Begrippen

Lijst met begrippen die CBS hanteert in zijn statistieken. Door overal dezelfde definities te gebruiken, kunnen cijfers beter met elkaar vergeleken worden.

Lijst van begrippen

Rechtspersoon met een in aandelen verdeeld maatschappelijk kapitaal, waarbij de aandelen vrij overdraagbaar zijn.

Toelichting
De overdraagbaarheid van aandelen kan worden beperkt en de aandelen kunnen aan toonder zijn of op naam staan.

Zie ook: Rechtspersoon

Lichte olie die voornamelijk in gebruik is als grondstof in de chemische industrie en in raffinaderijen.

Toelichting
Nafta heeft een kookpunt tussen 30 en 210 graden Celsius. Het aardolieproduct overige lichte olie is inbegrepen bij het aardolieproduct nafta.

Alle inkomens die Nederlandse ingezetenen ontvangen op grond van hun deelname aan een (binnen- of buitenlands) productieproces of vanwege hun vermogensbezit. Deze inkomens bestaan uit de beloning van werknemers, rente, dividenden, belastingen en subsidies op productie en invoer.

Toelichting
Het nationaal inkomen kan ook worden berekend als het binnenlands product plus de per saldo uit het buitenland ontvangen primaire inkomens.

Het verschil tussen het beschikbare inkomen en de consumptieve bestedingen.

Toelichting
Het begrip besparingen wordt, zowel voor de totale economie (nationaal) als voor de afzonderlijke sectoren, geheel bepaald door de definities van de grootheden waaruit het is afgeleid. Brutobesparingen is inclusief afschrijvingen, nettobesparingen is exclusief afschrijvingen

Het systeem van nationale rekeningen geeft een kwantitatieve beschrijving van het economisch proces in een land en de economische relaties met het buitenland. Als onderdelen van het economisch proces worden onderscheiden: productie, inkomensvorming, inkomensverdeling, bestedingen en financiering. De nationale rekeningen vormen een samenhangend en geïntegreerd geheel, waarin alle variabelen op een consistente wijze met elkaar samenhangen. De regels volgens welke de nationale rekeningen wereldwijd worden gemaakt zijn gebundeld in het System of National Accounts (SNA 2008). De op lidstaten van de Europese Unie toegepaste versie hiervan heet het Europees systeem van rekeningen (ESR 2010).

Toelichting
Om tot vergelijkbare statistieken te komen, moeten de nationale rekeningen zeer uiteenlopende bedrijfstakken en sectoren van de economie uniform behandelen. Hierdoor moeten er concepten worden gehanteerd die voor sommige bedrijfstakken gekunsteld aandoen. Zo is een kernbegrip als ‘productie’ voor een autofabriek vrij rechttoe rechtaan: het in de beschouwde periode opgeleverde wagenpark. Voor bijvoorbeeld een bank of een overheidsinstelling ligt dit wat lastiger en zijn er naar analogie concepten ontwikkeld om ook hier tot vergelijkbare cijfers over productie te kunnen komen; deze concepten wijken veelal af van wat bij bedrijven en instellingen zelf wordt gehanteerd.

Het wettelijk onderdaan zijn van een bepaalde staat (staatsburgerschap).

Toelichting
Personen kunnen meerdere nationaliteiten hebben. Om dubbeltellingen te voorkomen wordt in statistische overzichten aan personen die meerdere nationaliteiten hebben, slechts één nationaliteit toegekend. Daartoe worden prioriteringsregels gesteld. Die komen erop neer dat iemand met de Nederlandse nationaliteit in de statistiek steeds Nederlander is. Voor mensen die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, geldt de volgorde: nationaliteit van één van de Benelux-landen, nationaliteit van een staat binnen de Europese Unie, andere Europese nationaliteit, niet-Europese nationaliteit.
Personen die geen nationaliteit hebben, zijn staatloos.

Verandering van de nationaliteit (staatsburgerschap).

Verkrijging van het Nederlanderschap door verlening (zelfstandige naturalisatie of medenaturalisatie).

Een mens (individu) die in het recht als rechtssubject is erkend en daarmee drager is van wettelijke rechten en plichten.

