Begrippen

Lijst met begrippen die CBS hanteert in zijn statistieken. Door overal dezelfde definities te gebruiken, kunnen cijfers beter met elkaar vergeleken worden.

Lijst van begrippen

De verhouding tussen het aantal inactieven en actieven in Nederland. Tot de inactieven worden de uitkeringstrekkers van 15 jaar en ouder (AOW, ANW, ZW, WAO, WAZ, Wajong, WW, vorstverlet, ABW, IOAW en IOAZ) gerekend, omgerekend naar volledige uitkeringen. Onder actieven worden verstaan de werkzame personen van 15 jaar en ouder omgerekend naar volledige banen (arbeidsjaren), verminderd met het ziekteverzuim in uitkeringsjaren.

Toelichting
De i/a ratio is een indicator voor het draagvlak van de sociale verzekeringen: hoe meer mensen er werken, hoe meer er aan sociale premies wordt betaald.

Het water begrensd door de Afsluitdijk, de Ketelbrug tussen de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland, de Hollandsebrug bij Muiderberg en de Oranjesluizen bij Amsterdam.

Zie ook: Bodemgebruik, Classificatie

Vaste activa die betrekking hebben op niet-tastbare kapitaalgoederen.

Toelichting
Voorbeelden van immateriële vaste activa zijn: concessies voor exploratie van minerale reserves, vergunningen, octrooien, patenten, software, databanken, goodwill.

Vestiging van personen vanuit het buitenland in Nederland.

Toelichting
Om als immigrant te kunnen worden geteld dienen deze personen ingeschreven te worden in de gemeentelijke bevolkingsregisters. Tot en met september 1994: een aantal speciale gevallen uitgezonderd, vond opneming voor een persoon met de Nederlandse nationaliteit plaats als deze zich voor langer dan 30 dagen dacht te vestigen en voor een persoon met een niet-Nederlandse nationaliteit als de verwachte vestigingsduur de 180 dagen overschreed. Vanaf oktober 1994: men wordt ingeschreven als men verwacht minimaal vier maanden in Nederland te blijven.

Zie ook: Buitenlandse migratie

De volgens de wet eerst aangewezen rechterlijke instantie waar een zaak wordt behandeld.

Zie ook: Cassatie, Hoger beroep, Rechtbank

De als enige aangewezen rechterlijke instantie die op grond van de regelgeving een uitspraak mag doen over een geschil.

Zie ook: In eerste aanleg

Dat deel van de ontwikkeling van het gemiddeld verdiend loon, dat niet resulteert uit CAO-wijzigingen. De incidentele loonontwikkeling wordt gesplitst in het demografisch-economisch effect en overige effecten.

Toelichting
Het verschil tussen de ontwikkeling van de feitelijk verdiende lonen en de loonontwikkeling zoals overeengekomen in CAO's en vergelijkbare collectieve regelingen.
Het demografisch-economisch effect is het deel van de incidentele loonontwikkeling dat verklaard wordt door veranderingen in samenstelling van de werknemerspopulatie. Het betreft hier veranderingen in samenstelling van geslacht, leeftijd en dienstverband.
De overige effecten zijn het deel van de incidentele loonontwikkeling dat niet verklaard wordt uit het demografisch-economisch effect.

Indexcijfers die de ontwikkeling weergeven van het gemiddeld verdiend loon, gecorrigeerd voor veranderingen in de samenstelling van de werknemerspopulatie voor wat betreft de verdeling naar bedrijfsklasse, geslacht, leeftijd en aard van de werkzaamheden.

Toelichting
Vergelijking van de ontwikkeling van het gemiddelde verdiende loon met die van de “structuurvrije” index verdiende lonen levert het structuureffect (of demografisch-economisch effect) op: dat deel van de ontwikkeling van het gemiddelde verdiende loon dat het gevolg is van veranderingen in de samenstelling van de werknemerspopulatie.

Indexcijfers die de ontwikkeling weergeven van de brutolonen waarop werknemers bij een normale voltijdarbeidsduur onvoorwaardelijk recht hebben.

Toelichting
Deze cijfers hebben betrekking op de loon- en arbeidsduurgegevens zoals die staan vermeld in collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO's). Er worden dus geen gerealiseerde bedragen waargenomen; alleen afspraken met betrekking tot de schaallonen en bindend voorgeschreven toeslagen komen in de ontwikkeling van het CAO-loon tot uitdrukking. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt naar CAO-lonen inclusief bijzondere beloningen en CAO-lonen exclusief bijzondere beloningen, en tussen CAO-lonen per uur en CAO-lonen per maand. Wijzigingen in het CAO-loon komen tot uiting in zowel de lonen per maand als in de lonen per uur. Wijzigingen in de overeengekomen jaarlijkse arbeidsduur zijn alleen van invloed op de CAO-lonen per uur.
Het CAO-loon inclusief bijzondere beloningen omvat de volgende elementen:
- het brutoloon voor normale arbeidstijd van voltijdwerknemers
- alle bindend voorgeschreven, regelmatig betaalde toeslagen
- alle bindend voorgeschreven bijzondere (niet maandelijkse) beloningen, zoals de vakantietoeslag of de eindejaarsuitkering.
Uitgesloten zijn toeslagen die in de CAO's voorwaardelijk zijn gesteld, zoals een leeftijdstoeslag of een toeslag voor ploegendienst, en individuele loonstijgingen.

