Begrippen

Lijst met begrippen die CBS hanteert in zijn statistieken. Door overal dezelfde definities te gebruiken, kunnen cijfers beter met elkaar vergeleken worden.

Lijst van begrippen

Door de gemeenten periodiek getaxeerde waarde van onroerende zaken in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).

Toelichting
Sinds 1 januari 1995 is de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) van kracht. Deze wet verplicht gemeenten al het onroerend goed binnen de gemeentegrenzen periodiek te taxeren en de aldus vastgestelde WOZ-waarde te gebruiken bij het bepalen van de gemeentelijke aanslag onroerendezaakbelasting (ozb). Verder dienen de gemeenten de individuele WOZ-waarden te leveren aan de belastingdienst en de waterschappen voor de heffing van de inkomstenbelasting, de vermogensbelasting en de waterschapsomslagen.
Het eerste WOZ-tijdvak loopt van 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 met als waardepeildatum 1 januari 1995. Dit betekent dat gemeenten gedurende deze periode de onroerende goederen dienen te taxeren naar de waarde per 1 januari 1995. Uit efficiencyoverwegingen was het gemeenten die recent (in 1992, 1993 of 1994) hun onroerend goed hadden getaxeerd, toegestaan van deze taxaties gebruik te maken. De taxaties van deze gemeenten zijn geïndexeerd naar 1995.
De waardepeildatum vanaf 1 januari 2001 is 1 januari 1999. De waardpeildatum vanaf 2005 is 1 januari 2003.
De Waarderingskamer houdt toezicht op de uitvoering van de wet WOZ, waaronder de kwaliteit van de taxaties. WOZ-objecten die voor de ozb verplicht zijn vrijgesteld (onder meer landbouwgrond, infrastructurele werken, ambassades en kerken) zijn niet meegenomen, terwijl WOZ-objecten die op basis van een facultatieve gemeentelijke belastingverordening voor de ozb zijn vrijgesteld (onder meer gemeentelijke gebouwen en kassen) wel zijn meegenomen.

De ontwikkeling van de waarde van een variabele. Deze ontwikkeling kan worden opgesplitst in een prijsmutatie en een volumemutatie.

Zie ook: Prijsmutatie, Volumemutatie

Waardering van stromen en standen in een bepaalde verslagperiode gewaardeerd tegen de prijzen van een voorgaande periode. Zo kunnen veranderingen in de waarde van stromen en standen in de loop der tijd worden ontleed in prijsmutaties en volumemutaties. Bij stromen en standen in constante prijzen wordt de term volume gebruikt.

Toelichting
Veel stromen en standen, zoals inkomen, hebben zelf geen prijs- en volumecomponent. De koopkracht van dergelijke variabelen kan echter worden verkregen door de lopende waarde te defleren aan de hand van een geschikt prijsindexcijfer, bijvoorbeeld dat van de nationale finale bestedingen exclusief veranderingen in voorraden. Bij gedefleerde stromen en standen wordt de term reëel gebruikt. Een voorbeeld is het reëel beschikbaar inkomen.

Waardering van stromen en standen in een bepaalde verslagperiode worden gewaardeerd tegen de prijzen van diezelfde periode.

Een bovenwettelijke, periodieke uitkering op basis van het aantal dienstjaren toegekend aan ambtenaren.

Per bedrijfssector ingestelde fonds dat gedurende maximaal zes maanden de werkloosheidsuitkering betaalt aan werknemers die voor het intreden van de werkloosheid in de desbetreffende sector werkzaam waren.

Toelichting
Het werkloosheidsfonds betaalt de uitkering die niet (meer) door enig wachtgeldfonds wordt betaald.

Het water gelegen tussen de Waddeneilanden, de Afsluitdijk en de kust van Noord-Holland, Friesland en Groningen.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Energie in de vorm van stoom en/of warm water. Stoom is water van 100 graden Celsius of warmer. Warm water heeft een temperatuur van minder dan 100 graden Celsius.

Warmte die vrijkomt bij de koeling van melk op landbouwbedrijven.

Toelichting
Deze warmte wordt gebruikt voor het verwarmen van tapwater.

De gecombineerde opwekking van elektriciteit (kracht) en warmte.

Toelichting
Elektriciteit wordt voor het overgrote deel opgewekt door verhitting van brandstoffen. Bij warmtekrachtinstallaties wordt de warmte die hierbij vrijkomt, nuttig gebruikt, waardoor een hoog energetisch rendement wordt behaald. De warmte wordt bijvoorbeeld gebruikt voor procesverwarming in de industrie, kasverwarming in de glastuinbouw en stadsverwarming.

Energie, opgewekt met behulp van vallend of stromend water.