Zie ook: Juridische eenheid, Niet-natuurlijke persoon, Rechtspersoon

Persoon met Nederlandse nationaliteit.

Toelichting
Inclusief personen die worden 'Behandeld als Nederlander'. Bijvoorbeeld Molukkers die, op grond van de Faciliteitenwet Molukkers, waarin wordt bepaald dat zij - als ze niet het Nederlanderschap bezitten (maar Indonesiër of staatloos zijn) - worden behandeld als Nederlander. Ze zijn dus geen vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet maar ook geen Nederlander in de zin van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Wel kunnen ze een Nederlands paspoort verkrijgen.

Zie ook: Nederlanderschap

De Nederlandse nationaliteit.

Zie ook: Nederlander

Een niveau-indeling van beheersing van het Nederlands als tweede taal, gebaseerd op de kwalificatiestructuur zoals die in 1997 is vastgelegd in de Wet Educatie Beroepsonderwijs (WEB). Er worden vijf niveaus NT2-1 t/m NT2-5 onderscheiden.

Toelichting
Binnen de Kwalificatiestructuur educatie zijn ook vijf niveaus voor Nederlands als tweede taal (NT2) beschreven:
- NT2 niveau 1: dit is taalbeheersing op een zeer elementair niveau en levert hooguit een aanwijzing voor de wenselijkheid van een doorstroming naar een opleiding NT2 van het tweede niveau.
- NT2 niveau 2: taalbeheersing op dit niveau betekent dat iemand zich minimaal kan redden in de Nederlandse samenleving en in staat is de tot het volgen van een assistent-opleiding in het secundair beroepsonderwijs.
- NT2 niveau 3: is vergelijkbaar met de eindtermen voor het staatsexamenprogramma I van NT2. Beheersing van het Nederlands op dit niveau betekent dat iemand kan deelnemen aan een basisberoepsopleiding in het secundair beroepsonderwijs. Dit niveau van taalbeheersing NT2 geldt binnen het inburgeringsbeleid als streefniveau.
- NT2 niveau 4: vergelijkbaar met de eindtermen voor het staatsexamenprogramma II van NT2. Beheersing van Nederlands op dit niveau betekent dat iemand kan deelnemen aan een vakopleiding, middenkader- of specialistenopleiding van het secundair beroepsonderwijs of aan het hoger beroepsonderwijs en aan het wetenschappelijk onderwijs.
- NT2 niveau 5: het niveau waarop iemand de Nederlandse taal vloeiend en bijna accentloos beheerst.

Over de beschreven beheersingniveaus van NT2 is nog wel de volgende opmerking van belang. De beoogde taalbeheersing is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde om toegelaten te worden tot een opleiding. Er worden immers ook andere eisen dan taalbeheersing gesteld aan de deelnemers van een vervolgopleiding, zoals de vooropleiding of het algemene competentieniveau van de betrokkene.

Eindtermen KSE niveaus NT2:
De eindtermen voor NT2 niveaus 1, 2, 3 (staatsexamenniveau NT2 I, alleen voor niveau 3), 4 (staatsexamenniveau NT2 II) worden door de minister vastgesteld. Deze eindtermen zijn met name van belang voor de inburgeringsprogramma's van nieuwkomers. Er is overeengekomen dat een nieuwkomer aan het einde van het NT2-traject een landelijk gestandaardiseerde profieltoets wordt afgenomen om te bepalen welke beheersing van de Nederlandse taal iemand heeft bereikt. Hierbij geldt niveau 3 als streefniveau omdat dat niveau noodzakelijk is voor vervolgonderwijs of arbeidsbemiddeling.

Certificaten en diploma's binnen educatie:
Bij de bereiken van de NT2 niveaus 3 en 4 kan men deelnemen aan de staatsexamens I en II. Van de afzonderlijke programma's I en II kunnen certificaten worden behaald voor de afzonderlijke vaardigheden. Er worden diploma's NT2 I of II uitgereikt als alle onderdelen met goed gevolg zijn afgelegd. Bij alle overige onderdelen van educatie kunnen slechts certificaten behaald worden.

Economische maat voor de omvang van een agrarisch bedrijf gebaseerd op het verschil tussen opbrengsten en bijbehorende specifieke kosten.