Vruchtbaarheidscijfer van een regio, zodanig berekend dat regio's onderling vergelijkbaar worden.

Toelichting
Bij indirect standaardiseren wordt de leeftijdsverdeling van vrouwen in de vruchtbare leeftijd (15 tot 50 jaar) in een regio gelijk gesteld aan die van Nederland als geheel. Hierdoor worden de effecten van bijvoorbeeld relatief veel vrouwen in de meest vruchtbare of minst vruchtbare leeftijd uitgeschakeld. Met het gestandaardiseerde cijfer zijn regio's beter te vergelijken.

De verwerving van consumptiegoederen en -diensten die door de overheid worden gefinancierd en vervolgens als sociale overdrachten in natura aan de huishoudens worden geleverd. Hieronder valt het merendeel van de uitgaven van de overheid op het gebied van gezondheid, onderwijs en sociale bescherming.

Zie ook: Collectieve consumptie door de overheid, Consumptie door de overheid

Het niet-biogene deel van industrieel afval dat is gebruikt voor productie van energie.

Inflatie is de gemiddelde prijsstijging van de goederen en diensten die consumenten kopen.

Toelichting
De inflatie in Nederland wordt gemeten als de stijging van de consumentenprijsindex (CPI) ten opzichte van de overeenkomstige periode in het voorgaande jaar. De consumentenprijsindex geeft het prijsverloop weer van een pakket goederen en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door de Nederlandse huishoudens. Inflatie leidt tot geldontwaarding, wat wil zeggen dat er voor eenzelfde bedrag minder kan worden aangeschaft.

.

Afvalwater dat voor behandeling op een zuiveringsinrichting wordt aangevoerd.

De winst die buitenlandse concernonderdelen maken wordt in de regel niet volledig teruggestort naar het Nederlandse moederbedrijf. Het deel dat niet wordt teruggestort wordt ingehouden winst genoemd. Deze wordt in de nationale rekeningen wel meegeteld in de winst van het Nederlandse moederbedrijf.

Toelichting
Voor een voorbeeld van de boekhoudkundige verwerking van ingehouden winsten binnen het systeem van nationale rekeningen, zie Ingehouden winst.pdf

\\Mspv1f\standaards1\Stat_Coord\StatCoord\bos\Documentatie\BegrippenInfo\ingehoudenwinst.pdf

Verzet dat door de eiser in een rechtszaak is ingetrokken, waardoor er dus geen uitspraak van de rechter volgt.

Zie ook: Verzet (juridisch)

Persoon of bedrijf behorend tot de Nederlandse economie. Het betreft personen die langer dan één jaar in Nederland verblijven en bedrijven die gevestigd zijn in Nederland, inclusief vestigingen van buitenlandse ondernemingen in Nederland.

Zie ook: Niet-ingezetene

Initieel onderwijs is de eerste, oorspronkelijke onderwijsloopbaan van personen in het voltijdonderwijs voordat zij bijvoorbeeld de arbeidsmarkt betreden.

Toelichting
Tot het initiële onderwijs behoort het voltijdonderwijs dat mensen volgen voordat ze bijvoorbeeld de arbeidsmarkt betreden, zoals het basisonderwijs, het voltijd voortgezet onderwijs en aansluitende vervolgopleidingen in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en het hoger onderwijs (ho). Bij het mbo gaat het dan niet alleen om de beroepsopleidende leerweg (bol), maar ook om de beroepsbegeleidende leerweg (bbl, het voormalige leerlingwezen). Onder het ho vallen het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo).

Zie ook: Postinitieel onderwijs

Het brutoloon tantième, spaarloon en de beloning van arbeid die niet in dienstbetrekking is verricht. .

Toelichting
Dit is inclusief werknemers- en werkgeversbijdrage in de premies voor de sociale verzekeringen. Ook loon in natura zoals de waarde van het privégebruik van de auto van de werkgever is hiertoe gerekend.

In de Nationale rekeningen (NR) wordt hieronder verstaan het loon of salaris van werknemers plus de toegerekende beloning voor zelfstandigen en meewerkende gezinsleden.

