Sector overige financiële instellingen, Sector verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen

De institutionele sector van de economie die alle natuurlijke personen in huishoudens omvat die langer dan een jaar in Nederland verblijven ongeacht hun nationaliteit. Omgekeerd worden Nederlanders die langer dan een jaar in het buitenland verblijven niet tot deze sector gerekend.

Toelichting
Huishoudens worden onderscheiden in particuliere en institutionele huishoudens. Ze omvatten niet alleen op zichzelf of in gezinsverband wonende personen, maar ook personen in verpleeginrichtingen, bejaardentehuizen, gevangenissen en internaten.
Indien de tot de huishoudens gerekende personen een eigen bedrijf hebben, wordt dit bedrijf ook tot de huishoudens gerekend. Dit is het geval bij de zelfstandigen en de eigenwoningbezitters. Grote, zelfstandig opererende ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid (quasi-vennootschappen) behoren echter tot de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen.

Zie ook: Huishouden, Institutioneel huishouden, Institutionele sector, Nederlander, Particulier huishouden, Quasi-vennootschappen, Sector financiële instellingen, Sector niet-financiële vennootschappen, Zelfstandige

De institutionele sector van de economie die bestaat uit verenigingen en stichtingen waarvan de middelen voor het merendeel afkomstig zijn uit vrijwillige bijdragen van huishoudens en uit inkomen uit vermogen.

Toelichting
Voorbeelden zijn religieuze instellingen, liefdadigheidsinstellingen, politieke partijen, vakbonden en verenigingen op het gebied van cultuur, sport en recreatie. De stichtingen en verenigingen die tot de sector instellingen zonder winstoogmerk (IZW) ten behoeve van huishoudens behoren komen met name voor in de bedrijfsklassen gezondheids- en welzijnszorg, cultuur, sport en recreatie en de overige dienstverlening.

Zie ook: Instelling zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens (IZWh)

Subsector van de institutionele sector overheid. Tot deze subsector behoren: - provincies en waterschappen; - gemeenten, exclusief hun quasi-vennootschappen zoals gemeentelijke vervoersbedrijven; - gemeenschappelijke regelingen, zoals samenwerkingsverbanden van gemeenten op het gebied van afvalverwerking, waterzuivering, brandweer, sociale werkvoorziening; - verzelfstandigde lokale overheidsdiensten, zoals bureaus voor arbeidsbemiddeling en regionale politiekorpsen; - privaatrechtelijke lokale instellingen op het gebied van arbeid, maatschappelijk werk, cultuur en onderwijs zoals banenpools, het Jeugd Werk Garantieplan, centra voor asielzoekers, musea, bibliotheken, scholen voor bijzonder onderwijs en studiebegeleidingsdiensten.

Zie ook: Institutionele sector, Sector overheid

Subsector van de institutionele sector financiële instellingen. Deze subsector omvat: - De Nederlandsche Bank (DNB); - Geldscheppende instellingen die onder toezicht van DNB staan, zoals algemene banken, spaarbanken, effectenkredietinstellingen en zelfstandige hypotheekbanken.

Zie ook: Institutionele sector, Sector financiële instellingen

De institutionele sector van de economie die bestaat uit alle (quasi-)vennootschappen met als hoofdfunctie het produceren van goederen en verhandelbare niet-financiële diensten.

Toelichting
Deze sector omvat:
- alle vennootschappen (nv’s en bv’s), quasi-vennootschappen en coöperatieve verenigingen die niet tot de financiële instellingen worden gerekend (zie financiële instellingen);
- alle instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens (stichtingen en verenigingen) die niet tot de andere sectoren worden gerekend. Voorbeelden zijn bejaardenoorden, ziekenhuizen en woningcorporaties;
- overheidsbedrijven (vennootschappen die geheel of gedeeltelijk eigendom zijn van de overheid) zoals de NS.

Vanuit de bedrijfsklassen gezien bevat de sector niet-financiële vennootschappen alle bedrijfseenheden die niet bij de andere sectoren zijn ingedeeld.

Zie ook: Institutionele sector, Quasi-vennootschappen, Sector financiële instellingen

Het geheel van het Rijk, de provincies, de gemeenten, de samenwerkingsverbanden op grond van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen, de waterschappen en de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties. Deze sector bestaat verder uit instellingen die gecontroleerd en voornamelijk gefinancierd worden door de hiervoor genoemde eenheden én daarbij niet voor de markt produceren, zoals ProRail, de Open Universiteit en TNO, en de instanties die de sociale uitkeringen verstrekken. Ook de overheidsinstellingen die werkzaam zijn in het buitenland, zoals ambassades behoren tot deze sector. Omgekeerd worden buitenlandse ambassades en internationale instellingen, zoals Europol en het Internationaal gerechtshof, daar niet toe gerekend. Vennootschappen maken er in principe geen deel van uit, zelfs al zijn ze geheel of gedeeltelijk eigendom van overheidsinstellingen, zoals de Nederlandse Spoorwegen, Schiphol en De Nederlandsche Bank.

Toelichting
De sector overheid bestaat uit verschillende subsectoren:
- Centrale overheid (CO);
- Lokale overheid (LO);
- Wettelijke sociale verzekeringsinstellingen (SV).

Vanuit de bedrijfsklassen gezien bestaat de overheid uit de bedrijfsklassen overheidsbestuur en sociale verzekering, defensie en gesubsidieerd onderwijs.
Daarnaast zijn er eenheden in een aantal andere bedrijfsklassen die ook tot de sector overheid behoren, zoals:
- specifieke activiteiten van gemeenten, zoals reinigingsdiensten (bedrijfsklasse milieudienstverlening), sociale werkplaatsen (bedrijfsklasse overige industrie) en medische dienstverlening (bedrijfsklasse gezondheids- en welzijnszorg) en aparte gemeenschappelijke regelingen voor deze activiteiten;
- bureaus voor arbeidsbemiddeling, banenpools en het Jeugd Werk Garantieplan (bedrijfsklasse uitzendbureaus);
- aan universiteiten gelieerde instituten (bedrijfsklasse speur- en ontwikkelingswerk);
- opvangtehuizen en asielzoekerscentra (bedrijfsklasse gezondheids- en welzijnszorg); .
- ideële organisaties, zoals Oxfam Novib en SNV (bedrijfsklasse overige dienstverlening n.e.g. (niet elders genoemd)).

Zie ook: Institutionele sector, Sector centrale overheid, Sector lokale overheid, Sector wettelijke sociale verzekeringsinstellingen

Subsector van de institutionele sector financiële instellingen. Deze subsector omvat: - beleggingsinstellingen; - financiële instellingen die niet onder toezicht staan, zoals zelfstandige financierings- en leasemaatschappijen, gemeentelijke kredietbanken, regionale ontwikkelingsmaatschappijen en participatiemaatschappijen; - financiële hulpbedrijven voor het bankwezen zoals de Amsterdamse Effectenbeurs, de optiebeurs, creditcard organisaties en bedrijven op het gebied van krediet- en hypotheekbemiddeling; - financiële hulpbedrijven voor het verzekeringswezen zoals assurantietussenpersonen, waarborgfondsen, pensioenadviesbureaus en verzekeringsbeurzen; - houdstermaatschappijen van monetaire financiële instellingen en verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen voor zover die zelf niet onder de toezichtwetgeving vallen; - Bijzondere Financiële Instellingen (BFI's).

Zie ook: Institutionele sector, Sector financiële instellingen

Opleidingen in het niet-bekostigd onderwijs die volgens de Standaard Onderwijsindeling (SOI) vallen onder de studierichtingen: 70 'sociaal-cultureel onderwijs', 80 'onderwijs in de persoonlijke/sociale verzorging', 85 'kunstonderwijs', 95 'overig onderwijs'.

Zie ook: Niet-bekostigd onderwijs, Standaard Onderwijsindeling 1998 (SOI 1998)

Het deel van de economie dat zich bezighoudt met de productie van verhandelbare goederen en diensten. Deze sector kan worden opgesplitst in de sector niet-financiële vennootschappen en de sector financiële instellingen.

Toelichting
Vennootschappen zijn ondernemingen met rechtspersoonlijkheid. Ook grote zelfstandig opererende ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid (quasi-vennootschappen) worden tot de vennootschappen gerekend, onder andere grote familiebedrijven en gemeentelijke vervoersbedrijven. De vennootschappen worden onderscheiden in niet-financiële vennootschappen en de financiële instellingen.

