Auteur: Rianne Kloosterman, Math Akkermans, Carin Reep, Marleen Wingen, Hermine Molnár - In 't Veld, Jacqueline van Beuningen

Klimaatverandering en energietransitie: opvattingen en gedrag van Nederlanders in 2020

Over deze publicatie

In deze publicatie staat centraal wat inwoners van Nederland denken en doen in relatie tot de klimaatverandering en de energietransitie. De bevindingen zijn gebaseerd op de CBS-enquête Belevingen die in 2020 geheel aan dit thema was gewijd. In totaal hebben 3 648 personen van 18 jaar of ouder aan het onderzoek deelgenomen. Aanvullend is gebruik gemaakt van andere informatiebronnen van binnen en buiten het CBS. De thema’s zijn: opvattingen over klimaatverandering, opvattingen over energietransitie, duurzaam wonen, duurzame mobiliteit, vleesconsumptie en klimaatbewuste leefstijl.

Samenvatting

In deze publicatie Klimaatverandering en energietransitie: opvattingen en gedrag van Nederlanders in 2020 staat centraal wat inwoners van Nederland denken en doen in relatie tot de klimaatverandering en de energietransitie. De bevindingen zijn gebaseerd op de CBS-enquête Belevingen die in 2020 geheel aan dit thema was gewijd. In totaal hebben 3 648 personen van 18 jaar of ouder aan het onderzoek deelgenomen. Aanvullend is gebruik gemaakt van andere informatiebronnen van binnen en buiten het CBS.

De thema’s zijn:

  • Opvattingen over klimaatverandering
  • Opvattingen over energietransitie
  • Duurzaam wonen
  • Duurzame mobiliteit
  • Vleesconsumptie
  • Klimaatbewuste leefstijl.

Opvattingen over klimaatverandering (hoofdstuk 2)

94 procent van de Nederlanders van 18 jaar of ouder denkt dat het klimaat aan het veranderen is. 60 procent denkt dat dit geheel of vooral door de mens komt. Verder is 75 procent van de Nederlanders van mening dat de mens nog iets tegen de klimaatverandering kan doen. Tegelijkertijd zien veel mensen het als een groot probleem voor nu en in de toekomst, en maken zij zich zorgen voor toekomstige generaties. 

85 procent vindt het belangrijk dat de overheid zich bezighoudt met klimaatbeleid en 42 procent vindt het beleid nog niet ver genoeg gaan. 35 procent is het ermee eens dat Nederland alleen een streng klimaatbeleid moet voeren als grote landen zoals China en Amerika dit ook doen; een groter deel (46 procent) is het daarmee oneens. De helft van de Nederlanders maakt zich zorgen over de kosten van het klimaatbeleid.

Het zijn vooral hoogopgeleiden, jongeren, vrouwen en stedelingen die de klimaatverandering als een groot probleem zien, zich er zorgen over maken, en klimaatbeleid door de overheid belangrijk vinden.

Opvattingen over energietransitie (hoofdstuk 3)

48 procent van de Nederlanders vindt dat aardolie en aardgas minder gebruikt zouden moeten worden; van 13 en 9 procent mag helemaal met aardolie respectievelijk aardgas gestopt worden. Duurzame energiebronnen zoals zonne-energie, windenergie, waterkracht en aardwarmte zouden volgens een meerderheid juist meer gebruikt moeten worden. Zo is 83 procent voor meer gebruik van zonne-energie en 72 procent voor meer windenergie. De meningen over het gebruik van kernenergie en biomassa zijn verdeeld. 

53 procent is over het algemeen (heel) positief over de door de overheid voorgenomen overstap van aardgas naar duurzame energie; 19 procent is hierover (heel) negatief. Vooral hoogopgeleiden, vrouwen, jongeren, personen in huishoudens met een hoog welvaartsniveau, en stedelingen staan relatief vaak (heel) positief tegenover deze transitie.

71 procent van de Nederlanders is in het algemeen voor de bouw van nieuwe windmolens in Nederland. De meesten (56 procent) vinden dat de windmolens op zowel zee als land moeten worden gebouwd. De steun voor windmolens in de eigen woonomgeving is een stuk kleiner: 21 procent is voorstander en 31 procent tegenstander. De meesten (43 procent) geven aan dat het ervan afhangt of ze voor of tegen zijn, waarbij de locatie van de windmolens het vaakst bepalend is. Ze mogen niet te dicht bij de woning staan. Per saldo zien de meeste Nederlanders liever geen windmolens in hun directe woonomgeving.

Duurzaam wonen (hoofdstuk 4)

10 procent van de huishoudens in Nederland heeft in 2020 geen aardgasaansluiting in de woning. Dit komt neer op 800 duizend huishoudens. 30 procent van de woningen gebouwd na 2005 heeft geen aardgasaansluiting. Soms gebruiken huishoudens zonder aardgasaansluiting indirect wel nog aardgas via een collectieve verwarming zoals stads- of blokverwarming. Tenminste 450 duizend woningen zijn helemaal aardgasvrij, en gebruiken dus ook geen aardgas via collectieve verwarming. 

De meeste eigenaren van eengezinswoningen geven aan te beschikken over gasbesparende voorzieningen en isolatie. Zo heeft 96 procent dubbel, driedubbel of HR-glas en 86 procent een HR-ketel. Ten minste 79 procent heeft dakisolatie, 71 procent gevelisolatie en 61 procent vloerisolatie. De belangrijkste reden voor aanschaf van glas-, dak-, gevel- of vloerisolatie is wooncomfort, gevolgd door geldbesparing en daarna het leveren van een bijdrage aan milieu of klimaat. 

In 2020 had 28 procent van de eengezinskoopwoningen zonnepanelen. De helft daarvan is tussen 2018 en 2020 aangeschaft. 21 procent van de eigenaren van een eengezinswoning is concreet van plan om binnen twee jaar panelen aan te schaffen. Bijna de helft van de eigenaren die zonnepanelen hebben of willen aanschaffen doet dit voornamelijk vanwege milieu of klimaat. Voor bijna 4 op de 10 is geldbesparing het belangrijkste motief. De kosten en/of een te laag rendement zijn het belangrijkste motief om geen zonnepanelen aan te schaffen.

79 procent van de woningeigenaren heeft een slimme meter in huis. De helft van de woningeigenaren zonder een slimme meter wil er ook geen, vooral omdat ze het nut er niet van inzien of vanwege privacy. 
Bijna de helft van de woningeigenaren met een slimme meter maakt gebruik van een verbruiksmanager, een app, website of los kastje waarmee op elk moment inzicht kan worden verkregen in het energieverbruik. 

Duurzame mobiliteit (hoofdstuk 5)

In 2019 reed 37 procent van de personen van 18 jaar of ouder (bijna) dagelijks auto. 78 procent van alle automobilisten zegt de auto weleens bewust te laten staan. 16 procent van hen doet dit vooral om een bijdrage te leveren aan milieu of klimaat. Voor de meesten echter is ‘meer bewegen’ meestal het motief.

8 procent van de 18-plussers reist dagelijks met het openbaar vervoer; twee derde zegt dit enkele keren per jaar of (bijna) nooit te doen. 35 procent zegt (bijna) dagelijks te fietsen; 17 procent doet dit naar eigen zeggen (bijna) nooit. 

Begin 2020 was 2,3 procent van de personenauto’s in Nederland een stekkerauto, dat wil zeggen een volledig elektrische auto of een plug-in hybride. Begin 2014 was dit nog 0,4 procent. Van de particuliere huishoudens had 0,6 procent begin 2020 een stekkerauto. De meeste stekkerauto’s staan op naam van een bedrijf of eenmanszaak. 2 procent van alle huishoudens geeft aan concrete plannen te hebben om de komende twee jaar een volledig elektrische auto aan te schaffen of te leasen. De meesten doen dit vanwege het milieu of klimaat. Hoge kosten zijn de meest genoemde reden om geen elektrische auto aan te schaffen.

41 procent van de bevolking van 18 jaar en ouder is het eens met de (aangepaste) maximumsnelheid van 100 kilometer per uur overdag op Nederlandse snelwegen. 52 procent wil harder rijden. De maximumsnelheid van 120 of 130 kilometer per uur in de avond en nacht mag van 61 procent gehandhaafd blijven. 

Bijna de helft van de 18-plussers geeft aan in de 12 maanden voorafgaand aan het onderzoek (gehouden in de periode februari-juni 2020) met het vliegtuig te hebben gereisd. Voor 88 procent van hen ging het om een vakantiereis of citytrip. Twee op de tien 18-plussers zijn met het vliegtuig buiten Europa op vakantie geweest. 1 op de 5 personen die weleens hebben gevlogen voelen zich hierover schuldig vanwege het klimaat. De helft heeft geen schuldgevoelens. Van de mensen die weleens met het vliegtuig op vakantie gaan zijn twee op de drie zeker of misschien bereid om minder vaak met het vliegtuig op vakantie te gaan om klimaatverandering tegen te gaan. Daar staat tegenover dat eveneens twee op de drie niet bereid zijn om vliegvakanties helemaal op te geven ten behoeve van het klimaat. 

Vleesconsumptie (hoofdstuk 6)

5 procent van de 18-plussers (630 duizend personen) eet geen vlees; 2 procent (bijna 230 duizend personen) eet geen vlees én geen vis. Een volledig plantaardig dieet komt nog zeer weinig voor (0,4 procent ofwel 53 duizend personen). 45 procent van de 18-plussers is flexitariër: zij eten incidenteel tot maximaal 4 dagen in de week vlees. 20 procent eet iedere dag vlees en 30 procent 5 of 6 dagen per week. 35 procent heeft naar eigen zeggen minder vlees gegeten in het afgelopen jaar. 

37 procent van de vleeseters vindt dat ze eigenlijk (nog) minder vlees zouden moeten eten. De mensen die al af en toe geen vlees eten vinden dit vaker dan degenen die iedere dag vlees eten, namelijk 40 tegen 25 procent.   
Bijna twee op de drie vleeseters willen hun vleesconsumptie niet opgeven. Ook hier bestaan er verschillen naar de frequentie van vleesconsumptie: van degenen die iedere dag vlees eten geeft 82 procent aan het vlees niet op te willen geven, terwijl 56 procent van de flexitariërs dit zegt.

Mensen die helemaal geen vlees eten doen dit in de eerste plaats voor het dierenwelzijn en in de tweede plaats om het milieu of klimaat minder te belasten. Voor flexitariërs zijn persoonlijke motieven zoals de eigen gezondheid of een verminderde behoefte aan vlees belangrijker dan dierenwelzijn en milieu of klimaat.

Vooral stedelingen, hoogopgeleiden en vrouwen eten vaker geen of minder vlees. Jongeren onthouden zich vaker helemaal van vlees, terwijl ouderen vaker ervoor kiezen om minder vlees te eten.  

Klimaatbewuste leefstijl (hoofdstuk 7) 

58 procent van de Nederlanders van 18 jaar of ouder denkt dat het eigen gedrag van invloed is op klimaatverandering. 66 procent geeft aan te weten wat ze zelf kunnen doen om klimaatverandering tegen te gaan. 58 procent vindt dat ze zelf klimaatbewuster zouden moeten leven. 

Als het gaat om concrete alledaagse gedragingen zegt vrijwel iedereen (96 procent) altijd of vaak het licht uit te doen in kamers waar niemand is. En 69 procent zegt bij kou altijd of vaak voor een warme trui of deken te kiezen in plaats van de verwarming hoger te zetten. De helft doucht altijd of vaak korter dan 5 minuten. Als het gaat om milieuonvriendelijke gedragingen zoals het gebruik van de auto voor korte ritjes, en de was drogen met een wasdroger zeggen respectievelijk 27 en 34 procent dit nooit te doen. 

Duurzaam denken is niet altijd duurzaam doen. Op sommige terreinen gedragen mensen die de klimaatverandering een groot probleem vinden en zich er zorgen over maken zich duurzamer dan mensen die zich minder of niet om het klimaat bekommeren. Zo zijn ze vaker gestopt met het eten van vlees. Maar er zijn ook terreinen waar mensen die klimaatbewust zijn zich niet duurzamer gedragen dan minder klimaatbewusten. Zo hebben ze niet vaker zonnepanelen en reizen ze zelfs vaker met het vliegtuig.

1. Inleiding

Klimaatverandering is een thema dat hoog op de maatschappelijke agenda staat. Uit het Continu Onderzoek Burgerperspectieven van het SCP blijkt dat in de afgelopen 5 jaar steeds meer Nederlanders (de achteruitgang van) ‘milieu, natuur en klimaat’ als een groot maatschappelijk probleem zijn gaan ervaren. In het onderzoek van het eerste kwartaal van 2020 – de laatste meting vóór het uitbreken van de coronapandemie – kwam dit thema (na ‘zorg’) zelfs op de tweede plaats in de rangorde van de grootste nationale problemen (Dekker en Den Ridder, 2020). In de kwartaalmetingen daarna, dus tijdens de coronacrisis, is het thema milieu en klimaat weliswaar minder vaak als grootste probleem van ons land genoemd, maar dat wil niet per se zeggen dat mensen er anders over zijn gaan denken: sinds het begin van de coronacrisis is het aantal Nederlanders dat vindt dat ons land meer dan nu moet bijdragen aan de oplossing van internationale milieuproblemen en klimaatverandering onveranderd groot gebleven (Den Ridder, Miltenburg, Steenvoorden, Van der Meer en Dekker, 2020). 

Klimaatverandering staat ook hoog op de politieke agenda. In navolging van het Klimaatakkoord van Parijs in 2015 heeft de Nederlandse regering zich aangesloten bij de ambitie om klimaatverandering tegen te gaan en zijn doelstellingen geformuleerd die moeten leiden tot een substantiële vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. In de afgelopen jaren hebben overheden, ondernemers en maatschappelijke organisaties onderhandeld over de maatregelen die in Nederland nodig zijn om deze doelen te bereiken. Deze maatregelen zijn in 2019 vastgelegd in het Klimaatakkoord waarin is afgesproken om de uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2030 ongeveer te halveren in vergelijking met 1990 (Rijksoverheid, 2019). Daarvoor is een energietransitie nodig: Nederland moet overstappen van fossiele brandstoffen op duurzame energiebronnen zoals zon en wind. In 2020 daalde de uitstoot van broeikasgassen met 8 procent ten opzichte 2019, en was de uitstoot 24,5 procent lager dan in 1990 (CBS, 2021a). Dit komt voor een belangrijk deel door de coronacrisis, bijvoorbeeld door een afname van de mobiliteit. Het kabinet riep vanwege de corona-uitbraak op om zoveel mogelijk thuis te blijven en indien mogelijk thuis te werken, waardoor er minder reden was om met de auto de weg op te gaan.

Het tegengaan van de klimaatverandering en de daarmee gepaard gaande energietransitie raken de samenleving in volle omvang. Niet alleen overheden en bedrijven maar ook burgers zullen ermee te maken krijgen en hun bijdrage moeten leveren. Daarbij gaat het niet alleen om een andere energiehuishouding die tot minder uitstoot en vervuiling moet leiden maar in bredere zin ook om een omslag naar een duurzamere samenleving waarin we op tal van terreinen zoals wonen, werken, verplaatsen, consumeren ons gedrag zullen moeten aanpassen. Ook de inrichting van het landschap zal erdoor veranderen. Denk aan het plaatsen van windmolens en het aanleggen van zonneweides. In afgeleide zin heeft het klimaatbeleid ook gevolgen voor de financiële positie van huishoudens en hun bestedingsmogelijkheden.

Het slagen van het klimaatbeleid, zoals ook aangegeven in het Klimaatakkoord, hangt mede af van een breed draagvlak onder de bevolking en van betrokkenheid en participatie van de burgers. Om een goed inzicht daarin te verkrijgen is het van belang om kennis te verwerven over wat er onder burgers leeft. Hoe kijken de Nederlanders aan tegen de klimaatverandering en de energietransitie? Hoe duurzaam is hun gedrag en zijn ze bereid mee te doen aan de gevraagde veranderingen? En bestaan er verschillen in opvattingen en gedragingen tussen bevolkingsgroepen?
Deze en andere vragen worden beantwoord in deze publicatie Klimaatverandering en energietransitie: opvattingen en gedrag van Nederlanders in 2020. De meeste cijfers zijn afkomstig uit het CBS-onderzoek Belevingen 2020 dat geheel aan dit thema was gewijd. Belevingen is gehouden in de periode februari-juni 2020. Dat betekent dat het onderzoek voor een groot deel gedurende de coronacrisis – de eerste lockdown startte medio maart 2020 – heeft plaatsgevonden. Hier wordt in de onderzoeksverantwoording van deze publicatie nader op ingegaan. Aanvullend is gebruik gemaakt van andere CBS-onderzoeken zoals het onderzoek Onderweg in Nederland (ODiN) (CBS, 2021b) en Aardgasvrije woningen (CBS, 2021c) en van registraties zoals cijfers van de Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW). 

Eerst worden in hoofdstukken 2 en 3 de opvattingen van de Nederlanders over respectievelijk klimaatverandering en energietransitie beschreven. In de hoofdstukken 4 tot en met 6 staan het gedrag en de (gedrags)intenties met betrekking tot een aantal specifieke beleidsthema’s centraal, namelijk achtereenvolgens duurzaam wonen, duurzame mobiliteit en vleesconsumptie. Afgesloten wordt met het onderwerp ‘klimaatbewuste leefstijl’ in hoofdstuk 7, waarin de resultaten van dit onderzoek ook in samenhang worden beschreven. De bijlagen bevatten tabellen met achterliggend cijfermateriaal, de onderzoeksverantwoording, literatuurreferenties en een lijst met medewerkers die aan deze publicatie hebben bijgedragen.  

Deze publicatie is uitgebracht als webpublicatie en is beschikbaar via de website van het CBS.

2. Opvattingen over klimaatverandering

Het tegengaan van klimaatverandering staat nationaal en internationaal hoog op de maatschappelijke en politieke agenda. Er zijn ambitieuze klimaatdoelen gesteld om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen met belangrijke gevolgen voor de manier waarop we wonen, werken en leven. In dit hoofdstuk staat centraal hoe burgers tegen klimaatverandering aankijken. Realiseren zij zich dat het klimaat verandert en in hoeverre zien zij dit als een probleem? In welke mate maken zij zich er zorgen over? Ook is beschreven in welke mate burgers waarde hechten aan het klimaatbeleid van de overheid. Alle cijfers zijn afkomstig uit het onderzoek Belevingen.

2.1 Bewustzijn en oorzaak van klimaatverandering 

Is het klimaat aan het veranderen? 

