Later: Samenvatting
| Thema | Indicator | Positie in de Europese Unie | Positie in EU-ranglijst | Trend (2018-2025) | Ontwikkeling |
|---|---|---|---|---|---|
| Economisch kapitaal | Fysieke kapitaalgoederenvoorraad | 2024: 7e van 12 | Midden | Geen verandering | Daling brede welvaart (2023-2024) |
| Economisch kapitaal | Kenniskapitaalgoederenvoorraad | 2024: 5e van 13 | Midden | Geen verandering | Geen verandering (2023-2024) |
| Economisch kapitaal | Gemiddelde schuld per huishouden | 2024: 24e van 25 | Laag | Daling brede welvaart | Daling brede welvaart (2023-2024) |
| Economisch kapitaal | Mediaan vermogen van huishoudens | Onvoldoende data(kwaliteit) | Geen data | Stijging brede welvaart | Geen verandering (2023-2024) |
| Natuurlijk kapitaal | Opgesteld vermogen hernieuwbare elektriciteit | 2024: 6e van 26 | Hoog | Stijging brede welvaart | Geen verandering (2024-2025) |
| Natuurlijk kapitaal | Beheerde landnatuur in Natuurnetwerk Nederland | Onvoldoende data(kwaliteit) | Geen data | Stijging brede welvaart | Geen verandering (2023-2024) |
| Natuurlijk kapitaal | Groen-blauwe ruimte, exclusief reguliere landbouw | Onvoldoende data(kwaliteit) | Geen data | Daling brede welvaart | Daling brede welvaart (2023-2024) |
| Natuurlijk kapitaal | Fosforoverschot | 2023: 4e van 18 | Hoog | Geen verandering | Geen verandering (2023-2024) |
| Natuurlijk kapitaal | Stikstofoverschot | 2023: 18e van 18 | Laag | Geen verandering | Geen verandering (2023-2024) |
| Natuurlijk kapitaal | Fauna van het land | Onvoldoende data(kwaliteit) | Geen data | Daling brede welvaart | Geen verandering (2023-2024) |
| Natuurlijk kapitaal | Fauna van zoetwater en moeras | Onvoldoende data(kwaliteit) | Geen data | Stijging brede welvaart | Geen verandering (2023-2024) |
| Natuurlijk kapitaal | Oppervlaktewater van voldoende chemische kwaliteit | Onvoldoende data(kwaliteit) | Geen data | Geen verandering | Geen verandering (2024-2025) |
| Natuurlijk kapitaal | Onttrekking grondwater | 2023: 5e van 16 | Midden | Stijging brede welvaart | Geen verandering (2023-2024) |
| Natuurlijk kapitaal | Stedelijke blootstelling aan fijnstof (PM2,5) | 2024: 10e van 27 | Midden | Stijging brede welvaart | Geen verandering (2023-2024) |
| Natuurlijk kapitaal | Cumulatieve CO2-emissies | 2023: 13e van 16 | Laag | Geen verandering | Geen verandering (2024-2025) |
| Menselijk kapitaal | Gewerkte uren | 2025: 16e van 26 | Midden | Stijging brede welvaart | Daling brede welvaart (2024-2025) |
| Menselijk kapitaal | Behaald onderwijsniveau: hbo, wo | 2024: 7e van 27 | Hoog | Stijging brede welvaart | Stijging brede welvaart (2024-2025) |
| Menselijk kapitaal | Gezonde levensverwachting vrouwen | 2023: 23e van 26 | Laag | Geen verandering | Geen verandering (2024-2025) |
| Menselijk kapitaal | Gezonde levensverwachting mannen | 2023: 17e van 26 | Midden | Geen verandering | Geen verandering (2024-2025) |
| Sociaal kapitaal | Vertrouwen in andere mensen | 2023: 2e van 19 | Hoog | Geen verandering | Daling brede welvaart (2024-2025) |
| Sociaal kapitaal | Discriminatiegevoelens | 2023: 18e van 19 | Laag | Geen verandering | Geen verandering (2020-2023) |
| Sociaal kapitaal | Vertrouwen in instituties | 2023: 3e van 19 | Hoog | Geen verandering | Daling brede welvaart (2024-2025) |
Brede welvaart ‘later’ gaat over de hulpbronnen die volgende generaties nodig hebben om een zelfde niveau van brede welvaart te kunnen bereiken als de huidige generatie. Er zijn economische, natuurlijke, menselijke en sociale hulpbronnen. Ze worden ook wel ‘kapitalen’ genoemd. De hoeveelheden moeten minstens constant blijven over de lange termijn om te spreken van duurzaamheid.
