SDG 9.3 Kennis en innovatie
Het derde deel van SDG 9 gaat over investeringen in kennis door bedrijven en overheden, over technologische ontwikkeling, en over toegang tot ICT en internet. Kennis is essentieel voor de economie en voor het vinden van oplossingen voor grote maatschappelijke problemen.
- Private R&D-uitgaven als percentage van het bbp stijgen terwijl publieke R&D-uitgaven gelijk blijven.
- Investeringen in ICT als percentage van het bbp nemen af.
- De kapitaalintensiteit van de economie neemt geleidelijk af.
Het dashboard en de indicatoren
Middelen en mogelijkheden
in EU
in 2024
in EU
in 2024
in EU
in 2024
in EU
in 2025
in EU
in 2024
in EU
in 2024
Gebruik
in EU
in 2024
in EU
in 2025
Uitkomsten
in EU
in 2024
in EU
in 2024
Beleving
| Thema | Indicator | Waarde | Trend | Positie in EU | Positie op EU-ranglijst |
|---|---|---|---|---|---|
| Middelen en mogelijkheden | Uitgaven aan R&D | 2,3% van het bruto binnenlands product in 2024 | stijgend (stijging brede welvaart) | 7e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Middelen en mogelijkheden | Publieke uitgaven aan R&D | 0,7% van het bruto binnenlands product in 2024 | 10e van 27 in 2024 | midden van de ranglijst | |
| Middelen en mogelijkheden | Private uitgaven aan R&D | 1,6% van het bruto binnenlands product in 2024 | stijgend (stijging brede welvaart) | 7e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Middelen en mogelijkheden | Bruto investeringen in materiële vaste activa | 16,2% van het bruto binnenlands product in 2025 | 21e van 27 in 2025 | onderste kwart van de ranglijst | |
| Middelen en mogelijkheden | Investeringen in ICT | 2,9% van het bruto binnenlands product in 2025 | dalend (daling brede welvaart) | 9e van 24 in 2024 | midden van de ranglijst |
| Middelen en mogelijkheden | Gewerkte uren in speur- en ontwikkelingswerk | 4,2 gewerkte uren per inwoner in 2024 | stijgend (stijging brede welvaart) | 8e van 17 in 2024 | midden van de ranglijst |
| Gebruik | Wetenschappelijke publicaties | 3 753 publicaties per miljoen inwoners in 2024 | 7e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Gebruik | Octrooien | 234 PCT-patentaanvragen per miljoen inwoners in 2025 | 4e van 27 in 2025 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Gebruik | Technologisch innoverende bedrijven | 45% van bedrijven met meer dan 10 werknemers in 2022 | |||
| Uitkomsten | Fysieke kapitaalgoederenvoorraad | € 169 per gewerkt uur (prijzen 2021) in 2024 | 7e van 12 in 2024 | midden van de ranglijst | |
| Uitkomsten | Kenniskapitaalgoederenvoorraad | € 11,62 per gewerkt uur (prijzen 2021) in 2024 | 5e van 13 in 2024 | midden van de ranglijst | |
| Beleving | Vertrouwen in de wetenschap | 7,5 score op schaal 1-10 (10= alle vertrouwen) in 2025 |
Uitleg dashboard, kleuren en noten
Kennis kan worden omgezet in nieuwe technologieën en processen waarmee producten en productieprocessen efficiënter en duurzamer kunnen worden, en in nieuwe oplossingen voor maatschappelijke problemen. Kennis heeft bovendien sociaal-culturele en intrinsieke waarde.
Middelen en mogelijkheden betreffen het geld, de menskracht en de infrastructuur voor het ontwikkelen, delen en toepassen van kennis en innovatie. In 2024 bedroegen de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) 2,3 procent van het bruto binnenlands product. Het gaat hierbij om bedrijven, instellingen en hoger onderwijs. Gezamenlijk gaven ze in 2024 samen 25,7 miljard euro uit aan R&D met eigen en ingehuurd personeel. Bedrijven gaven 18,1 miljard euro uit, instellingen 1,2 miljard euro en hoger onderwijs 6,3 miljard euro. De totale uitgaven aan R&D nemen trendmatig toe. De R&D-uitgaven van instellingen en hoger onderwijs samen, de publieke R&D-uitgaven, blijven stabiel (als percentage van het bbp). Het stijgende aandeel in het bbp van totale R&D-uitgaven komt door de stijging van de private R&D.
In 2024 hoorde Nederland binnen de EU-27 bij de landen met de hoogste percentages voor de totale en de private R&D-uitgaven (7e van de EU-27). Bij de publieke R&D-uitgaven stond Nederland in 2024 met 0,7 procent van het bbp in het midden van de EU-ranglijst (10e van de EU-27).