Zie ook: Institutionele sector, Quasi-vennootschappen, Rechtsvorm van bedrijven, Sector financiële instellingen, Sector niet-financiële vennootschappen

Subsector van de institutionele sector financiële instellingen. Deze subsector omvat alle (quasi-)vennootschappen met als hoofdfunctie het omzetten van individuele risico's in collectieve risico's. Hieronder vallen de pensioen- en spaarfondsen, levens- en schadeverzekeringsmaatschappijen, spaar- en jaarkassen en herverzekeringsmaatschappijen, die onder toezicht van De Nederlandsche Bank staan. Ook de pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen die niet onder toezicht van De Nederlandsche Bank staan, zoals VUT-fondsen, behoren tot deze subsector.

Toelichting
Het toezicht op pensioenfondsen en verzekeraars wordt sinds oktober 2004 uitgeoefend door De Nederlandsche Bank. Voordien werd het toezicht uitgeoefend door de Pensioen- & Verzekeringskamer, een voortzetting van de Verzekeringskamer.
Herverzekeringsmaatschappijen vallen met ingang van 1-1-2008 ook onder het toezicht van De Nederlandsche Bank. Met de invoering van de zorgverzekeringswet per 1-1-2006 zijn de meeste particulier georganiseerde sociale verzekeringsinstellingen opgeheven. Deze instellingen, zoals het voormalige Risicofonds voor de bouwnijverheid (t/m 2007) en diverse ziektekostenregelingen voor specifieke beroepsgroepen (bijvoorbeeld voor gemeenteambtenaren en politiepersoneel), voerden sociale verzekeringsregelingen uit buiten de invloedssfeer van de overheid.

Zie ook: Institutionele sector, Sector financiële instellingen, Sector overheid

Subsector van de institutionele sector overheid. Het betreft instellingen die (geheel of gedeeltelijk) uitvoering geven aan de wettelijke sociale verzekeringsregelingen. Hiertoe behoren: - de toezichts- en uitvoeringsorganen van de wettelijke sociale verzekeringsregelingen zoals het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), waarin sinds 2002 de vroegere uitvoeringsinstanties Cadans, GAK, GUO, USZO, SFB en LISV zijn samengegaan, het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB); - de sociale fondsen, bijvoorbeeld AOW-fonds, WW-fonds en Uitvoeringsfonds voor de Overheid (UFO).

Zie ook: Institutionele sector, Sector overheid, Uitkeringen wettelijke sociale verzekering

De door het CBS gehanteerde indeling naar studierichting van opleidingen in het niet-bekostigd onderwijs.

Toelichting
Bij statistieken over deelname aan het niet-bekostigde onderwijs worden vier sectoren onderscheiden: alpha, beta, economisch en sociaal. De bundeling van opleidingen in deze vier sectoren is gebaseerd op de oude indeling van de studierichtingen in de Standaard Onderwijsindeling (SOI) 1978 van het CBS.

Onder de sector ‘alpha’ vallen het algemeen onderwijs, opleidingen voor onderwijzend personeel, onderwijs in de humaniora, en onderwijs in de theologie.

Onder de sector ‘beta’ vallen het agrarisch onderwijs, onderwijs in de wiskunde en natuurwetenschappen, technisch onderwijs, transport-, communicatie- en verkeersonderwijs, en medisch, paramedisch onderwijs..

Onder de sector ‘economisch’ vallen economisch, administratief en commercieel onderwijs, juridisch en bestuurlijk onderwijs, en onderwijs in de openbare orde en veiligheid.

Onder de sector ‘sociaal’ vallen sociaal-cultureel onderwijs, onderwijs in de persoonlijke/sociale verzorging, kunstonderwijs, en overig onderwijs.

Zie ook: niet-bekostigd onderwijs; onderwijssector SOI; Standaard Onderwijsindeling

Beroepsonderwijs op niveau 4 van Standaard Onderwijsindeling.

Toelichting
Aanvankelijk gebruikte aanduiding voor wat m.i.v. 2005 weer middelbaar beroepsonderwijs genoemd wordt.

Zie ook: Beroepsonderwijs

Omvat het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg van het mbo en de daarmee vergelijkbare oudere en particuliere onderwijsvormen.

Gevolg of complicatie van de primaire doodsoorzaak, evenals andere ziekten die ten tijde van het overlijden aanwezig waren en soms tot de dood hebben bijgedragen.

Zie ook: Primaire doodsoorzaak

Energiedrager die ontstaat door omzetting van primaire energiedragers.

Toelichting
Bijvoorbeeld elektriciteit die in een elektriciteitscentrale wordt opgewekt.

Zie ook: Energiedrager

Herverdeling van het primaire inkomen over deelnemers aan het economisch proces door inkomensoverdrachten.

Deposito’s met een looptijd tot en met twee jaar en deposito’s met een opzegtermijn tot en met drie maanden.

Indeling op het noordelijk halfrond van de maanden van het jaar in vier perioden.

De zomerperiode, die loopt van 1 mei tot 1 oktober en 22 weken telt.

Toelichting
De overige 30 weken vallen onder de winterperiode.

Het corrigeren van maand- of kwartaalcijfers voor jaarlijks terugkerende patronen, om de onderliggende ontwikkeling beter zichtbaar te maken. Voorbeelden van deze patronen zijn feest- en vakantiedagen, vakantie-uitkeringen in mei, bonussen in december en temperatuurschommelingen. Door een reeks cijfers voor dergelijke patronen te schonen, kunnen maand- of kwartaalcijfers onderling vergeleken worden zonder storende seizoeneffecten. Zo kan ook beter een omslag in de ontwikkeling worden vastgesteld.

Toelichting
Het CBS publiceert bijv. het aantal WW-uitkeringen (totaalcijfer en aantallen naar geslacht) gecorrigeerd voor seizoeninvloeden. Door de maanduitkomsten te schonen voor seizoeneffecten zijn ontwikkelingen op de korte termijn beter te volgen. Zo kan bijvoorbeeld een omslag in de stijging of daling van het aantal uitkeringen sneller worden vastgesteld.

Terrein met een zekere mate van verharding dat niet in gebruik is als verkeersterrein of bebouwd terrein.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Overig semi-bebouwd terrein met een zekere mate van verharding.

Toelichting
Tot semiverhard overig terrein wordt gerekend:
- niet met gras begroeide dijk;
- in zee lopende pier;
- braakliggend terrein voor zover dit niet als bouwterrein kan worden beschouwd;
- niet meer in gebruik zijnde spoorbaan.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Beslissing van het Openbaar Ministerie waarbij het, op beleidsmatige of technische gronden, afziet van vervolging van een geconstateerd strafbaar feit.

Zie ook: Beleidssepot, Technisch sepot

Tuin met sierplanten om naar te kijken.

Sint-Eustatius is sinds 10 oktober 2010 een "bijzondere" gemeente van Nederland.

Toelichting
Met deze nieuwe status als "bijzondere gemeente" is Sint-Eustatius officieel erkend als openbaar lichaam van Nederland. Dit is geregeld in de Wet Openbare lichamen BES

Ieder bed of ruimte in een logiesaccommodatie waar één persoon kan slapen.

Toelichting
Alle eenpersoonsbedden of andere eenpersoonsslaapplaatsen in hotels en pensions worden als één slaapplaats geteld; tweepersoonsbedden worden als twee slaapplaatsen geteld. Bijzetbedden in hotels en bedden in dependances worden niet meegeteld.
Bij huisjesterreinen en groepsaccommodaties worden alle eenpersoonsbedden of andere eenpersoonsslaapplaatsen als één slaapplaats geteld; tweepersoonsbedden worden als twee slaapplaatsen geteld.
Slaapplaatsen in vast verhuurde huisjes of bungalows tellen niet mee. Op kampeerterreinen telt een standplaats voor vijf slaapplaatsen. Slaapplaatsen op vaste standplaatsen tellen niet mee.

Het aantal overnachtingen in een bepaalde periode gedeeld door het product van het aantal slaapplaatsen en het aantal dagen van de betreffende periode (brutoslaapplaatsbezettingsgraad).

