SDG 8.1 Economie en productiefactoren
Het eerste deel van SDG 8 gaat over het streven om economische groei duurzamer en efficiënter te maken, met aandacht voor innovatie, ondernemerschap en milieu. Op de korte termijn zorgt economische groei voor meer materiële welvaart. Op de lange termijn kunnen economische activiteiten schadelijk zijn voor de leefomgeving en het welzijn van burgers, en dus voor brede welvaart.
- Het bbp per inwoner, de individuele consumptie en het mediaan besteedbaar inkomen groeien en Nederland heeft een van de hoogste niveaus in de EU.
- Het aandeel van arbeid in het verdiende inkomen daalt trendmatig wat betekent dat het aandeel van de winst van bedrijven steeds groter wordt.
- Het consumentenvertrouwen is negatief en daalt.
Het dashboard en de indicatoren
Middelen en mogelijkheden
in EU
in 2025
in EU
in 2025
in EU
in 2024
in EU
in 2024
in EU
in 2024
Gebruik
in EU
in 2025
in EU
in 2024
in EU
in 2025
Uitkomsten
in EU
in 2025
in EU
in 2022
in EU
in 2023
Beleving
in EU
in 2025
in EU
in 2025
| Thema | Indicator | Waarde | Trend | Positie in EU | Positie op EU-ranglijst |
|---|---|---|---|---|---|
| Middelen en mogelijkheden | Bruto investeringen in materiële vaste activa | 16,2% van het bruto binnenlands product in 2025 | 21e van 27 in 2025 | onderste kwart van de ranglijst | |
| Middelen en mogelijkheden | Gewerkte uren | 816,9 gewerkte uren per inwoner per jaar in 2025 | stijgend (stijging brede welvaart) | 16e van 26 in 2025 | midden van de ranglijst |
| Middelen en mogelijkheden | Mediaan besteedbaar inkomen | € 36 500 per huishouden (gestandaardiseerd, in prijzen 2024) in 2024 | stijgend (stijging brede welvaart) | 5e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Middelen en mogelijkheden | Fysieke kapitaalgoederenvoorraad | € 169 per gewerkt uur (prijzen 2021) in 2024 | 7e van 12 in 2024 | midden van de ranglijst | |
| Middelen en mogelijkheden | Kenniskapitaalgoederenvoorraad | € 11,62 per gewerkt uur (prijzen 2021) in 2024 | 5e van 13 in 2024 | midden van de ranglijst | |
| Gebruik | Arbeidsproductiviteit | € 58 bruto toegevoegde waarde per gewerkt uur (prijzen 2021) in 2025 | stijgend (stijging brede welvaart) | 4e van 26 in 2025 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Gebruik | Grondstoffenproductiviteit | € 6,05 bbp per kilogram materialenverbruik (prijzen 2015) in 2024 | stijgend (stijging brede welvaart) | 1e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Gebruik | Individuele consumptie | € 32 446 per inwoner (prijzen 2021) in 2025 | stijgend (stijging brede welvaart) | 4e van 27 in 2025 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Uitkomsten | Bruto binnenlands product | € 52 971 per inwoner (prijzen 2021) in 2025 | stijgend (stijging brede welvaart) | 4e van 27 in 2025 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Uitkomsten | Arbeidsinkomensquote marktsector | 69,9% van het nationale inkomen is beloning voor arbeid in de marktsector in 2024 | dalend (daling brede welvaart) | ||
| Uitkomsten | Economische afhankelijkheid van de export | 34,1% van het bbp komt tot stand dankzij de uitvoer in 2024 | 12e van 27 in 2022 | midden van de ranglijst | |
| Uitkomsten | Grondstofvoetafdruk A) | 28,0 ton per inwoner in 2023 | 7e van 27 in 2023 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Beleving | Consumentenvertrouwen | -30 saldo % positieve en negatieve antwoorden (15+) in 2025 | dalend (daling brede welvaart) | 14e van 27 in 2025 | midden van de ranglijst |
| Beleving | Producentenvertrouwen | -2,5 saldo % positief en negatief gestemde bedrijven in 2025 | 8e van 27 in 2025 | midden van de ranglijst | |
| Beleving | Ondernemersvertrouwen in het niet-financiële bedrijfsleven | -5,1 saldo % positief en negatief gestemde bedrijven in 2025 |
Uitleg dashboard, kleuren en noten
Het bruto binnenlands product (bbp) is een maat voor de omvang van de economie en kan bepaald worden vanuit drie benaderingen: productie, inkomens en bestedingen. Voor de productie van goederen en diensten zijn productiefactoren nodig: fysiek kapitaal, arbeid, kennis, en grondstoffen. Indicatoren uitgedrukt in valuta zijn gecorrigeerd voor inflatie.