Toelichting
De toegerekende beloning voor zelfstandigen en meewerkende gezinsleden wordt berekend door het aantal arbeidsjaren van zelfstandigen en meewerkende gezinsleden te vermenigvuldigen met de gemiddelde lonen en salarissen van werknemers.

Zie ook: Arbeidsinkomensquote

Fiscaal resultaat uit onderneming vermeerderd met het bedrag van de ondernemersaftrek en de investeringsaftrek.

Toelichting
Ondernemersaftrek en investeringsaftrek worden als een belastingfaciliteit beschouwd en niet op het winstinkomen in mindering gebracht. De wegens meewerken aan de partner toegekende arbeidsbeloning wordt als arbeidsinkomen bij het inkomen van de partner geteld.

Rente over spaartegoeden, dividenden en opbrengsten uit onroerend goed (waaronder de eigen woning).

Toelichting
Tot inkomsten uit financieel vermogen behoren ontvangen rente van banktegoeden, inkomsten uit obligaties en dividenden. Bij onroerend goed gaat het om inkomsten uit eigen woning en overige inkomsten uit onroerend goed. Betaalde rente (waaronder de hypotheekrente) is in mindering gebracht.

In de Nationale rekeningen (NR) wordt hieronder verstaan het inkomen dat de eigenaar van een vordering of van materiële niet-geproduceerde activa ontvangt voor het verstrekken van financiële middelen, of het beschikbaar stellen van de materiële niet-geproduceerde activa aan een andere institutionele eenheid.

Toelichting
Inkomen uit vermogen wordt op onderstaande wijze ingedeeld:
a) rente;
b) winstuitkeringen in de vorm van (1) dividenden en (2) inkomen onttrokken aan quasi-vennootschappen;
c) ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen;
d) inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders;
e) inkomen uit grond en minerale reserves.

Het (directe) rendement dat pensioenfondsen en levensverzekeraars behalen op hun vermogen uit bijvoorbeeld rente, dividenden, huren en pachten. Dit inkomen wordt in de nationale rekeningen beschouwd als inkomen van de deelnemers / polishouders die dit vermogen door het inleggen van premies hebben opgebouwd

Zie ook: Primair inkomen (NR)

Alle betalingen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat en die niet drukken op het vermogen van de betaler en niet dienen om lange-termijnuitgaven van de ontvanger te financieren.

Toelichting
Voorbeelden van inkomensoverdrachten zijn giften, belastingen, premies, uitkeringen, afdrachten aan de Europese Unie.

Een echtpaar met inkomen of een ongehuwde met inkomen.

Toelichting
De inkomenstrekker is de eenheid die de belastingdienst vóór 1984 gebruikte.

De verdeling van het inkomen uit het economisch proces over de onderscheiden binnenlandse sectoren en het buitenland. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen de primaire inkomensverdeling en de secundaire inkomensverdeling.

Een verzekering die mensen beschermt tegen inkomensverlies als gevolg van ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, ouderdom of overlijden.

Toelichting
In de regel zijn inkomensverzekeringen wettelijk geregeld via de sociale verzekering of wettelijk beschermd door de Pensioen- en Spaarfondsenwet. Inkomensverzekeringen kunnen daarnaast ook particulier worden afgesloten. Ze worden gefinancierd door premieheffing.

Inkoopwaarde van grond- en hulpstoffen en verpakkingsmiddelen, voor zover verbruikt bij de productie van de in het verslagjaar verkochte goederen en diensten.

Toelichting
De inkoopwaarde omvat ook de invoerrechten, de kosten van inklaring, invoerheffingen van de Europese Unie, de kosten van tijdelijke voorraadopslag, de kosten voor transport en voor transportverzekering van de inkopen.
De inkoopwaarde vormt het totaal van de waarde van de beginvoorraad plus de kosten van de inkopen minus de waarde van de eindvoorraad

Handelsgoederen zijn goederen die zijn ingekocht met de bedoeling deze zonder verdere bewerking door te verkopen.

Toelichting
Deze post omvat ook de invoerrechten, de kosten van inklaring, invoerheffingen van de Europese Unie, de kosten van tijdelijke voorraadopslag, de kosten voor transport en voor transportverzekering van de inkopen. De inkoopwaarde vormt het totaal van de waarde van de beginvoorraad plus de kosten van de inkopen minus de waarde van de eindvoorraad.

Kosten van grond- en hulpstoffen, verpakkingsmiddelen, handelsgoederen, loondiensten en uitbestede werkzaamheden, voor zover verbruikt bij de productie van de in het verslagjaar verkochte goederen en diensten.

Toelichting
De kosten van de niet verkochte productie zijn niet in deze post begrepen, de kosten van de uit voorraad afkomstige omzet echter wel.

De inkoopwaarde van goederen, diensten en dergelijke die niet eerder zijn gespecificeerd.