Toelichting
De nettobezettingsgraad gaat uit van de capaciteit in accommodaties die op dat moment geopend zijn voor gasten.
Stel dat het aantal overnachtingen in maart 1 800 bedraagt en het aantal slaapplaatsen in de geopende accommodaties 150.
De (netto) bezettingsgraad in maart bedraagt dan 1 800 / (31 x 150), uitgedrukt als percentage: 54%.

Persoon of instantie tegen wie een strafbaar feit is gericht of die de gevolgen van een strafbaar feit rechtstreeks heeft ondervonden.

Zie ook: Persoon (juridisch), Strafbaar feit

Iemand van 12 jaar of ouder die één of meer soorten misdaden heeft ondergaan in een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de enquêtedatum.

Toelichting
Het begrip wordt vooral gebruikt in het kader van slachtofferenquêtes. Het blijft meestal beperkt tot de bevolking van 12 jaar of ouder en tot een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de enquêtedatum.

Dode of gewonde als gevolg van een gebeurtenis waarvoor de hulp van de brandweer is ingeroepen, bijvoorbeeld bij brand. Het kan hierbij ook gaan om een hulpverlener.

Zie ook: Brand (juridisch), Brandweer

Hulpverlening van vooral praktische aard aan slachtoffers van misdrijven, verkeersongevallen of andere rampzalige gebeurtenissen.

Zie ook: Slachtoffer (juridisch), Slachtofferhulp Nederland

Landelijke organisatie met één landelijk bureau en ruim 75 lokale bureaus waar voornamelijk vrijwilligers slachtofferhulp verlenen.

Zie ook: Slachtoffer (juridisch), Slachtofferhulp

Strafbaar feit dat geen direct aanwijsbaar slachtoffer kent.

Toelichting
Voorbeelden van slachtofferloze delicten zijn heling, rijden onder invloed, drugs- en wapenhandel.

Zie ook: Slachtoffer (juridisch), Strafbaar feit

Klei-, kleiveen- of veengrond.

Toelichting
Terrein met een aaneengesloten pakket holocene klei- en/of veenlagen van minimaal vijf meter dikte binnen acht meter onder het maaiveld. Deze grond kost de beheerder veel onderhoud. Klei-, kleiveen- en veengrond zijn als volgt gedefinieerd:
- kleigrond: de totale veendikte binnen de bovenste vijf meter slechte grond bedraagt maximaal 50 cm;
- kleiveengrond: de totale veendikte binnen de bovenste vijf meter slechte grond bedraagt tussen de 50 cm en de 400 cm;
- veengrond: de totale veendikte binnen de bovenste vijf meter slechte grond bedraagt minimaal 400 cm.

De oppervlakte onderhoudsgevoelige (slechte) grond wordt berekend in het kader van de Financiële verhoudingswet (Fvw).

Motorschip met een vermogen van ten minste 37 kW, dat is ontworpen om sleepschepen, duwsleepschepen of vlotten te slepen, maar niet om goederen te vervoeren.

Vaartuig ingericht voor het vervoer van lading, dat geen eigen mechanische aandrijving heeft maar speciaal ontworpen is om te worden gesleept.

Vaart waarbij een of meer sleepschepen of bakken door een slepend schip worden voortgetrokken.

Oliën of vetten die gebruikt worden voor smering om het langs elkaar glijden van twee oppervlakken te vergemakkelijken.

Voertuig op twee wielen met een maximale constructiesnelheid van 25 km/uur.

Toelichting
Het betreft voertuigen in scooter dan wel brommer uitvoering.
De scooter heeft kleine, brede wielen; de voeten worden tussen stuur en zadel naast elkaar geplaatst. Ook fietsen met een elektrische motor zijn onder deze groep geregistreerd, met uitzondering van de rijwielen met trapondersteuning. De term snorfiets is voor de wet onbekend. Wettelijk vallen alle snorfietsen onder de classificatie bromfiets.

Het wettelijk bestaansminimum zoals dat in de politieke besluitvorming is vastgesteld.

Toelichting
Het sociaal minimum bestaat uit de bijstandsuitkering en het AOW-pensioen. Het bedrag is afhankelijk van de leefsituatie (alleenstaand, alleenstaande ouder, samenwonend met partner) en leeftijd. Voor huishoudens met minderjarige kinderen wordt het bedrag aangevuld met kinderbijslag en kindgebonden budget. Ook bestaat er vaak recht op huurtoeslag en zorgtoeslag.

Zie ook: Armoede

De werkgeversbijdragen in het kader van de sociale zekerheid. Deze omvatten de toegerekende en werkelijke sociale premies en de werkelijke pensioenpremies.

Zie ook: Toegerekende sociale premies

Premies wettelijke sociale verzekering, pensioenpremies, overige particuliere sociale premies en toegerekende sociale premies. Deze premies komen ten laste van werkgevers, werknemers, zelfstandigen en niet-werkenden.

Toelichting
In de praktijk wordt het werkgeversdeel van deze premies rechtstreeks door de werkgevers aan de verzekeraars betaald. Omdat de werkgeverspremies ook deel uit maken van de loonkosten zijn zij in eerste aanleg behandeld als beloning van werknemers aan huishoudens. Vanuit de huishoudens vloeien ze daarna, samen met de premies die niet ten laste komen van werkgevers, naar de verzekeraars.

Zie ook: Sociale premies ten laste van werkgevers

De ten laste van werkgevers komende premies voor wettelijke sociale verzekering, particuliere sociale premies (waaronder pensioenpremies) en toegerekende sociale premies.

Toelichting
De sociale premies t.l.v. werkgevers worden meestal rechtstreeks door de werkgevers afgedragen aan de verzekeraars. Om tot het juiste loonkostenbegrip te komen worden ze echter in de nationale rekeningen per conventie geboekt als twee transacties: a) een betaling van werkgevers aan hun werknemers en b) een afdracht van de werknemers aan de verzekeraars.

Zie ook: Loonkosten, Sociale premies

Uitkeringen in geld op grond van wettelijke sociale verzekering, sociale voorziening, pensioenvoorziening, overige particuliere sociale premies en uitkeringen rechtstreeks door werkgevers.

Toelichting
Deze uitkeringen worden aan huishoudens toegekend om de financiële lasten te verlichten die voor die huishoudens voortvloeien uit een aantal risico’s en behoeften (zoals ziekte, invaliditeit, arbeidsongeschiktheid, ouderdom, nabestaanden en werkloosheid).

Gemeentelijke woningbedrijven en woningcorporaties.

Toelichting
Woningcorporaties zijn woningbouwverenigingen en woningbouwstichtingen die bij Koninklijk Besluit zijn erkend als instellingen die uitsluitend werkzaam zijn in het belang van de volkshuisvesting.

Overheidsorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de volksverzekeringen AOW, ANW en AKW.

Dag waarover de werknemers loon wordt betaald, incl. dagen waarover werknemers een uitkering krijgen wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid.

Werkgeversdeel sociale verzekeringspremies: dit zijn de werkgeverspremies op grond van onder meer de ziektewet, WW (AWF en wachtgeldfonds) en de WIA (inclusief de uitkeringen die bedrijven hebben gedaan als "eigen risicodrager").

Uitkering die niet het karakter van een verzekeringsuitkering heeft. Er vindt namelijk geen premieheffing plaats; de voorziening komt direct ten laste van de algemene middelen van de overheid.

Sociale zekerheid is het geheel van regelingen die gericht zijn op continuïteit van arbeid en/of inkomen.

Onderscheid van verdachten naar soort persoon (rechtspersoon of natuurlijk persoon) en geslacht.

Zie ook: Natuurlijk persoon, Rechtspersoon

Soort voertuig waarmee op de heenreis van de vakantie de grootste afstand werd afgelegd.

Toelichting
Bij de indeling naar vervoermiddelen zijn in de categorie 'boot' zeilboten, motorjachten en schepen voor zee- of riviercruises ondergebracht. Veerboten en ferry's zijn als een afzonderlijke categorie vermeld of bij de ‘overige vervoermiddelen’ ondergebracht.

Een vorm van aflopend of doorlopend krediet waarbij de aflossing plaatsvindt bij uitkering van een spaarverzekering of een beleggingsdepot.

Terrein in gebruik voor wateropslag.

Toelichting
Tot spaarbekken wordt gerekend:
- wateropslag voor drinkwater;
- wateropslag voor de industrie.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Overeenkomst die op een bepaald moment ingaat en waarbij het opgebouwde spaartegoed wordt verdeeld onder de in leven zijnde deelnemers op de einddatum van de jaarkas.