Totale oppervlakte binnen- en buitenwater, exclusief binnenwater smaller dan zes meter.

Toelichting
Het wateroppervlak in het Bestand Bodemgebruik wordt berekend aan de hand van de land-watergrenzen uit de topografische kaartbladen van de Topografische Dienst Kadaster. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de interpretatie van luchtfoto’s van één peiljaar.

Deze cijfers kunnen marginaal afwijken van het wateroppervlak uit de statistiek van de “Ruimtelijke maatstaven Financiële VerhoudingsWet”. De statistiek van de “Ruimtelijke maatstaven Financiële VerhoudingsWet” is te vinden in het dossier “Nederland regionaal”.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie, Wateroppervlak (Fvw)

De totale oppervlakte van het Nederlands grondgebied dat conform de richtlijnen van de Financiële verhoudingswet (Fvw) als water wordt beschouwd.

Toelichting
De Financiële verhoudingswet (Fvw) regelt vanaf 1 januari 1997 de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Voor berekening van de oppervlakte land en water in de publicatie "Ruimtelijke maatstaven Fvw" wordt gebruik gemaakt van de meest recente gepubliceerde topografische kaartbladen van de Basisregistratie Topografie van het Kadaster. Deze cijfers kunnen marginaal afwijken van de oppervlaktecijfers uit de statistiek van het bodemgebruik. De statistiek van het bodemgebruik is te vinden bij het thema Natuur en Milieu.

Zie ook: Wateroppervlak (bodemgebruik)

Overheidsorgaan dat verantwoordelijk is voor de kwaliteit en de hoogte van het oppervlakte- en grondwater in een bepaald gebied.

Toelichting
Dit gebied wordt niet bepaald door gemeente- of provinciegrenzen, maar door stroomgebieden. Behalve waterschappen worden ook hoogheemraadschappen en zuiveringschappen hieronder begrepen.

Een archief van samenwerkende waterschappen, ondergebracht in een gemeenschappelijke bewaarplaats en beheerd door een daartoe aangestelde archivaris.

Archiefbewaarplaats van een waterschap die niet wordt beheerd door een daartoe aangestelde archivaris.

Waterstofgas dat vrijkomt bij chemische reacties.

De goederen die via Nederland vervoerd worden en daarbij (tijdelijk) eigendom worden van een ingezetene, zonder dat significant industriële bewerking plaatsvindt.

Toelichting
Wederuitvoer betreft onder andere goederen die door Nederlandse distributiecentra worden ingeklaard en uitgeleverd aan andere (Europese) landen. De wederuitvoer maakt, anders dan de doorvoer, wel deel uit van de invoer en de uitvoer.

Zie ook: Doorvoer

Basis voor de regelgeving van het wegverkeer in Nederland. In deze wet staat beschreven wat verkeersdelicten (misdrijf of overtreding) zijn.

Toelichting
De meest voorkomende verkeersmisdrijven zijn rijden onder invloed en het doorrijden na een ongeval.

Lengte van een weg die wordt beheerd door het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen, voorzien van een naam of nummer en waarop verkeer met motorvoertuigen op meer dan twee wielen is toegestaan.

Terrein in gebruik voor verkeer en vervoer over het hoofdwegennetwerk.

Toelichting
Tot wegverkeersterrein wordt gerekend:
auto(snel)wegen, hoofdverkeerswegen en verharde wegen breder dan twee meter die onderling een netwerk van verbindingen vormen, inclusief bermen, parkeerplaatsen, busstations, benzinestations en opslagplaatsen voor wegonderhoudsdiensten.

Niet tot wegverkeersterrein wordt gerekend:
ingesloten groen groter dan 1 ha in gebruik als agrarisch terrein of bos, ingesloten water groter dan 1 ha en hoofdwegen in aanbouw.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Voertuig op wielen bestemd voor gebruik op wegen.

Toelichting
Hieronder vallen personenauto's, bedrijfsvoertuigen (bestelauto's, vrachtauto's, trekkers, speciale voertuigen, bussen, aanhangwagens en opleggers), motorfietsen en voertuigen met een bromfietskenteken.
Met ingang van september 2003 dienen aanhangwagens en opleggers te zijn voorzien van een geldig kenteken. Vanaf 2004 zijn deze categorieën opgenomen in de overzichten van de statistiek motorvoertuigen.

De met de werknemer overeengekomen arbeidsduur per week in uren. Arbeidsduurverkorting in de vorm van vrije dagen is hierin niet verdisconteerd, adv-uren wel.

Prijzen op diverse wereldmarkten zoals dagelijks gepubliceerd in het Financiële dagblad.