Meer dan 9 op de 10 Nederlanders van 18 jaar of ouder (94 procent) denken dat het klimaat aan het veranderen is; van hen geeft 68 procent aan dat dit zeker het geval is en 26 procent denkt dat dit waarschijnlijk zo is (zie bijlagetabel 2a). Twee procent denkt dat er waarschijnlijk geen sprake is van klimaatverandering en één procent gelooft er zeker niet in. Verder zegt 2 procent niet te weten of het klimaat verandert.

Wie of wat is de oorzaak: mens of natuur?

Zes op de tien denken dat de klimaatverandering volledig (12 procent) of vooral (48 procent) door de mens veroorzaakt wordt. Ruim een kwart (27 procent) geeft aan dat de mens en de natuur hierin een even grote rol hebben. Vijf procent denkt dat vooral de natuur de oorzaak is van klimaatverandering, en één procent schrijft de klimaatverandering volledig toe aan de natuur. 

2.1.1 Oorzaak van klimaatverandering, 2020
 Personen van 18 jaar of ouder
Helemaal door de mens11,9
Vooral door de mens47,7
Evenveel door de mens als door de natuur26,8
Vooral door de natuur4,7
Helemaal door de natuur1
Weet niet waar oorzaak ligt1,9
Geen antwoord0,3
Gelooft niet in klimaatverandering of weet het niet5,7

Kan de mens de klimaatverandering tegenhouden?

Driekwart van de 18-plussers denkt dat de mens de klimaatverandering tegen kan houden: 11 procent denkt dat de mens deze volledig kan stoppen, 64 procent denkt dat de mens hier deels iets tegen kan doen. 15 procent daarentegen denkt dat de mens de klimaatverandering niet kan stoppen.

2.1.2 Kan de mens klimaatverandering tegenhouden, 2020
 Personen van 18 jaar of ouder
Klimaatverandering kan volledig tegengehouden worden door de mens11,1
Klimaatverandering kan deels tegengehouden worden door de mens63,5
Klimaatverandering kan niet tegengehouden worden door de mens14,8
Weet niet of de mens klimaatverandering kan tegenhouden4,5
Geen antwoord0,3
Gelooft niet in klimaatverandering of weet het niet5,7

2.2 Probleembesef en bezorgdheid rond klimaatverandering

Klimaatverandering als groot probleem gezien

De meesten zien klimaatverandering als een groot probleem, voor nu en meer nog voor de toekomst: 62 procent vindt klimaatverandering op dit moment een groot probleem; 76 procent denkt dat de klimaatverandering in de toekomst een groot probleem zal zijn (zie bijlagetabel 2a). 

Veel zorgen over klimaatverandering

Passend bij het grote probleembesef maken veel mensen zich zorgen over de gevolgen van de klimaatverandering voor toekomstige generaties: 31 procent maakt zich hierover veel zorgen en 45 procent maakt zich enige zorgen. 

2.2.1 Zorgen over klimaatverandering voor toekomstige generaties, 2020
 Personen van 18 jaar of ouder
Veel zorgen31,2
Enige zorgen44,7
Niet zo veel zorgen13,0
Geen zorgen4,9
Geen antwoord0,5
Gelooft niet in klimaatverandering of weet het niet5,7

2.3 Opvattingen over klimaatbeleid van overheid 

Nederlander hecht groot belang aan klimaatbeleid

Ruim 8 op de 10 Nederlanders van 18 jaar of ouder vinden het (heel) belangrijk dat de overheid zich richt op klimaatbeleid (zie bijlagetabel 2b). Ongeveer 1 op de 10 vindt een bemoeienis van de overheid met het klimaat niet belangrijk, maar ook niet onbelangrijk. Vier procent vindt het (heel) onbelangrijk. Dit zijn naar verhouding vaak personen die niet geloven dat het klimaat verandert.  

Steun voor verdergaand klimaatbeleid

Ongeveer 4 op de 10 vinden dat het klimaatbeleid van de overheid niet ver genoeg gaat; een kwart vindt van wel. Het aandeel Nederlanders dat voor een intensiever klimaatbeleid is, is dus groter dan het deel dat het voldoende vindt zo. De meeste mensen (60 procent) vinden de aandacht voor klimaatverandering niet overdreven. Ook hieruit blijkt dat veel mensen het een belangrijk probleem vinden. Ruim 1 op de 5 daarentegen vindt de aandacht voor het klimaat wel overdreven. Een vergelijkbaar deel denkt dat de invloed van Nederland op de klimaatverandering zo beperkt is, dat het niet uitmaakt wat we doen of laten (zie bijlagetabel 2b).

2.3.1 Opvattingen over klimaatbeleid en -aandacht, 2020
 (Helemaal) eens (% personen van 18 jaar of ouder)Niet eens, niet oneens (% personen van 18 jaar of ouder)(Helemaal) oneens (% personen van 18 jaar of ouder)Weet niet (% personen van 18 jaar of ouder)Geen antwoord (% personen van 18 jaar of ouder)
Het klimaatbeleid van de overheid gaat niet ver genoeg.41,624,125,26,42,7
De aandacht voor klimaatverandering is overdreven.22,214,459,62,31,6
Nederland moet alleen een streng klimaatbeleid voeren als grotere landen, zoals China en Amerika, dit ook doen.35,213,046,33,61,9

Desnoods ook klimaatbeleid door Nederland zonder grote landen

Met de stelling dat Nederland alleen een streng klimaatbeleid moet voeren als grote landen zoals China en Amerika dit ook doen, is 35 procent het (helemaal) eens. Bijna de helft (46 procent) is het daar (helemaal) mee oneens, voornamelijk omdat zij van mening zijn dat alle beetjes helpen, dat we onze eigen verantwoordelijkheid moeten nemen en dat er niets gebeurt als alle landen zo denken. Ook wordt regelmatig aangegeven dat we het goede voorbeeld moeten geven, waardoor andere landen dit hopelijk zullen volgen. Daarnaast zeggen enkelen dat een streng klimaatbeleid innovatie op het gebied van duurzame technologie bevordert, wat kansen brengt voor het bedrijfsleven en een positieve stimulans geeft aan de economie. Personen die niet geloven in klimaatverandering geven daarentegen vaak aan dat de overheid helemaal geen klimaatbeleid moet voeren.

Helft Nederlanders bezorgd over kosten klimaatbeleid

Twee derde van de bevolking van 18 jaar en ouder (66 procent) denkt dat het klimaatbeleid van de overheid burgers veel geld zal kosten. Van deze groep maakt drie kwart zich hier ook zorgen over. Dat is de helft van alle Nederlanders van 18 jaar of ouder; 18 procent heeft veel zorgen en 31 procent enige zorgen. 

2.3.2 Bezorgdheid over verwachting dat het klimaatbeleid burgers veel geld gaat kosten, 2020
 Personen van 18 jaar of ouder
Veel zorgen 18,4
Enige zorgen 31,2
Niet zo veel zorgen 12,3
Geen zorgen 3,8
Geen antwoord 0,5
Denkt niet dat klimaatbeleid burgers veel geld gaat kosten8,8
Weet niet of klimaatbeleid burgers veel geld gaat kosten25,1

2.4 Verschillen in opvattingen over klimaatverandering tussen bevolkingsgroepen 

Vooral opleidingsniveau van belang voor opvattingen over klimaatverandering

Bijna alle hoogopgeleiden (97 procent) denken dat het klimaat aan het veranderen is, tegen 91 procent van de laagopgeleiden (zie maatwerktabel). Zij bestempelen de klimaatverandering ook vaker als een groot probleem, op dit moment maar ook in de toekomst, en maken zich vaker zorgen over de gevolgen ervan voor toekomstige generaties. In lijn hiermee hechten hoogopgeleiden meer belang aan (verdergaand) klimaatbeleid van de overheid dan laagopgeleiden. Laagopgeleiden daarentegen vinden de aandacht voor klimaatverandering naar verhouding vaak overdreven, en denken vaker dat de invloed van Nederland op klimaatverandering zo gering is dat het niet uitmaakt wat we doen of laten. Daarnaast verwachten ze vaker dat klimaatbeleid burgers veel geld gaat kosten en maakt een groter deel zich daar veel zorgen om. 

2.4.1 Klimaatverandering een probleem in de toekomst naar opleidingsniveau, 2020
 Een groot probleem (% personen van 18 jaar of ouder)Een klein probleem (% personen van 18 jaar of ouder)Geen probleem (% personen van 18 jaar of ouder)Weigert (% personen van 18 jaar of ouder)Gelooft niet in klimaatverandering of weet het niet (% personen van 18 jaar of ouder)
Laagopgeleiden66,715,16,02,99,4
Middelbaar opgeleiden73,115,43,71,86,0
Hoogopgeleiden85,19,31,71,12,7
 

Vrouwen zien klimaatverandering vaker als groot probleem dan mannen

Hoewel het percentage dat denkt dat het klimaat verandert niet verschilt tussen mannen en vrouwen, zien vrouwen deze verandering wel vaker als een groot probleem, zowel op dit moment als in de toekomst (zie maatwerktabel). Ze geven ook vaker aan klimaatbeleid (heel) belangrijk te vinden. Mannen vinden de aandacht voor klimaatverandering vaker overdreven dan vrouwen (27 tegen 18 procent). Ook denken mannen relatief vaak dat de invloed van Nederland beperkt is, waardoor het volgens hen niet uitmaakt wat we doen of laten. Ruim 70 procent van de mannen denkt dat het klimaatbeleid van de overheid burgers veel geld zal kosten, tegen 61 procent van de vrouwen. Mannen maken zich hier ook vaker zorgen om.

In stad klimaatverandering als groter probleem en met meer zorg gezien dan op platteland

Stedelingen denken even vaak als mensen op het platteland dat het klimaat aan het veranderen is (zie maatwerktabel). De mate waarin deze klimaatverandering als een probleem wordt gezien en de bezorgdheid daarover verschillen daarentegen wel naar stedelijkheid. Zeventig procent van de bewoners van zeer sterk stedelijke gemeenten ziet klimaatverandering op dit moment als een groot probleem en 82 procent van hen is van mening dat klimaatverandering in de toekomst een groot probleem zal zijn. Bij bewoners van minder stedelijke gemeenten is dit respectievelijk 59 en 72 procent. 
Ook het percentage dat zich veel zorgen maakt over de gevolgen van klimaatverandering voor toekomstige generaties is in de stad hoger dan op het platteland. Stedelingen geven dan ook vaker aan het belangrijk te vinden dat de overheid zich met klimaatbeleid bezighoudt en dat het klimaatbeleid op dit moment nog niet ver genoeg gaat. Bewoners van niet-stedelijke gemeenten vinden relatief vaak dat de klimaataandacht overdreven is en zijn sceptisch over de invloed van Nederland op de klimaatverandering. Ze maken zich ook vaker zorgen over de kosten van het klimaatbeleid voor burgers. 

2.4.2 Klimaatverandering een probleem in de toekomst naar stedelijkheid woongemeente, 2020
 Een groot probleem (% personen van 18 jaar of ouder)Een klein probleem (% personen van 18 jaar of ouder)Geen probleem (% personen van 18 jaar of ouder)Weigert (% personen van 18 jaar of ouder)Gelooft niet in klimaatverandering of weet het niet (% personen van 18 jaar of ouder)
Zeer sterk stedelijk81,810,12,01,74,4
Sterk stedelijk76,313,93,21,45,2
Matig stedelijk73,314,44,72,25,3
Weinig stedelijk72,312,74,82,28,1
Niet stedelijk71,916,42,82,86,2
 

Drie kwart ouderen verwacht hoge kosten voor burgers van klimaatbeleid

Jongeren geloven vaker dan ouderen in klimaatverandering en zien het vaker als een groot probleem (zie maatwerktabel). Hierbij speelt mee dat jongeren vaker hoogopgeleid zijn. Als hiermee rekening gehouden wordt dan verdwijnen deze leeftijdsverschillen. 
Het percentage dat het (heel) belangrijk vindt dat de overheid zich bezighoudt met klimaatbeleid is bij alle leeftijdsgroepen ruim 80 procent. Wel denken ouderen relatief vaak dat dit beleid burgers veel geld gaat kosten en maken zij zich hier vaker veel zorgen om, ook na correctie voor verschillen in opleidingsniveau. 

Welvaart hangt weinig samen met klimaatopvattingen

In hun zorgen en opvattingen over klimaatverandering wijken personen in huishoudens met een hoge welvaart weinig af van personen in huishoudens met een lage welvaart1) (zie maatwerktabel). 

2.5 Beschouwingen bij opvattingen klimaatverandering

De opvattingen die Nederlanders hebben over klimaatverandering zijn in de afgelopen jaren vaker onderzocht. Door verschillen in opzet en uitvoering zijn de uitkomsten van deze onderzoeken niet zonder meer te vergelijken met de uitkomsten in deze publicatie, maar geconstateerd kan worden dat ze wel in dezelfde richting wijzen. Zo heeft onderzoeksbureau Motivaction in 2019 in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) de ‘Publieksmonitor Klimaat en Energie 2019’ gepubliceerd (Van der Grient, Kamphuis en De Vos, 2019). De cijfers in deze Publieksmonitor laten – net zoals de cijfers in deze publicatie – zien dat een ruime meerderheid van de Nederlanders denkt dat er sprake is van klimaatverandering en dat deze klimaatverandering geheel of gedeeltelijk door de mens veroorzaakt wordt. Ook blijkt uit de Publieksmonitor dat een ruime meerderheid van de Nederlanders zich zorgen maakt over de gevolgen van de klimaatverandering, een uitkomst die ook in dit rapport naar voren komt.

Ook het SCP-onderzoek ‘Op weg naar aardgasvrij wonen’ laat vergelijkbare uitkomsten zien (Scholte, De Kluizenaar, De Wilde, Steenbekkers en Carabain, 2020). Volgens deze studie denkt ruim drie kwart van de Nederlanders dat het klimaat veranderd is en dat dit (in enige mate) het gevolg is van menselijk handelen. Een vergelijkbaar deel zegt in het SCP-onderzoek bezorgd te zijn over de gevolgen van deze klimaatverandering.  

De coronacrisis heeft deze bezorgdheid van Nederlanders over de klimaatverandering zeker niet weggenomen. Peilingen van I&O Research gehouden in februari, maart en juni 2020 laten zien dat achtereenvolgens 65, 71 en 70 procent van de Nederlanders zich (veel of enige) zorgen maakt over de klimaatverandering (Driessen, Van Engeland en Kanne, 2020). Het aandeel Nederlanders dat vindt dat de overheid (veel) meer moet doen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen is wel iets gedaald, namelijk van 47 procent in februari 2020 naar 41 procent in zowel maart als juni 2020.

 

1) Voor toelichting begrip welvaart zie Onderzoeksverantwoording.

3. Opvattingen over energietransitie

Het aandeel van aardgas in het Nederlandse energieverbruik is in 2019 toegenomen, nadat dit een aantal jaren daarvoor nagenoeg gelijk bleef (CBS, 2020; CBS StatLine 2021a, 2021b). In 2019 was aardgas met 44 procent de meest gebruikte energiebron (in 2018 was dat 41 procent). Aardolie blijft de tweede energiebron; het aandeel hiervan in het totale verbruik nam tussen 2018 en 2019 licht af van 38 naar 36 procent. De bijdrage van steenkool aan het energieverbruik daalde sinds 2016 elk jaar tot 9 procent in 2019. Deze drie fossiele energiedragers zijn verantwoordelijk voor de uitstoot van broeikasgassen en bovendien veroorzaken ze milieuvervuiling. Gezamenlijk waren ze in 2019, net als het jaar daarvoor, goed voor ongeveer 90 procent van het totale energieverbruik in Nederland. Het aandeel van de overige energiebronnen zoals zonne-energie, windenergie, biomassa en kernenergie, is dus gering. Vanwege de nadelige gevolgen van fossiele brandstoffen voor het milieu, zoals klimaatverandering, is het beleid erop gericht om een (meer) duurzame energievoorziening tot stand te brengen. In 2050 zou de energievoorziening in Nederland (bijna) helemaal duurzaam en CO2-neutraal moeten zijn. Om dit doel te bereiken is draagvlak onder de bevolking nodig. Hoe denken Nederlanders over het gebruik van fossiele en duurzame energiebronnen in Nederland? Wat vinden zij ervan dat de overheid volledig wil gaan stoppen met het gebruik van aardgas? En hoe denken zij over de bouw van nieuwe windmolens in Nederland? Deze en andere vragen worden in dit hoofdstuk beantwoord.

3.1 Opvattingen over gebruik verschillende energiebronnen

Draagvlak voor minder fossiel en voor meer duurzaam

Een groot deel van de bevolking is voorstander van het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen of vindt dat er helemaal mee moet worden gestopt. Bijna de helft (48 procent) vindt dat aardolie en aardgas minder gebruikt zouden moeten worden; 13 procent wil helemaal stoppen met het gebruik van aardolie en 9 procent met het gebruik van aardgas. Van steenkolen vindt ongeveer een derde dat er minder gebruik van moet worden gemaakt, en het aandeel dat zegt dat er helemaal mee gestopt moet worden is met 44 procent nog groter.  
Duurzame energiebronnen zoals zonne-energie, windenergie, waterkracht en aardwarmte zouden volgens een meerderheid juist meer gebruikt moeten worden. Het aandeel is met 83 procent het hoogst als het gaat om zonne-energie, gevolgd door windenergie met 72 procent. 

Meningen over kernenergie en biomassa verdeeld

Over het gebruik van kernenergie en biomassa zijn de meningen verdeeld: ongeveer een kwart vindt dat hier meer op moet worden ingezet, rond de 16 procent daarentegen is van mening dat deze energiebronnen minder moeten worden gebruikt. Van kernenergie vindt een kwart dat helemaal gestopt zou moeten worden met het gebruik ervan. Bij biomassa valt op dat met een kwart relatief veel 18-plussers niet weten of er meer of minder gebruik van zou moeten worden gemaakt. 

