Begrippen

Lijst met begrippen die CBS hanteert in zijn statistieken. Door overal dezelfde definities te gebruiken, kunnen cijfers beter met elkaar vergeleken worden.

Lijst van begrippen

Twee op basis van huwelijk, partnerschapsregistratie of samenwoonrelatie bij elkaar behorende personen.

Zie ook: Positie in het huishouden, Samenstelling huishouden

Particulier huishouden bestaande uit een paar met ten minste één minderjarig thuiswonend kind, zonder verdere overige leden.

Zie ook: Samenstelling huishouden

Particulier huishouden bestaande uit een paar zonder thuiswonende kinderen en zonder overige leden.

Zie ook: Samenstelling huishouden

Terrein met groenvoorziening in gebruik voor ontspanning.

Toelichting
Tot park en plantsoen wordt voor het publiek opengesteld terrein gerekend bestaande uit gazons, speel- en ligweiden, paden, bosschages, bloemperken, heesterbeplanting en waterpartijen. Delen van het park die zijn te typeren als bos (ook indien groter dan 1 hectare) worden als park of plantsoen geclassificeerd.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf niet-bedrijfsmatig voorzien van de dagelijkse behoeften.

Zie ook: Sector huishoudens

Schriftelijk en mondeling onderwijs dat aan particuliere onderwijsinstellingen wordt gegeven.

Toelichting
Het CBS-onderzoek naar deelname aan het particulier onderwijs bestrijkt slechts een deel van het particuliere onderwijsterrein. Het onderzoek richt zich op onderwijsinstellingen. Dat wil zeggen dat bedrijven en instellingen die weliswaar cursussen aanbieden, maar dit niet als hoofdtaak hebben, buiten het onderzoek blijven: bijvoorbeeld bedrijven die cursussen verzorgen voor hun personeel, of vakbonden, musea en zorginstellingen die cursussen aanbieden. Het onderzoek omvat binnen de categorie onderwijsinstellingen alleen de particuliere onderwijsinstellingen. Dat wil zeggen dat het particuliere onderwijs dat aangeboden wordt door de reguliere (publiek gefinancierde) scholen (ook wel contractonderwijs genoemd) buiten het onderzoek valt.
Van de particuliere onderwijsinstellingen worden ten eerste de instellingen geënquêteerd die erkende mbo- en hbo-opleidingen aanbieden, dat wil zeggen opleidingen de opgenomen zijn in het Centraal register beroepsopleidingen (CREBO) en het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO). Aan deze instellingen worden ook de aantallen deelnemers gevraagd aan de overige opleidingen en cursussen die de betrokken instellingen aanbieden. Ten tweede wordt de groep particuliere onderwijsinstellingen geënquêteerd die geen erkende opleidingen aanbieden, maar wel tot 1997 onder de Wet erkende opleidingsinstellingen vielen. Door die wet werden vroeger complete instellingen erkend, en niet, zoals tegenwoordig gebruikelijk, specifieke opleidingen.

De cursussen en opleidingen van de Volksuniversiteiten en de Stichting Teleac vallen buiten het onderzoek.

Het schooljaar heeft tot en met 1996/'97 betrekking op cursussen die in de periode november jaar t tot en met oktober jaar t+1 aangeboden worden. Vanaf schooljaar 1997/'98 gaat het om de periode augustus jaar t en tot en met juli jaar t+1.

Een IZW die niet onder toezicht staat en niet hoofdzakelijk wordt gefinancierd door de overheid.

Toelichting
Indien meer dan 50% van de productiekosten door verkopen wordt gedekt is het een particuliere IZW ten behoeve van bedrijven (IZWB). Voorbeelden van IZWB zijn onderzoeks- en testlaboratoria, werkgeversorganisaties en beroepsverenigingen. Ze worden ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen.
Indien minder dan 50% van de productiekosten wordt gedekt door verkopen is het een particuliere IZW ten behoeve van huishoudens (IZWH) die bij de gelijknamige subsector wordt ingedeeld. Voorbeelden daarvan zijn vakbonden, sportclubs en kerkgenootschappen.

Zie ook: Instelling zonder winstoogmerk (IZW)

Persoon die een paar vormt met een andere persoon in een particulier huishouden.

Zie ook: Positie in het huishouden

Burgerlijke staat die ontstaat na het aangaan van een geregistreerd partnerschap.

Zie ook: Burgerlijke staat

Een op het huwelijk lijkende vorm van vastlegging van een relatie in een akte van de Burgerlijke Stand. De registratie staat open voor paren van gelijk en van verschillend geslacht.

Toelichting
De registratie is ingevoerd in Nederland per 1 januari 1998.

Het deelnemen aan woon-werkverkeer als passagier in een auto.

Een bezoeker van een hotel die daar niet blijft overnachten.

Zie ook: Gast, Hotel, Pension

Posten op de creditzijde van een balans, vaak betrekking hebbend op schulden die men te betalen heeft.

Rijksinrichting voor het ondergaan van een vrijheidsstraf.

Toelichting
Verschillende soorten vrijheidsstraffen worden vaak gecombineerd ondergebracht in één inrichting.
Tot penitentiaire inrichtingen worden gerekend: huizen van bewaring, gevangenissen, gecombineerde inrichtingen, bijzondere inrichtingen en overige diensten. De indeling van de penitentiaire inrichtingen in categorieën is gebaseerd op het type gedetineerde dat in de inrichting wordt ingesloten, de zogenaamde indeling naar bestemming.

Zie ook: Gevangenis, Huis van bewaring

Periodieke uitkering die mensen ontvangen na ontslag uit een baan of betrekking wegens het bereiken van een vooraf vastgestelde leeftijd of wegens overlijden van de partner.

Toelichting
Voorbeelden van pensioen zijn ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en invaliditeitspensioen.

Wettelijk erkend fonds waarin gelden worden bijeengebracht waaruit pensioenen of pre-pensioenen worden betaald. Pensioenfondsen zijn gelieerd aan een onderneming, bedrijfstak of beroepsgroep.

Toelichting
Onder de sector Pensioenfondsen binnen de nationale rekeningen vallen alle fondsen die onder toezicht staan van De Nederlandsche Bank, aangevuld met enkele kleinere, niet onder toezicht staande fondsen (onder andere VUT-fondsen).