Toelichting
Prijzen van grondstoffen op diverse wereldmarkten, zoals dagelijks gepubliceerd in Het Financieel Dagblad. Op grond van de dagprijzen worden door het CBS gemiddelde maandprijzen, kwartaalgemiddelden en jaargemiddelden berekend.

De maandgemiddelden van dagprijzen (het gemiddelde van de hoogste en laagste dagkoers) die werkelijk werden betaald op de spot- en termijnmarkten voor energie.

Toelichting
De gegevens zijn afkomstig uit het Financiële Dagblad. Bij de overige prijsgegevens (tarieven, adviesprijzen) is de verkoper de bron van informatie, behalve bij de invoerwaarde ketelkolen, waarvoor de gegevens afkomstig zijn van de koper of importeur.

Van werkbelasting is sprake bij een persoon die 'ja, regelmatig' of 'ja, meestal' antwoordt op de desbetreffende enquêtevraag naar lichamelijke en psychische werkbelasting.

De collectieve consumptie waarvan het profijt niet kan worden toegerekend aan individuele huishoudens. Voorbeelden hiervan zijn defensie en justitie.

Toelichting
Diensten voor collectief gebruik (collectieve diensten), welke gelijktijdig aan alle leden van de samenleving of aan alle leden van een bepaald deel van de samenleving, zoals alle huishoudens in een bepaalde regio, worden verleend. Collectieve diensten hebben de volgende kenmerken:
a) ze kunnen gelijktijdig worden geleverd aan ieder lid van de samenleving of aan een bepaald deel van de samenleving, zoals degenen die in een bepaalde regio of plaats wonen;
b) het gebruik van de diensten is doorgaans passief en vergt geen expliciete instemming of actieve medewerking van alle betrokkenen;
c) het verlenen van een collectieve dienst aan één individu vermindert het voor anderen in dezelfde samenleving of hetzelfde deel van de samenleving beschikbare bedrag niet. Er is geen concurrentie tussen de betrokkenen.

Alle uitgaven aan goederen en diensten die de rechtstreekse bevrediging van individuele menselijke behoeften tot doel hebben.

Toelichting
De werkelijke individuele consumptie wijkt af van de consumptieve bestedingen door huishoudens. Het verschil tussen deze begrippen zit in de goederen en diensten die door de overheid, of instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, worden gefinancierd, en vervolgens als sociale overdrachten in natura aan de huishoudens worden geleverd.
Hieronder valt het merendeel van de uitgaven van de overheid op het gebied van gezondheid, onderwijs en sociale bescherming. De consumptie door instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens wordt geheel tot de individuele consumptie gerekend.
De werkelijke individuele consumptie door huishoudens wordt berekend als: de consumptieve bestedingen door huishoudens, plus de consumptieve bestedingen door instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, plus de individuele consumptie door de overheid.

Zie ook: Consumptie door IZW huishoudens, Individuele consumptie door de overheid

Personen van 15 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd voor wie de gemeente een door de gemeente gefinancierde voorziening heeft ingezet waarbij er sprake is van een loondienstverband en de voorziening behoort tot de typen Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW), het Besluit in- en doorstroombanen (ID), Tijdelijke loonkostensubsidie, Loonkostensubsidie Participatiewet of een andere voorziening voor arbeidsbeperkten in het kader van de Participatiewet.”

Een containerbegrip voor de al dan niet vervulde vraag naar arbeid van zowel werknemers als zelfstandigen. Meerdere begrippen vallen onder deze noemer: arbeidsplaatsen (zowel vervulde arbeidsplaatsen, oftewel banen, als onvervulde arbeidsplaatsen, oftewel openstaande vacatures), werkzame personen, werkzame beroepsbevolking en arbeidsvolume.

Situatie van een persoon zonder betaald werk, die recent naar werk heeft gezocht en daarvoor direct beschikbaar is.

Zie ook: Werkloze beroepsbevolking

Het verschijnsel dat personen zonder betaald werk, die recent hebben gezocht en direct beschikbaar zijn, geen baan kunnen krijgen.

Zie ook: Werkloze beroepsbevolking

De werkloze beroepsbevolking als percentage van de (werkzame en werkloze) beroepsbevolking.

Toelichting
Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar.

Zie ook: Beroepsbevolking (12-uursgrens), Werkloze beroepsbevolking

Een uitkering krachtens één of meer van de volgende regelingen: - de Werkloosheidswet (WW) - de Wet werkloosheidsvoorziening (WWV) - de Rijksgroepregeling werkloze werknemers (Rww) - de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) - de wachtgeldregelingen bij de overheid (WRO).

Regeling van werkloosheidsuitkeringen, gefinancierd uit de algemene middelen van het Rijk.

De wet voorziet in een uitkering die gerelateerd is aan het laatstverdiende inkomen uit dienstbetrekking.