Toelichting
Alleen de bij de Pensioen- & Verzekeringskamer ingeschreven spaarkassen worden hier ingedeeld.

Het deel van het brutoloon dat de werkgever op grond van de spaarloonregeling op een spaarrekening van de werknemer stort.

Toelichting
Periodiek of eenmalig houdt de werkgever een bedrag in van het brutoloon dat gestort wordt op een aparte spaarloonrekening (of effectenrekening) van de werknemer. Elk jaar kent een maximaal spaarbedrag dat na vier jaar geblokkeerd te zijn, belastingvrij kan worden opgenomen. Tussentijds opnemen is (soms met aanvullende voorwaarden) mogelijk:
- voor het voldoen van premies van bepaalde levensverzekeringen;
- bij de aankoop van een eigen huis;
- bij het opnemen van onbetaald verlof;
- voor de start van een eigen onderneming;
- voor studiekosten;
- voor de financiering van kinderopvang (vanaf 1 januari 2005);
- voor de kosten van de procedure Erkenning verworven competenties (EVC-procedure) (vanaf 1 januari 2007).

De rente is vrij opneembaar tot een bepaald bedrag (belastingvrij) en wordt niet verrekend met de algemene belastingvrijstelling. In 2003 heeft een wetswijziging vervroegd deblokkeren van de spaarlooninleg uit 2000 en de premiespaarinleg uit 2000 en 2001 mogelijk gemaakt. In 2005 heeft een wetswijziging vervroegd deblokkeren van de spaarlooninleg uit 2002 tot en met 2004 mogelijk gemaakt vanaf 1 september 2005.

Zie ook: Bedrijfsspaarregeling

Het bedrag op deposito’s, met uitzondering van girale deposito’s, die in Nederland worden aangehouden bij in Nederland ingezeten banken door de sector huishoudens en de sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens.

Toelichting
Het spaartegoed omvat niet de rente die nog niet is bijgeschreven of uitgekeerd.
Girale deposito’s zijn deposito’s die onmiddellijk en zonder enige significante beperking of boete kunnen worden omgezet in chartaal geld of per cheque, bankopdracht, debitering en dergelijk overdraagbaar zijn.

De voortzetting van het voormalig basisonderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (so-lom), moeilijk lerende kinderen (so-mlk) en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) voor zover verbonden aan scholen voor so-lom en so-mlk.

Toelichting
Tot 1998 was er de interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO) die al het onderwijs omvatte aan kinderen die, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, meer hulp nodig hadden bij de opvoeding en het leren dan het regulier basis- of voortgezet onderwijs kon bieden. Het ging onder meer om:
-kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom);
-moeilijk lerende kinderen (mlk);
-in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk).

Vanaf 1 augustus 1998 is de wetgeving op dit gebied veranderd en zijn de voormalige schoolsoorten so-lom, so-mlk en iobk (voor zover verbonden aan scholen voor so-lom en so-mlk) opgenomen in de Wet op het Basisonderwijs (WBO). Vanaf dat moment wordt het onderwijs aan deze drie groepen gegeven op scholen voor speciaal basisonderwijs. Tegelijkertijd is al het overige basisonderwijs dat onder de interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO) viel, ondergebracht in de Wet op de Expertisecentra (WEC). Zie ook: speciale scholen.

Zie ook: Speciaal onderwijs (so), Speciale scholen

Tot 1998 basisonderwijs voor kinderen die een speciale benadering nodig hadden wegens gedrags- of leerproblemen of wegens een lichamelijke handicap.

Toelichting
Tot 1998 was er de interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO) die al het onderwijs omvatte aan kinderen die, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, meer hulp nodig hadden bij de opvoeding en het leren dan het regulier basis- of voortgezet onderwijs kon bieden. Het ging om:
- kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom);
- moeilijk lerende kinderen (mlk);
- in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk);
- zeer moeilijk lerende kinderen (zmlk);
- zeer moeilijk opvoedbare kinderen (zmok);
- dove kinderen;
- slechthorende kinderen;
- visueel gehandicapte kinderen;
- lichamelijk gehandicapte kinderen;
- meervoudig gehandicapte kinderen;
- langdurig zieken;
- kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden;
- kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

Vanaf 1 augustus 1998 is de wetgeving op dit gebied veranderd en zijn de voormalige onderwijssoorten lom, mlk en iobk (voor zover verbonden aan scholen voor so-lom en so-mlk) opgenomen in de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) en de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO). Vanaf dat tijdstip wordt het basisonderwijs aan deze drie groepen gegeven op scholen voor speciaal basisonderwijs. Het voortgezet onderwijs werd in eerste instantie aangeboden op scholen voor speciaal voortgezet onderwijs (svo). In de periode augustus 1998 tot augustus 2002 is het svo-lom vooral overgegaan naar het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) op het vmbo en is het svo-mlk vooral omgezet in praktijkonderwijs.

Vanaf 1 augustus 1998 zijn alle overige onderwijssoorten die onder de ISOVSO vielen, ondergebracht in de Wet op de Expertisecentra (WEC). Ze worden aangeboden op speciale scholen. Daarbij wordt de opleiding aan kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden alleen aangeboden op het ‘niveau’ van het basisonderwijs. De andere opleidingen worden ook aangeboden als voortgezet onderwijs.

Daarnaast biedt de Wet op de Expertisecentra (WEC) de mogelijkheid om kinderen met een handicap op een school voor regulier basis- of voortgezet onderwijs te plaatsen. Dit gaat gepaard met een leerlinggebonden financiering om speciale voorzieningen in het onderwijs mogelijk te maken (het zogenaamde rugzakje).

Zie ook: Speciaal basisonderwijs (sbao), Speciale scholen

Motorvoertuig voor het wegverkeer ontworpen voor andere doeleinden dan personen- of goederenvervoer.

Toelichting
Hieronder vallen:
a) personenauto's
b) bestelwagens ontworpen voor en voornamelijk gebruikt voor het vervoer van reizigers
c) taxi's
d) huurauto's
e) ziekenwagens
f) campers.
Lichte wegvoertuigen voor goederenvervoer over de weg, touringcars, autobussen en minibussen vallen hier niet onder.
Het begrip personenauto omvat ook taxi's en huurauto's met minder dan tien zitplaatsen. Vanaf 1 mei 2009 worden campers gekentekend als personenauto of als bus afhankelijk van het aantal zitplaatsen. Vóór die datum zijn campers geregistreerd als speciale voertuigen.

Onderwijssoort die in de periode augustus 1998 tot augustus 2002 de voortzetting vormde van het voormalig voortgezet onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (vso-lom) en moeilijk lerende kinderen (vso-mlk).

Toelichting
Tot 1998 was er de interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO) die al het onderwijs omvatte aan kinderen die, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, meer hulp nodig hadden bij de opvoeding en het leren dan het regulier basis- of voortgezet onderwijs kon bieden. Het ging onder meer om:
- kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom);
- moeilijk lerende kinderen (mlk).

Vanaf 1 augustus 1998 is de wetgeving op dit gebied veranderd en zijn de voormalige onderwijssoorten vso-lom en vso-mlk opgenomen in de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO). Het voortgezet onderwijs werd in eerste instantie aangeboden op scholen voor speciaal voortgezet onderwijs (svo). In de periode augustus 1998 tot augustus 2002 is het svo-lom vooral overgegaan naar het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) op het vmbo en is het svo-mlk vooral omgezet in praktijkonderwijs. Tegelijkertijd is al het overige voortgezet onderwijs dat onder de interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO) viel, ondergebracht in de wet op de Expertisecentra (WEC).
Vanaf het schooljaar 2002/'03 is het svo volledig opgegaan in het voortgezet onderwijs.

Zie ook: Leerweg ondersteunend onderwijs (lwoo), Praktijkonderwijs, Speciale scholen, Voortgezet speciaal onderwijs (vso)

Lichte olie bestemd voor gebruik als oplos- of schoonmaakmiddel.

Toelichting
Ook bekend als specialekookpuntbenzine, in het Engels: industrial spirit. Het kookpunt ligt tussen 30 en 200 graden Celsius.

Scholen die basis- en voortgezet onderwijs geven aan zeer moeilijk lerende of opvoedbare kinderen, lichamelijk of zintuiglijk gehandicapte kinderen en langdurig zieken.