Toelichting
Voor de berekening van de NGE van een bedrijf worden bss-normen (bruto standaard saldi) gebruikt. Per gewas en diercategorie worden deze vastgesteld. Ze zijn gebaseerd op gemiddelde waarden over een periode van drie jaar en worden om de drie jaar geactualiseerd.
De NGE van een bedrijf is de som van de totale NGE van alle gewassen en dieren. Één NGE staat voor ongeveer 1400 euro. De NGE is met ingang van 2010 vervallen en vervangen door de Standaard Opbrengst (SO).
In de landbouwtelling werd tot en met 2009 een ondergrens gehanteerd van 3 NGE. Bij bedrijven met minder dan 3 NGE moet men denken aan bijvoorbeeld een bedrijf met maximaal 2 melkkoeien of maximaal 2 are groene paprika

In Nederland gevestigde onderneming waarvan de beslissende zeggenschap in Nederlandse handen is en die zelf groepsmaatschappij(en) in het buitenland heeft. Het betreft hier directe, op boekhoudkundige basis bepaalde zeggenschapsrelaties

Toelichting
Gemakshalve wordt hier de term “onderneming” gebruikt; feitelijk correct is echter “ondernemingengroep” zoals door het CBS gedefinieerd.
De term “Nederlandse” geeft aan dat de beslissende zeggenschap in Nederlandse handen is. Van een “international” is sprake als de in Nederland gevestigde onderneming buitenlandse groepsmaatschappijen bezit.
Er zijn twee omstandigheden waarin een rechtspersoon een andere rechtspersoon als dochtermaatschappij moet beschouwen:
• Beschikken over meer dan de helft van de stemrechten (al dan niet met andere stemgerechtigden);
• Als hij als lid of als aandeelhouder meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan.
Als er over de dochtermaatschappij feitelijk beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend, dan is er sprake van een groepsmaatschappij; men spreekt dan ook van beslissende zeggenschap. In de Verenigde Staten heet dat een “subsidiary”.

Zie ook: Globalisering onderneming, Ondernemingengroep

Vereniging die de belangen behartigt van het museumveld en optreedt als spreekbuis van de Nederlandse musea. De vereniging is actief op het terrein van de deskundigheidsbevordering door het organiseren van scholingsactiviteiten, het instigeren van onderzoeken, het geven van informatie en advies en het verzorgen van publicaties. Daarnaast biedt zij marketingondersteuning aan musea en doet zij aan museumpromotie. Sinds 1 januari 2003 is de NMV uitgever van de museumkaart.

In Nederland gevestigde onderneming waarvan de beslissende zeggenschap in Nederlandse handen is en die zelf geen groepsmaatschappij(en) in het buitenland heeft.

Toelichting
Gemakshalve wordt hier de term “onderneming” gebruikt; feitelijk correct is echter “ondernemingengroep” zoals door het CBS gedefinieerd.
De term “Nederlandse” geeft aan dat de beslissende zeggenschap in Nederlandse handen is.
Er zijn twee omstandigheden waarin een rechtspersoon een andere rechtspersoon als dochtermaatschappij moet beschouwen:
• Beschikken over meer dan de helft van de stemrechten (al dan niet met andere stemgerechtigden);
• Als hij als lid of als aandeelhouder meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan.
Als er over de dochtermaatschappij feitelijk beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend, dan is er sprake van een groepsmaatschappij; men spreekt dan ook van beslissende zeggenschap. In de Verenigde Staten heet dat een “subsidiary”.

Zie ook: Globalisering onderneming, Ondernemingengroep

Typering van een agrarisch bedrijf op grond van de landbouwactiviteiten op het bedrijf.

Toelichting
In EU-verband is een gemeenschappelijke typologie ontwikkeld op basis van het brutostandaardsaldo. De NEG-typering is de Nederlandse variant daarvan. Hierin worden acht hoofdbedrijfstypen onderscheiden, te weten vijf zogenoemde enkelvoudige hoofdtypen (akkerbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven, blijvende teeltbedrijven, graasdierbedrijven en hokdierbedrijven), en drie combinaties (gewassencombinaties, veeteeltcombinaties en gewassen/veeteeltcombinaties). Een bedrijf behoort tot een bepaald bedrijfstype als tweederde of meer van het brutostandaardsaldo van een bepaalde landbouwactiviteit afkomstig is.