3.1.1 Standpunt over gebruik verschillende energiebronnen, 2020
 Meer (% personen van 18 jaar of ouder)Evenveel als nu (% personen van 18 jaar of ouder)Minder (% personen van 18 jaar of ouder)Helemaal niet (% personen van 18 jaar of ouder)Weet ik niet (% personen van 18 jaar of ouder)Ken de bron niet (% personen van 18 jaar of ouder)
Aardolie1,315,748,413,118,33,2
Steenkolen1,36,332,543,714,12,2
Aardgas6,524,848,48,610,51,1
Windenergie72,514,44,91,75,70,9
Zonne-energie83,09,01,31,05,00,7
Aardwarmte56,310,84,02,617,78,5
Waterkracht67,910,51,41,314,64,3
Kernenergie25,012,417,825,416,42,9
Biomassa23,015,115,113,424,68,7

Ruim de helft voorstander van transitie aardgas naar duurzame energie

Ruim de helft (53 procent) van de bevolking vindt het (heel) positief dat de overheid volledig wil gaan stoppen met het gebruik van aardgas in Nederland door over te stappen op duurzame energiebronnen. Dat aardgas bijdraagt aan de CO2-uitstoot is hiervoor de meest genoemde reden2). Dit wordt als ongewenst gezien met het oog op klimaatverandering. Een andere veelgenoemde reden is dat de winning van aardgas leidt tot ondergrondse verschuivingen en verzakkingen van de bodem. Veel mensen noemen hier als voorbeeld de aardbevingen in Groningen. Verder is een deel van mening dat het goed is om met aardgas te stoppen, omdat de voorraad hiervan op den duur opraakt.

Een op de vijf is tegenstander transitie 

Bijna een vijfde deel (19 procent) vindt het juist helemaal geen goede ontwikkeling dat wordt gestopt met het gebruik van aardgas. Het meest genoemde argument hiervoor is dat aardgas een relatief schone fossiele brandstof is. Het draagt naar verhouding weinig bij aan de CO2-uitstoot en we kunnen niet zomaar zonder. Er zou volgens de tegenstanders beter eerst gestopt kunnen worden met meer vervuilende energiebronnen als steenkool en aardolie. Dat in Duitsland huishoudens juist worden aangemoedigd om op aardgas over te stappen is ook een argument dat genoemd wordt. Verder geven mensen aan dat het aardgas niet uit eigen land hoeft te komen, maar geïmporteerd kan worden uit landen als Rusland. Ook zeggen sommigen dat duurzame energiebronnen op dit moment erg duur en niet rendabel zijn, en dat er nog geen goede alternatieven zijn voor aardgas.

3.1.2 Mening over door overheid voorgenomen overstap van aardgas naar duurzame energie, 2020
 Personen van 18 jaar of ouder
Heel positief19,1
Positief34,3
Niet positief, niet negatief21,0
Negatief12,6
Heel negatief6,5
Weet niet5,1
Geen antwoord1,4

Goedkope of duurzame energie?

Op de vraag wat belangrijker gevonden wordt, goedkope energie of duurzame energie, antwoordt ongeveer twee derde (68 procent) duurzaamheid (zie bijlagetabel 3b). Ruim een vijfde (22 procent) hecht meer belang aan de kosten. Zeven procent weet het niet en 3 procent geeft geen antwoord. 

Verschillen in opvattingen over energiebronnen tussen bevolkingsgroepen

Hoogopgeleiden, vrouwen, jongeren, en stedelingen staan relatief vaak (heel) positief tegenover de transitie van aardgas naar duurzame energiebronnen (zie maatwerktabel). Zij geven ook vaker de voorkeur aan duurzame energie boven goedkope energie. Vanwege het beperkte aantal waarnemingen per provincie is het niet mogelijk om verschillen hierin in kaart te brengen.

3.2 Opvattingen over windmolens in Nederland

7 op de 10 voorstander van nieuwe windmolens

Een ruime meerderheid van 71 procent is in het algemeen voor de bouw van nieuwe windmolens in Nederland; 14 procent is tegen (zie bijlagetabel 3b). Belangrijkste argument van de tegenstanders is de horizonvervuiling3). Maar ook dat windmolens milieuproblemen veroorzaken, zoals sterfte van vogels, vissen en insecten. Daarnaast zouden windmolens niet heel duurzaam zijn; bij het produceren, vervoeren en bouwen van de windmolens zou CO2 vrijkomen en bovendien zou de levensduur beperkt zijn. Een andere veelgenoemde reden is dat windmolens niet rendabel zouden zijn. De hoge investeringskosten zouden niet terugverdiend kunnen worden met de energieopbrengst, en er is teveel subsidie nodig. Windmolens zouden ook weinig energie leveren, onder meer omdat het niet altijd waait. Verder noemen enkele tegenstanders overlast door windmolens, voornamelijk lawaai.

Jongeren, hoogopgeleiden, en stedelingen vaker positief over windmolens

Het percentage dat voor de bouw van nieuwe windmolens in Nederland is neemt af met leeftijd. Zo is 78 procent van de 18- tot 25-jarigen hierover positief, tegen 51 procent van de 75-plussers. Deze laatsten zijn het vaakst tegenstander of hebben geen mening. Hoogopgeleiden en stedelingen staan ook vaker open voor nieuwe windmolens dan laagopgeleiden en plattelandsbewoners. Laagopgeleiden zeggen relatief vaak niet te weten of er windmolens bijgebouwd moeten worden.

3.2.1 Houding ten aanzien van bouw nieuwe windmolens in Nederland, 2020
   Voor (% personen van 18 jaar of ouder)Tegen (% personen van 18 jaar of ouder)Weet niet (% personen van 18 jaar of ouder)Geen antwoord (% personen van 18 jaar of ouder)
Totaal70,713,613,32,5
Leeftijd18 tot 25 jaar78,48,612,30,7
Leeftijd25 tot 35 jaar75,29,411,73,7
Leeftijd35 tot 45 jaar75,310,511,52,7
Leeftijd45 tot 55 jaar73,412,211,92,5
Leeftijd55 tot 65 jaar70,014,114,11,7
Leeftijd65 tot 75 jaar65,321,311,71,7
Leeftijd75 jaar of ouder51,521,023,24,3
OpleidingsniveauLaag60,815,021,03,2
OpleidingsniveauMiddelbaar71,914,811,32,0
OpleidingsniveauHoog76,611,510,41,4
StedelijkheidZeer sterk77,48,912,31,3
StedelijkheidSterk71,014,112,02,9
StedelijkheidMatig64,115,716,53,8
StedelijkheidWeinig68,514,514,72,2
StedelijkheidNiet66,919,411,72,0

Ruim de helft wil windmolens op land en zee

56 procent van alle Nederlanders van 18 jaar of ouder vindt dat windmolens op zowel zee als land moeten worden gebouwd (zie bijlagetabel 3b). Twee procent is voorstander van alleen windmolens op land; 10 procent wil alleen windmolens op zee. Deze laatsten willen geen windmolens op land vanwege de horizonvervuiling en de overlast voor omwonenden en de natuur3). Ook de schaarse ruimte in een klein land als Nederland wordt door de voorstanders van windmolens op zee als reden hiervoor genoemd. Verder zegt een vrij groot deel van hen dat de energieopbrengst van windmolens op zee groter is, omdat het daar harder en constanter waait.  

Meeste Nederlanders eerder tegen windmolens in eigen woonomgeving 

Van alle 18-plussers is 21 procent voorstander van windmolens in de eigen woonomgeving, 31 procent is tegenstander en 43 procent zegt dat het ervan afhangt (5 procent weet het niet en 2 procent geeft geen antwoord) (zie bijlagetabel 3b). De tegenstanders zeggen dat windmolens beter geplaatst zouden kunnen worden in dunbevolkte gebieden zoals in weilanden, langs snelwegen, langs dijken of in zee. De meesten geven weliswaar aan dat het ‘ervan afhangt’ of ze voor of tegen zijn, maar de belangrijkste factor voor de bepaling van hun standpunt is (hoewel minder vergaand) vergelijkbaar met die van de tegenstanders, namelijk dat de windmolens niet vlakbij hun woning of in hun direct woonomgeving moeten staan. Zij wijzen op geschiktere plekken zoals industriegebieden, weilanden, en havens of plekken aan de rand van het dorp. Per saldo zien de meeste Nederlanders dus liever geen windmolens in hun onmiddellijke woonomgeving.

3.3. Beschouwingen bij opvattingen over energietransitie

Het draagvlak onder Nederlanders voor een transitie van fossiele naar duurzame energie zoals dat hier naar voren komt, wordt bevestigd door ander onderzoek. Zo blijkt uit de SCP-studie ‘De energietransitie vanuit burgerperspectief’ dat ruim drie kwart van de Nederlanders een omschakeling van fossiele brandstoffen naar groene energie belangrijk vindt. Slechts een op de tien zegt dit onbelangrijk te vinden (Scholte, De Kluizenaar, De Wilde, Steenbekkers en Carabain, 2020).  CBS-onderzoek komt tot vergelijkbare uitkomsten. Volgens Schmeets en De Witt (2018) ziet ruim drie kwart van de Nederlanders de noodzaak van duurzame energie in; slechts een op de tien ziet die noodzaak niet. Leeftijd en opleiding spelen daarbij de grootste rol: mensen jonger dan 65 jaar schatten de noodzaak van duurzame energie hoger in dan 65-plussers en hoogopgeleiden doen dat vaker dan lageropgeleiden.

Over de houding ten aanzien van windmolens in de eigen woonomgeving laten ook andere onderzoeken verdeelde meningen zien. Volgens Schmeets en De Witt (2018) vindt minder dan de helft van de Nederlanders een windmolenpark in de eigen woonomgeving geen probleem, en vindt bijna een derde dat wel een probleem (de rest heeft er geen uitdrukkelijke mening over). Het zijn vooral de jongeren, hoogopgeleiden en stedelingen die geen moeite hebben met een windmolenpark in de eigen woonomgeving.

Ook uit onderzoek van Motivaction komt een verdeelde mening over windmolens in de woonomgeving naar voren (Van der Grient, Kamphuis en De Vos, 2019). Volgens deze studie is 30 procent van de Nederlanders (heel) positief over een windmolenpark in de directe woonomgeving en 25 procent (heel) negatief. De rest heeft geen uitgesproken mening. 

Hoewel deze studies (gebaseerd op data uit respectievelijk 2017 en 2019) het beeld uit paragraaf 3.2 bevestigen dat de meningen over windmolens in de woonomgeving verdeeld zijn, zijn er verschillen in de verhouding tussen het aantal voor- en tegenstanders. Deze hangen mogelijk samen met onder andere verschillen in vraagstellingen.
 

 

2) In de vragenlijst van Belevingen is de respondenten in een zogeheten ‘open vraag’ de gelegenheid geboden om hun mening over de energietransitie van aardgas naar duurzame energie toe te lichten. 
3) In de vragenlijst van Belevingen is respondenten die tegenstander zijn van windmolens in een zogeheten ‘open vraag’ de gelegenheid geboden om hun antwoord toe te lichten. Ook tegenstanders van windmolens op land en tegenstanders van windmolens in de eigen woonomgeving hebben deze gelegenheid gekregen.

4. Duurzaam wonen

Het duurzaam maken van woningen is een van de factoren die bijdraagt aan de vermindering van de CO2-uitstoot. Het gaat dan om betere isolatie van woningen, duurzaam opwekken van energie en minder gebruik van fossiele brandstoffen. Voor deze verduurzaming worden steeds inventievere methoden ingezet, waarvan sommige vertrouwder zijn dan andere. Hoe staat het met de duurzaamheid van woningen in Nederland en wat zijn de opvattingen en plannen die woningeigenaren hierover hebben? Deze vragen staan in dit hoofdstuk centraal.

4.1 Gebruik van aardgas in woningen

Nederland moet van het aardgas af. Volgens het Klimaatakkoord (Rijksoverheid, 2019) moeten alle woningen in 2050 aardgasvrij zijn. In het afgelopen decennium is het aardgasverbruik door Nederlandse huishoudens gedaald (CBS StatLine, 2020a). In de periode tussen 2012 en 2016 daalde het voor temperatuurverschillen gecorrigeerde aardgasverbruik van particuliere huishoudens gemiddeld met 2,7 procent per jaar (CBS, 2018).

1 op de 10 huishoudens geeft aan geen aardgasaansluiting in woning te hebben

In het onderzoek Belevingen 2020 is gevraagd of er een aardgasaansluiting in de woning aanwezig is. Tien procent van de huishoudens zegt geen aardgasaansluiting (meer) te hebben in de woning4). Dit komt neer op 800 duizend huishoudens. Het niet hebben van een aardgasaansluiting in de woning betekent overigens niet dat er voor het verwarmen van de woning helemaal geen CO2-uitstoot plaatsvindt.
Bij nieuwe woningen wordt steeds minder vaak een aardgasaansluiting aangelegd. Zo zegt 30 procent van de huishoudens die in een woning van ná 2005 wonen geen aardgasaansluiting te hebben; van de huishoudens woonachtig in een woning van vóór 1946 geeft 4 procent dat aan. Meergezinswoningen hebben vaker geen aardgasaansluiting dan eengezinswoningen; dit geldt zowel voor oudere als voor recent gebouwde woningen. Van de huishoudens in eengezinswoningen heeft 7 procent geen aardgasaansluiting, van de huishoudens in meergezinswoningen heeft 18 procent geen aansluiting. 

4.1.1 Geen aardgasaansluiting in woning, 2020
   2020 (% huishoudens)
Totaal woningen10,3
BouwjaarVoor 19464,5
Bouwjaar1946-19747,0
Bouwjaar1975-19919,3
Bouwjaar1992-200512,1
BouwjaarNa 200530,4
Een- of meergezinsEengezinswoning7,1
Een- of meergezinsMeergezinswoning17,7
 

Tenminste 450 duizend woningen aardgasvrij

Huishoudens zonder aardgasaansluiting in de woning gebruiken soms indirect nog wel aardgas in het geval sprake is van collectieve verwarming (stadsverwarming of blokverwarming) waarbij aardgas wordt gebruikt. Bij blokverwarming wordt aardgas verstookt in een centrale verwarmingsinstallatie voor het verwarmen van meerdere woningen. Bij stadsverwarming wordt warmte aangevoerd die (deels) kan zijn opgewekt met aardgas. Uit recent onderzoek (CBS, 2021e, CBS StatLine 2021c) blijkt dat op 1 januari 2019 in 447 duizend woningen geen aardgas werd gebruikt5). Dit betreft 6 procent van de woningen (meergezins- of eengezinswoningen). Bij 254 duizend woningen (3 procent) is de situatie onbekend; een deel hiervan is mogelijk ook aardgasvrij. Bij aardgasvrije woningen kan onderscheid gemaakt worden  tussen elektrisch verwarmde woningen (met elektrische warmtepompen of elektrische verwarming) en woningen met stadsverwarming. In 2019 werden 44 duizend aardgasvrije woningen elektrisch verwarmd en in 403 duizend aardgasvrije woningen was sprake van stadsverwarming6). Woningen waarover geen informatie beschikbaar was over het type verwarmingsinstallatie maar waarvan wel het vermoeden is dat deze aardgasvrij waren, zijn geteld onder elektrisch verwarmde aardgasvrije woningen. Het is mogelijk dat een beperkt (onbekend) aantal van deze woningen gebruik maakt van bijvoorbeeld een pellet cv-ketel of biomassaketel voor ruimteverwarming.  

4.2 Aanwezigheid duurzame energievoorzieningen en isolatie in eengezinskoopwoningen

Meeste eengezinswoningen beschikken over gasbesparende voorzieningen en isolatie

De meeste huishoudens, 93 procent, hebben in 2020 een aardgasaansluiting in de woning. Wel trachten veel huishoudens hun gasverbruik te reduceren. Zo heeft het overgrote deel (86 procent van alle eigenaren van eengezinswoningen) een hoogrendementsketel, 40 procent kookt elektrisch en 23 procent verwarmt de woning (aanvullend) met hout. Warmtepompen9) en zonneboilers worden nog niet vaak gebruikt: 5 procent van de huishoudens zegt een warmtepomp te hebben en 3 procent een zonneboiler. Ruim een kwart (28 procent) van de eengezinskoopwoningen heeft zonnepanelen. 

Bijna alle woningen zijn in meer of mindere mate geïsoleerd. Zo zijn bijna alle eengezinskoopwoningen (96 procent) geheel of gedeeltelijk voorzien van dubbel, driedubbel of HR-glas. Van 79 procent is het dak (gedeeltelijk) geïsoleerd, 71 procent heeft gevel- of spouwmuurisolatie en 61 procent is voorzien van vloerisolatie. Bij dak-, gevel/spouwmuur- en vloerisolatie kunnen de percentages in werkelijkheid maximaal ongeveer 8 procent hoger liggen omdat ongeveer 8 procent van de woningeigenaren aangeeft niet te weten of die isolatie aanwezig is in hun woning. 

4.2.1 Energievoorzieningen en isolatie in eengezinskoopwoningen, 2020
 Aanwezig (% eigenaar-bewoners van een eengezinswoning)Onbekend (% eigenaar-bewoners van een eengezinswoning)
Energievoorzieningen
Aardgasaansluiting930,4
HR-ketel85,62,7
Elektrische kookplaat40,30,4
Zonnepanelen27,50
Houtgestookte installatie22,80,6
Warmtepomp4,61,7
Zonneboiler2,80,4
Isolatie
(Drie)dubbel glas of HR-glas96,21,2
Dakisolatie79,36,2
Gevel- of spouwmuurisolatie70,97,9
Vloerisolatie60,96,1
 

Het is niet mogelijk inzicht te geven in de isolatiegraad van woningen omdat informatie over het deel van de woning (ramen, dak, gevel of vloer) dat geïsoleerd is ontbreekt. Door het combineren van het aantal isolatievormen en de aan- of afwezigheid van zonnepanelen en van een aardgasaansluiting kan wel enig inzicht worden gegeven in de duurzaamheid van woningen, zonder dat daarbij aangegeven kan worden welke voorzieningen hieraan de grootste bijdrage leveren.  

Twee procent woningen helemaal niet geïsoleerd

Twee procent van de eigenaren van eengezinswoningen geeft aan geen enkele vorm van isolatie te hebben. Aan de andere kant heeft eveneens 2 procent alle isolatievormen én zonnepanelen én geen aardgasaansluiting. De meest voorkomende combinatie van duurzaamheidskenmerken (29 procent van de eengezinswoningen) is de combinatie waarbij sprake is van alle isolatievormen, zonder zonnepanelen en met een aardgasaansluiting. Bijna de helft (48 procent) van de eengezinswoningen beschikt over alle bevraagde isolatievoorzieningen, ongeacht de aanwezigheid van zonnepanelen of  een gasaansluiting. 

4.3 Zonnepanelen: aanwezigheid, motieven en aanschafplannen

In 2020 was 28 procent van de eengezinskoopwoningen voorzien van zonnepanelen. De helft daarvan is tussen 2018 en 2020 aangeschaft. Ruim een op de vijf (21 procent) woningeigenaren is van plan om binnen twee jaar panelen aan te schaffen, 16 procent weet het nog niet. 