De kosten van de in de verslagperiode ingekochte grond- en hulpstoffen en verpakkingsmiddelen voor eenmalig gebruik ten behoeve van het productieproces.

Toelichting
Deze kosten zijn inclusief invoerrechten en opslagkosten maar exclusief kortingen, bonussen, retourzendingen en retouremballage, btw, terugontvangen invoerrechten, accijnzen en heffingen.

De kosten van de handelsgoederen die in de verslagperiode zijn ingekocht. Inclusief: kosten van eenmalige verpakking, invoerrechten op de inkoop en kosten van tijdelijke opslag (en bpm). Exclusief kortingen, bonussen, retourzendingen, retouremballage en terugontvangen invoerrechten, accijnzen en heffingen.

Alle activiteiten die gericht zijn op vernieuwing in een bedrijf.

Toelichting
Innovaties kunnen zowel technologisch als niet-technologisch van aard zijn. Bij technologische innovatie gaat het om het vernieuwen dan wel sterk verbeteren van producten of diensten of de processen waarmee producten en diensten worden voortgebracht. Van niet-technologische innovatie is bijvoorbeeld sprake bij vernieuwingen in de organisatie.

Een overeenkomst tussen een persoon en een instelling voor kunstzinnige vorming voor het volgen van een specifieke cursus.

Toelichting
Personen die meerdere cursussen volgen staan hierbij meerdere keren ingeschreven.

Situatie waarin een persoon of onderneming niet aan zijn/haar financiële verplichtingen kan voldoen.

Zie ook: Faillissement

Een juridisch zelfstandig rechtspersoon met een eigen begroting en zonder winstoogmerk met activiteiten op het gebied van kunstzinnige vorming.

Dag- en opvanghuizen gericht op de zorg voor verstandelijk gehandicapten.

Een juridische of sociale eenheid die is opgericht voor de productie van goederen of diensten, maar die een zodanige status heeft dat het haar niet is toegestaan als bron van inkomsten, winst of andere financiële verdiensten te fungeren voor de eenheden die haar hebben opgericht, of die haar beheren of financieren. In de praktijk zullen haar productieve activiteiten stellig overschotten of tekorten genereren, maar eventuele overschotten kunnen niet aan andere institutionele eenheden worden toegewezen.

Toelichting
Indeling van instellingen zonder winstoogmerk.
Een IZW is een overheidsinstelling zonder winstoogmerk (IZWo) als ze onder toezicht staat en hoofdzakelijk wordt gefinancierd door de overheid. Toezicht wordt gedefinieerd als de mogelijkheid om het algemene beleid of het programma van een institutionele eenheid te bepalen, zo nodig door hiervoor geschikte directieleden of managers te benoemen. Hoofdzakelijk gefinancierd door de overheid betekent dat meer dan 50% van de productiekosten door de overheid worden gefinancierd. De overheidsinstelling zonder winstoogmerk worden ingedeeld bij de sector overheid. Voorbeelden zijn musea, Kamers van Koophandel, openbare bibliotheken.

Alle overige IZW zijn particuliere instellingen zonder winstoogmerk (IZWp).
Indien meer dan 50% van de productiekosten door verkopen wordt gedekt is het een particuliere IZW ten behoeve van bedrijven (IZWb). Deze worden ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen. Onderzoeks- en testlaboratoria zijn daar voorbeelden van. IZWb ten behoeve van werkgevers zoals werkgeversorganisaties en beroepsverenigingen vormen een geval apart. Gewoonlijk worden zij gefinancierd uit contributies of lidmaatschapsgelden van de groep betrokken bedrijven. De lidmaatschapsgelden worden niet als overdracht maar als betaling voor verleende diensten (d.w.z. als marktverkopen) beschouwd. Zij voldoen dan toch aan het 50% criterium en kunnen daarom als IZWb worden beschouwd.
Indien minder dan 50% van de productiekosten wordt gedekt door verkopen (en de IZW wordt niet gecontroleerd en hoofdzakelijk gefinancierd door de overheid) is het een particuliere IZW ten behoeve van huishoudens (IZWh) die bij de gelijknamige subsector wordt ingedeeld. Voorbeelden daarvan zijn vakbonden, sportclubs en kerkgenootschappen.

Een particuliere instelling zonder winstoogmerk waarbij meer dan 50% van de productiekosten wordt gedekt door verkopen.

Toelichting
Onderzoeks- en testlaboratoria zijn voorbeelden van IZWb. IZWb ten behoeve van werkgevers zoals werkgeversorganisaties en beroepsverenigingen vormen een geval apart. Gewoonlijk worden zij gefinancierd uit contributies of lidmaatschapsgelden van de groep betrokken bedrijven. De lidmaatschapsgelden worden niet als overdracht maar als betaling voor verleende diensten (d.w.z. als marktverkopen) beschouwd. Zij voldoen dan toch aan het 50% criterium en kunnen daarom als IZWb worden beschouwd.
De IZWb worden ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen.