Zie ook: Brutostandaardsaldo (Bss)

De beloning van de ingezette arbeid en het gebruikte kapitaal op landbouwbedrijven. Oftewel de totale opbrengsten minus de directe kosten in het productieproces en de afschrijvingskosten van machines, werktuigen en gebouwen, alsmede kosten zoals onderhoud, werktuigen, brandstoffen en algemene kosten.

Het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking).

Toelichting
Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar.

Zie ook: Potentiële beroepsbevolking, Werkzame beroepsbevolking (12-uursgrens)

Het brutoloon verminderd met de werknemerspremies voor pensioen, VUT, werknemersverzekeringen en ziektekostenverzekering, eventueel vermeerderd met de overhevelingstoeslag en vervolgens verminderd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen.

De som van de jaarlijkse netto kosten van eigen milieumaatregelen, vermeerderd met betaalde heffingen, subsidies en betalingen voor milieudiensten, verminderd met de ontvangen heffingen, subsidies en ontvangsten voor milieudiensten.

Toelichting
Milieulasten geven aan in welke mate een sector bijdraagt in de financiering van het milieubeheer.

Het gemiddeld aantal dochters dat een groep vrouwen ter wereld zou brengen indien bepaalde leeftijdsspecifieke vruchtbaarheids- en sterftecijfers zouden gelden.

Toelichting
De netto vervangingsfactor geeft de richting aan waarin de toekomstige bevolking zich zal ontwikkelen volgens de geboorte- en sterfteverhoudingen van vrouwen in de beschouwde periode. Als de waarde van dit cijfer over een lange reeks van jaren groter dan één is, zal de bevolking op den duur toenemen, bij een waarde kleiner dan één afnemen. De buitenlandse migratie van vrouwen is hierbij buiten beschouwing gelaten.

De winst behaald door in Nederland gevestigde niet-financiële vennootschappen plus de (al dan niet uitgekeerde) winst van in het buitenland gevestigde onderdelen (groepsmaatschappijen en/of deelnemingen) van Nederlandse niet-financiële vennootschappen, vóór aftrek van belastingen.

Toelichting
De nettowinst vóór belastingen van niet-financiële vennootschappen is het De nettowinst vóór belastingen van niet-financiële vennootschappen is het winstbegrip zoals deze binnen het systeem van de nationale rekeningen wordt gehanteerd. Om bij dit winstbegrip uit te komen moeten er enkele posten bij de toegevoegde waarde worden opgeteld of ervan worden afgetrokken. Zo horen de lonen van werknemers en afschrijvingen bij de toegevoegde waarde, maar niet bij de winst. Andersom vormen posten als dividenden en rente geen onderdeel van de toegevoegde waarde, maar wél van de winst. Voor een compleet en gedetailleerd overzicht van het winstbegrip volgens de nationale rekeningen, zie Nettowinst.pdf #\\Mspv1f\standaards1\Stat_Coord\StatCoord\bos\Documentatie\BegrippenInfo\nettowinst.pdf#

Regeling tussen scheidende partners over voorzieningen zoals alimentatie, toewijzing echtelijke woning, gezag over minderjarige kinderen en omgang met deze kinderen.

Toelichting
Afspraken over dergelijke voorzieningen kunnen vooraf, buiten de rechter om, worden vastgelegd in een onderlinge overeenkomst (convenant). De rechter kan deze afspraken opnemen in zijn eindbeschikking.

Zie ook: Alimentatie, Echtscheidingsconvenant, Eindbeschikking

De ‘overige bedrijfskosten’ niet behorend tot de eerder genoemde rubrieken.

Toelichting
Deze kosten kunnen betrekking hebben op:
- licentierechten, octrooirechten, auteursrechten, royalty's (alleen indien door derden in rekening gebracht);
- de huur of de lease van software;
- kosten diensten algemeen beheer in rekening gebracht door moeder-, dochter- of zusterbedrijven, waaronder management fees;
- overige kostprijsverhogende belastingen, zoals heffingen in het kader van EU-regelingen, administratieve heffingen van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties, assurantiebelasting, beurs- en overdrachtsbelasting, accijnzen en invoerrechten;
- kantoorbehoeften, contributies, abonnementen, vakliteratuur;
- uitbesteed klein onderhoud en reparaties.