Bruto-investeringen in materiële vaste activa (zoals gebouwen, woningen, machines en vervoermiddelen) zijn laag in vergelijking met andere landen. Nederland stond in 2025 op de 21e plaats in de EU-27. De trend is stabiel. Investeringen in ICT; als percentage van het bbp laten wel een trendmatige daling zien. Tot 2015 stegen de relatieve investeringen in ICT geleidelijk tot een niveau van 3,2 procent. In de jaren daarna daalden de investeringen naar 2,9 procent van het bbp in 2025. Sommige landen volgen ongeveer hetzelfde patroon als Nederland, zoals Duitsland en Finland. In andere landen, zoals Frankrijk, Tsjechië en Zweden, nam het aandeel van de investeringen in ICT juist verder toe.
Het aantal uren dat per inwoner wordt gewerkt aan R&D neemt trendmatig toe. In 2024 werd voor iedere inwoner 4,2 uur gewerkt aan de ontwikkeling van nieuwe programmatuur, producten of productieprocessen, of het doen van technisch-wetenschappelijk onderzoek. Tussen 2022 en 2024 is het aantal uren echter gedaald.
Gebruik betreft de geproduceerde kennis, de ingevoerde innovaties en de gevormde kennisnetwerken. Het aantal wetenschappelijke publicaties waar Nederlandse onderzoekers aan bijdragen is sinds 2000 voortdurend gestegen, maar in de afgelopen jaren is het verloop wisselender geworden. Het aantal publicaties neemt niet langer trendmatig toe. Wel is het aantal in 2024 toegenomen met 4,8 procent naar 3 753 per miljoen inwoners. Het aantal PCT-patentaanvragen (octrooien) per miljoen inwoners is teruggelopen van rond de 270 aan het begin van de eeuw naar 234 in 2025. De trendmatige ontwikkeling is stabiel. Nederland hoort zowel bij de wetenschappelijke publicaties als bij de octrooien bij de koplopers in de EU-27.
Het aandeel van technologisch innoverende bedrijven in het totaal van alle bedrijven met meer dan 10 werknemers was in 2022 met 45 procent hoger dan in alle eerdere metingen sinds 1996. Volgens het European Innovation Scoreboard hoort Nederland in 2025 met Zweden, Denemarken en Finland bij de kopgroep van innovatieleiders in de EU.
Uitkomsten hebben betrekking op de mate waarin nieuwe technologieën en kennis worden ingebed in de kapitaalgoederenvoorraad. De kapitaalgoederenvoorraad (machines, werktuigen en andere productiemiddelen) wordt berekend in euro per gewerkt uur. Kapitaalgoederen zijn gebaseerd op kennis. In de vorm van technologie in machines en werktuigen, software en databanken, intellectueel eigendom, en opgebouwde R&D-resultaten, levert deze kennis een grote bijdrage aan de ontwikkeling van de productiviteit van de Nederlandse economie.
De fysieke kapitaalgoederenvoorraad en de kenniskapitaalgoederenvoorraad per gewerkt uur meten de kapitaalintensiteit van de productie. Deze kapitaalintensiteit is de waarde van de beschikbare productiemiddelen ten opzichte van de hoeveelheid arbeid die wordt ingezet. Beide hebben een stabiele trend. Verder terugkijkend dan de trendperiode (2018 tot en met 2025) neemt de kapitaalintensiteit geleidelijk af. De fysieke kapitaalgoederenvoorraad groeide vanaf het begin van de tijdreeks in 1995 tot 2013 tot 177 euro per gewerkt uur (prijzen 2021), maar is sindsdien geleidelijk gedaald naar 169 euro in 2024. Tussen 1995 en 2015 nam de kenniskapitaalgoederenvoorraad nog toe van 7,14 euro naar 12,97 euro per gewerkt uur. Vanaf 2015 is deze voorraad licht afgenomen naar 11,62 euro in 2024. De totale fysieke kapitaalgoederenvoorraad en de kenniskapitaalgoederenvoorraad, gecorrigeerd voor inflatie, nemen gestaag toe, maar de gewerkte uren stijgen sneller. Nederland is een van de weinige landen waar de kenniskapitaalgoederenvoorraad per gewerkt uur daalt in plaats van stijgt. Nederland stond in 2024 nog op de vijfde plaats in de EU-ranglijst met in totaal 13 landen, maar verliest geleidelijk haar voorsprong.
Beleving heeft betrekking op het vertrouwen van mensen in wetenschap en innovatie. Het vertrouwen in de wetenschap wordt elke paar jaar gemeten door het Rathenau Instituut. In 2025 scoorde het vertrouwen in de wetenschap 7,5 punten (op een schaal tot en met 10). Hoewel het gemiddelde vertrouwen tussen 2021 en 2025 licht is gestegen, is het aandeel mensen met een laag vertrouwen in de wetenschap ook gestegen.