4.3.1 Zonnepanelen eengezinskoopwoningen, 2020
 % eigenaar-bewoners van een eengezinswoning
Aanwezig, niet zelf aangeschaft1,6
Zelf aangeschaft, langer dan 2 jaar geleden12,3
Zelf aangeschaft in de afgelopen 2 jaar13,6
Zelf aangeschaft, weet niet wanneer0,1
Aanschafplannen voor de komende 2 jaar20,6
Weet nog niet of ze in de komende 2 jaar aangeschaft worden15,6
Geen plannen tot aanschaf36,2

Helft woningen van na 2005 heeft zonnepanelen

De aanwezigheid van zonnepanelen hangt sterk samen met het bouwjaar van de woning: de nieuwste woningen hebben het vaakst zonnepanelen. Van de eengezinskoopwoningen die na 2005 gebouwd zijn heeft 49 procent zonnepanelen; bij woningen van vóór 1946 is dat 21 procent. Ook bestaat er een sterk verband met de welvaart van de bewoners: waar 35 procent van de huishoudens in de hoogste welvaartsklasse zonnepanelen heeft, is dat bij huishoudens in de lagere welvaartsklassen minder dan een kwart. Verder speelt het opleidingsniveau10) een rol: hoogopgeleiden hebben het vaakst zonnepanelen. Tot slot blijkt er ook een relatie met leeftijd. Van de 65- tot 75-jarigen zegt 36 procent panelen te hebben, van de 25- tot 45-jarigen geeft 23 procent dat aan. Er bestaat geen relatie met de stedelijkheid van de woongemeente.

Als het gaat om concrete plannen zijn middelbaar- en hoogopgeleiden en 25- tot 45-jarigen relatief vaak voornemens om in de komende twee jaar zonnepanelen aan te schaffen.

4.3.2 Aanwezigheid en plannen voor zonnepanelen, 2020
   Zonnepanelen aanwezig (% eigenaar-bewoners van een eengezinswoning)Concrete plannen tot aanschaf in de komende twee jaar (% eigenaar-bewoners van een eengezinswoning)
Totaal27,520,6
BouwjaarVoor 194621,420
Bouwjaar1946-197422,322,4
Bouwjaar1975-199125,919,2
Bouwjaar1992-200531,822,4
Bouwjaarna 200549,217,1
Welvaart huishoudenEerste 25 procent (lage welvaart)
Welvaart huishoudenTweede 25 procent20,917,8
Welvaart huishoudenDerde 25 procent24,620,5
Welvaart huishoudenVierde 25 procent (hoge welvaart)34,921,5
OpleidingsniveauLaag20,615,6
OpleidingsniveauMiddelbaar26,821,3
OpleidingsniveauHoog31,722,8
Leeftijd18 tot 25 jaar
Leeftijd25 tot 45 jaar23,329,4
Leeftijd45 tot 65 jaar29,120,9
Leeftijd65 tot 75 jaar35,68,7
Leeftijd75 jaar en ouder20,310,7
 

Helft eigenaren schaft zonnepanelen aan voor het milieu of klimaat

De belangrijkste reden voor de (geplande) aanschaf van zonnepanelen is een bijdrage te leveren aan een beter milieu of klimaat: voor 47 procent van de huishoudens vormt dit de belangrijkste reden. Woningeigenaren met plannen om zonnepanelen aan te schaffen noemen dit milieu-of klimaatmotief nog iets vaker dan woningeigenaren die de panelen al hebben (49 tegen 45 procent). Bijna vier op de tien (37 procent) noemen geldbesparing als belangrijkste reden. Voor 9 procent is de onafhankelijkheid van energiebedrijven het belangrijkste motief en 7 procent heeft een andere reden. 
Bij minder welvarende huishoudens is geldbesparing ongeveer even vaak als het milieu of klimaat de belangrijkste reden om zonnepanelen aan te (willen) schaffen (respectievelijk 43 en 41 procent). Bij huishoudens in de hoogste welvaartsklasse heeft het milieu- of klimaatmotief duidelijk de overhand, namelijk 53 tegen 31 procent. 

4.3.3 Belangrijkste reden voor (geplande) aanschaf zonnepanelen, 2020
 % eigenaar-bewoners van een eengezinswoning met zonnepanelen of concrete aanschafplannen
Bijdragen aan beter milieu of klimaat46,9
Geldbesparing36,9
Minder afhankelijk zijn van energiebedrijven8,8
Overige redenen7,4
 

Kosten meest genoemde reden om geen zonnepanelen aan te schaffen

Verreweg de meest genoemde reden om geen zonnepanelen aan te schaffen zijn de hoge aanschafkosten, al dan niet in combinatie met een te laag rendement. 38 procent van de woningeigenaren die in ieder geval in de komende twee jaar nog geen panelen aanschaffen, zeggen dit om (onder andere) deze reden niet te doen (zie bijlagetabel 4b). Daarnaast wordt de (on)geschiktheid van het huis naar verhouding vaak genoemd: 19 procent zegt dat de ligging van het dak niet gunstig is of dat er te weinig ruimte voor panelen is. Elf procent vindt zichzelf te oud voor een dergelijke dure of ingrijpende investering, 7 procent heeft verhuisplannen en 4 procent vindt zonnepanelen lelijk. Twaalf procent zegt nooit over de aanschaf van zonnepanelen te hebben nagedacht. Bijna een kwart (23 procent) geeft geen of andere redenen11) .

4.4 Andere energievoorzieningen en isolatie: aanwezigheid en aanschafplannen

Niet alleen bij zonnepanelen maar ook bij andere energievoorzieningen is in de enquête doorgevraagd naar de plannen voor de nabije toekomst. 86 procent van de woningeigenaren heeft in 2020 een HR-ketel en 2 procent heeft concrete plannen om er een binnen twee jaar aan te schaffen (zie bijlagetabel 4a). Elektrisch koken gebeurt door vier op de tien eigenaren; 13 procent wil dat binnen twee jaar gaan doen. Met betrekking tot de energievoorzieningen die minder vaak in de woning aanwezig zijn zegt 5 procent binnen twee jaar een zonneboiler aan te willen schaffen, 4 procent een warmtepomp en 2 procent een houtgestookte installatie. 

Weinig woningeigenaren zeggen in 2020 plannen te hebben hun woning binnen twee jaar (verder) te willen isoleren; de meeste woningen zijn immers al (deels) geïsoleerd. Eén procent van de eigenaar-bewoners is van plan binnen twee jaar de woning geheel of gedeeltelijk van (drie)dubbel of HR-glas te voorzien (zie bijlagetabel 4a). Bij respectievelijk 2 procent, 3 procent en 4 procent van de woningeigenaren ontbreekt dak- gevel- en vloerisolatie nog geheel maar zijn deze maatregelen wel gepland.  

Wooncomfort belangrijkste reden voor dak-, gevel of vloerisolatie

Ruim de helft (57 procent) van de woningeigenaren heeft zelf dak-, gevel- of vloerisolatie aangeschaft; 14 procent geeft aan dat (ook) in de afgelopen 2 jaar te hebben gedaan (zie bijlagetabel 4a). Zeven procent is van plan om binnen twee jaar dak, gevel of vloer te isoleren. De redenen om dak, gevel of vloer te (willen) isoleren zijn zeer divers, maar het vaakst wordt wooncomfort genoemd. Voor de helft (51 procent) van de eigenaren is dit de belangrijkste reden voor de (geplande) isolatie. Geldbesparing is met 20 procent ook een veelgenoemde reden. Een op de acht woningeigenaren (12 procent) heeft de woning vooral (beter) geïsoleerd of is van plan om dit te doen om bij te dragen aan een beter milieu of klimaat. 
De eigenaren die niet van plan zijn hun dak, gevel of vloer (beter) te isoleren geven hiervoor het vaakst als reden dat ze hier niet aan hebben gedacht. Ook hoge kosten, geen zin in verbouwing en verhuisplannen spelen een rol.  

4.4.1 Belangrijkste reden voor (geplande) aanschaf isolatie van dak, gevel of vloer, 2020
 % eigenaar-bewoners van een eengezinswoning met isolatie of concrete aanschafplannen
Meer wooncomfort51,3
Geldbesparing19,9
Bijdragen aan beter milieu of klimaat11,9
Tegengaan ventilatie- of vochtproblemen4,7
Verhogen waarde woning1,8
Geluidsoverlast verminderen0,5
Andere reden7,8
Weigert2,2

Ook voor glasisolatie is wooncomfort de belangrijkste reden

Ruim zes op de tien (61 procent) woningeigenaren hebben zelf (drie)dubbel of HR-glas aangeschaft (zie bijlagetabel 4a). Een op de tien (11 procent) geeft aan dit (ook) in de afgelopen twee jaar te hebben gedaan. Net als bij dak-, gevel of vloerisolatie is ook hier het wooncomfort het meest (door 57 procent) genoemde motief, op grote afstand gevolgd door geldbesparing (19 procent). Bijdragen aan een beter milieu of klimaat werd door 7 procent van de woningeigenaren genoemd als belangrijkste reden voor de (geplande) glasisolatie.

4.4.2 Belangrijkste reden voor (geplande) aanschaf glasisolatie, 2020
 % eigenaar-bewoners van een eengezinswoning met glasisolatie of concrete aanschafplannen
Meer wooncomfort56,9
Geldbesparing19,2
Bijdragen aan beter milieu of klimaat7
Tegengaan ventilatie- of vochtproblemen4,4
Geluidsoverlast verminderen2,5
Verhogen waarde woning1,8
Andere reden6
Weigert2,2

4.5 Slimme meter

8 op de 10 hebben slimme meter in huis

Steeds meer woningen hebben een slimme meter. Een slimme meter is een digitale energiemeter in de meterkast die bijhoudt hoeveel elektriciteit en gas er wordt verbruikt in de woning en die de meterstanden automatisch naar de energieleverancier en netbeheerder stuurt. In 2020 heeft 79 procent van de eigenaren van eengezinswoningen naar eigen zeggen een slimme meter in huis; 45 procent van de eigenaren had deze nog geen twee jaar. 

4.5.1 Aanwezigheid slimme meter in woning, 2020
 % eigenaar-bewoners van een eengezinswoning
Slimme meter, langer dan 2 jaar32,2
Slimme meter, 2 jaar of minder lang44,5
Slimme meter, weet niet hoe lang2,6
Geen slimme meter17,2
Weet niet of er een slimme meter is3,4
Niet van toepassing0,2

De helft (49 procent) van de woningeigenaren zonder slimme meter wil er ook geen (zie bijlagetabel 4c). Hiervan geeft bijna een kwart aan dat ze het nut er niet van inzien. Een op de vijf wil geen slimme meter omwille van de privacy. Verder zegt 13 procent dat ze nadelen zien bij teruglevering door zonnepanelen en 11 procent is bang voor onjuiste hoge meterstanden. Zes procent zegt te twijfelen over de veiligheid van de eigen gegevens bij aanwezigheid van een slimme meter. 
Negen procent wil een slimme meter en is bereid daarvoor te betalen, 25 procent wil er wel een maar alleen als die gratis is, en 15 procent weet het niet.

Bijna de helft van de eigenaren met een slimme meter maakt ook gebruik van een zogeheten verbruiksmanager: een app, website of los kastje waarmee op ieder moment inzicht in het gas- en energieverbruik verkregen kan worden. In totaal gebruikt 42 procent van alle woningeigenaren in 2020 een verbruiksmanager; 24 procent doet dit pas sinds 2018.

4.6 Beschouwingen bij duurzaam wonen 

Zoals blijkt uit hoofdstuk 3 is een ruime meerderheid van de Nederlanders voorstander van een transitie van fossiele brandstoffen naar groene energie. Uit de SCP-studie ‘De Energietransitie vanuit Burgerperspectief’ blijkt dat ruim drie kwart het (in enige mate) belangrijk vindt om de klimaatverandering tegen te gaan door zuinig om te gaan met energie (Scholte, De Kluizenaar, De Wilde, Steenbekkers en Carabain, 2020). Uit dezelfde studie blijkt tevens dat de meningen over het aardgasvrij-beleid op het gebied van wonen verdeeld zijn. De groep die het aardgasvrij-beleid (in enige mate) steunt is met ongeveer de helft weliswaar het grootst, maar er is ook nog een substantieel deel van ruim een kwart dat (in enige mate) tegen is. Daarnaast is er een vrij grote groep die het eigenlijk niet zo goed weet of er neutraal tegenover staat. Deze houding ten aanzien van het aardgasvrij-beleid verschilt dus van die ten aanzien van de omschakeling van fossiele energie naar duurzame energiebronnen: in brede zin is er draagvlak voor de energietransitie maar over de concrete invulling van dat beleid lijkt er nog veel verdeeldheid te zijn (Scholte e.a., 2020). 
Zo is in hetzelfde SCP-onderzoek aan respondenten met een koopwoning met een cv-ketel of gashaard gevraagd in hoeverre zij een aardgasvrij alternatief zouden overwegen zodra hun huidige gasverwarming kapot is. Daaruit blijkt dat ruim 40 procent hun cv-ketel/gaskachel dan zou (laten) vervangen door een aardgasvrij alternatief. Tegelijk geeft bijna driekwart van de eigenaar-bewoners aan moeilijk in te kunnen schatten wat een goed aardgasvrij alternatief voor de huidige verwarming zou zijn. Bijna twee op de drie zeggen nog weinig vertrouwen te hebben in de alternatieven voor aardgas en ruim de helft geeft aan op informatie van de overheid te wachten voordat zij een aardgasvrij alternatief overwegen (Scholte e.a., 2020).

Uit onderzoek van I&O Research uit 2019 blijkt dat de helft van de Nederlanders zich veel of enige zorgen maakt over de kosten van verduurzaming van de woning (Kanne en Van Engeland, 2019). Het merendeel heeft er weliswaar vertrouwen in dat goede isolatie zichzelf terugverdient, maar dit betekent nog niet dat dergelijke maatregelen ook daadwerkelijk uitgevoerd gaan worden: ruim vier op de tien Nederlanders geven aan dat het startbedrag voor het verduurzamen van de woning voor hen te hoog is. 

In de in april 2021 gepubliceerde studie ‘Woningverduurzaming: willen en kunnen betekenen nog niet doen’ onderzocht het SCP de verduurzamingsintenties van woningeigenaren en hun concrete acties om woningen te isoleren en zonnepanelen aan te schaffen (Steenbekkers, Fransman, De Kluizenaar en Flore, 2021). Uit dit onderzoek blijkt dat medio 2019 een groot deel van de woningeigenaren nog geen concrete acties heeft ondernomen om hun woning te verduurzamen; bijna de helft had (nog) geen optimale isolatie en driekwart van de eigenaren met een eigen dak had nog geen zonnepanelen geplaatst. Verschillende belemmeringen hielden hen tegen om in beweging te komen. Woningeigenaren die wel wilden verduurzamen maar dit nog niet hadden gedaan, gaven hiervoor argumenten als te hoge kosten, de verwachting dat maatregelen in de toekomst goedkoper worden of dat men zich er nog niet in heeft verdiept. Voor een kwart (isolatie) tot de helft (zonnepanelen) van de eigenaren was de belangrijkste reden om niet te willen verduurzamen de onzekerheid hoe lang ze nog in de woning zullen wonen, bijvoorbeeld door een voorziene verhuizing of omdat men op leeftijd is. Om een kanteling in de verduurzaming door woningeigenaren te realiseren, is volgens het SCP enerzijds beleid nodig om de huiseigenaren die willen aan te moedigen en te stimuleren; anderzijds zal meer specifieke beleidsinzet nodig zijn om de minder draagkrachtige woningeigenaren die niet zelf kunnen verduurzamen te ontlasten en te ontzorgen, en om de onzuinige woningen waar de meeste winst te behalen is prioritair aan te pakken.

 

4) In het onderzoek Belevingen is gevraagd of er een gasaansluiting in de woning is. Het kan voorkomen dat huishoudens een aardgasaansluiting hebben die afgesloten is, en dat ze mét een aardgasaansluiting dus toch aardgasvrij wonen. Het aantal huishoudens dat een afgesloten aardgasaansluiting heeft is onbekend.
5) Aardgasvrije woningen zijn in het onderzoek Aardgasvrije woningen (CBS, 2021b) als zodanig geïdentificeerd wanneer er geen gasaansluiting in de woning werd gevonden en:
- er op basis van een energielabel geconstateerd werd dat er geen gasinstallaties aanwezig zijn voor ruimteverwarming of voor warm water, of:
- er geen energielabel beschikbaar is, maar een subsidie werd gevonden voor een warmtepomp, of:
- er geen energielabel of subsidie voor warmtepomp werd gevonden, en het om een woning gaat die pas sinds 2018 in de voorraad is gekomen.
Energielabels zijn nog niet voor alle woningen beschikbaar en informatie kan verouderd zijn. Niet alle woningen met warmtepompen hebben hiervoor een subsidie ontvangen. Het totaal aantal aardgasvrije woningen wordt hierdoor waarschijnlijk onderschat.
Verder is in het onderzoek nieuwbouw in 2019 niet meegenomen.
6) Het is mogelijk dat een aardgasvrije woning stadsverwarming heeft waarbij (deels) aardgas wordt gebruikt. Welke stadsverwarming aardgas gebruikt is niet bekend.
7) Tot de meergezinswoningen worden flats, appartementen, etagewoningen en boven- en benedenwoningen gerekend. Eengezinswoningen zijn rijtjes- of tussenwoningen, hoekwoningen in een rij, twee-onder-een kapwoningen en vrijstaande woningen. Een klein percentage van de huishoudens (3 procent) geeft aan in een ander soort woning te wonen. Zij zijn toegevoegd aan de groep die in een eengezinswoning woont.
8) Zo blijkt dat bijna een kwart van de huurders niet weet of ze een HR-ketel hebben; bij de eigenaar-bewoners van meergezinswoningen is dat 10 procent en bij de eigenaar-bewoners van eengezinswoningen is dat 3 procent. Verder weet bijna 40 procent van de huurders niet of hun woning gevelisolatie heeft; bij de eigenaar-bewoners van meergezinswoningen is dat 23 procent en bij de eigenaar-bewoners van eengezinswoningen is dat 8 procent. 
9) In het onderzoek Belevingen 2020 is niet gevraagd om wat voor type warmtepomp het gaat. Bij een woning zonder aardgas is dat een elektrische pomp en bij een woning met aardgasaansluiting een hybride pomp.
10) Als proxy voor opleiding en voor leeftijd ‘van het huishouden’ is gekozen voor de opleiding en leeftijd van de persoon die de enquête heeft ingevuld. Deze persoon behoort altijd tot de huishoudkern.
11) De percentages in deze alinea zijn gebaseerd op textmining van antwoorden op een open vraag.