Toelichting
Tot 1998 was er de interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO) die al het onderwijs omvatte aan kinderen die, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, meer hulp nodig hadden bij de opvoeding en het leren dan het regulier basis- of voortgezet onderwijs kon bieden. Het ging onder meer om:

- zeer moeilijk lerende kinderen (zmlk);
- zeer moeilijk opvoedbare kinderen (zmok);
- dove kinderen;
- slechthorende kinderen;
- visueel gehandicapte kinderen;
- lichamelijk gehandicapte kinderen;
- meervoudig gehandicapte kinderen;
- langdurig zieken;
- kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden;
- kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

Vanaf 1 augustus 1998 is de wetgeving op dit gebied veranderd en zijn bovenstaande onderwijssoorten ondergebracht in de Wet op de Expertisecentra (WEC). Ze worden aangeboden op speciale scholen. Daarbij wordt de opleiding aan kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden alleen aangeboden op het ‘niveau’ van het basisonderwijs. De andere opleidingen worden ook aangeboden als voortgezet onderwijs. Tegelijkertijd is al het overige basis- en voortgezet onderwijs dat onder de interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO) viel, ondergebracht in de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) en de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO).
.

Vanaf 1 augustus 2003 zijn de kinderen op de speciale scholen onderverdeeld in vier clusters:
- cluster 1 omvat scholen voor visueel gehandicapte kinderen, of meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap;
- cluster 2 omvat scholen voor dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, of meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps;
- cluster 3 omvat scholen voor lichamelijk gehandicapte kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen en langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, of meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps;
- cluster 4 omvat scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen, langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap en onderwijs aan kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

Daarnaast biedt de Wet op de Expertisecentra (WEC) de mogelijkheid om kinderen met een handicap op een school voor regulier basis- of voortgezet onderwijs te plaatsen. Dit gaat gepaard met een leerlinggebonden financiering om speciale voorzieningen in het onderwijs mogelijk te maken (het zogenaamde rugzakje). Vanaf 1 januari 2006 biedt de Wet leerlinggebonden financiering dezelfde mogelijkheid voor het regulier middelbaar beroepsonderwijs.

Zie ook: Speciaal basisonderwijs (sbao), Speciaal voortgezet onderwijs (svo)

Persoon die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent.

Klasse uit de indeling Vaarwegen bevaarbaarheid (CEMT). Vaarweg uitsluitend geschikt voor vaartuigen met een maximale lengte van 38,50 meter, een maximale breedte van 5,05 meter en een maximale diepgang van 2,50 meter. Het laadvermogen van dergelijke schepen is over het algemeen maximaal 400 ton.

Zie ook: Vaarwegen, bevaarbaarheid (CEMT)

Terrein in gebruik voor verkeer en vervoer per rail.

Toelichting
Stations en bijbehorende parkeerplaatsen worden ook tot spoorterrein gerekend.
Smalspoor wordt niet tot spoorterrein gerekend maar tot de aangrenzende vorm van bodemgebruik.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Het geheel van spoorwegtracés dat beheerd wordt door ProRail en andere hoofdspoorwegen (zoals de Betuweroute).

Toelichting
Een spoorwegtracé kan uit meerdere parallelle sporen bestaan. Spoorwegtracés beheerd door particulieren (bijvoorbeeld op industrieterreinen, of spoorwegen voor toeristische doeleinden) zijn uitgesloten, evenals smalspoor en trambanen.

Het deel van het spoorwegnet met een elektrische bovenleiding en daardoor geschikt voor elektrisch aangedreven treinen.

Het deel van het spoorwegnet zonder een elektrische bovenleiding en daardoor niet geschikt voor elektrisch aangedreven treinen.

Een persoon die tenminste één keer een sportieve activiteit heeft beoefend in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête.

Accommodatie met één of meer sporthallen, eventueel in combinatie met één of meer sportzalen en andere sportruimten.

Terrein in gebruik voor sportactiviteiten.

Toelichting
Tot sportterrein wordt gerekend:
- terrein voor veldsport incl. draf- en rensport, golfterrein;
- zwembad, (kunst)ijsbaan;
- sporthal en manege;
- permanente motorcrossbaan (ook provisorisch ingericht);
- bijbehorende tribunes, parkeerterreinen en bos- of heesterstroken;
- bos voor zover gelegen in het sportterrein.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Accommodatie met één of meer sportzalen, eventueel in combinatie met andere sportruimten, maar zonder sporthal.

Gas vrijgekomen bij de verwerking van ijzer tot staal in staalovens.

Persoon die door geen enkele staat als onderdaan kan worden beschouwd.

Grootstedelijke agglomeratie en het hierop georiënteerde omringende gebied.

Toelichting
Het stadsgewest - het stedelijk gebied in functionele zin - bestaat uit een grootstedelijke agglomeratie en het omringende gebied met daarbinnen gelegen kleinere kernen (stadjes, dorpen, gehuchten) die met die agglomeratie door velerlei relaties met elkaar zijn verbonden. Die relaties hebben betrekking op het dagelijks verkeer tussen woon- en werkplaats, verhuizingen van huishoudens en bedrijven en het gebruik van stedelijke voorzieningen. Als zodanig kan het stadsgewest daarom worden beschouwd als een combinatie van een regionaal arbeid-, woning- en verzorgingsgebied. Voor de relaties tussen een grootstedelijke agglomeratie en het omringende gebied zijn twee criteria gehanteerd, namelijk:
- Forensenstromen op basis van gegevens over de woon- en werkgemeente afkomstig van de Enquête Beroepsbevolking over de gecombineerde verslagjaren 1995 tot en met 1997;
- Verhuizingen binnen en tussen gemeenten afkomstig van de statistieken van de binnengemeentelijke verhuizingen en de binnenlandse migratie over de gecombineerde verslagjaren 1996 tot en met 1997.

Voor ieder gehanteerd criterium is een niet-hiërarchische clusteranalyse uitgevoerd met een symmetrisch algoritme, waarna de uitkomsten daarvan in hun onderlinge samenhang zijn geanalyseerd. De uiteindelijke afbakening van de grootstedelijke agglomeraties en de stadsgewesten heeft plaatsgevonden in nauw overleg met de Commissie van Advies voor de Regionale Statistieken. Hierin hadden de belangrijkste gebruikers van de regionale gegevens van het CBS (ministeries, gemeenten, planbureaus, wetenschap en bedrijfsleven) zitting.
De indeling in stadsgewesten is niet landelijk dekkend en is beschikbaar vanaf 1 januari 2000. Het aantal stadsgewesten bedraagt 22.

Zie ook: Grootstedelijke agglomeratie

De stakingsduur in werkdagen per geschil wordt bepaald door het bedrijf waar het langst actie is gevoerd. Bij meerdere acties bij een bedrijf in verband met één geschil is de stakingsduur de som van de duren van de afzonderlijke acties.

Omvang en samenstelling van de bevolking op een bepaald tijdstip.

De Nederlandse hiërarchische indeling van economische activiteiten die vanaf 1993 door het CBS wordt gebruikt om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit.

Toelichting
De SBI '93 kent zes niveaus, waarvan de beide hoogste niveaus (secties en subsecties) door letters en de lagere niveaus (afdelingen, groepen, klassen en subklassen) door cijfers worden aangeduid.
De SBI-code is tot en met het niveau van de klassen (vier cijfers), op een aantal uitzonderingen na, gelijk aan de door Eurostat vastgestelde NACE Rev. 1.1 (Nomenclature générale des Activités économiques dans la Communauté Européenne) die in alle lidstaten van de EU wordt gehanteerd. Genoemde verschillen met de NACE hebben betrekking op activiteiten die in Nederland niet (afzonderlijk) voorkomen en daarom niet in de SBI opgenomen zijn, zoals ijzerwinning en kleuteronderwijs. De subklasse, aangegeven door vijf cijfers, is een nadere Nederlandse verbijzondering. Om ruimte te maken voor de uitsplitsing in subklassen is incidenteel een viercijferige code toegevoegd aan de NACE-codering. Ook hierdoor komen in enkele gevallen de vier-cijferige codes van NACE en SBI niet geheel overeen.
Op het niveau van de afdeling (twee cijfers) stemmen SBI '93 en NACE Rev. 1.1 overeen met de ISIC Rev. 3.1 (International Standard Industrial Classification of All Economic Activities), de door de Verenigde Naties aanbevolen classificatie van economische activiteiten. Deze is in maart 2002 door de Statistische Commissie van de VN vastgesteld.
De NACE Rev. 1 is per 1 januari 2003 op een aantal punten aangepast. Deze nieuwe versie wordt aangeduid als NACE Rev. 1.1. Ook de SBI '93 kent jaarlijkse aanpassingen die aangeduid worden met "SBI '93 versie 200x". Zo heeft bovengenoemde nieuwe versie van de NACE geleid tot de SBI ’93 versie 2003. Daarin zijn, naast de wijzigingen vanwege de NACE, ook wijzigingen aangebracht in de gezondheidszorg en onderwijssector.
Voorganger van de SBI '93 was de SBI '74 die door het CBS vanaf 1974 werd gehanteerd.
Per 1 januari 2008 heeft een ingrijpende revisie plaatsgevonden van de ISIC en de NACE en daarmee ook van de SBI, waarmee de SBI 2008 is ontstaan.