Middelen en mogelijkheden betreffen de hoeveelheid kapitaal, arbeid, kennis en grondstoffen die wordt ingezet bij de productie van goederen en diensten. In 2025 bedroegen de bruto investeringen in materiële vaste activa 16,2 procent van het bbp. De investeringen zijn laag ten opzichte van andere landen, net als in de voorgaande jaren. Nederland stond in 2025 21e op de EU-ranglijst. Vooral landen in Oost-Europa (zoals de Baltische staten, Roemenië, Tsjechië en Kroatië) investeren relatief veel.
Per inwoner worden in de afgelopen jaren steeds meer uren gewerkt. In het meest recente jaar is het aantal gewerkte uren per inwoner echter afgenomen met 1,4 procent. De trendmatige stijging van het aantal gewerkte uren per inwoner past bij de stijging van de nettoarbeidsparticipatie en de daling van het onbenut arbeidspotentieel, hoewel ook deze in het meest recente jaar stabiel blijven (SDG 8.2 Arbeid en vrije tijd). Het mediaan besteedbaar inkomen per huishouden stijgt. In 2024 bedroeg het 36.500 euro per huishouden. Het mediaan besteedbaar inkomen in Nederland is een van de hoogste in de EU (5e van 27 landen in 2024). Dit is gecorrigeerd voor prijsveranderingen, gebaseerd op het prijspeil van 2024.
De fysieke kapitaalgoederenvoorraad en de kenniskapitaalgoederenvoorraad per gewerkt uur meten de kapitaalintensiteit van de productie. Deze kapitaalintensiteit is de waarde van de beschikbare productiemiddelen ten opzichte van de hoeveelheid arbeid die wordt ingezet. Beide hebben een stabiele trend. Verder kijkend dan de trendperiode neemt de kapitaalintensiteit geleidelijk af. De fysieke kapitaalgoederenvoorraad groeide vanaf het begin van de tijdreeks in 1995 tot 2013 tot 177 euro per gewerkt uur, maar is sindsdien geleidelijk gedaald naar 169 euro in 2024. Tussen 1995 en 2015 nam de kenniskapitaalgoederenvoorraad nog toe van 7,14 euro naar 12,97 euro per gewerkt uur. Vanaf 2015 is deze voorraad licht afgenomen naar 11,62 euro in 2024. De totale fysieke kapitaalgoederenvoorraad en de kenniskapitaalgoederenvoorraad, gecorrigeerd voor inflatie, nemen gestaag toe maar de gewerkte uren stijgen sneller. Nederland is een van de weinige landen waar de kenniskapitaalgoederenvoorraad per gewerkt uur daalt in plaats van stijgt. Nederland stond in 2024 nog op de vijfde plaats in de EU-ranglijst met in totaal 13 landen, maar verliest geleidelijk haar voorsprong.
Gebruik betreft de productiviteit en duurzaamheid van de inzet van productiefactoren, en consumptie van de geproduceerde goederen en diensten. De arbeidsproductiviteit, grondstoffenproductiviteit en individuele consumptie nemen allemaal toe.
De Nederlandse arbeidsproductiviteit is een van de hoogste van de EU (4e van 26 landen in 2025). Arbeidsproductiviteit is de toegevoegde waarde die per gewerkt uur wordt gegenereerd. In 2025 werd per gewerkt uur 58 euro aan toegevoegde waarde geproduceerd, in prijzen van 2021. In 2025 is de arbeidsproductiviteit niet langer stabiel maar neemt het trendmatig toe.