5. Duurzame mobiliteit

Reizen gaat vaak gepaard met CO2-uitstoot en daarmee met opwarming van de aarde (Milieu Centraal, 2021a). Verkeer en vervoer leiden ook tot uitstoot van stikstofoxiden en fijnstof, de belangrijkste stoffen die een rol spelen bij vermindering van de luchtkwaliteit op leefniveau (CBS, 2016). De belasting voor milieu en klimaat is het grootst door vervoermiddelen waarvoor fossiele brandstoffen, zoals benzine of diesel, worden gebruikt. Elektrisch vervoer maakt steeds vaker gebruik van groene energie, maar dat is niet per definitie het geval aangezien het aanbod hiervan onvoldoende is om aan de  vraag te voldoen. Elektrisch vervoer is desondanks schoner dan vervoer door middel van fossiele brandstoffen. De vervoerkeuzes voor bijvoorbeeld woon-werkverkeer, winkelen, vrijetijdsbesteding, familiebezoek of vakanties hebben dus invloed op het klimaat (Milieu Centraal, 2021a). De meest duurzame vormen van vervoer zijn lopen of fietsen, eventueel met een elektrische fiets, gevolgd door treinreizen. Sinds 2017 is reizen met de trein in Nederland CO2-neutraal doordat spoormaatschappijen windenergie opwekken (Milieu Centraal, 2021a). Ook de andere vormen van openbaar vervoer zijn over het algemeen minder vervuilend dan de auto doordat dit deels elektrisch is en er met veel mensen tegelijkertijd gereisd wordt. Tussen auto’s bestaan grote verschillen wat betreft hun invloed op het klimaat; dit hangt met name af van het type brandstof, brandstofverbruik, het bouwjaar, het gewicht en het aantal zitplaatsen. Vliegen is het slechtst voor het klimaat (Milieu Centraal, 2021a). In dit hoofdstuk gaan we in op duurzame gedragingen en intenties van personen en huishoudens op het gebied van mobiliteit. Het gaat dan om de intenties om de auto te laten staan, om een elektrische auto te kopen en om minder te vliegen. Daarnaast is naar de mening over de maximumsnelheid op snelwegen gevraagd. 

5.1 Autobezit van huishoudens

7 op de 10 huishoudens hebben een personenauto

Op 1 januari 2020 had 68 procent van de huishoudens minimaal één personenauto in bezit. Auto’s op naam van bedrijven zijn niet meegeteld. 16 procent van de huishoudens had meer dan één personenauto in bezit12). Het totaal aantal personenauto’s in bezit van particulieren is toegenomen van 5,6 miljoen in 2000 naar 7,6 miljoen in 2020 (CBS StatLine, 2020c).

Geen auto vanwege voldoende alternatieven, kosten of milieu

Mensen in een huishouden zonder auto hebben in het onderzoek Belevingen 2020 aangegeven wat daarvoor de redenen waren. De meest genoemde zijn: geen behoefte aan een auto (vanwege goede alternatieven zoals met name fiets en openbaar vervoer), de kosten (voor aanschaf, onderhoud en/of parkeren) en vanwege het milieu. 

5.2 Gebruik auto, openbaar vervoer en fiets

Autobestuurders dagelijks 19 kilometer op de weg

Gemiddeld maakte een persoon van 18 jaar of ouder in 2019 2,7 verplaatsingen13) per dag waaronder 1,1 verplaatsingen als bestuurder van een personenauto en 0,2 als personenautopassagier (zie bijlagetabel 5a). Per dag legde een persoon gemiddeld 38,6 kilometer af in het verkeer in Nederland; daarvan werd 21,0 kilometer afgelegd als autobestuurder en 5,8 kilometer als autopassagier. Bestuurders gebruiken de auto voornamelijk om van en naar het werk te reizen (CBS StatLine, 2017). Per week maakt een persoon gemiddeld 7,7 verplaatsingen als autobestuurder. Niet elke automobilist zit dagelijks achter het stuur.

In het onderzoek Onderweg in Nederland (ODiN) zijn vragen gesteld over de frequentie waarmee bepaalde vervoermiddelen worden gebruikt. In 2019 hebben in totaal 53.380 personen van 6 jaar of ouder aan dit onderzoek deelgenomen; 45.939 van hen waren 18 jaar of ouder. In 2019 zei 37 procent van de personen van 18 jaar of ouder (vrijwel) dagelijks de auto te gebruiken als bestuurder; 22 procent daarentegen zei dit nooit of bijna nooit te doen (zie bijlagetabel 5a). Meer mannen dan vrouwen gaven aan (vrijwel) dagelijks achter het stuur te zitten, namelijk 44 tegen 30 procent (zie maatwerktabel). Van de mannen zei 16 procent (bijna) nooit de auto te besturen, van de vrouwen 28 procent. Wat leeftijd betreft gaf rond de helft van de 35- tot 55-jarige automobilisten aan (bijna) dagelijks de auto te gebruiken; in andere leeftijdsgroepen was dit percentage lager. Van de mensen van 75 jaar of ouder gaf bijna de helft aan (bijna) nooit achter het stuur te zitten, terwijl maar 13 procent zei (bijna) dagelijks de auto te gebruiken. Het percentage dat (bijna) dagelijks de auto gebruikt is onder hoog- en middelbaar opgeleiden groter dan onder laagopgeleiden, namelijk ruim 40 procent tegen 26 procent. In meer verstedelijkte gemeenten is het aandeel dat zegt (bijna) dagelijks tot enkele keren per week als bestuurder de auto te gebruiken kleiner dan in minder verstedelijkte gemeenten. 

8 op de 10 automobilisten laten auto bewust weleens staan

In het onderzoek Belevingen 2020 is aan automobilisten gevraagd of zij de auto bewust weleens laten staan. 78 procent gaf aan dit weleens te doen (zie bijlagetabel 5b). Bijna de helft van hen (48 procent) zegt dat ze dit meestal doen om meer beweging te krijgen, 16 procent doet dit om bij te dragen aan een beter milieu of klimaat, en eveneens 16 procent zegt dat het makkelijker is om in bepaalde situaties niet met de auto te gaan. De andere voorgelegde redenen ‘geld besparen’, ‘drukte op de weg’ en ‘andere redenen’ worden alle door minder dan 10 procent van degenen die de auto weleens laten staan genoemd. Bij de laatste categorie wordt vaker geantwoord dat ze liever een ander vervoermiddel gebruiken of de auto laten staan als ze carpoolen of als ze alcohol willen drinken. 

5.2.1 Meestal de reden om de auto bewust weleens te laten staan, 2020
 % automobilisten die de auto weleens bewust laten staan
Meer beweging48,4
Bijdragen aan een beter milieu of klimaat16,3
Makkelijker15,7
Geld besparen9,4
Drukte op de weg3,5
Andere reden6,7
Bron: CBS, Belevingen 2020

Dagelijkse automobilisten laten auto minder vaak staan

Automobilisten die dagelijks autorijden zeggen minder vaak de auto bewust weleens te laten staan dan degenen die niet dagelijks achter het stuur zitten, namelijk 66 tegen 88 procent (zie maatwerktabel). De frequente (dagelijkse) automobilisten zijn misschien minder bereid de auto te laten staan of simpelweg minder in staat dit te doen, maar dit kan op basis van het onderzoek niet worden vastgesteld. Degenen die klimaatverandering op dit moment een groot probleem vinden, zeggen ook vaker de auto weleens te laten staan (82 procent) dan degenen die klimaatverandering nu een klein probleem (72 procent) of geen probleem (67 procent) vinden. 
Het bewust laten staan van de auto verschilt niet naar geslacht, opleidingsniveau, welvaart en stedelijkheid, maar wel naar leeftijd: 65- tot 75-jarigen zeggen dit vaker te doen dan jongere leeftijdsgroepen. 

Acht procent 18-plussers reist dagelijks met openbaar vervoer

Gemiddeld maken personen van 18 jaar of ouder 1,1 keer per week een verplaatsing met het openbaar vervoer (trein of bus, tram en metro). In 2019 gaf 8 procent van de personen van 18 jaar of ouder aan (bijna) dagelijks met het openbaar vervoer te reizen; twee derde daarentegen zei enkele keren per jaar, bijna nooit of nooit met het openbaar vervoer te reizen (zie bijlagetabel 5a). Het percentage dat aangaf (bijna) dagelijks het openbaar vervoer te gebruiken was het hoogst onder de 18- tot 25-jarigen (26 procent) (zie maatwerktabel). Dat veel jongeren in bezit zijn van een studentenreisproduct speelt hierbij wellicht een rol. Verder gaven meer hoog- en middelbaar opgeleiden aan dagelijks met het openbaar vervoer te reizen (beide 9 procent) dan laagopgeleiden (4 procent). In steden reizen meer mensen frequent met het openbaar vervoer dan op het platteland. Zo bedraagt het percentage dat dagelijks het openbaar vervoer gebruikt in zeer sterk stedelijke gemeenten 14 procent, tegen 3 procent in niet stedelijke gemeenten. In steden is er over het algemeen een dichter OV-netwerk dan op het platteland.

Ruim een derde dagelijks op de fiets

Gemiddeld gebruiken mensen van 18 jaar of ouder de fiets 4,6 maal per week. Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen elektrische en niet-elektrische fietsen. 35 procent van de mensen van 18 jaar of ouder gaf in 2019 aan (bijna) dagelijks te fietsen; 17 procent zei de fiets nooit of bijna nooit te gebruiken (zie bijlagetabel 5a). Meer vrouwen dan mannen gaven aan dagelijks te fietsen (37 tegen 33 procent) (zie maatwerktabel). Vrouwen gaven echter ook vaker aan de fiets (bijna) nooit te gebruiken (18 tegen 16 procent). Van de 18- tot 25-jarigen gaf 47 procent aan (bijna) dagelijks te fietsen; in andere leeftijdsgroepen was dit dagelijkse fietsgebruik lager. Hoogopgeleiden stappen vaker dagelijks op de fiets dan middelbaar- en laagopgeleiden. Ook onder stedelingen is het dagelijkse fietsgebruik hoger dan onder plattelandsbewoners. Daar staat tegenover dat in zeer sterk stedelijke gemeenten het aandeel dat zegt (bijna) nooit te fietsen groter is dan in minder verstedelijkte gemeenten.

5.3 Elektrisch rijden: gedrag en intenties

Begin 2020 was 2,3 procent van de personenauto’s in Nederland een stekkerauto (dat wil zeggen een volledig elektrische auto of een plug-in hybride). Begin 2014 was dit nog 0,4 procent (CBS, 2021f). De meeste auto’s reden in 2020 op benzine, namelijk zo’n 8 op de 10. Van de particuliere huishoudens had 0,6 procent een stekkerauto14). De meeste stekkerauto’s staan op naam van een bedrijf of eenmanszaak. 

Twee procent huishoudens heeft concrete plannen tot aanschaf elektrische auto

Uit het onderzoek Belevingen blijkt dat in het voorjaar van 2020 17 procent van de huishoudens concrete plannen had om in de komende twee jaar een (andere) auto aan te schaffen of te leasen; 65 procent heeft geen plannen en de overige 18 procent weet het nog niet (zie bijlagetabel 5c). 11 procent van de huishoudens met concrete plannen wil dan een volledig elektrische auto aanschaffen of leasen, 45 procent daarvan wil dat niet, 33 procent wil dat misschien en 10 procent weet het nog niet15). Dit betekent dat 2 procent van alle huishoudens aangeeft concrete plannen te hebben om de komende twee jaar een elektrische auto aan te schaffen.

Vooral een elektrische auto vanwege het klimaat of milieu

De meest genoemde reden om in de komende twee jaar (misschien) een volledig elektrische auto aan te schaffen of te leasen, is het klimaat of het milieu: 77 procent van de huishoudens met aankoop- of leaseplannen geeft dit als één van de redenen aan. 34 procent noemt geld besparen als reden en 29 procent zegt niet afhankelijk te willen zijn van fossiele brandstoffen. Een reden die genoemd wordt door personen die (misschien) een elektrische auto willen leasen, is dat dit door de werkgever verplicht wordt gesteld. 
Het bijdragen aan milieu of klimaat wordt niet alleen het vaakst als één van de redenen genoemd om (misschien) een volledig elektrische auto aan te schaffen, maar het is ook het vaakst de belangrijkste reden: voor 54 procent van de huishoudens is het bijdragen aan een beter milieu of klimaat de belangrijkste reden, voor 22 procent is dat geldbesparing.

5.3.1 Redenen om binnen 2 jaar (misschien) een elektrische auto aan te schaffen of te leasen, 2020
 Belangrijkste (of enige) reden (% huishoudens die binnen 2 jaar (misschien) een elektrische auto willen aanschaffen of leasen)Een reden maar niet de belangrijkste (% huishoudens die binnen 2 jaar (misschien) een elektrische auto willen aanschaffen of leasen)
Bijdragen aan een beter milieu of klimaat54,522,1
Geld besparen22,212,1
Niet afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen, zoals aardolie en aardgas7,721,5
Geen bpm of lage bijtelling8,414,5
Rijdt prettig1,39,2
Een andere reden3,00,3
Geen (belangrijkste) reden3,0
Bron: CBS, Belevingen 2020
 

Hoge kosten meest genoemde reden om geen elektrische auto aan te schaffen

Huishoudens die plannen hebben om binnen twee jaar een nieuwe of andere auto aan te schaffen maar dan niet voor een volledig elektrische auto kiezen, noemen hiervoor meestal de hoge kosten als reden (63 procent) (zie bijlagetabel 5c). Met 41 procent geeft ook een relatief groot deel als reden op dat ze geen lange afstanden kunnen rijden op een volle accu. Minder genoemde redenen om geen elektrische auto aan te schaffen zijn het ontbreken van voldoende laadpalen (17 procent), onvoldoende het nut inzien van een elektrische auto (16 procent), opladen duurt te lang (15 procent), en te weinig kennis over elektrische auto’s (7 procent). Andere redenen zijn nog: de accu’s zijn vervuilend, een elektrische auto kan de caravan niet trekken, geen mogelijkheid voor een laadpaal voor de deur en zorgen over de brandveiligheid als de auto en laadpaal in een parkeergarage staan.

Te hoge kosten wordt door het grootste deel (54 procent) als belangrijkste reden genoemd om geen elektrische auto te willen, op afstand gevolgd door het niet kunnen rijden van lange afstanden op een volle accu (19 procent).

5.4 Opvattingen over maximumsnelheid op Nederlandse snelwegen 

Om de CO2-uitstoot en de stikstofuitstoot en -neerslag in de natuur te verminderen werd medio maart 2020 een beperking van de maximumsnelheid op de Nederlandse snelwegen tot 100 kilometer per uur ingesteld overdag (tussen 6 en 19 uur). ’s Avonds en ’s nachts (tussen 19 en 6 uur) bleef de snelheid van 120 of 130 kilometer per uur (Rijksoverheid, 2021). De vragen in het onderzoek Belevingen (dat liep van begin februari tot eind juni 2020) over dit onderwerp zijn dus gesteld kort nadat in december 2019 de beslissing werd genomen om de maximumsnelheid op autosnelwegen overdag te verlagen, en kort vóór en grotendeels tijdens de periode waarin de snelheidsbeperking van kracht was. 

4 op de 10 vinden 100 kilometer per uur op snelwegen prima voor overdag

41 procent van de bevolking van 18 jaar en ouder is het eens met deze nieuwe maximumsnelheid op Nederlandse snelwegen overdag. Drie procent wil graag naar 90 kilometer per uur of minder, terwijl 52 procent eigenlijk harder zou willen rijden. De meesten willen overdag naar 120 kilometer per uur (24 procent) of 130 kilometer per uur (15 procent). Daarmee lijken zij graag terug te willen naar de situatie van vóór maart 2020. Drie procent wil een maximumsnelheid hoger dan 130 kilometer per uur of helemaal geen maximumsnelheid. Voor 9 procent is 110 kilometer per uur overdag de gewenste maximumsnelheid.

5.4.1 Gewenste maximumsnelheid op Nederlandse snelwegen, 2020
 90 kilometer per uur of minder (% personen van 18 jaar of ouder)100 kilometer per uur (% personen van 18 jaar of ouder)110 kilometer per uur (% personen van 18 jaar of ouder)120 kilometer per uur (% personen van 18 jaar of ouder)130 kilometer per uur (% personen van 18 jaar of ouder)Meer dan 130 kilometer per uur (% personen van 18 jaar of ouder)Geen maximum snelheid (% personen van 18 jaar of ouder)Weet niet (% personen van 18 jaar of ouder)
Overdag2,840,69,424,315,31,41,25,2
's Avonds en 's nachts2,318,14,226,734,75,82,95,2
Bron: CBS, Belevingen 2020

Ruim de helft is voor handhaving maximumsnelheid van 120 of 130 km/u in avond en nacht

Een meerderheid van de volwassenen is het eens met de vanaf 19 uur geldende maximumsnelheid van 120 of 130 kilometer per uur op snelwegen: 27 procent geeft aan dat 120 kilometer per uur voor hen de gewenste maximale snelheid is, 35 procent kiest voor 130 kilometer per uur. Negen procent zou eigenlijk harder willen rijden. 18 procent daarentegen ziet liever dat er ’s avonds en ‘s nachts net als overdag maximaal 100 kilometer per uur wordt gereden. Personen die dagelijks autorijden wensen vaker harder te rijden dan de maximale snelheid (zowel overdag als ’s nachts) dan personen die niet dagelijks rijden (zie maatwerktabel). 

Personen die klimaatverandering probleem vinden vaker voorstander van nieuwe maximumsnelheid

De aangepaste maximumsnelheid van 100 kilometer per uur overdag heeft een groter draagvlak onder de mensen die klimaatverandering nu een groot probleem vinden dan onder degenen die dat niet vinden: van de eerste groep is 49 procent voorstander van de nieuwe maximumsnelheid, van de laatste groep is 28 procent voorstander. Degenen die de klimaatverandering geen groot probleem vinden zijn naar verhouding vaak voorstander van een hogere maximumsnelheid op autosnelwegen.  