Alle instellingen met als hoofdfunctie het omzetten van individuele risico's in collectieve risico's. Hieronder vallen onder meer de bedrijfstakpensioenfondsen, de ondernemingspensioenfondsen en levens- en schadeverzekeringsmaatschappijen.

Toelichting
De verzekerden (deelnemers / polishouders) betalen premies aan bovengenoemde vermogensbeheerders. Hiermee bouwen zij hun pensioen- en levensverzekeringsaanspraken op.

Premies die worden betaald op grond van collectieve contracten bij pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen.

Toelichting
Ze worden berekend als de werkelijke brutopensioenpremies, minus de vergoeding van verzekeringsdiensten (=consumptie), plus de aanvulling uit beleggingsinkomen.
De aanvulling uit beleggingsinkomen is het inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders voor zover dit betrekking heeft op pensioen.

Particuliere sociale uitkeringen die betrekking hebben op ouderdomsverzekering, overlijdensverzekering of invaliditeitsverzekering, door werkgevers voor hun werknemers afgesloten bij pensioenfondsen of levensverzekeringsmaatschappijen.

Een verzekering die een werkgever afsluit met een pensioenfonds of pensioenverzekeraar om zijn werknemers te voorzien van een pensioenuitkering als aanvulling op de AOW-uitkering.

Toelichting
Pensioenverzekeringen vallen onder het regime van de Pensioen- en Spaarfondsenwet of de Wet Toezicht Verzekeringsbedrijf.
Bekende pensioenregelingen zijn de eindloonregeling, middelloonregeling, een combinatie eind/middelloonregeling, vaste bedragenregeling en de beschikbare premieregeling; zie aldaar.

Een accommodatie met slaapplaatsen voor logiesverstrekking in overwegend een- en tweepersoonskamers, waar afzonderlijke maaltijden, kleine etenswaren en dranken kunnen worden verstrekt aan gasten maar niet aan passanten.

Toelichting
Een principieel verschil tussen een hotel en een pension is dat een hotel wel consumpties verstrekt aan passanten en een pension niet.

Zie ook: Gast, Hotel, Passant

Het aantal doodgeborenen na een zwangerschap van ten minste 24 weken plus het aantal levendgeboren dat binnen zeven dagen na de geboorte is overleden.

Zie ook: Perinatale sterfte (WHO)

Het aantal doodgeborenen na een zwangerschap van ten minste 28 weken plus het aantal levendgeborenen dat binnen zeven dagen na de geboorte is overleden.

Toelichting
Definitie van de perinatale sterfte conform de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Zie ook: Perinatale sterfte

Tabel die aangeeft hoeveel van 100 duizend pasgeboren jongens of meisjes de leeftijd van een half, anderhalf, 2,5 jaar enzovoort zullen bereiken. De sterfteverhoudingen die gedurende een bepaalde periode zijn waargenomen vormen hiervoor de basis.

Zie ook: Overlevingstafel

Werknemers in dienst van een onderneming of instelling.

Toelichting
Er kunnen vier personeelsbegrippen worden onderscheiden:
- Feitelijk personeel: werknemers die werken bij een onderneming of instelling; het feitelijk personeel is gelijk aan het juridisch personeel minus het uitgeleend personeel plus het ingeleend personeel.
- Juridisch personeel (= personeel volgens loonlijst): werknemers die voorkomen op de loonlijst van de onderneming of instelling.
- Ingeleend en uitgeleend personeel: werknemers die voorkomen op de loonlijst van een onderneming of instelling (en als zodanig behoren tot het feitelijk personeel van de onderneming of instelling), maar werken bij een andere onderneming of instelling.

De verdeling van personen en huishoudens naar de hoogte van het inkomen.

De brutolonen en -salarissen van werknemers, de ten laste van de werkgever komende sociale en pensioenpremies en overige sociale lasten. Verder ook de overige personeelskosten, te weten betalingen in verband met uitzendkrachten en ingeleend personeel, opleidingskosten, kosten van werving en selectie van personeel, kosten van kantine, arbodiensten, bedrijfskleding, jubilea en dergelijke. Ontvangen loon(kosten)subsidies zijn in mindering gebracht op de personele kosten.

Motorvoertuig voor personenvervoer over de weg, exclusief brom- en motorfietsen, met maximaal negen zitplaatsen (met inbegrip van de bestuurdersplaats).

Toelichting
Hieronder vallen:
a) personenauto's
b) bestelwagens ontworpen voor en voornamelijk gebruikt voor het vervoer van reizigers
c) taxi's
d) huurauto's
e) ziekenwagens
f) campers.
Lichte wegvoertuigen voor goederenvervoer over de weg, touringcars, autobussen en minibussen vallen hier niet onder.
Het begrip personenauto omvat ook taxi's en huurauto's met minder dan tien zitplaatsen. Vanaf 1 mei 2009 worden campers gekentekend als personenauto of als bus afhankelijk van het aantal zitplaatsen. Vóór die datum zijn campers geregistreerd als speciale voertuigen.

Rechtssubject, drager van wettelijke rechten en plichten. Onderscheiden worden natuurlijke personen en rechtspersonen.

Zie ook: Natuurlijk persoon, Rechtspersoon

Persoon die in het buitenland is geboren en van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren.

Zie ook: Inwoner, Migratieachtergrond, Persoon met een migratieachtergrond.

Persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren.

Toelichting
Er wordt onderscheid gemaakt tussen personen die zelf in het buitenland zijn geboren (de eerste generatie) en personen die in Nederland zijn geboren (de tweede generatie). Ook wordt onderscheid gemaakt tussen personen met een westerse migratieachtergrond en personen met een niet-westerse migratieachtergrond.

Zie ook: Inwoner, Migratieachtergrond, Persoon met een Nederlandse achtergrond, Persoon met een niet-westerse migratieachtergrond, Persoon met een westerse migratieachtergrond

Persoon van wie de beide ouders in Nederland zijn geboren, ongeacht het land waar men zelf is geboren.

Zie ook: Inwoner, Migratieachtergrond

Persoon met als migratieachtergrond een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije.

Toelichting
Op grond van hun sociaal-economische en sociaal-culturele positie worden personen met een migratieachtergrond uit Indonesië en Japan tot de westerse migratieachtergrond gerekend. Het gaat vooral om mensen die in het voormalig Nederlands-Indië zijn geboren en werknemers van Japanse bedrijven met hun gezin.