Uitleg dashboard, kleuren en noten
De brede welvaart lijkt duurzamer te worden maar het niveau is niet hoog. Op drie indicatoren na blijven economisch, menselijk, natuurlijk en sociaal kapitaal gelijk of nemen ze trendmatig toe. Van de ontwikkelingen in het laatste jaar zijn de meeste negatief. Vergeleken met de andere landen in de EU zijn de meeste hulpbronnen die beschikbaar zijn voor latere generaties gemiddeld of zelfs klein. Dit wijst erop dat, ondanks de gunstige trendmatige ontwikkelingen, de brede welvaart ‘later’ onder druk staat.
Economisch kapitaal
De investeringen om het economisch kapitaal op peil te houden blijven min of meer gelijk, als percentage van het bbp. Investeringen in nieuwe kapitaalgoederen, kennis en technologische innovaties zijn nodig om het verdienvermogen van de Nederlandse economie sterk te houden. Uitgaven aan materiële vaste activa stagneren en investeringen in ICT nemen af. De investeringen in grond-, weg- en waterbouw – noodzakelijk voor het onderhoud en de verbetering van de infrastructuur – blijven op middellange termijn op hetzelfde niveau. Het aandeel van private R&D-uitgaven in het bbp stijgt, terwijl het aandeel van publieke R&D-uitgaven stabiel blijft.
De fysieke kapitaalgoederenvoorraad en de kenniskapitaalgoederenvoorraad per gewerkt uur hebben een stabiele trend. De totale fysieke kapitaalgoederenvoorraad en de kenniskapitaalgoederenvoorraad, gecorrigeerd voor inflatie, nemen gestaag toe maar de gewerkte uren stijgen sneller. Nederland is een van de weinige landen waar de kenniskapitaalgoederenvoorraad per gewerkt uur niet verder stijgt. Nederland stond in 2024 nog op de vijfde plaats in de EU-ranglijst met 13 andere landen, maar verliest geleidelijk haar voorsprong.
Het mediane vermogen van huishoudens na correctie voor inflatie neemt nog trendmatig toe maar is gedaald na 2022. De schulden van huishoudens zijn ten opzichte van andere EU-landen hoog (24e van de 25 landen in 2024) en ze nemen toe. In 2024 was de gemiddelde schuld van huishoudens alleen in Luxemburg hoger. Tegenover de schulden staat het spaargeld van huishoudens. Het spaargeld, niet gecorrigeerd voor inflatie, neemt nog steeds trendmatig toe en steeg in 2025 met 7,0 procent.
Natuurlijk kapitaal
In 2023 had Nederland met afstand het hoogste stikstofoverschot van de 18 landen waarvoor cijfers beschikbaar zijn. Het overschot was in 2023 in Nederland meer dan tweemaal zo hoog als het overschot in Italië, dat op de een-na-laatste plaats stond. In dat jaar had nog altijd bijna 70 procent van de landnatuur last van te veel stikstof. Het stikstofoverschot is sinds 2008 min of meer stabiel en schommelt rond de 160 kilogram per hectare cultuurgrond.
De hoeveelheid groen-blauwe ruimte per inwoner neemt geleidelijk af en de kwaliteit van het oppervlaktewater is laag. In 2025 voldeed slechts 0,5 procent van het areaal van zoete oppervlaktewateren aan de chemische kwaliteitsnorm en is 3,0 procent van goede biologische kwaliteit. De biodiversiteit op het land wordt minder. De biodiversiteit in zoetwater en moeras neemt juist toe.