Vooral mannen en jongeren rijden graag hard op autosnelwegen

Vrouwen en ouderen zijn het vaker met de nieuwe maximumsnelheid eens dan mannen en jongeren (zie maatwerktabel). Mannen en 18- tot 35-jarigen zijn vaker voorstander van een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur overdag en meer dan 130 kilometer per uur ’s nachts. Uit eerder onderzoek bleek dat mannen vaker dan vrouwen te hard rijden en dat jongeren dat vaker doen dan ouderen. Ook kwam naar voren dat bestuurders die dagelijks rijden zich minder vaak aan de maximumsnelheid houden (Kloosterman en De Witt, 2017).

5.5 Reizen met het vliegtuig: gedrag en intenties 

Vliegverkeer in Nederland nam toe tot 2020

In 2019 waren er in totaal iets meer dan 566 duizend vluchten van en naar de vijf Nederlandse luchthavens van nationaal belang (Amsterdam Schiphol, Eindhoven Airport, Rotterdam The Hague Airport, Groningen Airport Eelde en Maastricht Aachen Airport) (CBS StatLine, 2020e). Dit omvat zowel passagiers-, vracht- als postvluchten. Een recordaantal van ruim 81 miljoen passagiers reisde via een van de Nederlandse nationale luchthavens. In 2019 ging 38 procent van de totale Nederlandse bevolking op vakantie met het vliegtuig, 67 procent ging (ook) met de auto (CBS StatLine, 2020f). Alle vervoer van personen en goederen via de lucht stootte in 2019 881 miljoen kilogram CO2 uit op of boven Nederlands grondgebied (CBS StatLine, 2021d). Het vliegverkeer in Nederland groeide gestaag tot er maatregelen getroffen werden om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. In 2020 nam het vliegverkeer als gevolg van de coronacrisis drastisch af naar 258 duizend vluchten en 23,6 miljoen passagiers (CBS StatLine, 2021e).

Bijna de helft heeft in het afgelopen jaar gevlogen

46 procent van de personen van 18 jaar of ouder zegt in de 12 maanden voorafgaand aan het Belevingenonderzoek (gehouden van februari-juni 2020) minimaal een keer met het vliegtuig te hebben gereisd. 8 procent heeft nog nooit gevlogen (zie bijlagetabel 5e). 
Van degenen die in de voorgaande 12 maanden hebben gevlogen gaf 88 procent aan dat dit om vakantie of een citytrip ging. Voor 16 procent was een zakenreis een reden om te vliegen en 8 procent had andere redenen16). Van de mensen die met het vliegtuig op vakantie gingen in de afgelopen 12 maanden, deed 56 procent dat één keer en 44 procent twee keer of vaker.

Twee op de tien 18-plussers met het vliegtuig buiten Europa op vakantie geweest

Uit het onderzoek Belevingen blijkt verder dat voor 40 procent van de personen die in de voorgaande 12 maanden één keer voor vakantie of een citytrip gevlogen hebben de bestemming buiten Europa lag (zie bijlagetabel 5e). Van degenen die in die periode vaker voor vakantie of een citytrip hebben gevlogen, gaf 60 procent aan (een keer of vaker) naar een bestemming buiten Europa te zijn gereisd. De helft van de mensen die met het vliegtuig op vakantie gingen of een citytrip maakten, gingen minimaal 1 keer buiten Europa op vakantie in de 12 maanden voorafgaand aan het onderzoek. Omgerekend gaat het om 19 procent van de totale volwassen (18-plus) bevolking van Nederland (ruim 2,6 miljoen mensen).

Helft vliegreizigers heeft geen schuldgevoelens vanwege klimaat

1 op de 5 personen die weleens hebben gevlogen voelt zich schuldig vanwege het klimaat als zij met het vliegtuig reizen. De helft van hen heeft deze schuldgevoelens niet (zie bijlagetabel 5e). 

Twee derde vliegreizigers wil vliegvakanties niet opgeven

Aan de mensen die weleens met het vliegtuig reisden voor vakantie is gevraagd of ze bereid zouden zijn om minder vaak met het vliegtuig op vakantie te gaan om klimaatverandering tegen te gaan. 27 procent is hiertoe zeker bereid en 38 procent misschien. 66 procent van de mensen die weleens op vakantie gaan met het vliegtuig wil vliegvakanties niet geheel opgeven.

5.5.1 Bereidheid tot minder of geen vliegvakanties voor een beter klimaat, 2020
 (Helemaal) eens (% 18-plussers dat weleens met het vliegtuig op vakantie gaat)Niet mee eens, niet mee oneens (% 18-plussers dat weleens met het vliegtuig op vakantie gaat)(Helemaal) oneens (% 18-plussers dat weleens met het vliegtuig op vakantie gaat)
Bereid om minder vaak met het vliegtuig op vakantie te gaan voor een beter klimaat26,737,735,6
Bereid om niet meer met het vliegtuig op vakantie te gaan voor een beter klimaat10,223,566,3
Bron: CBS, Belevingen 2020
 

5.6 Beschouwingen bij duurzame mobiliteit

De mate waarin het verkeer zich op de korte termijn (gedurende de coronacrisis) en op de langere termijn ontwikkelt zal natuurlijk gevolgen hebben voor milieu en klimaat. Vervuilende vervoermiddelen zoals wegverkeer en luchtvaart zullen daarbij eerder een ongunstige bijdrage leveren, duurzame vervoersmiddelen zoals openbaar vervoer en de fiets eerder een gunstige.  Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) heeft in haar publicatie Kerncijfers Mobiliteit 2020 (november 2020) voor onder andere deze vier vervoermiddelen het volgende (toekomst-)beeld voor de periode 2020-2025 geschetst. Het betreft een samenvatting. Voor de volledige tekst zie KiM (2020).

Wegverkeer

Als gevolg van de coronacrisis en de daarmee samenhangende maatregelen is het verkeersvolume op het hoofdwegennet in de eerste drie kwartalen van 2020 circa 17 procent lager dan over dezelfde kwartalen van 2019. Het KiM verwacht dat het wegverkeersvolume op het hoofdwegennet na de flinke dip in 2020 in 2021 weer groeit. In 2022 dan wel 2023 (afhankelijk van het toegepaste scenario) kan het verkeersvolume weer op het niveau van 2019 uitkomen. Voor het totale wegverkeer op Nederlands grondgebied is de verwachting dat in 2025 het volume hoger is dan in 2019. De toename na de initiële coronadip in 2020 wordt vooral veroorzaakt door de economische groei en het groeiend aantal inwoners. De verwachting dat er als uitvloeisel van de coronacrisis ook op langere termijn meer digitaal gewerkt, vergaderd en geleerd wordt, de groei van het verkeersvolume remt.

Openbaar vervoer

Als gevolg van de coronacrisis en de daarmee samenhangende maatregelen, is in de eerste helft van 2020 het treingebruik (in reizigerskilometers) bij NS gehalveerd in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar. Het KiM verwacht dat de afgelegde afstand door reizigers op het spoor in het tweede halfjaar van 2020 ook duidelijk onder het niveau van het tweede halfjaar van 2019 zal blijven vanwege de coronacrisis. Verder verwacht het KiM dat de afgelegde afstand door reizigers met bus, tram en metro in 2020 eveneens afneemt. Zodra de coronamaatregelen van de baan zijn, zal het ov-gebruik weer groeien. Het KiM verwacht dat het tot minimaal 2025 duurt voordat het niveau van 2019 weer bereikt wordt. Op middellange termijn is de verwachting dat sommige mensen een ander mobiliteitsgedrag gaan vertonen dan in het recente verleden door ervaringen tijdens de coronacrisis. 

Fiets

De coronacrisis en de daarmee samenhangende maatregelen hebben ook invloed op het fietsgebruik in Nederland. In 2020 heeft een groot deel van de inwoners een lange periode thuis gewerkt, vergaderd en onderwijs gevolgd. Daar waren dan ook geen (fiets-)verplaatsingen voor nodig. Ook de sociale activiteiten stonden lang op een laag pitje. Daar staat tegenover dat er relatief meer korte en lange uitstapjes en vakanties in eigen land waren dan andere jaren, waarbij de fiets een belangrijke rol speelde. Verondersteld wordt dat het totale fietsgebruik in 2020 vergelijkbaar is met 2019. Voor 2025 is de verwachting dat het fietsgebruik hoger is dan in 2019. Een belangrijke drijfveer voor de groei in de afgelegde afstand met de fiets is de toename van het aantal e-fietsen. Het KiM verwacht dat het aandeel van de e-fiets in het totale fietsgebruik toeneemt van 23 procent in 2019 tot 37 procent in 2025. De trend van een dalend gebruik van de gewone fiets gaat door: de afgelegde afstand met de gewone fiets daalt met circa 15 procent tussen 2019 en 2025.

Luchtvaart

De luchtvaart is één van de zwaarst getroffen sectoren door de coronacrisis in 2020. In de maanden januari tot en met augustus 2020 waren er 18,5 miljoen passagiers op de Nederlandse luchthavens tegen 54,5 miljoen in 2019, een daling van 66 procent. De vooruitzichten zijn zeer onzeker. In het ene scenario treedt het totale herstel ten opzichte van 2019 op in 2023. In een ander scenario is de Europese vervoervraag in 2024 hersteld en is aangenomen dat in 2025 de totale vervoervraag (ook intercontinentaal) weer hersteld is. In de basisverkenning verwacht het KiM een totaal van 86 miljoen luchtvaartreizigers voor 2025, 6 procent meer dan in 2019. In een ‘dieperdal’-scenario wordt in 2025 hetzelfde niveau als in 2019 bereikt: 81 miljoen luchtvaartreizigers.

Het CBS heeft cijfers gepubliceerd over de ontwikkeling van onder andere het wegverkeer, het openbaar vervoer en de luchtvaart voor heel 2020 (CBS, 2021g). Hieruit komt in grote lijnen naar voren dat de niveaus sinds het uitbreken van de coronacrisis in alle maanden van 2020 beneden die van dezelfde maanden in 2019 lagen, zowel wanneer het gaat om de intensiteit van het wegverkeer, het aantal instappers in het openbaar vervoer, als het aantal vliegtuigpassagiers op luchthavens van nationaal belang. Wel is het zo dat het wegverkeer er na de eerste lockdown van maart/april 2020 minder op achteruit ging dan het openbaar vervoer en vooral de luchtvaart.  
In 2020 namen de emissies door mobiliteit voornamelijk door de lockdown met 11 procent af ten opzichte van 2019 (CBS, 2021a).
De meest recente CBS-cijfers over de ontwikkeling van de luchtvaart laten zien dat van maart 2020 tot en met februari 2021 14,1 miljoen reizigers minder van en naar de vijf nationale luchthavens in Nederland vlogen. Dat is een afname van 82,6 procent ten opzichte van een jaar eerder. De hoeveelheid vervoerde goederen nam veel minder af, namelijk met 3,7 procent (CBS, 2021h).

 

12) Deze cijfers zijn maatwerk en berekend op basis van kentekenregisters van de RWD bij de afdeling verkeer en vervoer van het CBS.
13) Een verplaatsing is een reis of een gedeelte van een reis die is afgelegd met één motief. Bijvoorbeeld de afgelegde afstand van huis naar werk is één verplaatsing, ongeacht of hierbij één of meerdere vervoermiddelen worden gebruikt. Gemeten is de dagelijkse mobiliteit op Nederlands grondgebied. Daaronder valt ook binnenlandse vakantiemobiliteit.
14) Dit cijfer is maatwerk en berekend op basis van kentekenregisters van de RWD bij de afdeling verkeer en vervoer van het CBS.
15) Er kunnen met betrekking tot de aanschaf van een elektrische auto geen uitsplitsingen naar bevolkingsgroepen gemaakt worden. De reden hiervoor is dat er te weinig waarnemingen voor alle groepen zijn om betrouwbare cijfers te kunnen rapporteren.
16) In de vragenlijst van het onderzoek Belevingen kon de respondent uit de drie antwoordmogelijkheden (vakantie of citytrip, voor het werk/zakenreis, andere reden) ook meerdere antwoorden kiezen. Vandaar dat de percentages niet optellen tot 100.  

6. Vleesconsumptie

Het eten van vlees heeft een grote impact op het klimaat en het milieu. De productie van plantaardige eiwitrijke voedingsmiddelen veroorzaakt veel minder milieuschade dan die van vlees. Voor 1 kilo vlees is bijvoorbeeld gemiddeld 5 kilo plantaardig materiaal (veevoer) nodig (Milieu Centraal, 2021b). Vleesproductie zorgt verder voor veel meer uitstoot van broeikasgassen en voor verzuring van de bodem en de lucht. Dat geldt ook voor de productie van zuivel. Ook het eten van vis is milieubelastend, mede door de uitstoot van broeikasgassen, maar meer nog door de overbevissing bij wilde vis en door het antibioticagebruik bij kweekvis (Milieu Centraal, 2021b). In het Klimaatakkoord zijn met betrekking tot de vleesconsumptie twee doelen voor 2050 gesteld. Ten eerste minder consumptie van dierlijke eiwitten en meer consumptie van plantaardige eiwitten, zodat een gezonde verhouding wordt bereikt conform de adviezen van het Voedingscentrum. Ten tweede zouden naast deze toename van het aandeel plantaardige eiwitten in ons dieet in totaal 10 tot 15 procent minder eiwitten ingenomen moeten worden (Rijksoverheid, 2019). In dit hoofdstuk staat centraal hoe milieubewust Nederlanders omgaan met hun vleesconsumptie.

6.1 Vleesconsumptie 

Vijf procent eet geen vlees

In 2020 geeft 5 procent van de 18-plussers (630 duizend personen) in het onderzoek Belevingen aan nooit vlees17) te eten;  3 procent eet geen vlees maar wel vis (de pescotariërs), 2 procent eet ook geen vis (de vegetariërs). Een volledig plantaardig dieet18) komt met 0,4 procent (53 duizend personen) nog zeer weinig voor. Een half procent van de 18-plussers is in het afgelopen jaar19) gestopt met vlees eten (zie bijlagetabel 6a). 

Bijna de helft is flexitariër

Het overgrote deel van de bevolking (95 procent) eet dus nog wel vlees maar het is lang niet altijd dagelijkse kost: 45 procent van de 18-plussers eet maximaal 4 dagen in de week vlees, bij de warme maaltijd, als broodbeleg of als snack. Zij worden hier als ‘flexitariër’20) beschouwd. Twintig procent eet iedere dag vlees en 30 procent 5 of 6 dagen per week21)

6.1.1 Vlees- en visconsumptie, 2020
 Personen van 18 jaar of ouder
Volledig plantaardig0,4
Nooit vlees en nooit vis1,7
Nooit vlees, wel vis2,6
Maximaal 4 dagen per week vlees44,8
5 of 6 dagen per week vlees30,5
Iedere dag vlees20,2

Ruim 1 op de 3 is in afgelopen jaar minder vlees gaan eten

Niet alleen het aantal dagen dat vlees wordt gegeten maar ook de hoeveelheid vlees die per dag wordt gegeten is van belang voor inzicht in de bewuste omgang met voeding. 35 procent van de 18-plussers zegt in het afgelopen jaar minder vlees te zijn gaan eten dan daarvoor, hetzij door vleesloze dagen in te lassen, hetzij door kleinere porties vlees te eten. De meesten, 58 procent, geven aan dat hun vleesconsumptie in de afgelopen 12 maanden niet is veranderd. 

6.1.2 Ontwikkeling in vleesconsumptie in de afgelopen 12 maanden, 2020
 Personen van 18 jaar of ouder
Gestopt met vlees eten0,5
Minder vlees gaan eten34,9
Evenveel vlees blijven eten57,9
Meer vlees gaan eten1,5
Weet het niet1,1
Niet van toepassing, eet al langer dan 1 jaar geen vlees4,1


37 procent van de vleeseters vindt dat hij/zij eigenlijk (nog) minder vlees zou moeten eten (zie bijlagetabel 6b). De mensen die al af en toe geen vlees eten vinden dit vaker dan degenen die iedere dag vlees eten, namelijk 40 tegen 25 procent.   
Bijna twee op de drie vleeseters willen hun vleesconsumptie niet opgeven. Ook hier bestaan er verschillen tussen vleesconsumenten: van degenen die iedere dag vlees eten geeft 82 procent aan het vlees niet op te willen geven, terwijl 56 procent van de flexitariërs dit zegt.

6.2 Redenen om geen of beperkt vlees te eten

Ruim 1 op de 6 volwassenen eet geen vlees of maximaal 4 dagen per week voor het klimaat

Bijna de helft van de 18-plussers eet helemaal geen vlees of maximaal 4 dagen per week (zie paragraaf 6.1); 16 procent doet dit om onder andere het klimaat minder te belasten. Voor 8 procent is het klimaat of milieu de enige of belangrijkste drijfveer: 7 procent eet hiervoor flexitarisch, 1 procent laat hiervoor het vlees helemaal staan (zie bijlagetabel 6a). 
35 procent van alle 18-plussers is in het afgelopen jaar minder vlees gaan eten (zie ook paragraaf 6.1), bij 14 procent van alle 18-plussers speelt het milieu of klimaat hierbij een rol, bij 8 procent is het milieu of klimaat hiervoor de enige of belangrijkste reden.

Voor niet-vleeseters dierenwelzijn op 1, klimaat op 2

Zorg voor klimaat is niet de meest genoemde, en ook niet de meest doorslaggevende reden om geen vlees of beperkt vlees te eten. Zo is bij personen die helemaal geen vlees eten (de pesco- en vegetariërs) het dierenwelzijn het belangrijkste motief; 71 procent geeft aan dat dit een van de redenen is om geen vlees te eten; bij 48 procent is dat ook het enige of belangrijkste motief. Het milieu of klimaat wordt weliswaar ook door veel niet-vleeseters genoemd (59 procent), maar dit is voor slechts 20 procent de belangrijkste reden. Daarnaast spelen de eigen gezondheid (35 procent) en de smaak/geen behoefte hebben (28 procent) een rol maar dit zijn meestal geen doorslaggevende redenen om geen vlees te eten. 

Voor flexitariërs persoonlijke redenen belangrijker dan dierenwelzijn en klimaat

Flexitariërs geven juist relatief vaak aan dat gezondheidsvoordelen (37 procent) en een verminderde behoefte of het niet zo lekker vinden (34 procent) meespelen bij hun keuze om beperkt vlees te eten. Het klimaat of milieu en het dierenwelzijn worden beide door 30 procent van de flexitariërs als reden genoemd. De verschillen tussen deze vier motieven zijn dus minder groot dan bij degenen die helemaal geen vlees eten.  
Bij degenen die pas in het afgelopen jaar flexitariër zijn geworden komt de reden ‘een verminderde behoefte of het niet zo lekker vinden’ overigens minder vaak voor (26 procent)22). Zij geven veel vaker als motief het milieu of klimaat (42 procent), gezondheid (41 procent) en dierenwelzijn (38 procent). 
Het totaalbeeld is dat personen die helemaal geen vlees eten vaker meerdere redenen hiervoor hebben, met de nadruk op dierenwelzijn en klimaat of milieu. Flexitariërs daarentegen geven vaker maar één reden om beperkt vlees te eten, met de nadruk op meer persoonlijke motieven zoals de eigen gezondheid en een verminderde behoefte/het niet lekker vinden.