Zie ook: Inwoner, Migratieachtergrond, Persoon met een migratieachtergrond., Persoon met een Nederlandse achtergrond, Persoon met een westerse migratieachtergrond

Persoon die in Nederland is geboren en van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren.

Zie ook: Inwoner, Migratieachtergrond, Persoon met een migratieachtergrond.

Persoon met als migratieachtergrond een van de landen in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika en Oceanië, en Indonesië en Japan.

Toelichting
Op grond van hun sociaal- economische en sociaal-culturele positie worden personen met een migratieachtergrond uit Indonesië en Japan tot de westerse migratieachtergrond gerekend. Het gaat vooral om mensen die in het voormalig Nederlands-Indië zijn geboren en werknemers van Japanse bedrijven met hun gezin.

Zie ook: Inwoner, Migratieachtergrond, Persoon met een migratieachtergrond., Persoon met een Nederlandse achtergrond, Persoon met een niet-westerse migratieachtergrond

Dit omvat het totaal van inkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, uitkering inkomensverzekeringen en uitkering sociale voorzieningen (m.u.v. kinderbijslag en kindgebonden budget). Premies inkomensverzekeringen (m.u.v. premies voor volksverzekeringen) zijn hierop in mindering gebracht.

Toelichting
Bij het bepalen van het persoonlijk inkomen is een aantal bestanddelen die in het besteedbare inkomen van het huishouden wel een rol spelen, buiten beschouwing gelaten. Dat zijn alle bestanddelen waarvan bij meerpersoonshuishoudens niet eenduidig vastgesteld kan worden aan welke persoon in het huishouden deze inkomsten toegerekend moeten worden. Zo zijn inkomsten uit vermogen, de kinderbijslag, het kindgebonden budget en ontvangen gebonden overdrachten, zoals de huurtoeslag, niet bij het persoonlijk inkomen geteld, terwijl betaalde inkomensoverdrachten, premies ziektekostenverzekeringen en belastingen op inkomen en vermogen hierop niet in mindering zijn gebracht.

Halfzware oliën met een kookpunt tussen 150 en 300 graden Celsius niet bedoeld voor gebruik in de luchtvaart.

Toelichting
Petroleum is qua eigenschappen vergelijkbaar met vliegtuigkerosine, maar wordt gebruikt in sectoren anders dan de luchtvaart. Petroleum wordt ook wel lampolie of lamppetroleum genoemd.

Een zwart en vast bijproduct uit de aardolieverwerking.

Toelichting
Het bevat vooral koolstof en heeft een laag asgehalte. Het wordt onder meer gebruikt voor de productie van elektrodes.

Voorziening voor kinderopvang, bestemd voor kinderen van anderhalf tot vier jaar, die op werkdagen niet meer dan vier uur aaneengesloten geopend is.

Toelichting
Peuterspeelzalen onderscheiden zich van de andere vormen van kinderopvang omdat deze vorm van opvang niet in de eerste plaats bedoeld is om het (beide) ouders of verzorgers van de op te vangen kinderen mogelijk te maken deel te nemen aan het arbeidsproces. Daarvoor is de periode van openstelling te kort. Mede daarom zijn de peuterspeelzalen de laatste jaren geen onderwerp van overheidsbeleid geweest.

Aangeplante verzameling van naaldbomen.

Maatregel bedoeld voor personen die regelmatig strafbare feiten plegen. Deze maatregel kan maximaal twee jaar duren.

Zie ook: Strafbaar feit

Lijst met een opsomming van bestanddelen in een volgorde, die bepaald wordt door de plaatsing van deze bestanddelen in de archiefbewaarplaats.

De naam van een plaats, bewoond oord of ander bebouwd gebied binnen gemeenten.

Toelichting
Het gaat bijvoorbeeld om voorheen zelfstandige gemeenten, dorpen, gehuchten, buurtschappen, lintbebouwingen, grote stadswijken (veelal oudere kernen, tuindorpen, of recentere uitbreidingsgebieden). Plaatsnamen kunnen ook betrekking hebben op omvangrijke industrieterreinen, lucht- en zeehavens en duidelijk herkenbare polders.


Plaatsnamen zijn niet wettelijk vastgesteld. Er is ook geen sprake van een officiële schrijfwijze. De schrijfwijze van de namen sluit zoveel mogelijk aan bij gangbare aanduidingen op gemeentelijke plattegronden. Lidwoorden en voorvoegsels staan achter de plaatsnaam (bijv. Aar, Ter), terwijl tevens de officiële schrijfwijze in hoofdletters en kleine letters is gevolgd.

Beschikbare planklengte van een archiefbewaarplaats die in gebruik is voor de eigen archiefstukken.

Toelichting
Planklengte in eigen gebruik wordt enerzijds onderverdeeld in planklengte met stukken die niet of beperkt openbaar zijn en met stukken die wel openbaar zijn en anderzijds in planklengte bezet met overheidsstukken krachtens de Archiefwet, planklengte bezet met stukken van personen, bedrijven/stichtingen e.d. en overige planklengte (incl. (semi-)dynamische stukken en eigen documentatie).

Het aantal strekkende meters op planken in rekken dat beschikbaar is voor het opbergen van archiefstukken.

Toelichting
De beschikbare planklengte valt uiteen in planklengte niet in gebruik, planklengte verhuurd aan derden en planklengte in eigen gebruik.

Algemene benaming voor alle voor publiek toegankelijke hortussen, botanische tuinen, arboreta, pineta, heemtuinen/kruidentuinen, museumtuinen, modeltuinen/ voorbeeldtuinen, kijk- en siertuinen.

Variabele die aangeeft of een verdachte eenmalig of vaker verdacht is geweest van een misdrijf. Verdachten worden onderscheiden naar first offenders, meerplegers en veelplegers.

Toelichting
Het indelen van verdachten in deze categorieën gebeurt aan de hand van het aantal processen-verbaal van aanhouding dat tegen hen is opgemaakt.

Zie ook: First offender, Meerpleger, Proces-verbaal, Veelpleger, Verdachte

De datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Zie ook: Strafbaar feit

De gemeente waarin het strafbare feit is gepleegd.