MBL-handelwijze waarbij rekening wordt gehouden met de waarschijnlijkheid of de zekerheid dat het levenseinde van de patiënt zal worden bespoedigd.

Onderwijs dat niet bekostigd wordt door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) of het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I).

Toelichting
Het Nederlands onderwijs wordt voor een groot deel bekostigd door het Ministerie van OCW. Het Ministerie van EL&I is verantwoordelijk voor de bekostiging van het groene onderwijs, dat wil zeggen het onderwijs dat zich richt op de arbeidsmarkt op het gebied van landbouw, natuur en voedselkwaliteit. Het niet-bekostigd onderwijs wordt betaald door de onderwijsvolgenden zelf of geheel of gedeeltelijk door de werkgever of uitkeringsinstantie.

Personen zonder betaald werk, die niet recent naar werk hebben gezocht of daarvoor niet direct beschikbaar zijn.

Toelichting
Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar. Bij betaald werk gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur.

Zie ook: Beroepsbevolking (12-uursgrens), Potentiële beroepsbevolking

Personen die geen betaald werk hebben of voor minder dan twaalf uur per week en die niet recent naar betaald werk voor twaalf uur of meer per week hebben gezocht of daarvoor niet direct beschikbaar zijn.

Toelichting
Deze definitie van de niet-beroepsbevolking stond tot 2015 centraal in de berichtgeving door het CBS. De definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 65 jaar.

Zie ook: Beroepsbevolking (12-uursgrens), Potentiële beroepsbevolking

Dienstverlening niet gericht op het maken van winst.

Toelichting
Het totaal van de SBI-secties O t/m U, daardoor omvattend:
O Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen
P Onderwijs
Q Gezondheids- en welzijnszorg
R Cultuur, sport en recreatie
S Overige dienstverlening
T Huishoudens als werkgever; niet-gedifferentieerde productie van goederen en diensten door huishoudens voor eigen gebruik
U Extraterritoriale organisaties en lichamen

Zie ook: Dienstverlening

Gebruik van een energiedrager voor het maken van een product dat geen energiedrager is, waarbij de voor het productieproces gebruikte energie in het product aanwezig blijft.

Toelichting
Voorbeelden zijn het gebruik van olie als grondstof voor plastic of aardgas voor kunstmest. Dit is exclusief verbruik voor energieomzetting.

Vennootschap of quasi-vennootschap die marktproducent is en van wie de hoofdactiviteit bestaat uit de productie van goederen en niet-financiële diensten.

Zie ook: Besloten vennootschap (BV), Naamloze vennootschap (nv), Quasi-vennootschappen

Ongehuwd, gescheiden of verweduwd.

Zie ook: Burgerlijke staat

Twee samenwonende personen die zich als elkaars levenspartner beschouwen, maar die niet met elkaar gehuwd zijn of elkaars geregistreerd partner zijn.

Vakantiereis waarbij men: - het logies rechtstreeks bij de eigenaar boekte; - of zonder te reserveren op pad ging; - of op een vaste seizoen- of jaarplaats verbleef; - of in een eigen recreatief onderkomen verbleef.

Economische activa die op andere wijze ontstaan dan als resultaat van een productieproces. Zij bestaan uit materiële en immateriële activa en zijn ingedeeld op basis van hun ontstaanswijze. Sommige van deze activa komen in de natuur voor, andere, zogenaamde maatschappelijke constructies, komen tot stand via juridische of boekhoudkundige handelingen.