Toelichting
De wet heeft tot doel werknemers te verzekeren tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. De duur van de uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden van de verzekerde. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) beoordeelt of men voor een WW-uitkering in aanmerking komt.

Personen zonder betaald werk, die recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn.

Toelichting
Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar. Bij betaald werk gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur.

Zie ook: Werkloos, Werkloosheid

Personen die geen betaald werk hebben of voor minder dan twaalf uur per week, recent naar werk voor twaalf uur of meer per week hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn.

Toelichting
Deze definitie van de werkloze beroepsbevolking stond tot 2015 centraal in de berichtgeving door het CBS. De definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 65 jaar.

Zie ook: Werkloos, Werkloosheid

Een persoon die in een arbeidsovereenkomst afspraken met een economische eenheid maakt om arbeid te verrichten waartegenover een financiële beloning staat.

Zie ook: Positie in de werkkring

Verzekering voor werknemers, d.w.z. personen die werkzaam zijn op grond van een arbeidsovereenkomst.

Het tijdelijke stopzetten van de werkzaamheden door werknemers om tegemoetkoming aan gestelde eisen af te dwingen.

Verkorting van de werktijd waarvoor ontheffing is verleend vanwege buitengewone gebeurtenissen zoals op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945.

Personen die betaald werk hebben.

Toelichting
Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar. Bij betaald werk gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur.

Personen die twaalf uur of meer per week betaald werken.

Toelichting
Deze definitie van de werkzame beroepsbevolking stond tot 2015 centraal in de berichtgeving door het CBS. De definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 65 jaar.

Alle personen die in Nederland wonen en betaalde arbeid verrichten. Zij kunnen zowel in Nederland als bij een in het buitenland gevestigd bedrijf werkzaam zijn.

Toelichting
De werkzame bevolking kan onderverdeeld worden in personen die minder dan 12 uur per week werken en personen die 12 uur of meer per week werken. Deze laatste groep is de werkzame beroepsbevolking.

Zie ook: Betaalde arbeid, Werkzame beroepsbevolking (12-uursgrens)

Persoon die een baan heeft bij een in Nederland gevestigd bedrijf of bij een particulier huishouden in Nederland.

Toelichting
Tot de werkzame personen behoren alle personen die betaalde arbeid verrichten, ook al is het maar voor één of enkele uren per week, ook als zij:
- arbeid verrichten die op zichzelf genomen legaal is, maar waarvan de beloning aan de registratie door fiscus of sociale zekerheidsautoriteiten wordt onttrokken ('zwarte arbeid');
- tijdelijk geen arbeid verrichten, maar wel doorbetaald krijgen (bijvoorbeeld bij ziekte of vorstverlet);
- tijdelijk onbetaald verlof hebben opgenomen.
Werkzame personen kunnen worden onderscheiden in werknemers en zelfstandigen. Ze kunnen woonachtig zijn in Nederland, maar ook in het buitenland.

Zie ook: Baan, Positie in de werkkring

Het water gelegen landinwaarts van de denkbeeldige lijn tussen Vlissingen en Breskens.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de financiële gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid.

Toelichting
Verzekerden die voor 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden, kunnen nog in aanmerking komen voor een uitkering. De toegang tot de WAZ is met ingang van 1 augustus 2004 voor nieuwe gevallen geblokkeerd. Bestaande WAZ-uitkeringen blijven doorlopen.

Wettelijke voorziening in de financiële gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid van mensen die geen aanspraak kunnen maken op de WAO omdat er geen arbeidsverleden is opgebouwd.

Toelichting
Dit zijn mensen die arbeidsongeschikt zijn op de dag dat zij 17 jaar worden of na hun 17e jaar arbeidsongeschikt worden én een opleiding/studie volgen.

Wet die de gedwongen opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen regelt.

Wet, in werking getreden op 1 januari 1996, met als doel om meer samenhang te brengen tussen de vormen van het middelbaar beroepsonderwijs, het leerlingwezen en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo), basiseducatie, Nederlands als tweede taal, oriëntatie en schakeling, en het vormingswerk. Een ander uitgangspunt is het versterken van de kwantiteit van de opleidingen. Daarbij speelt ook het stimuleren van activiteiten in bedrijven een rol.

Doel van de wet is kunstenaars bij aanvang en/of tijdens terugval in inkomsten financieel te ondersteunen voor maximaal vier jaar, vallend binnen een periode van tien jaar.

Toelichting
Alle personen die getoetst worden als scheppende, uitvoerende en toegepast werkende kunstenaar en (nog) niet in eigen behoefte kunnen voorzien, kunnen aanspraak maken op een WIK-uitkering.