Zie ook: Strafbaar feit

De locatie waar het strafbare feit is gepleegd.

Zie ook: Strafbaar feit

Variabele die aangeeft of een verdachte in het peiljaar verdacht is van één, twee of meerdere soorten misdrijven. Verdachten worden onderscheiden naar enkelsoortige, tweesoortige en meersoortige verdachten.

Zie ook: Enkelsoortige verdachte, Meersoortige verdachte, Misdrijf, Tweesoortige verdachte, Verdachte

Het verrichten van arbeid in een systeem waarin de werktijden van twee of meer groepen werknemers (van nagenoeg gelijke omvang) op elkaar aansluiten of elkaar in geringe mate overlappen.

Persoon die plotseling en onverwacht is overleden en van wie wordt aangenomen dat er geen medische beslissingen rond het levenseinde zijn genomen.

Toelichting
Hieronder vallen ook patiënten bij wie het eerste contact met de behandelend arts na het overlijden plaatsvond.

Overheidsorgaan dat belast is met het handhaven van de rechtsorde, het bestrijden van criminaliteit en onveiligheid, waaronder de opsporing van strafbare feiten, en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven (zie artikel 2 PolW).

Toelichting
Nederland kent één politie die is georganiseerd in 25 regionale korpsen en één Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) met verschillende ondersteunende divisies en bijzondere ambtenaren bij de politie (zie artikel 3 PolW). Een regionaal politiekorps is belast met de uitvoering van de politietaak in een bepaald gebied: de politieregio.

Zie ook: Criminaliteit (algemeen), Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), Politiewet (PolW), Rechtshandhaving, Strafbaar feit

Rechterlijk college bestaande uit één rechter, dat minder ingewikkelde strafzaken behandelt.

Zie ook: Strafzaak

Werkgebied van een regionaal korps van de Nederlandse politie.

Toelichting
De indeling in 25 politieregio's is in 1990 door het Ministerie van Justitie ontworpen.

Het afzien van verdere vervolging van een strafbaar feit door de politie, op grond van beleidsregels van het Openbaar Ministerie.

Zie ook: Halt (Het Alternatief), Openbaar Ministerie (OM), Politie, Sepot, Strafbaar feit

Door de politie aan de pleger van een strafbaar feit aangeboden transactie ter voorkoming van strafvervolging.

Toelichting
Deze transactie is een geldsom die binnen twee tot zes weken na constateren van het strafbare feit moet worden betaald.

Zie ook: Politie, Strafbaar feit, Transactie (juridisch)

Wet die omschrijft wat de werkzaamheden en bevoegdheden zijn van de Nederlandse politie.

Zie ook: Politie

Indeling van de werkzame beroepsbevolking naar: - Werknemer - met een vaste arbeidsrelatie - met een flexibele arbeidsrelatie - Zelfstandige - zonder personeel - met personeel - meewerkend gezinslid

Toelichting
Als een persoon meer dan één baan of werkkring heeft, dan wordt uitgegaan van de baan of werkkring waaraan de meeste tijd wordt besteed.

Zie ook: Werknemer, Zelfstandige

Plaats die een persoon in een huishouden inneemt ten opzichte van de referentiepersoon van het huishouden.

Toelichting
De referentiepersoon wordt niet als aparte positie onderscheiden maar neemt een van de andere posities in, behalve die van thuiswonend kind of lid van een institutioneel huishouden.

De standaardindeling van personen naar positie in het huishouden kent één globale classificatie en twee varianten. De varianten onderscheiden zich van elkaar door een andere wijze van onderverdeling van de meerpersoonshuishoudens met het oog op toepassingen in respectievelijk demografische en sociaaleconomische statistische beschrijvingen.

Variant 1. Positie in het huishouden (globale classificatie)
Thuiswonend kind
Partner in paar zonder kinderen
Partner in paar met kinderen
Ouder in eenouderhuishouden
Overig lid huishouden
Alleenstaand

Variant 2a. Positie in het huishouden (Demografische variant)
Thuiswonend kind
Partner in paar zonder kinderen
Partner in niet-gehuwd paar zonder kinderen
Partner in gehuwd paar zonder kinderen
Partner in paar met kinderen
Partner in niet-gehuwd paar met kinderen
Partner in gehuwd paar met kinderen
Ouder in eenouderhuishouden
Overig lid huishouden
Alleenstaand

Variant 2b. Positie in het huishouden (Sociaaleconomische variant)
Alleenstaand
Partner in paar zonder kinderen
Partner in paar met kinderen
- Met minderjarige kinderen
- Met uitsluitend meerderjarige kinderen
Ouder in eenoudergezin
- Met minderjarige kinderen
- Met uitsluitend meerderjarige kinderen
Thuiswonend kind
- Minderjarig kind
- Meerderjarig kind
Overig lid huishouden.

Zie ook: Ouder in eenouderhuishouden, Overig lid van een huishouden, Paar (huishouden), Partner (huishouden), Referentiepersoon, Thuiswonend kind

Een indeling bedoeld als hulpmiddel bij de bezorging van post.

Toelichting
De indeling is door PostNL (voorheen PTT) vastgesteld middels een numerieke aanduiding in vier cijfers en twee letters. Hierbij zijn de letters het meest specifiek en geven veelal een straat of deel van een straat aan.

Onderwijs dat iemand volgt na zijn eerste, oorspronkelijke onderwijsloopbaan in het voltijdonderwijs, dus na bijvoorbeeld het betreden van de arbeidsmarkt

Toelichting
Onder het postinitieel onderwijs vallen alle deeltijdopleidingen en cursussen. In de onderwijsstatistieken worden ook voltijdopleidingen tot het postinitieel onderwijs gerekend als in de periode daarvóór de onderwijsloopbaan van een deelnemer voor minimaal vijf jaar onderbroken is geweest

Zie ook: Initieel onderwijs

De met de werknemer overeengekomen arbeidsduur per week vermenigvuldigd met het aantal weken per jaar.

Het deel van de bevolking dat gelet op zijn leeftijd in aanmerking komt voor deelname aan het arbeidsproces.

Toelichting
De som van de beroepsbevolking (nationaal) en de niet-beroepsbevolking. Voor de Nederlandse situatie worden meestal gegevens gepresenteerd over de (beroeps)bevolking van 15 tot 65 jaar.