Zie ook: Instelling zonder winstoogmerk (IZW), Sector financiële instellingen, Sector niet-financiële vennootschappen

Een vereniging of stichting waarvan de middelen voor het merendeel afkomstig zijn uit vrijwillige bijdragen van huishoudens en uit inkomen uit vermogen.

Toelichting
Voorbeelden zijn religieuze instellingen, liefdadigheidsinstellingen, politieke partijen, vakbonden en verenigingen op het gebied van cultuur, sport en recreatie. Ze komen met name voor in de bedrijfsklassen gezondheids- en welzijnszorg, cultuur, sport en recreatie en de overige dienstverlening.

Zie ook: Instelling zonder winstoogmerk (IZW), Sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens

Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en daar bedrijfsmatig worden voorzien in dagelijkse levensbehoeften. Ook de huisvesting vindt bedrijfsmatig plaats.

Toelichting
Het gaat om personen in instellingen zoals verpleeg-, verzorgings- en kindertehuizen, gezinsvervangende tehuizen, revalidatiecentra en penitentiaire inrichtingen, die daar in principe voor langere tijd (zullen) verblijven.

Zie ook: Institutionele bevolking, Sector huishoudens

Instelling die gelden ter beschikking krijgt die moeten worden belegd, te weten een verzekeringsinstelling, pensioenfonds of beleggingsinstelling.

Toelichting
Beleggingsfondsen die voornamelijk beleggen in geldmarktinstrumenten ( de zogenaamde Geldmarktfondsen) worden niet tot de institutionele beleggers gerekend.

Personen in institutionele huishoudens.

Zie ook: Institutioneel huishouden

Economische eenheid die wordt gekenmerkt door eenheid in gedrag en een zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van de hoofdfunctie. De eenheid is institutioneel als zij: • bij de uitoefening van haar hoofdfunctie zelfstandige beslissingsbevoegdheid bezit, dat wil zeggen verantwoordelijk en aansprakelijk is voor haar beslissingen en maatregelen; • over een volledige boekhouding beschikt, dat wil zeggen dat de eenheid, behalve over boekhoudkundige documenten met al haar economische en financiële transacties tijdens de verslagperiode, ook over een balans van activa en passiva beschikt. Indien dit niet het geval is, moet het mogelijk of zinvol zijn om op verzoek een volledige boekhouding op te stellen

Toelichting
De institutionele eenheid is de werkelijke economische eenheid die zelfstandig goederen en activa kan bezitten, verplichtingen kan aangaan en economische activiteiten en transacties met andere eenheden kan verrichten.
De volgende regels zijn van toepassing op instellingen die niet duidelijk alle kenmerken van een institutionele eenheid bezitten:
a. huishoudens bezitten altijd zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van hun hoofdfunctie en worden derhalve als institutionele eenheden beschouwd, ook al beschikken zij niet over een volledige boekhouding;
b. eenheden zonder volledige boekhouding, voor wie het niet mogelijk of zinvol is om op verzoek een volledige boekhouding op te stellen, vormen een onderdeel van de institutionele eenheden waarvan zij administratief deel uitmaken;
c. eenheden met een volledige boekhouding, maar zonder zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van hun hoofdfunctie, vormen een onderdeel van de institutionele eenheden waardoor zij worden bestuurd;
d. eenheden die voldoen aan de definitie van institutionele eenheid, worden ook nog als zodanig beschouwd indien zij hun boekhouding niet openbaar maken;
e. eenheden die deel uitmaken van een groep van eenheden met productie en die over een volledige boekhouding beschikken, worden als institutionele eenheden beschouwd, ook al hebben zij een gedeelte van hun zelfstandige beslissingsbevoegdheid overgedragen aan de moederonderneming (holding) die de algemene leiding van de groep heeft; de holding zelf wordt ten opzichte van de eenheden die zij beheert als een afzonderlijke institutionele eenheid beschouwd, tenzij b) van toepassing is.
f. quasi-vennootschappen hebben wel een volledige boekhouding, maar geen eigen rechtspersoonlijkheid. Hun economisch en financieel gedrag verschilt evenwel van dat van hun eigenaars en lijkt op dat van vennootschappen. Zij worden dus geacht zelfstandige beslissingsbevoegdheid te bezitten en worden daarom als afzonderlijke institutionele eenheden beschouwd.
Voor het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR) zijn de institutionele eenheden ingedeeld in vijf elkaar uitsluitende institutionele sectoren:
a. sector niet-financiële vennootschappen;
b. sector financiële instellingen;
c. sector overheid;
d. sector huishoudens;
e. e) sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens.