De wet biedt een inkomensgarantie op het niveau van het sociaal minimum aan oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, van wie het inkomen duurzaam minder bedraagt dan het sociaal minimum en die als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beëindigd. De wet is in werking getreden met ingang van 1 januari 1987 en is ingrijpend gewijzigd met ingang van 1 januari 1996.

De wet biedt een inkomensgarantie op het niveau van het sociaal minimum aan oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, van wie het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd. De wet is in werking getreden met ingang van 1 januari 1987 en is ingrijpend gewijzigd met ingang van 1 januari 1996.

Wet die als doel heeft jongeren van 18 tot 27 jaar te begeleiden naar werk of scholing.

Toelichting
Gemeenten doen hen een aanbod, een werkleer-traject. De WIJ trad per 1 oktober 2009 in werking en kwam per 1 januari 2012 te vervallen, opgegaan in WWB.

Wet die als doel heeft om personen in loondienst te verzekeren van een loonvervangende uitkering bij langdurige arbeidsongeschiktheid (langer dan een jaar).

Wet die de opsporing, vervolging en berechting regelt van handelingen die schadelijk zijn voor het economische leven. In de wet staat beschreven welke delicten, die genoemd worden in vele andere wetten, een economisch delict (misdrijf of overtreding) zijn.

Toelichting
De opsomming van economische delicten is zeer gevarieerd. Een boer die de mestwetgeving overtreedt kan op basis van deze wet vervolgd worden. Maar ook een overtreding van de milieuwetgeving, het Vuurwerkbesluit of de Woningwet kan een economisch delict zijn. Overigens kent ook het Wetboek van Strafrecht delicten die economisch van aard kunnen zijn, bijvoorbeeld valsheid in geschriften of fraude bij een faillissement.

Wet die als doel heeft om aangepaste werkgelegenheid te scheppen voor mensen die, hoewel zij tot werken in staat zijn, als gevolg van lichamelijke en/of geestelijke tekortkomingen er niet in slagen werk te krijgen op de reguliere arbeidsmarkt.

Wet die als doel heeft om de instroom in arbeidsongeschiktheidswetten te belemmeren en de uitstroom te bevorderen.

De wet verplicht de werkgever om bij ziekte van de werknemer het loon door te betalen, voor maximale duur van een jaar.

Toelichting
Vanaf 2004 is de Wet Loondoorbetalingsverplichting tweede jaar van kracht. Deze wet verplicht de werkgever het loon maximaal twee jaar uit te betalen.

Wet die de opsporing, vervolging en berechting regelt van handelingen die te maken hebben met (verboden) wapenbezit en wapenhandel. De wet maakt onderscheid tussen misdrijven en overtredingen.

Wettelijke sociale voorziening die op 1 januari 2004 in werking is getreden ter vervanging van de Algemene bijstandswet (ABW), de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) en het Besluit In- en Doorstroombanen (ID-banen).

Toelichting
De wet heeft als uitgangspunt dat iedereen zoveel mogelijk in zijn eigen onderhoud moet voorzien. Wie hier niet toe in staat is en ook geen beroep kan doen op een andere sociale verzekeringswet of sociale voorziening, komt in aanmerking voor bijstand.

Uitkering aan werknemers, die na een wachttijd van 104 weken nog tenminste 35 procent arbeidsongeschikt zijn.

Toelichting
De WIA kent 2 regelingen:
Inkomensverzekering Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) en Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA). De WIA is de opvolger van de WAO die blijft bestaan voor werknemers, die voor 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden.

Wetboek dat de opsporing, vervolging en berechting regelt van delicten (misdrijven en overtredingen), die alleen door militairen kunnen worden gepleegd.

Toelichting
Een militair kan een ‘gewoon’ of een ‘militair’ strafbaar feit plegen. ‘Gewone’ strafbare feiten staan in het Wetboek van Strafrecht beschreven, ‘militaire’ strafbare feiten in het Wetboek van Militair Strafrecht. Voorbeelden van militaire strafbare feiten zijn ‘ongeoorloofde afwezigheid’, ‘het niet opvolgen van dienstbevel’, ‘op wacht in slaap vallen’ en ‘dienstweigering’.

Wetboek dat regelt welke delicten als een misdrijf en welke delicten als een overtreding worden beschouwd en welke soorten straffen daarvoor opgelegd kunnen worden.

Toelichting
Het Wetboek van Strafrecht kent drie boeken. Het boek Algemene bepalingen bepaalt zaken, die zowel gelden voor overtredingen als misdrijven. Te denken valt aan de soorten straffen die opgelegd kunnen worden of aan gevallen voor strafverlaging en strafverhoging. In het boek Misdrijven staat beschreven wat als een misdrijf wordt beschouwd, en hoe de strafmaat hiervoor is. In het boek Overtredingen staat beschreven wat als een overtreding wordt beschouwd en wat de strafmaat hiervoor is.