6.2.1 Redenen om geen of beperkt vlees te eten, 2020
 Belangrijkste (of enige) reden (%)Een reden maar niet de belangrijkste (%)
Redenen van niet-vleeseters
(pesco- en vegetariers)
Dierenwelzijn47,823,0
Klimaat / milieu20,138,8
Gezondheid12,722,4
Geen behoefte / niet lekker12,615,1
Huisgenoot eet geen vlees0,74,7
Te duur0,41,1
Andere reden4,80,9
Geen (belangrijkste) reden gegeven0,9
Redenen van personen die max 4 dagen
per week vlees eten (flexitariers)
Gezondheid23,513,9
Geen behoefte / niet zo lekker25,28,7
Klimaat / milieu14,715,5
Dierenwelzijn15,913,9
Te duur3,33,5
Huisgenoot eet geen / beperkt vlees2,72,0
Andere reden10,01,0
Geen (belangrijkste) reden gegeven4,7

6.3 Verschillen in vleesconsumptie tussen bevolkingsgroepen

Stedelingen eten vaker pesco- of vegetarisch en flexitarisch dan plattelandsbewoners. Hoogopgeleiden doen dit vaker dan laagopgeleiden, en vrouwen vaker dan mannen. Jongeren (tot ongeveer 35 jaar) eten iets vaker pesco- of vegetarisch, terwijl ouderen (vanaf ongeveer 55 jaar) juist vaker flexitarisch eten23). Volledig plantaardig eten komt het vaakst voor bij universitair geschoolden (zie maatwerktabel). Van hen geeft 2 procent aan volledig plantaardig te eten. Bij de personen met een ander opleidingsniveau is dat minder dan 0,3 procent. 

6.3.1 Vlees- en visconsumptie naar kenmerken, 2020
   Volledig plantaardig (% personen van 18 jaar of ouder)Nooit vlees en nooit vis (% personen van 18 jaar of ouder)Nooit vlees, wel vis (% personen van 18 jaar of ouder)Maximaal 4 dagen per week vlees (% personen van 18 jaar of ouder)5 of 6 dagen per week vlees (% personen van 18 jaar of ouder)Iedere dag vlees (% personen van 18 jaar of ouder)
GeslachtMan0,41,01,940,730,125,9
GeslachtVrouw0,42,33,248,730,814,6
Leeftijd18 tot 25 jaar0,53,02,739,328,825,8
Leeftijd25 tot 35 jaar1,12,24,644,729,517,8
Leeftijd35 tot 45 jaar0,21,12,044,927,923,9
Leeftijd45 tot 55 jaar0,51,52,441,434,220,1
Leeftijd55 tot 65 jaar0,22,02,047,032,016,9
Leeftijd65 tot 75 jaar0,01,02,346,532,118,0
Leeftijd75 jaar en ouder0,00,81,650,426,320,9
OpleidingsniveauLaag 0,00,51,345,030,922,2
OpleidingsniveauMiddelbaar0,21,11,641,231,824,0
OpleidingsniveauHoog0,82,64,147,129,316,0
StedelijkheidZeer sterk stedelijk0,92,65,254,023,813,6
StedelijkheidSterk stedelijk0,31,82,745,328,721,2
StedelijkheidMatig stedelijk0,00,81,041,335,521,4
StedelijkheidWeinig stedelijk0,01,10,638,435,224,7
StedelijkheidNiet stedelijk0,31,42,036,836,622,9

Vooral hoogopgeleiden en stedelingen eten flexitarisch vanwege het klimaat

Hoogopgeleide flexitariërs geven het vaakst aan flexitarisch te eten vanwege het klimaat. Vooral universitair geschoolden zeggen met 60 procent vaak dat dit een reden is om beperkt vlees te eten (zie maatwerktabel). Van de laagstopgeleide flexitariërs geeft 12 procent dat aan. En van de flexitariërs die in zeer sterk stedelijke gemeenten wonen zegt 40 procent dat het klimaat een rol speelt bij de keuze om beperkt vlees te eten; van de flexitariërs in matig tot niet stedelijke gemeenten geeft 23 procent dit aan. 
De motieven van personen die helemaal geen vlees eten kunnen niet naar achtergrondkenmerken worden weergegeven in verband met het te kleine aantal waarnemingen in het onderzoek. 

6.3.2 Milieu of klimaat als reden om beperkt vlees te eten, 2020
   Flexitariers (% personen die max 4 dagen per week vlees eten (flexitariers))
Totaal30,1
GeslachtMan29,3
GeslachtVrouw30,9
Leeftijd18 tot 25 jaar35,6
Leeftijd25 tot 35 jaar43,3
Leeftijd35 tot 45 jaar38,6
Leeftijd45 tot 55 jaar25,9
Leeftijd55 tot 65 jaar28,8
Leeftijd65 tot 75 jaar23,6
Leeftijd75 jaar en ouder11,4
OpleidingsniveauLaag11,5
OpleidingsniveauMiddelbaar24,5
OpleidingsniveauHoog48,0
StedelijkheidZeer sterk stedelijk40,0
StedelijkheidSterk stedelijk29,7
StedelijkheidMatig stedelijk22,4
StedelijkheidWeinig stedelijk23,0
StedelijkheidNiet stedelijk23,6

6.4 Beschouwingen bij vleesconsumptie

Met het onderzoek Belevingen publiceert het CBS voor het eerst cijfers over vleesconsumptie. Dit thema is eerder door verschillende onderzoeksinstituten bestudeerd. De Nederlandse Vegetariërsbond heeft alle representatieve onderzoeken van de afgelopen 15 jaar geïnventariseerd en de onderzoeksresultaten in een factsheet gepresenteerd (De Waart, 2020). Door verschillen in opzet van de onderzoeken zijn de cijfers onderling niet zonder meer te vergelijken, maar geconstateerd kan worden dat ze wel in dezelfde orde van grootte liggen als de cijfers in deze publicatie. Conclusies over een toe- of afname van de vleesconsumptie in de meest recente jaren zijn door de verschillen in onderzoeksopzet echter niet mogelijk. Wel blijkt uit drie verschillende langlopende onderzoeken van het RIVM (2011, 2020), TNS-NIPO (2013) en het LEI (De Bakker en Dagevos, 2010; Dagevos, Voordouw, Van Hoeven, Van der Weele en De Bakker, 2012) dat het aantal vegetariërs in de eerste 10 à 15 jaar van deze eeuw is gestegen. In de laatste jaren is de stijging van het aantal flexi- en vegetariërs mogelijk gestagneerd. Zo blijkt uit onderzoek van de WUR dat het gemiddelde aantal dagen per week dat vlees wordt gegeten in 2019 even hoog lag als in 2011. Ook is de totale vleesconsumptie sinds 2016 niet meer gedaald. Uit het onderzoek Belevingen blijkt dat slechts 0,5 procent van de volwassenen in het afgelopen jaar gestopt is met het eten van vlees (zie paragraaf 6.1). Onderzoek van Natuur en Milieu daarentegen suggereert dat het aantal flexitariërs in 2020 ten opzichte van 2019 is toegenomen (Natuur en Milieu, 2021).  Vanaf 2022 gaat het CBS de vleesconsumptie monitoren via de Gezondheidsenquête, een jaarlijkse landelijke enquête waarmee betrouwbare jaar-op-jaarcijfers verzameld worden. 
 

 

17) In deze publicatie bedoelen we met vlees alleen het vlees van zoogdieren en gevogelte.
18) Onder ‘volledig plantaardig’ wordt hier verstaan geen vlees, geen vis en geen zuivel of eieren. Over het eten van insecten is in de enquête niets gevraagd.
19) Met ‘afgelopen jaar’ wordt hier bedoeld de periode van 12 maanden voorafgaand aan het moment van enquêteren.
20) De flexitariërs zijn hier gedefinieerd op grond van uitsluitend hun vleesconsumptie (dus ongeacht hun visconsumptie). Het betreft personen die incidenteel tot maximaal 4 dagen in de week vlees eten.
21) Een deel van de vleeseters eet op de vleesloze dagen wel vis. Naar schatting eet 35 procent van de 18-plussers iedere dag vlees of vis en eet 33 procent 5 of 6 dagen per week vlees of vis. De vraagstelling in het onderzoek maakt het niet mogelijk een betrouwbare schatting te geven van het aantal dagen dat men vlees óf vis eet (zie maatwerktabel).
22) Het gaat hier om de personen die in de enquête op de vraag of ze in de afgelopen 12 maanden meer, minder of evenveel vlees zijn gaan eten, met ‘minder’ hebben geantwoord. Dit sluit niet uit dat ze ook al in de periode daarvoor minder vlees zijn gaan eten. 
23) Tussen de achtergrondkenmerken kunnen onderlinge samenhangen bestaan. Zo wonen hoogopgeleiden vaker in steden en eten stedelingen vaker helemaal geen vlees of vaker flexitarisch. Door in de analyse te corrigeren voor deze onderlinge samenhang tussen opleidingsniveau en stedelijkheid kan de directe relatie tussen deze kenmerken en vleesconsumptie worden weergegeven. In de maatwerktabel zijn ook deze gecorrigeerde cijfers opgenomen (zie maatwerktabel). Daaruit komt de directe, ook in de tekst beschreven, relatie tussen de onderzochte achtergrondkenmerken en vleesconsumptie naar voren.

7. Klimaatbewuste leefstijl

Een brede en actieve betrokkenheid van burgers is van belang voor het behalen van de klimaatdoelen. Maar hoe denken Nederlandse burgers hier zelf over: hebben zij het gevoel dat ze echt bijdragen aan (het tegengaan van) klimaatverandering, weten zij wat ze zelf kunnen doen en in hoeverre vinden ze dat ze zelf klimaatbewuster zouden moeten leven? Deze vragen worden in dit hoofdstuk beantwoord. Daarnaast komt aan de orde hoe duurzaam Nederlanders zich gedragen en in hoeverre duurzaam denken samengaat met duurzaam gedrag.    

7.1 Eigen bijdrage aan klimaatverandering

Zes op de tien Nederlanders denken dat eigen gedrag van invloed is op klimaatverandering

Zestien procent van de personen van 18 jaar of ouder denkt dat de eigen invloed op de klimaatverandering zo beperkt is, dat het niet uitmaakt wat zij doen of laten (zie bijlagetabel 7a). De meesten (58 procent) denken echter wel dat hun gedrag van effect heeft op de klimaatverandering. Twee derde geeft aan te weten wat ze zelf kunnen doen om klimaatverandering tegen te gaan. Verder vindt 58 procent dat ze zelf klimaatbewuster zouden moeten leven. 

Helft kiest voor een korte douche

Maar hoe duurzaam gedragen Nederlandse burgers zich, bewust of onbewust, in het dagelijks leven? Dit is voor enkele milieuvriendelijke én milieuonvriendelijke gedragingen nagegaan. Vrijwel iedereen (96 procent) geeft aan altijd of vaak het licht uit te doen in kamers waar niemand is. En 69 procent zegt bij kou altijd of vaak voor een warme trui of deken te kiezen in plaats van de verwarming hoger te zetten. De helft doucht altijd of vaak korter dan 5 minuten. Het dragen van tweedehands kleding is nog weinig populair. 
Als het gaat om milieuonvriendelijke gedragingen zoals de auto nemen voor korte ritjes, en de was drogen met een wasdroger zeggen respectievelijk 27 procent en 34 procent dit nooit te doen.

7.1.1 Milieu(on)vriendelijk gedrag in het dagelijks leven, 2020
 Altijd (% personen van 18 jaar of ouder)Vaak (% personen van 18 jaar of ouder)Af en toe (% personen van 18 jaar of ouder)Nooit (% personen van 18 jaar of ouder)Geen antwoord (% personen van 18 jaar of ouder)
Licht uitdoen in kamers waar niemand is79,416,12,90,90,8
Bij kou trui of deken pakken in plaats van verwarming hoger zetten31,337,523,07,01,3
Korter dan 5 minuten douchen20,430,028,220,11,3
Tweedehands kleding dragen1,511,228,257,02,2
Auto nemen voor afstanden korter dan 5 kilometer9,119,040,326,65,0
Was drogen met een wasdroger12,222,229,633,52,4

Naast deze alledaagse gedragingen is in voorgaande hoofdstukken beschreven in welke mate de Nederlandse bevolking zich duurzaam gedraagt op het gebied van onder andere wonen, vliegen en vleesconsumptie. In 2020 gaf 28 procent van de eigenaar-bewoners van eengezinskoopwoningen aan zonnepanelen op het dak te hebben. 46 procent zei in de afgelopen 12 maanden met het vliegtuig te hebben gereisd. En 5 procent van de 18-plussers gaf aan geen vlees te eten. 

Personen die duurzaam denken hoeven niet per se zo te handelen. In paragraaf 7.2 komt deze relatie tussen duurzaam denken en doen aan de orde en in paragraaf 7.3 wordt bekeken of de groepen die klimaatbewust zijn zich hier ook naar gedragen. 
De onderzochte aspecten van duurzaam gedrag zijn niet allemaal van dezelfde orde en hebben niet alle dezelfde uitwerking op milieu en klimaat.

7.2 Relatie tussen duurzaam denken en duurzaam gedrag 

Duurzaam denken is niet altijd duurzaam doen

Mensen die klimaatverandering op dit moment een groot probleem vinden en zich veel zorgen maken over de gevolgen van klimaatverandering voor toekomstige generaties, gedragen zich op een aantal terreinen duurzamer dan degenen die zich minder of niet om het klimaat bekommeren. Zo pakken degenen die klimaatbewust zijn bij kou vaker een warme trui of deken, doen ze vaker het licht uit, douchen ze korter en zijn ze vaker gestopt met het eten van vlees in vergelijking met minder klimaatbewuste personen. Maar er zijn ook terreinen waar mensen die klimaatbewust zijn zich niet duurzamer gedragen dan mensen die minder klimaatbewust zijn. Zo verschilt het percentage dat vaak de wasdroger gebruikt of de auto voor korte afstanden neemt niet significant tussen beide groepen, en klimaatbewusten reizen zelfs nog vaker met het vliegtuig. Ook is het niet zo dat klimaatbewuste personen vaker zonnepanelen hebben dan minder klimaatbewuste.

7.2.1 Duurzaam denken en duurzaam gedrag, 2020
 Klimaat op dit moment een groot probleem (% personen van 18 jaar of ouder)Klimaat op dit moment geen probleem (% personen van 18 jaar of ouder)Veel zorgen over klimaat voor toekomstige generaties (% personen van 18 jaar of ouder)Geen zorgen over klimaat voor toekomstige generaties (% personen van 18 jaar of ouder)Er is geen klimaatverandering of weet het niet (% personen van 18 jaar of ouder)
Altijd of vaak licht uitdoen in kamers waar niemand is96,891,897,191,192,9
Bij kou altijd of vaak een trui of deken pakken in plaats van verwarming hoger zetten73,659,178,662,252,5
Altijd of vaak korter dan 5 minuten douchen54,941,862,337,838,7
Altijd of vaak tweedehands kleding dragen14,21218,710,78
Nooit auto nemen voor afstanden < 5 kilometer27,82630,722,925,5
Nooit was drogen met wasdroger34,730,338,429,733,9
Heeft zonnepanelen*28,420,628,925,1
In afgelopen 12 maanden met vliegtuig gereisd48,940,949,338,332,7
Eet geen vlees6,11,77,73,35,5
* Het gaat hier om eigenaar-bewoners van een eengezinswoning.
  

7.3 Duurzaam denken en duurzaam gedrag van bevolkingsgroepen

In hoofdstuk 2 bleek dat vooral hoogopgeleiden, jongeren, vrouwen en stedelingen zich bewust zijn van de klimaatproblematiek. Zij zien klimaatverandering relatief vaak als een groot probleem en maken zich vaker veel zorgen over de gevolgen ervan voor toekomstige generaties. Ook staan zij vaker (heel) positief tegenover de transitie van aardgas naar duurzame energiebronnen. Maar in hoeverre gedragen zij zich ook duurzaam? 

Hoogopgeleiden denken duurzaam, maar gedragen zich niet altijd zo

Bij de meeste dagelijkse activiteiten is er nagenoeg geen verschil in duurzaam gedrag tussen hoog- en laagopgeleiden. Alleen zeggen hoogopgeleiden vaker dat ze bij kou een warme trui of deken pakken in plaats van de verwarming hoger te zetten, namelijk 74 procent tegen 61 procent van de laagopgeleiden. Ook geven ze vaker aan geen vlees te eten (8 tegen 2 procent). 
Hoogopgeleide huishoudens24) hebben naar verhouding vaak zonnepanelen. Wat betreft hun vlieggedrag is nog een duurzaamheidsslag mogelijk; hoogopgeleiden geven vaker dan laagopgeleiden aan in de afgelopen 12 maanden met het vliegtuig te hebben gereisd, terwijl ze zich er naar verhouding wel vaak schuldig over voelen vanwege het klimaat (zie maatwerktabel). 
Een substantieel deel van de hoogopgeleiden vindt dat zij klimaatbewuster zouden moeten leven, namelijk 69 procent tegen 47 procent van de laagopgeleiden (zie maatwerktabel). 

7.3.1 Duurzaam gedrag naar opleidingsniveau, 2020
 Laagopgeleiden (% personen van 18 jaar of ouder)Hoogopgeleiden (% personen van 18 jaar of ouder)
Altijd of meestal licht uitdoen in kamers waar niemand is94,696,5
Bij kou altijd of meestal een trui of deken pakken in plaats van verwarming hoger zetten61,374,1
Altijd of meestal korter dan 5 minuten douchen52,251,1
Altijd of vaak tweedehands kleding dragen13,213,7
Nooit auto nemen voor afstanden korter dan 5 kilometer31,426,4
Nooit was drogen met wasdroger36,934,3
Heeft zonnepanelen*20,631,7
In afgelopen 12 maanden met vliegtuig gereisd29,660,3
Eet geen vlees1,87,6
* Het gaat hier om eigenaar-bewoners van een eengezinswoning.
 