Zie ook: Institutionele sector

Een aggregaat van institutionele eenheden met een gelijksoortig economische gedrag.

Toelichting
Toelichting:
Een institutionele sector is een groep van deelnemers aan het economisch proces die dezelfde positie en functie in de economie hebben. Binnen een nationale economie worden door het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR-1995) vijf van dergelijke elkaar uitsluitende groepen onderscheiden. Deze vijf sectoren zijn:
a. sector niet-financiële vennootschappen;
b. sector financiële instellingen;
c. sector overheid;
d. sector huishoudens;
e. sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens.
De vijf sectoren vormen tezamen de totale economie. Iedere sector is onderverdeeld in subsectoren. Het ESR-1995 voorziet in een volledig rekeningenstelsel (inclusief balansen) voor iedere sector, en desgewenst subsector, alsmede voor de totale economie.

Zie ook: CAO-sector, Institutionele eenheid, Sector financiële instellingen, Sector huishoudens, Sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, Sector niet-financiële vennootschappen, Sector overheid

Medische beslissing rondom het levenseinde waarbij intensivering van pijn- en/of symptoombestrijding (PSB) plaatsvindt met één of meer medicamenten. Bij deze behandeling wordt rekening gehouden met de waarschijnlijkheid of zekerheid dat het levenseinde van de patiënt zal worden bespoedigd.

De producten die in de verslagperiode zijn verbruikt in het productieproces, gewaardeerd tegen aankoopprijzen, exclusief aftrekbare btw. Dit kunnen al of niet in de verslagperiode aangekochte grondstoffen, halffabrikaten en brandstoffen zijn, maar ook diensten zoals communicatiediensten, schoonmaakdiensten en diensten van externe accountants.

Toelichting
Niet tot het intermediair verbruik maar tot de afschrijvingen behoort het verbruik van vaste activa (bedrijfsgebouwen, machines, eigen vervoermiddelen e.d.).
Ook aangekochte goederen door de handel die, zonder enige bewerking te ondergaan, weer zijn doorverkocht worden niet tot het intermediair verbruik gerekend.
Het intermediair verbruik vormt samen met de finale bestedingen de totale bestedingen aan goederen en diensten.

Zie ook: Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen), Verbruikswaarde

Internationaal voortgezet onderwijs op het niveau van het Nederlandse vwo voor leerlingen met een buitenlandse of Nederlandse nationaliteit van wie de ouders voor een bepaalde tijd in Nederland of in het buitenland werken.

Toelichting
Het Internationaal Baccalaureaat vormt samen met de Engelse Stroom het Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs (IGVO). Het diploma Internationaal Baccalaureaat (IB) is te behalen door leerlingen van 16 tot 19 jaar uit het voortgezet onderwijs, op het niveau van het Nederlandse vwo. De leerling volgt twee jaar lang zes vakken die hij heeft gekozen uit zes disciplines, waaronder talen, sociale wetenschappen, natuurwetenschappen en artistieke vakken.

Bij Nederlandse leerlingen geldt dat zij ten minste twee jaar in het buitenland onderwijs moeten hebben genoten of in de nabije toekomst zullen gaan volgen.

Het Internationaal Baccalaureaat wordt aangeboden door ruim dertienhonderd scholen in 116 landen. Omdat de inhoud en structuur van het programma overal identiek is, kan een leerling de opleiding zonder problemen in het ene land beginnen en in het andere land voortzetten.

Het diploma Internationaal Baccalaureaat geeft toegang tot het hoger onderwijs in Nederland. Daarnaast kunnen universiteiten nog aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld als het gaat om taalkennis.

Zie ook: Engelse Stroom

Goederenvervoer tussen Nederland en het buitenland, waarbij óf de plaats van lading óf de plaats van lossing buiten Nederland ligt.

De door de Verenigde Naties aanbevolen internationale meerdimensionale onderwijsclassificatie van UNESCO.

Toelichting
Deze deelt opleidingen in op basis van de kenmerken niveau, volgorde waarin opleidingen worden gevolgd, toegeleiding naar vervolgonderwijs dan wel arbeidsmarkt, inhoud van het onderwijs (algemeen/beroeps), cumulatieve duur van een opleiding in voltijdequivalenten, de rangorde in de hiërarchie van nationale examens in het hoger onderwijs en de studierichting.
De huidige versie van de internationale onderwijsclassificatie van de UNESCO is de International Standard Classification of Education 2011 (ISCED 2011). De ISCED 2011 is in november 2011 in zijn definitieve vorm aangenomen in de UNESCO general conference als de gereviseerde opvolger van de ISCED 1997. Rond 1965 leidde de behoefte aan een standaardindeling voor het onderwijs voor internationaal vergelijkend onderzoek tot initiatieven van de Unesco om te komen tot de ISCED. De eerste versie werd in 1975, na intensief internationaal overleg, vastgesteld en voor gebruik aan de lidstaten aanbevolen.