Zie ook: Beroepsbevolking (12-uursgrens), Bevolking, Niet-beroepsbevolking

Praktisch onderwijs, aansluitend op het basisonderwijs, dat bestemd is voor leerlingen die niet in staat zijn om een diploma te behalen in het vmbo.

Toelichting
Het praktijkonderwijs is hoofdzakelijk voortgekomen uit het speciaal voortgezet onderwijs voor moeilijk lerende kinderen (svo-mlk). Tussen 1999 en 2002 is het svo-mlk omgevormd tot het praktijkonderwijs.
Het praktijkonderwijs beoogt de leerlingen op te leiden voor zeer eenvoudig werk op de arbeidsmarkt. Stages vormen een essentieel onderdeel van deze onderwijsvorm. Leerlingen die het praktijkonderwijs verlaten, krijgen een getuigschrift.

Het aan maximum gebonden gedeelte van het brutoloon waarover sociale verzekeringspremies worden geheven.

De werkgeversbijdragen voor onder meer pensioen, vut en dergelijke regelingen en spaarregelingen voor de oudedagsvoorziening; in deze post zijn begrepen de premies, inkoopsommen, dotaties aan pensioenvoorzieningen of directe betaling (indien het bedrijf eigen risico draagt).

Premies door huishoudens afgedragen aan wettelijke sociale verzekeringsinstellingen.

Tijdelijke uitkering voorafgaand aan het pensioen die in het kader van de regeling ‘vervroegde pensionering’ wordt betaald aan ex-werknemers uit door betrokkene zelf opgebrachte premies en daarmee gegenereerde beleggingsopbrengsten, en die eindigt bij ingang van de pensioengerechtigde leeftijd.

Toelichting
Bij overheidspersoneel wordt dit aangeduid met Flexibel pensioen en uittreden (FPU). De prepensioenregeling is de vervanger van de VUT-regeling.

Prijsverandering van (een pakket van) goederen of diensten.

Toelichting
De prijsmutatie en de volumemutatie bepalen de waardemutatie van een variabele.

Zie ook: Deflator, Volumemutatie, Waardemutatie

Het primair inkomen bestaat uit de beloning voor het beschikbaar stellen van arbeid en kapitaal

Toelichting
Het is de som van inkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming of inkomen uit vermogen.
Inkomen uit arbeid bestaat uit het brutoloon (inclusief de werknemers- en werkgeversbijdrage in de premies voor de sociale verzekeringen), tantième, spaarloon en de beloning van arbeid die niet in dienstbetrekking is verricht. Ook loon in natura zoals de waarde van het privégebruik van de auto van de werkgever is hiertoe gerekend.
Inkomen uit eigen onderneming vormt de beloning van zelfstandigen voor de inzet van hun arbeid en ondernemingsvermogen.
Inkomen uit vermogen bestaat onder meer uit rente over spaartegoeden, dividenden en opbrengsten uit onroerend goed (waaronder de eigen woning). Betaalde rente (waaronder de hypotheekrente) is in mindering gebracht.

Zie ook: Inkomen uit arbeid, Inkomen uit vermogen

In de Nationale rekeningen (NR) wordt hieronder begrepen het inkomen dat ingezetenen ontvangen voor hun directe deelname aan het productieproces, en het inkomen dat de eigenaar van een vordering of van materiële niet-geproduceerde activa ontvangt voor het verstrekken van financiële middelen, of voor het beschikbaar stellen van de materiële niet-geproduceerde activa aan een andere institutionele eenheid.

Toelichting
Het primair inkomen bestaat uit de beloning van werknemers, rente, dividenden, en uit belastingen en subsidies op productie en invoer.

Zie ook: Ingezetene, Inkomen uit arbeid (NR), Inkomen uit vermogen (NR)

Het primair onderwijs omvat het basisonderwijs, het speciaal basisonderwijs en het onderwijs op speciale scholen.

Toelichting
Het basisonderwijs is bedoeld voor kinderen van 4 tot en met 12 jaar. Kinderen die meer hulp nodig hebben bij de opvoeding en het leren dan het basisonderwijs kan bieden, zijn aangewezen op het speciaal basisonderwijs. Deze onderwijssoort heeft doorgaans kleinere groepen leerlingen dan het basisonderwijs en beschikt over meer afzonderlijke deskundigen om de leerlingen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden te begeleiden.
Speciale scholen zijn bedoeld voor basis- en voortgezet onderwijs aan onder andere visueel gehandicapte kinderen, dove en slechthorende kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, zeer moeilijk lerende of opvoedbare kinderen en langdurig zieke kinderen.

Tot augustus 1998 was het primair onderwijs geregeld in twee wetten: de Wet op het Basisonderwijs (WBO) en de interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO). De WBO omvatte zowel het voormalige kleuteronderwijs als het voormalig lager onderwijs en maakte een eind aan het bestaan van aparte scholen voor kleuteronderwijs en voor lager onderwijs. De ISOVSO behelsde al het onderwijs aan kinderen die, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, meer hulp nodig hadden bij de opvoeding en het leren dan het basisonderwijs of voortgezet onderwijs kon bieden. Het ging om:
 kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom; so en vso);
 moeilijk lerende kinderen (mlk; so en vso);
 in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk; alleen so);
 zeer moeilijk lerende kinderen (zmlk; so en vso);
 zeer moeilijk opvoedbare kinderen (zmok; so en vso);
 dove kinderen (so en vso);
 slechthorende kinderen (so en vso);
 visueel gehandicapte kinderen (so en vso);
 lichamelijk gehandicapte kinderen (so en vso);
 meervoudig gehandicapte kinderen (so en vso);
 langdurig zieke kinderen (so en vso);
 kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden (alleen so);
 kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten (so en vso).

Vanaf 1 augustus 1998 zijn de WBO en de ISOVSO niet meer van kracht en wordt het primair onderwijs geregeld in twee nieuwe wetten: de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) en de Wet op de Expertisecentra (WEC). De WPO regelt zowel het basisonderwijs zoals opgenomen in de WBO, als het speciaal basisonderwijs, dat bestaat uit het voormalige so-lom, het voormalige so-mlk en het voormalige so-iobk (voor zover verbonden aan scholen voor so-lom en so-mlk). Het voormalige vso-lom en vso-mlk vallen vanaf augustus 1998 onder de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO). De WEC regelt het onderwijs voor alle overige onderwijssoorten die onder de ISOVSO vielen. Bij deze speciale scholen wordt de opleiding aan kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden alleen aangeboden op het ‘niveau’ van het basisonderwijs. De andere opleidingen worden ook aangeboden als voortgezet onderwijs.

