SDG 9.2 Duurzame bedrijvigheid
Het tweede deel van SDG 9 gaat over het streven naar een sterker en duurzamer bedrijfsleven. Kleine bedrijven moeten betere toegang krijgen tot hoogwaardige markten en financiering. Het gaat in Nederland vooral om de relaties tussen bedrijven en werknemers, de rol van het midden- en kleinbedrijf (mkb) en de grote bedrijven, en duurzaamheid van productieprocessen en producten.
- De middelen en mogelijkheden voor bedrijven om hun processen en ketens te verduurzamen verbeteren niet langer.
- De energie-, materiaal- en broeikasgasintensiteit van de economie dalen.
- Het vertrouwen in banken neemt toe.
Het dashboard en de indicatoren
Middelen en mogelijkheden
in EU
in 2025
in EU
in 2022
in EU
in 2024
Gebruik
in EU
in 2024
in EU
in 2024
Uitkomsten
in EU
in 2020
in EU
in 2024
Beleving
in EU
in 2017
| Thema | Indicator | Waarde | Trend | Positie in EU | Positie op EU-ranglijst |
|---|---|---|---|---|---|
| Middelen en mogelijkheden | Toegang mkb tot krediet | 12% ervaart financiering als belemmerend in 2025 | 2e van 27 in 2025 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Middelen en mogelijkheden | Toegevoegde waarde milieusector | 2,8% van het bbp in lopende prijzen in 2024 | 14e van 27 in 2022 | midden van de ranglijst | |
| Middelen en mogelijkheden | Werkgelegenheid milieusector | 2,3% van de totale werkgelegenheid in 2024 | |||
| Middelen en mogelijkheden | Mvo-jaarverslagen bedrijven | 94% van de top-100 bedrijven publiceert een mvo-jaarverslag in 2024 | 3e van 19 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Gebruik | Energie-intensiteit van de economie | 89,1 kilogram olie-equivalenten per 1 000 euro bbp (prijzen 2015) in 2024 | dalend (stijging brede welvaart) | 7e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Gebruik | Binnenlands materialenverbruik | 8 ton per inwoner in 2024 | dalend (stijging brede welvaart) | 1e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Uitkomsten | Toegevoegde waarde mkb | 61,2% van de toegevoegde waarde van de niet-financiële sector in 2024 | 8e van 23 in 2020 | midden van de ranglijst | |
| Uitkomsten | Broeikasgasintensiteit van de economie A) | 0,19 kilogram CO2-equivalenten per euro bbp (prijzen 2021) in 2025 | dalend (stijging brede welvaart) | 7e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst |
| Uitkomsten | Arbeidsinkomensquote marktsector | 69,9% van het nationale inkomen is beloning voor arbeid in de marktsector in 2024 | dalend (daling brede welvaart) | ||
| Beleving | Tevredenheid met arbeidsomstandigheden (werkenden) | 77,7% van de werkenden van 15-74 jaar is (zeer) tevreden in 2025 | |||
| Beleving | Vertrouwen in grote bedrijven | 39,5% van de bevolking van 15+ heeft (tamelijk of heel) veel vertrouwen in 2025 | |||
| Beleving | Vertrouwen in banken | 58,4% van de bevolking van 15+ heeft (tamelijk of heel) veel vertrouwen in 2025 | stijgend (stijging brede welvaart) | 11e van 27 in 2017 | midden van de ranglijst |
Uitleg dashboard, kleuren en noten
De SDG-agenda bevat relevante indicatoren voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) en bedrijvigheid in ontwikkelde landen als Nederland. Sommige onderwerpen uit de SDG-agenda zijn voor Nederland minder relevant, bijvoorbeeld het vergroten van het aandeel van de industrie in de economie.
Middelen en mogelijkheden betreffen de mogelijkheden voor bedrijven om hun productieprocessen, energieverbruik en waardeketens te verduurzamen. De middelen en mogelijkheden voor duurzame bedrijvigheid verbeteren niet langer. De groei van het economisch belang van de milieusector is gestopt. In 2024 was de sector verantwoordelijk voor 2,8 procent van het bbp en 2,3 procent van de totale werkgelegenheid. Dat is in beide gevallen iets minder dan in 2023, maar wel in lijn met de jaren voor 2023. De milieusector is het deel van de Nederlandse economie dat zich bezighoudt met milieuactiviteiten. Daaronder vallen alle bedrijven en organisaties die producten maken en diensten verlenen die uitdrukkelijk bedoeld zijn om het milieu te beschermen of die gericht zijn op het beheer van natuurlijke hulpbronnen. Bedrijven in de milieusector worden gestimuleerd door internationale klimaatafspraken zoals het Kyotoprotocol (2005) en het Klimaatakkoord van Parijs (2015). Eerst lag het zwaartepunt van de activiteiten bij de verwerking van afval en afvalwater en bij energiebesparing. Tegenwoordig gaat het ook veel om de productie van hernieuwbare energie en om de bestrijding van luchtvervuiling en broeikasgasemissies.