Zie ook: Economische activiteit, ISIC, Nomenclature générale des Activités économiques dans la Communauté Européenne (NACE)

De Nederlandse hiërarchische indeling van economische activiteiten die vanaf 2008 door het CBS wordt gebruikt om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit.

Toelichting
De SBI 2008 kent vijf niveaus, waarvan het hoogste niveau (secties ) door letters en de lagere niveaus (afdelingen, groepen, klassen en subklassen) door cijfers worden aangeduid.
De SBI-code is tot en met het niveau van de klassen (vier cijfers), op een aantal uitzonderingen na, gelijk aan de door Eurostat vastgestelde NACE Rev. 2 (Nomenclature générale des Activités économiques dans la Communauté Européenne) die in alle lidstaten van de EU wordt gehanteerd. Genoemde verschillen met de NACE hebben betrekking op activiteiten die in Nederland niet (afzonderlijk) voorkomen en daarom niet in de SBI opgenomen zijn, zoals ijzerwinning en kleuteronderwijs. De subklasse, aangegeven door vijf cijfers, is een nadere Nederlandse verbijzondering. Om ruimte te maken voor de uitsplitsing in subklassen is incidenteel een viercijferige code toegevoegd aan de NACE-codering. Ook hierdoor komen in enkele gevallen de vier-cijferige codes van NACE en SBI niet geheel overeen.
Op het niveau van de afdeling (twee cijfers) stemmen SBI 2008 en NACE Rev. 2 overeen met de ISIC Rev. 4 (International Standard Industrial Classification of All Economic Activities), de door de Verenigde Naties aanbevolen classificatie van economische activiteiten.
De SBI kent jaarlijkse aanpassingen die aangeduid worden met "SBI 2008, versie 201x".
Voorganger van de SBI 2008 was de SBI '93 die door het CBS vanaf 1993 werd gehanteerd.

Zie ook: Economische activiteit, ISIC, Nomenclature générale des Activités économiques dans la Communauté Européenne (NACE)

De door het CBS gehanteerde indeling van beroepen op grond van de aard van de werkzaamheden. Kenmerkend voor de SBC 1992 is dat de belangrijkste criteria het niveau en de richting van de benodigde bekwaamheden zijn. Binnen de aldus ontstane categorieën wordt een onderscheid gemaakt naar werksoorten. De totale indeling omvat een verzameling volgens gelijke criteriawaarden gecodeerde takenpakketten, samengevoegd tot 1 211 beroepen.

Toelichting
De SBC 1992 vervangt de Beroepenclassificatie 1984. Het voornaamste bezwaar van de oude classificatie is dat de classificatiecriteria onvoldoende eenduidig en operationeel zijn. In de indeling naar acht beroepssectoren lopen het niveau en de richting van het beroep door elkaar heen, waardoor het niet goed mogelijk is beroepen te ordenen naar beroepsniveau.

Zie ook: Beroep (arbeid), Beroepsgroep (nationale definitie), Beroepsklasse (nationale definitie), Beroepsniveau (nationale definitie)

De door het CBS gehanteerde indeling van opleidingen naar niveau en richting, ontwikkeld voor gebruik bij statistiek en onderzoek en voor administratieve doeleinden in Nederland.

Toelichting
De eerste versie van de SOI was de SOI 1978, er zijn sindsdien nog 3 versie verschenen. Omdat er voortdurend opleidingen bijkomen, verschijnt er ieder jaar een nieuwe editie van de SOI waarin deze is geactualiseerd met nieuwe opleidingen van het meest recente schooljaar.

De Standaard Onderwijsindeling 1998 was een revisie van de SOI 1978. Van de SOI 1998 zijn vijf edities verschenen waarin steeds de nieuwe opleidingen waren verwerkt van het overeenkomstige schooljaar. De laatste editie was de Editie 2002/'03.

De Standaard Onderwijsindeling 2003 is ontstaan uit een revisie van de SOI 1998. De eerste editie is de Editie 2003/'04.
De Standaard Onderwijsindeling 2006 is ontstaan door revisie van de SOI 2003. De revisie behelst een nieuwe indeling van de opleidingen naar richting. Daarbij worden onderscheiden: sectorgroepen, (sub)sectoren, rubrieksgroepen en rubrieken. Op het laagste aggregatieniveau, de rubriek sluit de indeling geheel aan bij de indeling naar 'fields of education and training' (ontwikkeld door Eurostat) van de ISCED 1997. Dit is de internationale onderwijsindeling van UNESCO. De eerste editie was de Editie 2006/'07.

Zie ook: Behaald onderwijsniveau, Onderwijssector SOI

De door het CBS vanaf 1978 gehanteerde indeling van opleidingen naar niveau en naar richting, ontwikkeld voor gebruik bij statistiek en onderzoek en voor administratieve doeleinden in Nederland.

Toelichting
De SOI 1978-code bestaat uit vijf cijfers die zo gedetailleerd mogelijk niveau en richting van een opleiding beschrijven. Het eerste cijfer geeft het niveau van een opleiding aan. Uit de volgende vier cijfers kan de richting van een opleiding worden afgeleid: sector, subsector, rubrieksgroep, rubriek.

De SOI 1978 is ontwikkeld met als doel een Nederlandse standaardindeling van opleidingen te vervaardigen, die lange tijd gebruikt kan worden en die zo goed mogelijk aansluit bij de door de UNESCO aanbevolen ISCED. Onderwijs is in het verleden voornamelijk als persoonskenmerk beschouwd. Dit blijkt onder meer uit het gebruik bij de volkstellingen. De ISCED en in navolging daarvan de SOI 1978 heeft voor het opstellen van de classificatie afgezien van de persoon en in plaats daarvan de opleiding als object van de classificatie genomen.

De door het CBS vanaf 1998 gehanteerde indeling van opleidingen naar niveau en naar richting, ontwikkeld voor gebruik bij statistiek en onderzoek en voor administratieve doeleinden in Nederland.

Toelichting
De SOI-code bestaat uit zes cijfers die zo gedetailleerd mogelijk niveau en richting van een opleiding coderen. De eerste twee cijfers geven het niveau (1-7) respectievelijk het subniveau (0-3) van een opleiding aan. Uit de volgende vier cijfers kan de richting van een opleiding worden afgeleid: sector, subsector, rubrieksgroep en rubriek. Omdat er voortdurend opleidingen bijkomen, wordt deze indeling jaarlijks geactualiseerd.

Qua structuur sluit de SOI 1998 niet meer volledig aan bij de in 1997 gereviseerde ISCED, de internationale onderwijsindeling van de UNESCO. In de SOI 1998 is niveau 4 (2e fase voortgezet onderwijs) voor het eerst onderverdeeld in drie subniveaus.


Zie www.cbs.nl/nl-NL/menu/methoden/classificaties/overzicht/soi/default.htm voor gedetailleerde informatie over de SOI-1998.

De door het CBS vanaf 2003 gehanteerde indeling van opleidingen naar niveau en naar richting, ontwikkeld voor gebruik bij statistiek en onderzoek en voor administratieve doeleinden in Nederland.

Toelichting
De SOI-code bestaat uit zes cijfers die zo gedetailleerd mogelijk niveau en richting van een opleiding coderen. De eerste twee cijfers geven het niveau (1-7) respectievelijk het subniveau (0-3) van een opleiding aan. Uit de volgende vier cijfers kan de richting van een opleiding worden afgeleid: sector, subsector, rubrieksgroep en rubriek. Omdat er voortdurend opleidingen bijkomen, wordt deze indeling jaarlijks geactualiseerd.