Vanaf 1 augustus 2003 zijn de kinderen op de speciale scholen onderverdeeld in vier clusters:
 Cluster 1: visuele beperkingen.
Dit cluster omvat scholen voor visueel gehandicapte kinderen, of meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap;
 Cluster 2: auditieve en communicatieve beperkingen.
Dit cluster omvat scholen voor dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, of meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps;
 Cluster 3: lichamelijke en verstandelijke beperkingen.
Dit cluster omvat scholen voor lichamelijk gehandicapte kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen en langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, of meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps;
 Cluster 4: ernstige ontwikkelingsstoornissen.
Dit cluster omvat scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen, langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap en onderwijs aan kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

De WEC biedt ook de mogelijkheid om kinderen met een handicap op een school voor basis- of voortgezet onderwijs te plaatsen. Dit gaat gepaard met een leerlinggebonden financiering om speciale voorzieningen in het onderwijs mogelijk te maken (het zogenaamde rugzakje).

De ziekte of de gebeurtenis waarmee de aaneenschakeling van gebeurtenissen die tot de dood leidde, startte. Men spreekt hierbij wel van de onderliggende ziekte of het grondlijden.

Toelichting
Gevolgen of complicaties hiervan worden meestal als secundaire doodsoorzaak beschouwd, evenals andere ziekten die ten tijde van het overlijden aanwezig waren en soms tot de dood hebben bijgedragen.
Zie bij Methoden > Dataverzameling > Doodsoorzakenstatistiek voor meer informatie.

Uit de natuur gewonnen energiedrager.

Toelichting
Bijvoorbeeld aardolie, aardgas, steenkool, en vormen van duurzame energie (windmolens, waterkracht).

Zie ook: Energiedrager

Beschrijving van de verdeling van het nationaal inkomen over de deelnemers (d.w.z. de leveranciers van de productiefactoren arbeid en kapitaal) aan het productieproces.

Op schrift gestelde verklaring van een opsporingsambtenaar over door hem waargenomen feiten of omstandigheden.

Zie ook: Proces-verbaal van aanhouding

Schriftelijk verslag van een kennisgeving aan een opsporingsambtenaar dat een strafbaar feit is gepleegd.

Zie ook: Strafbaar feit

Verslag over één of meer strafbare feiten en de daarbij bekend geworden verdachten, toegezonden aan het Openbaar Ministerie.

Zie ook: Openbaar Ministerie (OM), Strafbaar feit, Verdachte

Schriftelijk verslag van de aanhouding van een verdachte opgemaakt door een opsporingsambtenaar.

Zie ook: Opsporingsambtenaar, Verdachte

Een lijst van industriële producten en industriële diensten op het gebied van winning van delfstoffen, industrie en de productie en distributie van elektriciteit, aardgas en water, die binnen de Europese Unie wordt gehanteerd (afgeleid van het Franse "PRODuction COMmunautaire").

Indexcijfer dat de gemiddelde prijsontwikkeling weergeeft van Nederlandse industrieproducten.

Toelichting
De prijsindexcijfers van de afzet zijn een gewogen gemiddelde van prijsgegevens voor de binnenlandse afzet en voor de uitvoer van de desbetreffende goederen. De prijsindexcijfers van het verbruik van grondstoffen en halffabrikaten zijn een gewogen gemiddelde van prijsgegevens van de binnenlandse productie en van de invoer van de desbetreffende goederen.

Stemmingsindicator voor de op korte termijn te verwachten ontwikkeling van de industriële productie, gebaseerd op oordelen en verwachtingen van ondernemers.

Toelichting
De indicator geeft in één oogopslag de conjuncturele ontwikkeling in de industrie weer. Hij is samengesteld op basis van drie variabelen uit de maandelijkse Conjunctuurtest. Het betreft de beoordelingen van de ondernemers over hun orderpositie en hun voorraden gereed product in de verslagmaand, alsmede de verwachte bedrijvigheid in de eerstvolgende drie maanden. Er vindt een correctie plaats voor seizoeninvloeden en bias.
Het producentenvertrouwen is door de Europese Commissie ontwikkeld als zogenaamde Industrial Confidence Indicator. Het CBS publiceert sinds begin 1997 het Producentenvertrouwen volgens de berekeningswijze van de EU. De indicator is vergelijkbaar met andere indicatoren van de Conjunctuurtest en met het zogenaamde Consumentenvertrouwen, dat wordt samengesteld op basis van enkele variabelen uit het Consumentenconjunctuuronderzoek van het CBS.

Belastingen die moeten worden betaald per eenheid geproduceerd of verhandeld product. Ze zijn gerelateerd aan de waarde of aan de hoeveelheid van het product en hebben zowel betrekking op geproduceerde als op ingevoerde producten.

Toelichting
Productgebonden belastingen worden onderscheiden in productgebonden belastingen op productie, belastingen op invoer (excl. BTW), toegerekende BTW en het verschil toegerekende en afgedragen BTW.

Belastingen die gerelateerd zijn aan de waarde of de hoeveelheid geproduceerde of verkochte producten.

Toelichting
Voorbeelden hiervan zijn assurantiebelasting en accijnzen op benzine en op tabak.

Zie ook: Niet-productgebonden belastingen op productie

Subsidies gerelateerd aan de waarde of aan de hoeveelheid van geproduceerde of ingevoerde producten. Ze worden uitgekeerd per eenheid geproduceerd of verhandeld product.

Toelichting
Productgebonden subsidies worden onderscheiden in productgebonden subsidies op productie en subsidies op invoer.

Zie ook: Niet-productgebonden subsidies

Subsidies gerelateerd aan de waarde of de hoeveelheid van ingevoerde producten, die zonder verdere bewerking weer worden uitgevoerd.

Toelichting
Het betreft vooral subsidies op wederuitvoer van zuivelproducten. Subsidies op invoer worden niet verdeeld over bedrijfsklassen.

Subsidies gerelateerd aan de waarde of de hoeveelheid geproduceerde of verkochte producten.