In de laatste jaren lijkt de verduurzaming van de economie te stagneren. De investeringen als aandeel van het bbp in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie zijn sinds het begin van de meting in 2018 niet zo laag geweest. De groei van het economisch belang van de milieusector is gestopt. In 2025 is er voor het eerst in lange tijd een toename van broeikasgasemissies. In de afgelopen jaren daalden de broeikasgasemissies en steeg de economische groei. In 2025 nam de uitstoot weer toe, maar omdat de economie harder groeide bleef de broeikasgasintensiteit van de economie dalen. Het totale energieverbruik per inwoner was in 2024 hoger dan in de meeste EU-landen.
In sommige opzichten wordt de druk op het natuurlijk kapitaal lichter. Het gebruik van elektrische auto’s groeit snel en het aandeel hernieuwbare energie in het totale verbruik ook. Ook neemt het opgestelde vermogen uit water, wind en zon toe. De luchtkwaliteit verbetert en de onttrekking van grondwater en van zoet oppervlaktewater neemt af.
Menselijk kapitaal
Het opleidingsniveau van de bevolking stijgt en het aandeel van mensen zonder startkwalificatie daalt. Nog altijd heeft ongeveer een kwart van de bevolking in 2025 geen startkwalificatie. Dit aandeel was in 2024 hoog binnen de EU, maar het aandeel hbo’ers en universitair geschoolden ook. Net als het percentage van de volwassen bevolking dat een opleiding of cursus volgt (‘leven lang ontwikkelen’). De groep die als onderwijsniveau havo, vwo, mbo-2-4 behaalde daalt al jaren en nam in 2025 verder af tot 36,1 procent. Verder heeft Nederland in 2025 het grootste aandeel inwoners van de EU-27 met ten minste een basisniveau aan digitale vaardigheden.
In 2025 was de gezonde levensverwachting van mannen ruim twee jaar hoger dan dat van vrouwen. In de Europese cijfers over levensverwachting zonder gezondheidsproblemen, stond Nederland in 2023 bij mannen in het midden van de EU-ranglijst (17e van de 26) maar bij vrouwen bijna onderaan (23e van de 26). In 2025 beoordeelde bijna 77 procent van de bevolking de eigen gezondheid als goed of zeer goed.
Indicatoren voor de mogelijkheden om werkzaam te zijn laten een gunstig beeld zien: de (langdurige) werkloosheid is laag en dalend, het onbenut arbeidspotentieel neemt af en de nettoarbeidsparticipatie stijgt. Het aantal uren dat de gemiddelde inwoner per jaar werkt neemt ook trendmatig toe. Wel is het gemiddelde aantal gewerkte uren in 2025 met 1,4 procent gedaald ten opzichte van 2024.
Sociaal kapitaal
De Nederlandse samenleving is in 2025 minder hecht geworden, vooral door een daling in het vertrouwen. Dit maakt de samenleving minder duurzaam. Onderling vertrouwen is nodig voor een functionerende samenleving, zowel voor het welzijn van de huidige generatie als voor toekomstige generaties. De stijgende trend van het vertrouwen in andere mensen is gestopt en in 2025 is het vertrouwen zelfs gedaald. In vergelijking met andere EU-landen was het vertrouwen in andere mensen in 2023 nog wel hoog (2e van 19 landen, achter Finland). Verder is de sociale cohesie in de woonbuurt tussen 2023 en 2025 gedaald. Naast vertrouwen in anderen is ook het vertrouwen in instituties in 2025 afgenomen. Toch laten internationale cijfers over goed bestuur nog wel zien dat de kwaliteit van de Nederlandse publieke instituties hoog is in vergelijking met andere EU-landen.
Sociale contacten en deelname aan de samenleving via vrijwilligerswerk en informele hulp zijn in 2025 afgenomen. Het aandeel mensen (van 15 jaar of ouder) dat minstens een keer per week vrijwilligerswerk doet is gedaald tot 47 procent. Na een stijgende trend tot 2024 verleent 34,1 procent van de mensen in de vrije tijd onbetaald (informele) hulp aan anderen.