In de SOI 2003 zijn naast niveau 4 (2e fase voortgezet onderwijs) voor het eerst ook niveau 3 (1e fase voortgezet onderwijs) en niveau 5 (1e fase van het hoger onderwijs) in drie subniveaus onderverdeeld.

De door het CBS vanaf 2006 gehanteerde indeling van opleidingen naar niveau en naar richting, ontwikkeld voor gebruik bij statistiek en onderzoek en voor administratieve doeleinden in Nederland.

Toelichting
De SOI-code bestaat uit zes cijfers die zo gedetailleerd mogelijk niveau en richting van een opleiding coderen. De eerste twee cijfers geven het niveau (1-7) respectievelijk het subniveau (0-3) van een opleiding aan. Uit de volgende vier cijfers kan de richting van een opleiding worden afgeleid: sector, subsector, rubrieksgroep en rubriek. Omdat er voortdurend opleidingen bijkomen, wordt deze indeling jaarlijks geactualiseerd.
Op het laagste aggregatieniveau, de rubriek sluit de indeling geheel aan bij de indeling naar fields of education and training (ontwikkeld door Eurostat) van de ISCED 1997. Dit is de internationale onderwijsindeling van UNESCO.

Economische maat voor de omvang van agrarische bedrijven gebaseerd op de opbrengst die gemiddeld op jaarbasis per gewas of diercategorie wordt behaald.

Toelichting
Voor de berekening van de SO van een bedrijf worden sinds 2010 SO-normen gebruikt. Per gewas en diercategorie worden deze vastgesteld. Ze zijn gebaseerd op gemiddelde waarden over een periode van vijf jaar en worden om de drie jaar geactualiseerd.
De SO van een bedrijf is de som van de totale SO van alle gewassen en dieren en wordt uitgedrukt in euro's..
In de landbouwtelling wordt vanaf 2010 een ondergrens gehanteerd van 3000 euro SO. Bij bedrijven met minder dan 3000 euro SO moet men denken aan bijvoorbeeld een bedrijf met maximaal 2 melkkoeien of maximaal 2 are groene paprika.

Het standaard uurloon wordt berekend door het weekloon te delen door 1/52 van de jaarlijkse contractuele arbeidsduur in uren. Daarin worden de wekelijkse arbeidsduur, het aantal officiële feestdagen (vastgesteld op zes dagen per kalenderjaar), het aantal (onvoorwaardelijke) vakantiedagen en eventuele arbeidsduurverkorting (ADV) verdisconteerd.

Zie ook: Contractuele arbeidsduur

Een huishouden dat na verhuizing hoofdbewoner van een woning is en dat nieuw gevormd is (huwelijk, samenwonen, scheiding, zelfstandig wonen) of geïmmigreerd, of voor de verhuizing geen hoofdbewoner van een woning was.

Een afgeronde havo- of vwo-opleiding of een basisberoepsopleiding (mbo-2; dat wil zeggen niveau 2 van de kwalificatiestructuur, zoals vastgelegd in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB)).

Toelichting
Het minimale niveau dat nodig is om een volwaardige plaats op de arbeidsmarkt te veroveren, of door te stromen naar vervolgonderwijs (hoger onderwijs). Het niveau hiervan is vastgesteld op een afgeronde havo- of vwo-opleiding of een basisberoepsopleiding (mbo-niveau 2). Wanneer jongeren zonder startkwalificatie van school gaan, wordt verwacht dat ze problemen krijgen op de arbeidsmarkt. Dit geldt zowel voor het vinden van een baan als bij het doorstromen naar betere posities op de arbeidsmarkt. Dit betekent dat na het verlaten van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo; voorheen vbo en mavo) nog een opleiding moet worden gevolgd met een minimale opleidingsduur van (meestal) twee jaar. Het bezit van een startkwalificatie wordt afgeleid vanuit het behaalde onderwijsniveau. Personen met een opleiding op minimaal niveau 4.1 van de Standaard Onderwijsindeling (SOI) hebben een startkwalificatie behaald. Ook in de scholing van volwassenen wordt de startkwalificatie regelmatig als minimumeis genoemd.

Het deel van het archief dat betrekking heeft op de archiefbescheiden, die volgens de Archiefwet 1995 bewaard moeten worden. Tegenwoordig betreft dat in principe overheidsstukken ouder dan 20 jaar.

De koopkrachtverandering bij gelijkblijvende persoonlijke omstandigheden.

Toelichting
Deze ontwikkeling vormt de uitkomst van een berekening waarbij alleen inkomensveranderingen als gevolg van algemene prijsontwikkelingen en veranderingen in de regelgeving zijn meegenomen. Zo is bijvoorbeeld wel de stijging van de CAO-lonen in het cijfer opgenomen, maar niet de inkomensverandering als gevolg van periodieke verhogingen.

De term statistisch verschil in de energiestatistiek is het binnenlands verbruik min het energieverbruikssaldo. Idealiter is het binnenlands verbruik (= winning + invoer – uitvoer - bunkering) gelijk aan het energieverbruikssaldo, omdat de energie die Nederland binnenkomt min de energie die er uit gaat, gelijk moet zijn aan de binnen Nederland verbruikte energie. In de praktijk is er een verschil, omdat het niet altijd mogelijk is de uit winning, en invoer, min uitvoer en bunkering resulterende hoeveelheid binnen Nederland bij de verbruikers ’op te sporen’. Vanaf 1999 levert het CBS een vergrote inspanning om het statistisch verschil tot nul terug te brengen.

De eenheden waarop de statistische rapportage over financiële processen en het productieproces betrekking heeft. Het zijn de actoren die de belangrijkste rol spelen in de institutionele beschrijving van deze processen.

Toelichting
De door het CBS gehanteerde statistische eenheden voor economische statistieken zijn:
- Bedrijf / bedrijfseenheid : voor statistieken over het productieproces.
- Ondernemingengroep : voor financiële statistieken.

Asielzoeker van wie het verzoek is ingewilligd en die een (legale) verblijfsstatus heeft gekregen.

Zie ook: Asielverzoek, Asielzoeker

Een rastervierkant van 500 bij 500 meter wordt tot stedelijk gebied gerekend als de omgevingsadressendichtheid (oad) van het betrokken rastervierkant 1 500 of meer adressen per vierkante kilometer is.

Toelichting
In het verdeelstelsel van het provinciefonds zijn stedelijke en landelijke gebieden gedefinieerd op het niveau van rastervierkanten van 500 x 500 meter. Als criterium hierbij geldt de omgevingsadressendichtheid (oad) van het betrokken rastervierkant. Is de oad 1500 of meer adressen per vierkante kilometer, dan behoort dat vierkant tot het stedelijk gebied. Telt de oad minder dan 1000 adressen per vierkante kilometer, dan is er sprake van landelijk gebied.
Jaarlijks berekende het CBS op verzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor iedere provincie cijfers over het aantal inwoners in landelijke en stedelijke gebieden voor het verdeelstelsel van het provinciefonds. Dit verdeelstelsel is op 1 januari 1998 in werking getreden (Staatsblad, 1997, 526).

Een maatstaf voor de concentratie van menselijke activiteiten gebaseerd op de gemiddelde omgevingsadressendichtheid (oad). Hierbij zijn vijf categorieën onderscheiden: - zeer sterk stedelijk: gemiddelde oad van 2500 of meer adressen per km2; - sterk stedelijk: gemiddelde oad van 1500 tot 2500 adressen per km2; - matig stedelijk: gemiddelde oad van 1000 tot 1500 adressen per km2; - weinig stedelijk: gemiddelde oad van 500 tot 1000 adressen per km2; - niet stedelijk: gemiddelde oad van minder dan 500 adressen per km2.

Toelichting
Onder omgevingsadressendichtheid wordt verstaan het aantal adressen binnen een cirkel met een straal van één kilometer rondom een adres, gedeeld door de oppervlakte van de cirkel. Bij de indeling naar stedelijkheid zijn numerieke waarden van de gemiddelde omgevingsadressendichtheid voor afzonderlijke gebieden gecategoriseerd in vijf groepen of klassen. De klassengrenzen van de verschillende categorieën stedelijkheid worden toegepast met ingang van 1992 en zijn zo gekozen dat alle klassen ongeveer hetzelfde aantal inwoners bevatten. De gemiddelde omgevingsadressendichtheid van een gebied is het gemiddelde van de omgevingsadressendichtheden van alle adressen in dat gebied. De omgevingsadressendichtheid wordt uitgedrukt in adressen per km2.