De internationale beroepenclassificatie, die in 1988 onder verantwoordelijkheid van de International Labour Organisation (ILO) is herzien en in 1990 uitgebracht.

Toelichting
Bij de keuze van de indelingscriteria voor de Standaard Beroepenclassificatie 1992 (SBC 1992) van het CBS is aangesloten bij de uitgangspunten voor herziening van de ISCO 1988: ook in de ISCO 1988 wordt het begrip benodigde bekwaamheden gebruikt. De van de benodigde bekwaamheden afgeleide criteria worden in de ISCO 1988 echter niet systematisch uitgewerkt en toegepast, waardoor de afbakening van beroepen in de ISCO 1988 niet duidelijk is.

Uit het buitenland binnengekomen beladen en lege zeeschepen, die in onze havens handelsgoederen lossen en/of laden dan wel passagiers ontschepen en/of inschepen.

Het codestelstel dat het CBS hanteert om de gemelde doodsoorzaken te coderen. Dit codestelsel is opgesteld door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Toelichting
Sinds 1996 is de Tiende Revisie van de ICD in gebruik. Deze is vertaald in samenwerking tussen CBS, SIG Zorginformatie en CISV. - Zeist, Coördinatiepunt Standaardisatie Informatievoorziening in de Zorgsector, 1997.

Een systematische, al dan niet geautomatiseerde, beschrijving van archiefbestanddelen met inhoudsopgave, toelichtende inleiding en dergelijke. Ook dossierinventarissen vallen hieronder.

Vrijheidsbeneming van een verdachte omdat dit voor het onderzoek nodig is. .

Toelichting
De Officier van justitie mag de politie het bevel geven om een verdachte maximaal vier dagen vast te houden, als de normale tijd voor het verhoren van de verdachte (zes uur) niet genoeg blijkt te zijn.
Zie ook: Verdachte, Officier van Justitie, Politie.

Zie ook: Officier van justitie, Politie, Verdachte

Goederen die worden aangeschaft of in eigen beheer worden voortgebracht, met als doel om als kapitaalgoed in het productieproces ingezet te worden. Algemeen worden als zodanig beschouwd goederen met een levensduur van meer dan een jaar (zoals gebouwen, woningen, machines, vervoermiddelen en dergelijke).

Toelichting
In de bedrijfseconomische statistiek wordt ook groot onderhoud aan gebouwen of machines tot de investeringen gerekend. Investeringen in gebruikte investeringsgoederen worden opgenomen voor de aanschafprijs. Investeringen in voorraden en deelnemingen in andere bedrijven vallen niet onder het investeringsbegrip.
In de macro-economische statistiek vallen investeringen in voorraden echter wel en gebruikte investeringsgoederen juist weer niet onder het investeringsbegrip.

Uitgaven voor geproduceerde materiële of immateriële activa die langer dan een jaar in het productieproces worden gebruikt. Bruto is inclusief afschrijvingen, netto is exclusief afschrijvingen.

Toelichting
Tot de investeringen in vaste activa behoren ook:
- Het onderhanden werk in de bouwnijverheid, dat tot de investeringen in vaste activa van de opdrachtgever is gerekend. Het gaat hierbij om woningen, bedrijfsgebouwen, weg- en waterbouwkundige werken etc.
- Militaire bouwwerken die op soortgelijke wijze als door civiele producenten worden gebruikt, zoals vliegvelden en ziekenhuizen.
- Verbeteringen aan gebruikte vaste activa, die veel verder gaan dan wat voor gewoon onderhoud en gewone reparaties nodig is.
- De bij de aankoop van nieuwe en gebruikte vaste activa gemaakte kosten, zoals overdrachtskosten en kosten van makelaars, architecten, notarissen en taxateurs.
Op het niveau van de totale economie (en de sectoren) worden de investeringen gecorrigeerd voor de aan- en verkopen van gebruikte vaste activa.

Zie ook: Bruto-investeringen in vaste activa door de overheid, Vaste activa

Kapitaaloverdrachten die bestemd zijn om geheel of gedeeltelijk de investeringen in vaste activa van andere eenheden te financieren.

Toelichting
In het ESR 1995 worden investeringsbijdragen gedefinieerd als kapitaaloverdrachten in geld of in natura van overheden of het buitenland aan andere ingezeten of niet-ingezeten institutionele eenheden ter volledige of gedeeltelijke financiering van de aankoop van vaste activa.

Tot de investeringsbijdragen van het buitenland behoren de bijdragen die rechtstreeks door de Instellingen van de Europese Unie worden betaald (b.v. bepaalde overdrachten van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, EOGFL – afdeling Oriëntatie).