Toelichting
Alle materiële niet-geproduceerde activa zijn natuurlijke hulpbronnen. Welke natuurlijke hulpbronnen onder deze categorie vallen, wordt overeenkomstig de algemene definitie van economische activa bepaald door het feit of over deze hulpbronnen wel daadwerkelijk eigendomsrechten kunnen worden uitgeoefend en of zij economisch exploiteerbaar zijn voor de eigenaars ervan, gegeven de stand van de technologie, kennis, economische mogelijkheden, beschikbare middelen en de prijs van vervangende producten. Natuurlijke hulpbronnen waarover geen eigendomsrechten (kunnen) worden uitgeoefend, zoals de open zee of het luchtruim, blijven buiten beschouwing.
Tot de immateriële niet-geproduceerde activa behoren octrooien, lease- en andere overdraagbare contracten, aangekochte goodwill enz. Entiteiten zonder juridische of boekhoudkundige grondslag – zoals bijvoorbeeld de toekenning van een octrooi of de overdracht van economische baten aan derden – vallen niet onder deze definitie.

In de Landbouwtellingen gehanteerde benaming voor een persoon die werkzaam is op een agrarisch bedrijf, waarbij geldt dat: - het bedrijf een rechtspersoon (BV, NV, stichting, vereniging) is, of - het bedrijf geen rechtspersoon is (maar bijv. een eenmanszaak, maatschap, VOF of CV) en de persoon geen 1e of 2e graads familie is van het bedrijfshoofd.

Persoon of bedrijf niet behorend tot de Nederlandse economie.

Zie ook: Buitenland (NR), Ingezetene

Overlijden van een persoon veroorzaakt door moord, doodslag, geweld, verkeersongeval, privéongeval, bedrijfsongeval of door zelfdoding.

Toelichting
Euthanasie wordt niet aangemerkt als niet-natuurlijke dood.

Een rechtspersoon of een samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid.

Toelichting
Een samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid is een rechtsvorm behorend bij een georganiseerde groep van natuurlijke personen en/of rechtspersonen die zelf niet in het recht is erkend als drager van wettelijke rechten en plichten.
Voorbeelden van samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid zijn de maatschap, de vennootschap onder firma (vof) en de commanditaire vennootschap (cv).

Zie ook: Commanditaire vennootschap (CV), Maatschap, Rechtspersoon, Samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid, Vennootschap onder Firma

Persoon die niet de Nederlandse nationaliteit bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.

Toelichting
Niet inbegrepen zijn:
- niet-Nederlandse diplomaten en niet-Nederlandse NAVO-militairen die in Nederland wonen;
- asielzoekers die korter dan zes maanden in de centrale opvang in Nederland verblijven en nog geen verblijfsvergunning hebben gekregen.

Oordeel van de rechter dat het rechtsmiddel, op grond van de (schriftelijk) geleverde informatie, niet vatbaar is voor berechting. De rechter geeft dan geen inhoudelijk oordeel over de gegrondheid van het beroep op de rechter.

Zie ook: Rechtsmiddel

Belastingen op productie die producenten moeten betalen, ongeacht de hoeveelheid of de waarde van de geproduceerde of verkochte producten.

Toelichting
Voorbeelden zijn de onroerende zaakbelasting, reinigingsrechten en rioolrechten betaald door producenten.

Zie ook: Productgebonden belastingen op productie

Subsidies op productie die niet direct relateerbaar zijn aan de waarde of de hoeveelheid geproduceerde en verkochte producten. Het betreft vooral de loonsubsidies.

Zie ook: Productgebonden subsidies

In de Landbouwtellingen gehanteerde benaming voor een persoon die werkzaam is op een agrarisch bedrijf, op basis van een los contract voor bepaalde tijd, voor bepaald werk of gelegenheidswerk.

Een persoon jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die als werkloze werkzoekende staat geregistreerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en die geen recht heeft op een uitkering of arbeidsondersteuning op grond van de Participatiewet of de Werkloosheidswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten8, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de Algemene nabestaandenwet dan wel op grond van een regeling, die met deze wetten naar aard en strekking overeenstemt.

Toelichting
In de Participatiewet wordt in het kader van de gemeentelijke taak tot sociale activering, die vooral gericht is op arbeidsinschakeling via re-integratiemaatregelen, naast de populatie bijstandontvangers ook de populatie niet-uitkeringsgerechtigden onderscheiden. In artikel 6 van de Participatiewet wordt deze nader gedefinieerd. Mensen die tot de populatie niet-uitkeringsgerechtigden (NUG) behoren, kunnen aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente waarin zij wonen bij het zoeken naar werk (re-integratie).

Geneesmiddelen die zonder recept verkregen kunnen worden.