Verduurzaming vereist investeringen. Toegang tot financiering werd in 2025 door 12 procent van de ondernemers in het midden- en kleinbedrijf (mkb) ervaren als belemmerend of heel erg belemmerend in de bedrijfsvoering. Micro- en kleinbedrijven (12 procent) ervoeren vaker een belemmering rondom toegang tot financiering dan het middenbedrijf (9 procent) en het grootbedrijf (5 procent). Bedrijven met een financieringsbehoefte ervaren toegang tot financiering vaker als (heel erg) belemmerend dan bedrijven zonder een financieringsbehoefte. Voor de vergelijking van Nederland met andere landen in de EU wordt gebruik gemaakt van een internationale enquête, waarin ondernemers van midden- en kleinbedrijven aangeven, op een schaal van 1 (totaal niet) tot 10 (extreem), of toegang tot financiering als probleem wordt ervaren. In 2025 gaven Nederlandse ondernemers gemiddeld een 3,1. Zij ervaren dus relatief weinig problemen in toegang tot financiering. Nederland stond hiermee in de EU-27 op een gedeelde tweede plek met Zweden: alleen in Denemarken was de score beter (3,0).
Een groot en groeiend deel van de honderd grootste bedrijven (qua omzet) publiceert volgens KPMG een duurzaamheidsverslag. In 2024 ging het om 94 van de 100 bedrijven, vier procentpunt meer dan in 2022. Volgens het EU Corporate Sustainability Reporting Directive zijn vanaf het boekjaar 2024 eerst alleen grote beursgenoteerde ondernemingen met meer dan 500 werknemers verplicht dit verslag uit te brengen. Andere grote ondernemingen volgen vanaf boekjaar 2025. Nederland hoort bij de top van de EU-ranglijst (3e van 19 landen in 2024).
Gebruik heeft betrekking op de inspanning van bedrijven om hun productieprocessen, energieverbruik en waardeketens te verduurzamen. Bedrijven gebruiken steeds minder energie en materialen in hun productieprocessen. De energie-intensiteit van de economie daalt. Deze daling is al minstens dertig jaar aan de gang. In het midden van de jaren negentig bedroeg de energie-intensiteit nog meer dan 180 kilogram olie-equivalenten voor iedere duizend euro bbp (in prijzen van 2015). In 2024 is de intensiteit gedaald naar 89,1 kilogram olie-equivalenten, 3,5 procent lager dan in 2023. Ook in de andere EU-landen daalt de energie-intensiteit. De Nederlandse economie had in 2024 een relatief lage energie-intensiteit (7e van 27 landen). De daling van de energie-intensiteit kan, naast verduurzaming van de processen ook zijn veroorzaakt door een verandering van de productiestructuur (een verschuiving van maakindustrie naar diensteneconomie), door verminderde activiteit van energie-intensieve bedrijven, of door verplaatsing van activiteiten naar het buitenland.
Het binnenlands materiaalverbruik per hoofd van de bevolking daalt eveneens. Dit verbruik geeft de hoeveelheid materialen weer die in de Nederlandse economie worden gebruikt, exclusief materialen die zonder bewerking weer het land worden uitgevoerd. Met 8 ton materialen per inwoner in 2024 had Nederland het laagste niveau van de EU-27. De trendmatige afname hangt samen met het efficiënter gebruik van grondstoffen en de steeds groter wordende rol van diensten in de Nederlandse economie.
Uitkomsten hebben betrekking op de feitelijke duurzaamheid van productieprocessen en waardeketens. De broeikasgasintensiteit van de economie neemt af en is laag binnen de EU-27. In 2025 werd voor iedere euro bbp 0,19 kilogram CO2-equivalenten uitgestoten. In de afgelopen jaren groeide het bbp (in constante prijzen) terwijl de uitstoot van broeikasgassen afnam. In 2025 nam de uitstoot echter weer toe. De economie groeide harder waardoor de broeikasgasintensiteit van de economie wel daalde.
Het aandeel van het arbeidsinkomen in het verdiende inkomen van werkenden was 69,9 procent in 2024 en dit aandeel wordt kleiner. In het midden van de jaren negentig bedroeg de arbeidsinkomensquote (aiq) nog meer dan 80 procent. Dit betekent dat het aandeel van de operationele winst van bedrijven in het verdiende inkomen steeds groter wordt. De arbeidsinkomensquote wordt alleen berekend voor bedrijfstakken waarbij het zinvol is inkomsten uit arbeid en winst op te delen (de marktsector). De aiq wordt niet berekend voor de overheid, het onderwijs, de zorg, de delfstoffenwinning, de financiële dienstverlening en de verhuur van en handel in onroerend goed. Door stijgende winsten van de machine-industrie en energiebedrijven lijkt de arbeidsinkomensquote structureel lager te zijn dan in voorgaande jaren (ongeveer 70 procent vanaf 2021 tegenover ongeveer 74 procent daarvoor).
Beleving geeft een beeld van hoe tevreden werkenden zijn met de arbeidsomstandigheden en hoeveel vertrouwen mensen hebben in banken en grote bedrijven. Steeds meer mensen (van 15 jaar of ouder) hebben tamelijk of heel veel vertrouwen in banken en hun functioneren. Van een dieptepunt in 2013 (34 procent) is het vertrouwen in banken gestegen naar 58,4 procent in 2025. In 2024 was dit nog 54,2 procent. Het vertrouwen in grote bedrijven blijft in 2025 constant.
Uit cijfers van het CBS en TNO blijkt dat in 2025 77,7 procent van de werkenden tevreden was over hun arbeidsomstandigheden. De tevredenheid was min of meer gelijk aan die in eerdere jaren.
Relevante links
- Link Monitor - Verduurzaming industrie