Vrouwen denken én doen vaak duurzamer dan mannen

In lijn met hun sterkere klimaatbewustzijn gedragen vrouwen zich in het dagelijks leven duurzamer dan mannen. Ze pakken vaker een trui bij kou (73 tegen 64 procent), nemen minder vaak de auto bij korte afstanden (30 tegen 24 procent) en dragen vaker tweedehandskleding (16 tegen 9 procent). Het percentage personen dat geen vlees eet is onder vrouwen twee keer zo groot als onder mannen (6 tegen 3 procent). Mannen en vrouwen verschillen daarentegen niet wat betreft het nemen van korte douches, het licht uitdoen in kamers waar niemand is en het gebruik van de wasdroger. En ook het vlieggedrag verschilt niet naar sekse. 
Op de vraag of ze klimaatbewuster zouden moeten leven, antwoordt bijna 60 procent van zowel de mannen als van de vrouwen bevestigend (zie maatwerktabel). 

7.3.2 Duurzaam gedrag naar geslacht, 2020
 Mannen (% personen van 18 jaar of ouder)Vrouwen (% personen van 18 jaar of ouder)
Altijd of meestal licht uitdoen in kamers waar niemand is9596
Bij kou altijd of meestal een trui of deken pakken in plaats van verwarming hoger zetten64,572,9
Altijd of meestal korter dan 5 minuten douchen50,750,2
Altijd of vaak tweedehands kleding dragen916,1
Nooit auto nemen voor afstanden korter dan 5 kilometer23,529,6
Nooit was drogen met wasdroger32,734,3
In afgelopen 12 maanden met vliegtuig gereisd46,544,7
Eet geen vlees3,35,8
* Het gaat hier om eigenaar-bewoners van een eengezinswoning.
 

Bij jongeren gat tussen duurzaam denken en doen

Het gedrag van jongeren tussen de 18 en 25 jaar spoort niet altijd met hun relatief sterke klimaatbewustzijn. Een praktisch, alledaags voorbeeld hiervan is de tijd die ze onder de douche staan: drie kwart van de jongeren doucht meestal langer dan 5 minuten (zie maatwerktabel). Ter vergelijking: bij 55-plussers is dat minder dan 40 procent. Ook zeggen jongeren minder vaak dat ze altijd het licht uitdoen in kamers waar niemand is. Wel pakken jongeren bij kou vaker een warme trui of warme deken in plaats van de verwarming hoger te zetten dan ouderen. Verder vliegen jongeren meer: het percentage dat in de afgelopen 12 maanden met het vliegtuig heeft gereisd neemt duidelijk af van 64 procent onder de 18- tot 25-jarigen tot 15 procent onder de 75-plussers. Wel zeggen jongeren vaker dan ouderen geen vlees te eten. Hierbij speelt mee dat jongeren vaker hoogopgeleid zijn en dat hoogopgeleiden vaker geen vlees eten.
64 procent van de 18- tot 25-jarigen vindt dat ze klimaatbewuster zouden moeten leven. Bij 65- en 75-jarigen en bij 75-plussers is dit met respectievelijk 50 en 46 procent duidelijk lager (zie maatwerktabel). 

Ook bij stedelingen vertaalt duurzamer denken zich niet altijd in duurzamer doen

Stedelingen denken doorgaans klimaatbewuster dan plattelandsbewoners. Op een aantal terreinen in het alledaagse leven handelen zij hier ook vaker naar. Zo pakken stedelingen vaker een trui of deken bij kou, leggen ze korte afstanden minder vaak met de auto af, en maken ze minder vaak gebruik van een wasdroger. Ook het percentage dat geen vlees eet is groter, waarbij dit verschil toe te schrijven is aan het feit dat stedelingen vaker hoogopgeleid zijn. Maar er zijn ook terreinen waarop stedelingen zich in duurzaam gedrag niet onderscheiden van plattelandsbewoners. Zo zijn er geen verschillen in alledaagse handelingen als het licht uitdoen in kamers waar niemand is, kort douchen en het dragen van tweedehandskleding. En ook het percentage dat zonnepanelen heeft verschilt niet significant naar stedelijkheid. Op het gebied van vliegen gedragen stadsbewoners zich zelfs minder duurzaam: bijna 6 op de 10 stedelingen geeft aan in het afgelopen jaar met het vliegtuig te hebben gereisd tegen bijna 3 op de 10 plattelandsbewoners. 
In lijn met hun klimaatbewuster denken zeggen stedelingen vaker dan plattelandsbewoners dat ze klimaatbewuster zouden moeten leven (63 tegen 53 procent) (zie maatwerktabel). Ook hier speelt het opleidingsverschil een verklarende rol.

7.3.3 Duurzaam gedrag naar stedelijkheid woongemeente, 2020
 Zeer sterk stedelijk (% personen van 18 jaar of ouder)Niet stedelijk (% personen van 18 jaar of ouder)
Altijd of meestal licht uitdoen in kamers waar niemand is94,995,7
Bij kou altijd of meestal een trui of deken pakken in plaats van verwarming hoger zetten74,865,2
Altijd of meestal korter dan 5 minuten douchen46,854,8
Altijd of vaak tweedehands kleding dragen16,610,0
Nooit auto nemen voor afstanden korter dan 5 kilometer37,317,9
Nooit was drogen met wasdroger46,224,4
Heeft zonnepanelen*26,932,2
In afgelopen 12 maanden met vliegtuig gereisd57,628,9
Eet geen vlees8,73,7
* Het gaat hier om eigenaar-bewoners van een eengezinswoning.
 

Personen met een hoge welvaart gedragen zich doorgaans klimaatonvriendelijker

In hun duurzame denken wijken personen in huishoudens met een hoge welvaart nauwelijks af van personen in huishoudens met een lage welvaart (zie maatwerktabel). Maar ze blijken zich in het dagelijks leven wel klimaatonvriendelijker te gedragen, vooral bij meer luxe gedragingen zoals vaker de auto nemen voor korte afstanden en vaker de wasdroger gebruiken. Ook dragen ze minder vaak tweedehandskleding. Personen met een hoge welvaart staan daarentegen wel korter onder de douche dan personen met een lage welvaart maar dit is toe te schrijven aan hun relatief hogere leeftijd: ouderen douchen zich korter dan jongeren. Het percentage dat geen vlees eet is vrijwel gelijk tussen de welvaartsgroepen. Ook wat betreft het vlieggedrag gedragen personen in huishoudens met een hoge welvaart zich minder duurzaam: 60 procent van hen geeft aan in de afgelopen 12 maanden met het vliegtuig te hebben gereisd tegen 32 procent van degenen met een lage welvaart, waarbij het schuldgevoel over het vlieggedrag overigens niet verschilt tussen beide groepen. Wel hebben huishoudens in de hoogste welvaartsklasse duidelijk vaker zonnepanelen dan huishoudens in de lagere welvaartsklassen (35 tegen minder dan 25 procent). 
De twee hoogste welvaartsgroepen vinden vaker dat ze klimaatbewuster zouden moet leven dan de twee laagste welvaartsgroepen (ruim 60 tegen ruim 50 procent). Dit verschil verdwijnt echter wanneer rekening wordt gehouden met het gemiddeld hogere opleidingsniveau van personen met een hogere welvaart. 

7.4 Beschouwingen bij klimaatbewuste leefstijl

Een meerderheid van de bevolking is zich ervan bewust dat klimaatverandering een probleem is en maakt zich zorgen over de gevolgen ervan voor toekomstige generaties (zie hoofdstuk 2). Dit bewustzijn vertaalt zich echter niet altijd in duurzaam handelen. Ook het I&O-onderzoek ‘Duurzaam denken is nog niet duurzaam doen’ (Kanne, Van Hofweegen, Kooiman en Van Engeland, 2019) kwam tot deze uitkomst. Om de vertaalslag van duurzaam denken naar duurzaam doen te kunnen maken, moeten mensen op individueel niveau de motivatie en de mogelijkheden hiertoe hebben. In het Motivaction-onderzoek 'Publieksmonitor Klimaat en Energie 2019' (Van der Grient e.a., 2019) is onderzocht welke factoren een effect hebben op de motivatie van mensen om, binnen de mogelijkheden die ze hebben, keuzes te maken die helpen om klimaatverandering tegen te gaan. 
Daarin kwamen een aantal factoren naar voren die een (statistisch) significant positief effect hebben op de motivatie om klimaatverandering tegen te gaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om vertrouwen in eigen invloed op het tegengaan van klimaatverandering, medeverantwoordelijkheidsgevoel voor CO2-uitstoot, kosten-batenanalyse van klimaatmaatregelen, houding tegenover maatregelen overheid, en zorgen over de toestand van het klimaat. 
Een factor die een significant negatief effect heeft op de motivatie van mensen om keuzes te maken om klimaatverandering tegen te gaan is het belang dat wordt gehecht aan gemak en comfort. Mogelijk bieden deze bevindingen aangrijpingspunten om het in dit hoofdstuk geconstateerde verschil tussen duurzaam denken en duurzaam doen beter te begrijpen.   
 

 

24) Als proxy voor opleiding en leeftijd ‘van het huishouden’ is gekozen voor de opleiding en leeftijd van de persoon die heeft deelgenomen aan het onderzoek Belevingen. Deze persoon behoort altijd tot de huishoudkern.

Bijlage A. Tabellen

Deze bijlage bevat een zeventiental tabellen met de totaalcijfers uit deze publicatie. Alle tabellen zijn gebaseerd op het onderzoek Belevingen 2020. Tabel 5a vormt hierop een uitzondering. De cijfers in deze tabel zijn afkomstig uit het onderzoek Onderweg in Nederland (ODiN) 2019.

2. Opvattingen over klimaatverandering

2a. Klimaatbewustzijn en probleembesef, bevolking van 18 jaar en ouder, 2020
SchattingOndergrensBovengrens
% personen van 18 jaar of ouder
Klimaat wel of niet aan het veranderen
Zeker of waarschijnlijk wel94,393,495,1
Zeker of waarschijnlijk niet3,22,73,9
Weet niet2,52,03,1
Verandert klimaat door de mens of is het een natuurlijke verandering
Helemaal door de mens11,910,713,2
Vooral door de mens47,745,949,5
Evenveel mens als natuur26,825,328,4
Vooral door de natuur4,74,05,5
Helemaal door de natuur1,00,71,4
Weet niet1,91,42,5
Geen antwoord0,30,20,6
Gelooft niet in klimaatverandering of weet het niet5,74,96,6
Kan klimaatverandering tegengehouden worden door de mens
Ja, volledig11,19,912,3
Ja, deels63,561,865,2
Nee14,813,616,1
Weet niet4,53,85,3
Geen antwoord0,30,10,7
Gelooft niet in klimaatverandering of weet het niet5,74,96,6
Klimaatverandering is op dit moment…
Een groot probleem62,560,764,2
Een klein probleem24,322,825,9
Geen probleem6,15,37,1
Geen antwoord1,31,01,8
Gelooft niet in klimaatverandering of weet het niet5,74,96,6
Klimaatverandering is in de toekomst…
Een groot probleem76,074,577,5
Een klein probleem13,011,814,2
Geen probleem3,42,84,2
Geen antwoord1,91,52,4
Gelooft niet in klimaatverandering of weet het niet5,74,96,6
Zorgen over de gevolgen van klimaatverandering voor toekomstige generaties
Veel zorgen31,229,632,9
Enige zorgen44,743,046,5
Niet zo veel zorgen13,011,814,2
Geen zorgen4,94,15,7
Geen antwoord0,50,30,8
Gelooft niet in klimaatverandering of weet het niet5,74,96,6

2b. Opvattingen over klimaatbeleid en inschatting kosten, bevolking van 18 jaar en ouder, 2020
SchattingOndergrensBovengrens
% personen van 18 jaar of ouder
Dat de overheid zich bezighoudt met klimaatbeleid is…
(Heel) belangrijk84,783,386,0
Niet belangrijk, niet onbelangijk11,310,212,5
(Heel) onbelangrijk4,03,44,8
Het klimaatbeleid van de overheid gaat niet ver genoeg.
(Helemaal) eens41,639,943,3
Niet eens, niet oneens24,122,625,6
(Helemaal) oneens25,223,726,7
Weet niet6,45,57,4
Geen antwoord2,72,23,4
De aandacht voor klimaatverandering is overdreven.
(Helemaal) eens22,220,723,6
Niet eens, niet oneens14,413,215,7
(Helemaal) oneens59,657,861,3
Weet niet2,31,83,0
Geen antwoord1,61,22,1
De invloed van Nederland op de klimaatverandering is zo beperkt, dat het niet uitmaakt wat we doen of laten.
(Helemaal) eens20,318,921,7
Niet eens, niet oneens15,814,517,1
(Helemaal) oneens54,652,856,3
Weet niet2,41,83,1
Geen antwoord1,30,91,8
Gelooft niet in klimaatverandering of weet het niet5,74,96,6
Nederland moet alleen een streng klimaatbeleid voeren als grotere landen, zoals China en Amerika, dit ook doen.
(Helemaal) eens35,233,536,9
Niet eens, niet oneens13,011,914,2
(Helemaal) oneens46,344,648,1
Weet niet3,62,94,4
Geen antwoord1,91,42,5
Verwachting dat klimaatbeleid van de overheid burgers veel geld gaat kosten
Ja66,164,467,8
Nee8,87,89,9
Weet niet25,123,526,7
Zorgen over hoge kosten van het klimaatbeleid van de overheid
Veel zorgen18,417,119,8
Enige zorgen31,229,632,8
Niet zo veel zorgen12,311,213,5
Geen zorgen3,83,14,5
Geen antwoord0,50,30,8
Denkt niet dat dit veel geld zal kosten of weet het niet33,932,235,6

3. Opvattingen over energiebronnen

3a. Opvattingen over gebruik energiebronnen in Nederland, bevolking van 18 jaar en ouder, 2020
SchattingOndergrensBovengrens
% personen van 18 jaar of ouder
Aardolie
Meer1,30,91,8
Evenveel als nu15,714,517,0
Minder48,446,650,2
Helemaal niet13,111,914,4
Weet niet18,316,919,7
Kent de bron niet3,22,64,0
Steenkolen
Meer1,30,91,9
Evenveel als nu6,35,47,2
Minder32,530,834,2
Helemaal niet43,742,045,5
Weet niet14,112,915,4
Kent de bron niet2,21,72,8
Aardgas
Meer6,55,77,5
Evenveel als nu24,823,426,4
Minder48,446,750,2
Helemaal niet8,67,69,7
Weet niet10,59,411,6
Kent de bron niet1,10,81,6
Windenergie
Meer72,570,974,0
Evenveel als nu14,413,215,7
Minder4,94,25,7
Helemaal niet1,71,32,1
Weet niet5,74,96,7
Kent de bron niet0,90,51,4
Zonne-energie
Meer83,081,784,4
Evenveel als nu9,08,010,0
Minder1,30,91,8
Helemaal niet1,00,71,5
Weet niet5,04,25,8
Kent de bron niet0,70,41,1
Aardwarmte
Meer56,354,658,1
Evenveel als nu10,89,712,0
Minder4,03,34,9
Helemaal niet2,62,13,3
Weet niet17,716,419,2
Kent de bron niet8,57,59,6
Waterkracht
Meer67,966,269,5
Evenveel als nu10,59,411,6
Minder1,41,02,0
Helemaal niet1,30,91,7
Weet niet14,613,415,9
Kent de bron niet4,33,65,1
Kernenergie
Meer25,023,626,5
Evenveel als nu12,411,313,6
Minder17,816,419,2
Helemaal niet25,423,927,0
Weet niet16,415,217,8
Kan de bron niet2,92,33,7
Biomassa
Meer23,021,624,5
Evenveel als nu15,113,916,4
Minder15,113,916,5
Helemaal niet13,412,314,6
Weet niet24,623,126,2
Kent de bron niet8,77,79,8

3b. Opvattingen over transitie naar duurzame energie en over windmolens, bevolking van 18 jaar en ouder, 2020
SchattingOndergrensBovengrens
% personen van 18 jaar of ouder
Belangrijker dat energie goedkoop is of dat energie duurzaam is
Goedkoop22,220,823,7
Duurzaam67,766,069,3
Weet niet6,75,97,7
Geen antwoord3,42,84,1
Houding ten aanzien van transitie van aardgas naar duurzame energie
(Heel) positief53,451,755,2
Niet positief, niet negatief21,019,722,5
(Heel) negatief19,017,820,4
Weet niet3,93,34,7
Geen antwoord1,41,01,9
Weet niet wat aardgas is1,10,81,6
Voor of tegen de bouw van nieuwe windmolens in Nederland
Voor70,769,172,3
Tegen13,612,514,7
Weet niet13,312,114,6
Geen antwoord2,51,93,1
Locatie nieuwe windmolens
Alleen op land1,81,42,4
Alleen op zee10,09,011,1
Zowel op land als op zee56,154,357,8
Weet niet2,82,23,5
Geen antwoord0,10,00,2
Tegen nieuwe windmolens of weet het niet29,327,730,9
Voor of tegen nieuwe windmolens in eigen woonomgeving
Voor20,519,122,0
Tegen30,629,132,3
Hangt ervan af42,640,844,3
Weet niet4,73,95,6
Geen antwoord1,51,12,1

4. Duurzaam wonen

4a. Aanwezigheid en concrete aanschafplannen van energievoorzieningen en isolatie, eigenaar-bewoners van een eengezinswoning, 2020
SchattingOndergrensBovengrens
% huishoudens
Aanwezigheid gasaansluiting in de woning
Geen gasaansluiting aanwezig10,39,111,7
Gasaansluiting aanwezig88,887,390,1
Onbekend of er een gasaansluiting aanwezig is0,90,51,5
% eigenaar-bewoners van een eengezinswoning
Energievoorzieningen aanwezig in de woning
Zonnepanelen27,525,529,7
Zonneboiler2,82,03,8
Warmtepomp4,63,75,7
HR-ketel85,683,787,4
Houtgestookte installatie22,820,924,8
Electrische kookplaat40,337,942,6
Isolatie aanwezig in de woning
Vloerisolatie60,958,563,3
Gevelisolatie70,968,673,2
Dakisolatie79,377,281,3
Dubbel, driedubbel of HR-glas96,295,097,2
Heeft concrete plannen voor aanschaf energievoorzieningen in de komende twee jaar
Zonnepanelen20,618,622,7
Zonneboiler4,94,06,1
Warmtepomp4,23,35,3
HR-ketel1,81,22,7
Houtgestookte installatie2,31,63,2
Electrische kookplaat13,111,614,8
Heeft concrete plannen voor aanschaf isolatie in de komende twee jaar
Vloerisolatie