De grondstoffenproductiviteit stijgt. Grondstoffenproductiviteit meet de toegevoegde waarde die wordt geproduceerd per kilogram materiaalverbruik. Vooral in het meest recente jaar is de grondstoffenproductiviteit sterk gestegen (4,1 procent tussen 2023 en 2024). Met 6,05 euro per kilogram materiaal in prijzen van 2015 heeft Nederland het hoogste niveau in de EU. Bij de trendmatige toename kunnen het efficiënter gebruik van grondstoffen in verschillende sectoren en de steeds groter wordende rol van diensten in de Nederlandse economie een rol spelen.
De individuele consumptie stijgt trendmatig en groeit ook in het meest recente jaar (1,2 procent tussen 2024 en 2025). Net als bij het mediaan besteedbaar inkomen heeft Nederland een van de hoogste niveaus in de EU-27 (4e in 2025).
Uitkomsten hebben betrekking op het tempo, de efficiëntie en de houdbaarheid van economische groei. De Nederlandse economie groeit. Het bbp per hoofd van de bevolking (in constante prijzen van 2021) is volgens de eerste jaarraming van 2025 toegenomen naar bijna 53 duizend euro. Dit is 1,3 procent hoger dan in 2024 en een van de hoogste niveaus in de EU-27 (4e in 2025).
Het aandeel van het arbeidsinkomen in het verdiende inkomen was 69,9 procent in 2024 en dit aandeel wordt kleiner. Een dalende arbeidsinkomensquote (aiq) betekent dat het aandeel van het arbeidsinkomen in het totale inkomen afneemt en dat het aandeel van de operationele winst van bedrijven stijgt. De aiq laat zien bij wie de verdiensten van een economie terechtkomen. In het midden van de jaren negentig bedroeg de arbeidsinkomensquote nog meer dan 80 procent. De arbeidsinkomensquote wordt alleen berekend voor bedrijfstakken waarbij het zinvol is inkomsten uit arbeid en winst op te delen (de marktsector). De aiq wordt niet berekend voor de overheid, het onderwijs, de zorg, de delfstoffenwinning, de financiële dienstverlening en de verhuur van en handel in onroerend goed. Door stijgende winsten van de machine-industrie en energiebedrijven lijkt de arbeidsinkomensquote structureel lager te zijn dan in voorgaande jaren (ongeveer 70 procent vanaf 2021 tegenover ongeveer 74 procent daarvoor).
Om te voorzien in de Nederlandse consumptiebehoefte werd in 2023 wereldwijd gemiddeld 28 ton per Nederlander aan grondstoffen gewonnen (de grondstofvoetafdruk). Dit is een afname vergeleken met 2022 toen er nog 31,7 ton per inwoner werd gewonnen. Vergeleken met andere EU-landen was de Nederlandse grondstofvoetafdruk in 2023 laag (7e van 27 landen).
Beleving gaat over vertrouwen van consumenten en producenten. Het consumentenvertrouwen meet de koopbereidheid van consumenten, hun vertrouwen in hun eigen financiële situatie en het economisch klimaat. Het consumentenvertrouwen daalt trendmatig. In 2022 was het jaargemiddelde lager dan ooit ( 47). In 2023 en 2024 verbeterde het consumentenvertrouwen tot -24 in 2024. In 2025 was het saldo van positieve en negatieve antwoorden nog altijd laag met -30 procent. Een negatief cijfer betekent dat meer dan de helft van de consumenten geen vertrouwen heeft.
Het verschil tussen positief en negatief gestemde bedrijven was in 2025 -2,5 procent. Het ondernemersvertrouwen in het totale niet-financiële bedrijfsleven was in 2025 per saldo negatief (-5,1 procent). Wel hadden producenten in de industrie in 2025 14,8 procent meer vertrouwen in de ontwikkeling van de industriële productie dan in 2024.