Wetboek dat regelt hoe de staat mag bepalen of er een strafbaar feit is begaan en op welke manier de verdachte opgespoord en vervolgd mag worden.

Onderwijs verzorgd door universiteiten en aanverwante instellingen (KIM, KMA, particuliere instellingen die masteropleidingen verzorgen) dat beoogt studenten toe te leiden naar een bachelor-, master- (of in het verleden doctoraal) of doctordiploma en universitair tweedefase beroepsonderwijs.

Toelichting
Na de invoering van de tweefasenstructuur in het wetenschappelijk onderwijs (1982) is het wetenschappelijk onderwijs in de eerste fase (het geheel van propedeuse en doctoraal) vanwege de kortere duur van de studie voor het doctoraalexamen (in vergelijking met het doctoraal examen oude stijl) aanvankelijk (editie 1989 van de Standaard Onderwijsindeling 1978) ingedeeld in niveau 5, waar ook het hoger beroepsonderwijs is ingedeeld. De tweede fase kreeg niveau 6. In de editie 1993 is dit teruggedraaid. De propedeuse en het vroegere kandidaats van het wetenschappelijk onderwijs kwamen op niveau 5 (het hbo-niveau), het doctoraal (oude en nieuwe stijl) op 6 en alle tweedefase opleidingen (w.o. onderwijs aan promovendi en daarmee vergelijkbare oudere opleidingen) op een nieuw niveau 7.

In het studiejaar 2002/’03 is het bachelor-mastersysteem ingevoerd in het hoger onderwijs. Alle nieuwe bachelor-opleidingen komen in de editie 2002/'03 van de SOI 1998 op niveau 5 en de nieuwe masteropleidingen op niveau 6. Dit geldt voor zowel de hbo- als de wo-opleidingen. In het nieuwe systeem worden de eerstegraads universitaire lerarenopleidingen gegeven als 2-jarige masteropleiding na een wo-bacheloropleiding. Bij de tweefasenstructuur was het een 1-jarige tweedefase beroepsopleiding die (ondanks de relatief korte duur) ingedeeld was op niveau 7. Dit was één niveau hoger dan de eerstegraads lerarenopleidingen die aan het hbo worden gegeven. In de editie 2002/’03 van de SOI 1998 zijn nu alle oude en nieuwe eerstegraads lerarenopleidingen op niveau 6 (terug)geplaatst om meer uniformiteit in de classificatie te bewerkstelligen. Nog niet duidelijk is welke positie de masteropleidingen verzorgd door hbo-instellingen krijgen. Masteropleidingen verzorgd door particuliere instellingen, de wetenschappelijke opleidingen tot officier aan het KIM en de KMA, onderwijs aan promovendi en de opleidingen tot medisch specialist en andere tweedefase beroepsopleidingen worden in de onderwijsstatistieken niet waargenomen, wel echter in statistische uitkomsten die betrekking hebben op de genoten opleidingen van de bevolking.

De premies die werkgevers verschuldigd zijn op grond van een aantal sociale verzekeringswetten.

Toelichting
Dit zijn o.a. de WAO (vanaf 29-12-2005 vervangen door de WIA), de ZFW (vanaf 1-1-2006 vervangen door de ZVW) en de WW, alsmede de overhevelingstoeslag.

De premies die werkgevers en werknemers verschuldigd zijn op grond van een aantal sociale verzekeringswetten, te weten de AOW, de ZFW en de WW.

Burgerlijke staat die ontstaat na sluiting van een wettig huwelijk.

Zie ook: Burgerlijke staat

Cluster van gemeenten per samenwerkingsgebied volgens de Wet gemeenschappelijke regelingen (WGR).

Toelichting
De WGR-indeling heeft betrekking op de situatie per 1 januari 1997 en telt op die datum 42 gebieden.

Onderdeel van een gemeente en cluster van één of meerder buurten, dat op basis van historische dan wel stedenbouwkundige kenmerken homogeen is afgebakend.

Toelichting
Een wijk bestaat uit één of meerdere buurten.

Zie ook: Buurt

Energie, opgewekt met een windmolen of windturbine.

Het onttrekken van energie aan de natuur.

Toelichting
Fossiele energiedragers steenkool, aardolie en aardgas worden gewonnen uit de aarde. Hernieuwbare energiedragers zijn onder andere windenergie en biomassa. Andere energiedragers zijn bijvoorbeeld kernenergie en afval.

De winst in verhouding tot het (bruto) binnenlands product.

Zie ook: bruto binnenlands product (marktprijzen) (BBP)

December tot en met februari.