Zie ook: Omgevingsadressendichtheid van een adres

Soort kool met een verbrandingswaarde groter dan 23,865 megajoule per kilogram van het asvrije en natte product.

Toelichting
Hierbij worden vier soorten onderscheiden, namelijk antraciet, cokeskool, ketelkool en steenkoolbriketten.

Een fossiele brandstof die bestaat uit verkoolde plantenresten. Onderscheiden worden de soorten steenkool, bruinkool en turf. Dit zijn de primaire vormen van kool. Dit wil zeggen dat de kool niet is omgezet in steenkoolproducten, de secundaire vorm van kool.

Tot blokken geperste steenkool.

Van kool afgeleide producten zoals steenkoolcokes en hoogovengas.

Toelichting
Kool is een fossiele brandstof die bestaat uit verkoolde plantenresten.

Een zwarte taaie vloeibare massa, die wordt toegepast bij de verduurzaming van ijzer, onderwaterbehandelingen, ondergrondse constructies in beton of staal, buitenkant van schepen, houten schuren, pramen of schuiten.

Het aantal personen dat is overleden waarbij een bevoegde arts een overlijdensakte heeft ondertekend.

Toelichting
Overledenen worden geteld naar de woongemeente en niet naar de gemeente van overlijden.
In CBS-statistieken heeft sterfte betrekking op het aantal personen dat tijdens het overlijden in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente is opgenomen, ongeacht het land waar het overlijden heeft plaatsgevonden. Personen die niet in Nederland wonen maar wel hier overlijden worden niet meegeteld.

Kans op overlijden op een bepaalde leeftijd.

Toelichting
Sterftekansen hebben betrekking op verzamelingen van personen, niet op individuele personen die tot die verzameling behoren.

Instelling die werkzaamheden verricht voor de coördinatie en ondersteuning van lesprogramma's kunstzinnige vorming in scholen, club- en buurthuizen e.d.

Personeel dat werkzaamheden verricht voor de coördinatie en ondersteuning van lesprogramma's kunstzinnige vorming in scholen, club- en buurthuizen e.d.

Rechtspersoon, bij notariële akte of testament opgericht door één of meer personen om een bepaald doel te bereiken met behulp van een vermogen. Er mag winst worden gemaakt maar deze moet ten goede komen aan een ideëel of maatschappelijk doel.

Toelichting
Een stichting kan worden opgericht door natuurlijke en/of niet-natuurlijke personen.
Zodra de verplichte inschrijving in het handelsregister heeft plaatsgevonden zijn de bestuurders niet meer privé aansprakelijk voor verplichtingen van de rechtspersoon.

Zie ook: Rechtspersoon

Een organisatie die zich bezig houdt met het voorkomen en bestrijden van jeugdcriminaliteit.

Toelichting
De organisatie bestaat uit regionale Halt-teams, die aansluiten op de gerechtelijke kaart en de 10 politieregio’s, en een landelijk kantoor. Halt werkt samen met relevante ketenpartners en maatschappelijke organisaties.

Zie ook: Halt (Het Alternatief), Halt-straf

Adoptie waarbij de (nieuwe) partner van een van de ouders het kind adopteert. De familieband met één ouder blijft dus voortbestaan, terwijl de familieband met de andere ouder (als die er is) wordt verbroken.

Zie ook: Adoptie

Zware olie voor voorstuwing van de grensoverschrijdende scheepvaart (bunkering), maar ook als brandstof in de industrie.

Toelichting
Dit is de olie die overblijft na destillatie in de raffinaderij. Stookolie is bij kamertemperatuur stroperig en moet voor gebruik voorverwarmd worden om het vloeibaar te maken.

Zie ook: Stookolie, hoogzwavelig, Stookolie, laagzwavelig

Stookolie met een zwavelgehalte groter dan 1 procent.

Toelichting
Wordt vooral gebruikt als brandstof voor zeeschepen (bunkering).

Zie ook: Stookolie, Stookolie, laagzwavelig

Stookolie met een zwavelgehalte van 1 procent of minder.

Toelichting
Wordt vooral gebruikt als brandstof voor zeeschepen (bunkering) en in mindere mate in de industrie en bij elektricteits- en warmteproductie.

Zie ook: Stookolie, Stookolie, hoogzwavelig

Water van 100 graden Celsius of warmer. Uitgedrukt als normaalstoom, dat is stoom met een druk van 1 bar en een temperatuur van 100 graden Celsius.

Stoom is water van 100 graden Celsius of warmer. Warm water heeft een temperatuur van minder dan 100 graden

Een pedagogische handreiking voor personen beneden de 12 jaar die een strafbaar feit hebben begaan dat door Halt kon worden afgehandeld.

Toelichting
Halt voert sinds 2006 de Stop-reactie niet meer uit.

Zie ook: Halt (Het Alternatief), Stichting Halt, Strafbaar feit, Verdachte

Terrein voor opslag van afval.

Toelichting
Tot stortplaats wordt gerekend:
- stortplaats;
- bijbehorende gebouwen, parkeerterreinen en bos- of heesterstroken.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Handeling, of juist nalatigheid om te handelen, die bij wet strafbaar is gesteld.

Toelichting
Strafbare feiten worden onderscheiden in overtredingen en misdrijven.

Zie ook: Delict, Misdrijf, Overtreding (algemeen), Wetboek van Strafrecht

Onderdeel van het recht dat regelt hoe mensen zich in de samenleving dienen te gedragen en hoe de overheid kan en mag reageren op strafbare feiten.

Toelichting
In het strafrecht wordt onderscheid gemaakt tussen kantonstrafzaken (overtredingen) en rechtbankstrafzaken (misdrijven).

Geheel van rechtshandelingen door het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht met betrekking tot strafzaken.

Zie ook: Openbaar Ministerie (OM), Strafzaak

Proces-verbaal dat is ingeschreven bij het Openbaar Ministerie, met als doel het voor te leggen aan de rechter. Een strafzaak is in beginsel gericht op één verdachte.

Zie ook: Openbaar Ministerie (OM), Proces-verbaal, Verdachte

Een archief van samenwerkende gemeenten en/of waterschappen, ondergebracht in een gemeenschappelijke bewaarplaats en beheerd door een daartoe aangestelde archivaris.

Een archief van samenwerkende gemeenten en/of waterschappen, ondergebracht in decentrale bewaarplaatsen en beheerd door een daartoe aangestelde "rondreizende" archivaris.

OV-studentenkaart die alleen geldig is op maandag tot en met vrijdag.

Het tijdvak van 1 september tot en met 31 augustus van het volgende jaar waarin een samenhangend deel van het leerplan wordt aangeboden voor het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs behalve de Open Universiteit

Zie ook: Schooljaar

Een ruimte in of bij een archiefbewaarplaats met tafels en stoelen waar bezoekers archiefmateriaal kunnen inzien.

Soort kool met een verbrandingswaarde tussen 17,435 en 23,865 megajoule per kilogram en een gehalte aan vluchtige stoffen van meer dan 31 procent (op asvrij drooggewicht).

De mate van tevredenheid met de financiële en maatschappelijke positie, de woonsituatie, de vrijetijdsbesteding, vrienden en kennissen, de maatschappij en het huwelijk en gezin.

Verblijfsvergunning die wordt toegekend aan iemand die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, maar die een reëel risico loopt op ernstige schade als hij naar zijn thuisland zou terugkeren

Zie ook: Asielmigrant, Asielzoeker, Verblijfsvergunning asiel

Betalingen om niet die door de overheid of de Instellingen van de Europese Unie worden gedaan aan ingezeten producenten, met het doel de productieniveaus, de prijzen of de beloning van de productiefactoren te beïnvloeden.

Loodhoudende motorbenzine met een octaangetal groter dan 98.

Toelichting
Er zijn gegevens over de periode 1946-1996. Hierna bevatte super motorbenzine zeer weinig tot geen lood meer.

Loodvrije motorbenzine met een octaangetal groter dan 98.