Toelichting
Voorbeelden zijn EU-subsidies op voedingsmiddelen en subsidies voor het openbaar vervoer.

Het voortbrengen van goederen en diensten onder beheer en verantwoordelijkheid van een institutionele eenheid die daarvoor arbeid, kapitaal en goederen en diensten als input gebruikt.

Toelichting
Deze definitie van productie is conform het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen 1995 (ESR 1995). Zuiver natuurlijke processen waarbij de mens niet is betrokken of waaraan hij geen richting geeft, zoals de ongecontroleerde toename van de visstand in internationale wateren (in tegenstelling tot het kweken van vis) vallen niet onder de productie.

Volgens het ESR 1995 (3.07 – 3.09) omvat productie:
a) het voortbrengen van alle individuele of collectieve goederen en diensten met de bedoeling om die aan andere eenheden dan de producent zelf te leveren;
b) het voortbrengen in eigen beheer van alle goederen voor eigen consumptie of voor bruto-investeringen in eigen vaste activa. Dit laatste omvat het voortbrengen van vaste activa zoals gebouwen en dergelijke, het ontwikkelen van computerprogrammatuur en de exploratie van minerale reserves voor de eigen bruto-investeringen in vaste activa.
Het in eigen beheer voortbrengen van goederen door huishoudens wordt alleen meegenomen als de geproduceerde hoeveelheid een groot aandeel uitmaakt van het totale aanbod in een land. Volgens afspraak worden in het ESR 1995 alleen het in eigen beheer bouwen van woningen en het produceren, opslaan en verwerken van landbouwproducten in aanmerking genomen. Alle andere productie van huishoudens in eigen beheer wordt geacht niet van betekenis te zijn voor landen binnen de Europese Unie;
c) het voortbrengen van woondiensten door bewoners van een eigen huis;
d) het voortbrengen van huishoudelijke en persoonlijke diensten door betaald huishoudelijk personeel;
e) het voortbrengen van goederen door vrijwilligerswerk, bijvoorbeeld het bouwen van een woning, een kerk of een ander bouwwerk. Vrijwilligerswerk waarbij geen goederen worden voortgebracht, bijvoorbeeld passen op kinderen en schoonmaken zonder betaling, blijft buiten beschouwing.

De bovenvermelde activiteiten worden ook in aanmerking genomen als ze illegaal plaatsvinden, of wanneer ze niet geregistreerd zijn bij de belastingdienst, de sociale verzekeringsinstellingen, de statistische dienst of bij andere overheidsinstellingen.

Het voortbrengen van huishoudelijke en persoonlijke diensten door huishoudens die binnen hetzelfde huishouden worden verbruikt (uitgezonderd het werk van betaald huishoudelijk personeel en de woondiensten door bewoners van een eigen huis) wordt niet als productie beschouwd. In dit verband kunnen worden genoemd:
a) reiniging, decoratie en onderhoud van de woning, voor zover deze activiteiten gewoonlijk ook door huurders worden verricht;
b) reiniging, onderhoud en reparatie van duurzame consumptiegoederen;
c) bereiden en opdienen van maaltijden;
d) verzorgen en opvoeden van kinderen;
e) verzorgen van zieken, gebrekkigen en bejaarden;
f) vervoer van leden van het huishouden of van hun goederen.

Zie ook: Arbeid, Institutionele eenheid

De waarde van alle voor de verkoop bestemde goederen (ook de nog niet verkochte) en de ontvangsten voor bewezen diensten, alsmede de waarde van producten met een marktequivalent die voor eigen gebruik zijn geproduceerd zoals investeringen in eigen beheer, eigen woningdiensten en landbouwproducten voor eigen consumptie door landbouwers.

Toelichting
De productie is gewaardeerd tegen basisprijzen.
De productiewaarde van productie voor eigen gebruik wordt berekend door de geproduceerde hoeveelheid te waarderen tegen de prijs die de producent bij verkoop zou hebben ontvangen.

Zie ook: Basisprijs, Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen)

Ten behoeve van de internationale vergelijkbaarheid en de vergelijkbaarheid van huurders en woningeigenaren, wordt aan woningen die huishoudens voor eigen gebruik bezitten een - fictieve - huurwaarde toegerekend. In de nationale rekeningen produceert de woningbezitter deze woondiensten en consumeert hij ze ook.

Toelichting
De productie van woondiensten door huishoudens is onderdeel van het beschikbaar inkomen van huishoudens. De fictieve huurwaarde wordt tot de consumptie van huishoudens gerekend. Voor het bepalen van de fictieve huurwaarde van koopwoningen worden de huren van vergelijkbare huurwoningen gebruikt.

Indien er geen fictieve huurwaarde zou worden toegekend, dan zouden de consumptieve bestedingen van huishoudens tussen de verschillende landen slecht vergelijkbaar zijn. Immers, in een land waar 80 procent van de woningmarkt huurwoningen betreft, zou dan 80 procent van de uitgaven aan wonen tot de consumptieve uitgaven worden gerekend, maar in een land waar voor 40 procent wordt gehuurd, slechts 40 procent. (Het betalen van hypotheekrente en aflossing valt namelijk niet onder consumptie.) Door het gebruik van een fictieve huurwaarde wordt in alle landen 100 procent van de uitgaven aan woondiensten opgenomen in de consumptieve bestedingen door huishoudens. Ook het beschikbaar inkomen van huishoudens is door het bijtellen van de woningdiensten van de eigen woning internationaal beter vergelijkbaar

Productie die banken realiseren in de vorm van ‘renteresultaat’. Banken ontvangen een hogere rente op verstrekte leningen en betalen een lagere rente op spaartegoeden dan de zogenaamde interbancaire rente, de rentevoet die banken elkaar in rekening brengen als zij aan elkaar lenen. Het verschil tussen de door een bank ontvangen of betaalde rente en deze interbancaire rente wordt in de Nationale rekeningen beschouwd als productie van banken. De afname van deze productie (de ‘bankdienst’) door ondernemingen, de overheid of zelfstandigen wordt beschouwd als intermediair verbruik. De afname door huishoudens wordt geboekt onder de consumptieve bestedingen.