De (bruto)-investeringen in vaste activa in verhouding tot het (bruto) binnenlands product.

De aankoopwaarde van de materiële vaste activa, die in het lopende c.q. het volgende jaar in gebruik zullen worden genomen.

Het leveren van goederen en het verlenen van diensten door het buitenland (niet-ingezetenen) aan ingezetenen.

Zie ook: Ingezetene, Invoer van diensten, Invoer van goederen

Het verlenen van diensten door het buitenland aan ingezetenen.

Toelichting
De invoer van diensten heeft onder meer betrekking op de uitgaven van
Nederlandse bedrijven in het buitenland, zoals vervoerskosten, bankkosten
en zakenreizen. Bij de overheid gaat het onder meer om uitgaven van
Nederlandse ambassades en consulaten in het buitenland. De invoer door
huishoudens bestaat onder meer uit ingevoerde consumptiegoederen en de
directe consumptieve bestedingen van Nederlandse toeristen, grensbewoners,
diplomaten en militairen in het buitenland.

Zie ook: Ingezetene

Het leveren van goederen door het buitenland aan ingezetenen.

Toelichting
De invoer van goederen betreft de voor ingezetenen bestemde goederen, die vanuit het buitenland in het economisch gebied van Nederland zijn gebracht. Hiertoe behoren ook voor verwerking in het productieproces benodigde grondstoffen, halffabrikaten, brandstoffen en voor investeringen bestemde vaste activa. De invoer omvat verder goederen die, zonder noemenswaardige bewerking te hebben ondergaan, weer zijn uitgevoerd (wederuitvoer).

In de Nationale rekeningen is de invoer f.o.b. gewaardeerd. Deze afkorting staat voor "free on board" en geeft aan dat de ingevoerde goederen zijn gewaardeerd tegen af-producentwaarde, vermeerderd met de handels- en vervoersmarges tot aan de grens van het land van uitvoer. De waardering van de invoer in de Nationale rekeningen wijkt daardoor af van de wijze waarop de invoerwaarde van goederen in statistieken van de internationale handel wordt berekend; zie Invoerwaarde goederen (handel).

Zie ook: Ingezetene, Invoerwaarde goederen (handel)

De waarde van door het buitenland aan ingezetenen geleverde goederen volgens de statistieken van de internationale handel. Bij invoer uit EU-landen is dit de waarde van de goederen inclusief vracht- en verzekeringskosten tot aan de Nederlandse grens. Bij invoer uit niet-EU-landen is dit de waarde inclusief vracht- en verzekeringskosten tot aan de buitengrens van de Europese Unie.

Toelichting
De invoer van goederen betreft de voor ingezetenen bestemde goederen, die vanuit het buitenland in het economisch gebied van Nederland zijn gebracht. Hiertoe behoren ook voor verwerking in het productieproces benodigde grondstoffen, halffabrikaten, brandstoffen en voor investeringen bestemde vaste activa. De invoer omvat verder goederen die, zonder noemenswaardige bewerking te hebben ondergaan, weer zijn uitgevoerd (wederuitvoer).

De invoerwaarde goederen (handel) wijkt af van de waardering van de invoer in de Nationale rekeningen; zie Invoer van goederen.

Zie ook: Ingezetene, Invoer van goederen

Persoon behorende tot de bevolking van een bepaald gebied.

Toelichting
In de CBS-bevolkingsaantallen zijn uitsluitend personen begrepen die zijn opgenomen in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente. In principe wordt iedereen die voor onbepaalde tijd in Nederland woont, opgenomen in het bevolkingsregister van de woongemeente. Personen die tot de bevolking van Nederland behoren, maar voor wie geen vaste woonplaats valt aan te wijzen, zijn opgenomen in het bevolkingsregister van de gemeente 's-Gravenhage. In de bevolkingsregisters zijn niet opgenomen de in Nederland wonende personen waarvoor uitzonderingsregels gelden met betrekking tot opneming in de bevolkingsregisters (bijvoorbeeld diplomaten en NAVO militairen) en personen die niet legaal in Nederland verblijven.

Zie ook: Bevolking

De hoeveelheid zuurstofbindende stoffen, waarvan het zuurstofverbruik bij afbraak overeenkomt met dat van het afvalwater van één inwoner.

International Standard Classification of Occupations 1988

Zie: International Standard Classification of Occupations 1988 (ISCO 1988)

International Standard Industrial Classification of All Economic Activities: de door de Verenigde Naties ontworpen classificatie van economische activiteiten.

Toelichting
Op het niveau van de afdeling (aangegeven door 2 cijfers) stemmen SBI 2008 en NACE Rev. 2 overeen met de ISIC Rev. 4.

Zie ook: Standaard Bedrijfsindeling 2008 (SBI 2008)