Toelichting
De winter van een verslagjaar omvat de maanden januari en februari van het verslagjaar plus de maand december van het voorafgaande jaar.

Periode van 1 oktober tot 1 mei; deze omvat 30 weken.

Toelichting
De winterperiode omvat de dertig weken in de maanden oktober tot mei.
In het CVO begint de winterperiode op de eerste zaterdag die volgt op 30 november. Deze periode eindigt op de vrijdag voorafgaand aan het begin van de zomerperiode. De zomerperiode begint op de zaterdag voorafgaand aan 1 mei.

De relatieve prijs van verschillende geldsoorten, waarbij de prijs van een valuta wordt uitgedrukt in een andere valuta.

Toelichting
Het CBS publiceert wisselkoersen ten opzichte van de euro. Voor 1999 was de Euro nog niet definitief vastgesteld en de wisselkoers dus feitelijk ten opzichte van de Ecu. Vanaf 1999 worden wisselkoersen volgens Angelsaksisch gebruik uitgedrukt. Dat wil zeggen 1 Euro = n Valuta.

De wisselkoersen zijn gebaseerd op informatieve wisselkoersen, zoals die door De Nederlandsche Bank dagelijks om 14.15 uur worden vastgesteld, met uitzondering van de Hongaarse forint en Sloveense tolar. De wisselkoersen van deze valuta zijn vastgesteld door de ECB.

Het kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woondoeleinden bestemde (gebruiksdoel is woonfunctie) verblijfsobject, ontsloten via een eigen toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, wordt als woning aangemerkt.

Toelichting
Om als woning geclassificeerd te worden moet het tot bewoning bestemde gebouw aan vier criteria voldoen:
Criterium 1:
Het tot bewoning bestemde verblijfsobject dient zodanig te zijn gebouwd of verbouwd dat het gedurende het hele jaar voor particuliere bewoning door één huishouden geschikt is.
Criterium 2:
Het tot bewoning bestemde verblijfsobject dient te zijn voorzien van een eigen toegangsdeur die hetzij direct vanaf de openbare weg, hetzij via een gemeenschappelijke ruimte (zoals portiek, galerij, trappenhuis, corridor) toegang biedt tot de woonruimte.
Criterium 3:
Het tot bewoning bestemde verblijfsobject dient ten minste 14 m2 aan verblijfsruimte te bevatten.
Criterium 4:
Het tot bewoning bestemde verblijfsobject dient te beschikken over een toilet en over een keukeninrichting die is bestemd voor de bereiding van complete maaltijden.

Een onroerende zaak die in hoofdzaak wordt gebruikt voor woondoeleinden en die onroerende zaak waarvan het gebruik volledig dienstbaar is aan woondoeleinden.

Toelichting
Objecten in aanbouw of leegstaande objecten met de bestemming woondoeleinden zijn ook woningen.
Tot de woningen behoren de volgende twee klassen:
1. Woning dienend tot hoofdverblijf;
Onder een woning dienend tot hoofdverblijf wordt verstaan een onroerende zaak die als één geheel gedurende het gehele jaar wordt gebruikt voor woondoeleinden. Deze categorie betreft zelfstandige woningen voor een- of meerpersoonshuishoudens waarin geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden of in ieder geval geen aan het object zichtbare bedrijfsmatige activiteiten.
2. Woning met praktijkruimte;
Onder een woning met praktijkruimte wordt verstaan:
- een onroerende zaak die in hoofdzaak wordt gebruikt voor woondoeleinden;
- waarin de bewoner tevens in het kader van een zelfstandig beroep of bedrijf activiteiten verricht;
- welke bedrijfsmatige activiteiten het karakter hebben van praktijk aan huis in de sfeer van de vrije beroepen (arts, fysiotherapeut, notaris, accountant);
- waarbij het feit dat een zelfstandig beroep of bedrijf wordt uitgeoefend, blijkt uit een aankondiging die vanaf de openbare weg zichtbaar is;
- waarbij het mogelijk is een deel van de onroerende zaak aan te wijzen waar deze activiteiten plaatsvinden die in hoofdzaak worden gebruikt voor woondoeleinden en die onroerende zaken waarvan het gebruik volledig dienstbaar is aan woondoeleinden.

Een geldlening waarbij een onroerend goed als onderpand dient met een particulier als hypotheekgever.

Toelichting
Hypothecaire leningen zijn bij het Kadaster geregistreerd.

Groep van gemeenten ontworpen voor het woningbehoefteonderzoek.

Toelichting
De indeling in 31 woningmarktgebieden is op verzoek van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer door Bouwcentrum Advies BV ontwikkeld voor het woningbehoefteonderzoek 1989/1990.