Toelichting
Hiertoe behoren: pijn- en koortswerende middelen, zoals aspirine; middelen tegen hoest, verkoudheid, griep, keelpijn enz.; versterkende middelen, zoals vitaminen, mineralen en tonica; laxeermiddelen; geneesmiddelen tegen maag- en darmklachten; spijsverteringsmiddelen; slaap- en kalmeringsmiddelen; middelen tegen de zenuwen; medicijnen voor de huid; geneesmiddelen tegen reuma, gewrichtspijnen; homeopathische middelen.

Personen die geen betaald werk hebben.

Toelichting
Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar. De niet-werkzame bevolking bestaat uit de werkloze beroepsbevolking en de niet-beroepsbevolking. Bij betaald werk gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur.

Personen die geen betaald werk hebben of voor minder dan twaalf uur per week betaald werken.

Toelichting
Deze definitie van de niet-werkzame bevolking stond tot 2015 centraal in de berichtgeving door het CBS. De definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 65 jaar.

Allochtoon met als herkomstgroepering een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije.

Toelichting
Op grond van hun sociaaleconomische en sociaal-culturele positie worden allochtonen uit Indonesië en Japan tot de westerse allochtonen gerekend. Het gaat vooral om mensen die in het voormalig Nederlands-Indië zijn geboren en werknemers van Japanse bedrijven met hun gezin.

Zie ook: Allochtoon, Autochtoon, Herkomstgroepering, Inwoner, Westerse allochtoon

Ziekelijke weefselontaarding. Er worden zowel goedaardige als kwaadaardige gezwellen (kanker), inclusief kwaadaardige bloedziekten onder verstaan (ICD-10 codes C00-D48).

Samenvoeging van de SBI-secties B t/m F, daardoor omvattend: - Winning van delfstoffen; - Industrie; - Productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en water; - Bouwnijverheid.

Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan. Smogvormend en soms carcinogeen.

Gebied afgebakend voor de planning van spreidingspatronen van scholen voor voortgezet onderwijs.

Toelichting
Indeling in 80 nodale gebieden.

De indeling die Eurostat voorschrijft voor de regionalisering van statistieken.

Toelichting
De indeling bevat voor Nederland de volgende niveaus:
NUTS 1 : landsdelen,
NUTS 2 : provincies,
NUTS 3 : COROP-gebieden.

De in de EU geldende classificatie van economische activiteiten.

Toelichting
Bij EU-verordening nr. 3037/90 van 9/10/1990 werden alle lidstaten verplicht om met ingang van 1993 hun nationale classificaties van economische activiteit in overeenstemming te brengen met NACE. Per 1 januari 2008 is versie NACE Rev. 2 van toepassing.

De door het CBS gehanteerde Standaard Bedrijfsindeling 2008 (SBI 2008) is tot en met het niveau van de klassen (vier cijfers), op een aantal uitzonderingen na, gelijk aan de NACE Rev. 2. Op het niveau van de afdeling, aangegeven door twee cijfers, stemmen SBI 2008 en NACE Rev. 2 overeen met de ISIC Rev. 4, de door de Verenigde Naties aanbevolen classificatie van economische activiteiten.

Zie ook: Standaard Bedrijfsindeling 2008 (SBI 2008)

Het water dat is gelegen aan de zeezijde van de kust van Zeeland, Holland en van de Waddeneilanden.

Toelichting
Het gaat hierbij alleen om dat deel van de Noordzee dat gemeentelijk ingedeeld is.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Loodhoudende motorbenzine met een octaangetal kleiner dan 95.

Toelichting
Er zijn gegevens over de periode 1946-1988. Hierna bevatte normaal motorbenzine zeer weinig tot geen lood meer.

Uitkering die niet tot uitbetaling komt door korting op de uitkering, in verband met inkomsten uit arbeid, door sanctie of schorsing.

Toelichting
Als de op de uitkering toegepaste kortingen zo hoog oplopen dat het bedrag van de uitkering wordt overtroffen, is er sprake van een nuluitkering. Voorwaarde is dat het recht op de uitkering blijft bestaan.

Hiervan is sprake indien de respondent op de enquêtedag geen verplaatsingen heeft gemaakt.