Toelichting
Voor twee voorbeelden van hoe IGDFI/FISIM wordt berekend, zie Productie van banken.pdf #\\Mspv1f\standaards1\Stat_Coord\StatCoord\bos\Documentatie\BegrippenInfo\productie banken.pdf#

De middelen die nodig zijn in het productieproces. De traditionele productiefactoren zijn: natuurlijke hulpbronnen, arbeid en kapitaal.

Index die de volumeontwikkeling meet van de bruto toegevoegde waarde tegen basisprijzen in een bepaald basisjaar.

Toelichting
Belangrijke conjuncturele indicator voor de ontwikkeling van de productie in de industrie. De productie van de industrie wordt uitgedrukt in een hoeveelheidsindex van de toegevoegde waarde tegen basisprijzen met als referentie het basisjaar 2010. De hoeveelheidsindexcijfers van de productie in de verschillende bedrijfsgroepen en -klassen worden gewogen met de bruto toegevoegde waarde tegen basisprijzen. De wegingscoëfficiënten die voor een bepaald jaar gebruikt worden, zijn in principe gebaseerd op jaar t-1 uit de meest recente Nationale rekeningen.
Directe meting van de index is in de praktijk niet realiseerbaar, omdat veelal kortlopende informatie over de toegevoegde waarde ontbreekt. Toetsing van de productie-index is daarom noodzakelijk. De productie-index industrie wordt jaarlijks aangepast aan de drie meest recente jaren uit de Nationale rekeningen.

Het voortbrengen van goederen en diensten.

Een profiel is een onderwijsprogramma in de bovenbouw van het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) dat een relatief vaststaand vakkenpakket voor het eindexamen heeft. Elk profiel bereidt leerlingen voor op bepaalde studierichtingen in het hoger onderwijs

Toelichting
Vanaf het schooljaar 1998/’99 zijn er in de hogere leerjaren van het havo en vwo een aantal zaken veranderd. Een belangrijk onderdeel van de wijzigingen is de invoering van de zogenaamde profielen, waardoor de vrije keuze van examenvakken grotendeels kwam te vervallen.
Vanaf 1998/’99 kunnen leerlingen in de leerjaren 4 en 5 van het havo en de leerjaren 4, 5 en 6 van het vwo kiezen uit de profielen
-natuur en techniek;
-natuur en gezondheid;
-economie en maatschappij;
-cultuur en maatschappij.

Elk profiel heeft een zelfde gemeenschappelijk deel. Daarnaast is er een profielspecifiek deel met verplichte en niet-verplichte vakken die invulling geven aan het gekozen profiel. Ten slotte is er een vrije ruimte. Daarin kunnen leerlingen bijvoorbeeld vakken volgen uit een ander profiel. Dat vergroot hun mogelijkheden om door te stromen naar het hoger onderwijs.
Leerlingen kunnen met de keuze in hun vrije ruimte zelfs twee profielen combineren, bijvoorbeeld ‘natuur en techniek’ en ‘natuur en gezondheid’ of ‘economie en maatschappij’ en ‘cultuur en maatschappij’.

Interval waarbinnen de bevolking (of het aantal huishoudens) zich met een bepaalde waarschijnlijkheid in de toekomst zal bevinden.

Toelichting
Er wordt onderscheiden dat de kans dat de toekomstige bevolkingsomvang (of het aantal huishoudens) zich hier tussen zal bevinden 67 procent dan wel 95 procent bedraagt.

Het behalen van een doctoraat (de graad van doctor) in het wetenschappelijk onderwijs.

Toelichting
Het doctoraat is het hoogste diploma dat in het wetenschappelijk onderwijs behaald kan worden. De bijbehorende titel is doctor. Het doctoraatsdiploma wordt verkregen na het succesvol verdedigen van een proefschrift. Dit is een persoonlijk wetenschappelijk werk waaraan meestal meerdere jaren studie en het zelfstandig uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek onder supervisie van een aan een universiteit verbonden hoogleraar is voorafgegaan. In die periode is de persoon die wil promoveren (de promovendus) doorgaans als werknemer in dienst van een universiteit of een andere wetenschappelijke instelling.

Een koolwaterstof bestaande uit drie koolstof- en acht waterstofatomen (C3H8).

Publiekrechtelijke rechtspersoon die bestuurszaken op provinciaal niveau behartigt.

Toelichting
Eenheid van territoriaal bestuur tussen rijk en gemeente. Het bestuur van de provincie bestaat uit Provinciale Staten met Gedeputeerde Staten met de Commissaris van de Koningin aan het hoofd. Tot de provincie behoren alle diensten die deel uitmaken van de eigen organisatie. Uitgesloten zijn privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals stichtingen en naamloze vennootschappen, ook als deze volledig gecontroleerd worden door de provincies. Belangrijke taken van provincies zijn het verzorgen van een samenhangend verkeers- en vervoerbeleid, de zorg voor de waterhuishouding, het beheer van het milieu, de bevordering van economische activiteiten en de welzijnszorg.

Bestuurlijk onderdeel van het Nederlands grondgebied.

Toelichting
Sinds het instellen van de provincie Flevoland per 1 januari 1986 telt Nederland 12 bestuurlijke eenheden. Deze indeling in provincies vormt niveau 2 van de Europese NUTS-indeling.

Pijn en/of Symptoombestrijding.

Zie: Intensivering PSB

Een gespecialiseerd ziekenhuis voor mensen met psychische problemen die (moeten) kiezen voor een intramurale en intensieve zorgverlening.

Toelichting
Als psychiatrisch ziekenhuis worden beschouwd: algemene psychiatrische ziekenhuizen en instellingen voor kinder- en jeugdpsychiatrie, forensische psychiatrie, klinische verslavingszorg en psychiatrische deeltijdbehandeling.

Product- of bedrijfschap dat op grond van de Wet op de Bedrijfsorganisatie is opgericht en de Sociaal Economische Raad, die als toezichthouder op de product- en bedrijfschappen fungeert.

Toelichting
Een pbo organiseert bedrijven met een gelijke of verwante economische activiteit (bedrijfschap) of bedrijven die eenzelfde grondstof in opeenvolgende stadia bewerken (productschap). Ze zijn onder meer actief op het gebied van de vakopleiding, afzetbevordering en het uitvoeren van onderzoek. Voorbeelden zijn het Bedrijfschap horeca en het Productschap voor vee en vlees.