Een deel van een voor woondoeleinden bestemd (gebruiksdoel is woonfunctie) verblijfsobject dat, vanuit bouwtechnisch oogpunt gezien, blijvend is bestemd voor permanente bewoning door een particulier huishouden en dat voldoet aan alle criteria die van toepassing zijn op woningen, behalve het hebben van een keukeninrichting (voor bereiden van complete maaltijden) en/of een toilet. Deze ruimte is dan ter compensatie als gemeenschappelijke voorziening in het pand aanwezig.

Toelichting
Het desbetreffende verblijfsobject heeft als gebruiksdoel een woonfunctie en eventueel een of meer andere gebruiksdoelen en is geschikt voor bewoning door meerdere particuliere huishoudens.

De criteria voor een wooneenheid zijn deels gelijk aan die voor een woning.
De criteria voor een wooneenheid zijn:
Criterium 1:
Het verblijfsobject waarin de wooneenheid gelegen is, dient een tot bewoning bestemd verblijfsobject te zijn dat zodanig is gebouwd of verbouwd dat het voor particuliere bewoning gedurende het hele jaar geschikt is.
Criterium 2:
Het verblijfsobject waarin de wooneenheid gelegen is, dient te zijn voorzien van een eigen toegangsdeur die hetzij direct vanaf de openbare weg, hetzij via een gemeenschappelijke ruimte (zoals portiek, galerij, trappenhuis, corridor) toegang biedt tot de woonruimte.
Criterium 3:
De wooneenheid dient ten minste 14 m2 aan verblijfsruimte te bevatten.
Criterium 4:
Het verblijfsobject waarin de wooneenheid gelegen is, dient te beschikken over een (gemeenschappelijke) toilet en/of over een (gemeenschappelijke) keukeninrichting die is bestemd voor de bereiding van complete maaltijden.
Criterium 5:
Het verblijfsobject waarin de wooneenheid gelegen is, is gebouwd of verbouwd met bestemming "bewoning door meerdere particuliere huishoudens".
Criterium 6:
Het verblijfsobject waarin de wooneenheid gelegen is, bevindt zich niet in een bedrijfsgebouw voor de horeca of in een bijzonder woongebouw.

Zie ook: Verzorgingshuis

Een geïsoleerd rastervierkant of een aaneengesloten gebied van rastervierkanten van 500 x 500 meter binnen een gemeente, waarvan ieder vierkant 25 adressen of meer bevat.

Toelichting
Woonkernen zijn afgebakend in het kader van de Financiële verhoudingswet (Fvw) die vanaf 1 januari 1997 de algemene uitkering uit het gemeentefonds (Gf) regelt.

Complementair aan de woonkernen is het buitengebied (Gf-Fvw).

Zie ook: Buitengebied (Gf, Fvw)

Het wonen van personen vanuit sociaaleconomische invalshoek beschouwd.

Terrein dat voornamelijk voor het wonen bestemd is, incl. primaire woonvoorzieningen.

Toelichting
Tot woonterrein wordt gerekend:
- terrein bebouwd met woongebouwen;
- bij woongebouwen behorende primaire voorzieningen zoals winkels, scholen voor kleuter- en basisonderwijs, bijkantoren van o.a. banken;
- de aan woongebouwen grenzende groenstroken, straten, parkeerplaatsen, grachten smaller dan zes meter, erven, tuinen, trapveldjes en speelplaatsen.
Wanneer woonwijken in bos zijn gesitueerd en er sprake is van een stratenpatroon dan wordt het gehele terrein als woonterrein aangemerkt. Lintbebouwing van overwegend niet-agrarische woningen wordt tot woonterrein gerekend zodra het om minstens vijf woningen gaat met een onderlinge afstand van minder dan vijftig meter. Bij blokbebouwing mag de onderlinge afstand tussen de woningen maximaal honderd meter bedragen. Tot woonterrein worden eveneens gerekend woonwagenkampen (exclusief wrakkenopslagplaatsen > 0,1 ha), woonboothavens, serviceflats, verzorgingstehuizen, studentenhuisvesting en huisvesting voor ziekenhuispersoneel. Terreinen worden pas tot woonterrein gerekend, nadat de woongebouwen zijn opgeleverd.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Deelnemer aan woon-werkverkeer.

Heen en weer reizen tussen de woon- of verblijfsplaats en de plaats waar arbeid wordt verricht.

Terrein voor opslag en/of sloop van autowrakken.

Toelichting
Tot wrakkenopslagplaats wordt gerekend:
- terrein voor opslag van autowrakken;
- sloperij;
- bijbehorende gebouwen, parkeerterreinen en bos- of heesterstroken.
Niet tot wrakkenopslagplaats wordt gerekend:
- terrein in gebruik voor de schroot verwerkende industrie.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie