Auteur: Lenny Stoeldraijer, Coen van Duin, Han Nicolaas en Corina Huisman

Kernprognose 2022–2070: Door oorlog meer migranten naar Nederland

Over deze publicatie

Volgens de nieuwe Kernprognose van het CBS groeit de Nederlandse bevolking van 17,8 miljoen begin 2023 tot 18 miljoen in 2024 en 19 miljoen in 2034. In 2070 worden 20,7 miljoen inwoners verwacht. Internationale migratie speelt een belangrijke rol bij de toekomstige bevolkingsgroei. In 2022 en ook de komende jaren speelt de oorlog in Oekraïne daarin een belangrijke rol.

De verwachte bevolkingsgroei is voor de komende jaren groter dan volgens de prognose uit 2021. In 2026 is de verwachte bevolkingsomvang daardoor 153 duizend groter dan volgens de prognose uit 2021. In 2070 is het verschil zo’n 150 duizend.

1. Inleiding

Voor de demografische prognoses werkt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) met een driejaarlijkse publicatiecyclus. Eind 2020 werd de Bevolkingsprognose 2020–2070 gepubliceerd, een nieuwe prognose voor de bevolking naar leeftijd, geslacht en migratieachtergrond (Stoeldraijer, De Regt, Van Duin, Huisman en Te Riele, 2020). Eind 2021 werd de Kernprognose 2021–2070 gepubliceerd (Stoeldraijer, Van Duin, De Regt, Van der Reijden en Te Riele, 2021). Dit was een update van de Bevolkingsprognose 2020–2070, waarbij de bevolking niet naar migratieachtergrond is onderscheiden. Tegelijk met de Kernprognose werd de Huishoudensprognose 2021–2070 gepubliceerd, een prognose van de toekomstige huishoudenssamenstelling van de bevolking (Stoeldraijer, Te Riele, Van Duin en Van der Reijden, 2021). In juli 2022 hebben het CBS en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een prognose van huishoudens en bevolking in Nederlandse gemeenten uitgebracht (De Jong, Te Riele, Huisman, Van Duin, Husby en Stoeldraijer, 2022). Dit artikel beschrijft de Kernprognose 2022–2070, die half december 2022 is gepubliceerd. In 2023 volgt een nieuwe Bevolkingsprognose.

De demografische prognose van het CBS beschrijft de verwachte ontwikkeling van de Nederlandse bevolking in de toekomst. Deze wordt berekend met het cohort-componentenmodel. Dit is een simulatiemodel waarbij de bevolking aan het eind van het jaar wordt bepaald door geboorte, sterfte, migratie en veroudering te verrekenen met de bevolking aan het begin van het jaar. Door dit van jaar op jaar te doen kan steeds verder vooruit worden gekeken. Input voor het model zijn kansen die bepalen hoeveel vrouwen gedurende het jaar een kind krijgen, hoeveel mensen zullen emigreren en hoeveel mensen zullen sterven. Daarnaast dienen immigratieaantallen als input.

Om over input voor het model te kunnen beschikken moeten veronderstellingen worden geformuleerd over het toekomstige kindertal, de levensduur, en de omvang en richting van de internationale migratiestromen. Deze veronderstellingen worden gemaakt op basis van ontwikkelingen in het (recente) verleden. Analyseren van demografische ontwikkelingen is daarom een belangrijk onderdeel van het maken van een prognose.

De Kernprognose 2022–2070 is een update van de Bevolkingsprognose 2020–2070. Anders dan bij de Bevolkingsprognose wordt de bevolking in de Kernprognose niet naar migratieachtergrond onderscheiden. Bij het opstellen van de Kernprognose wordt gekeken naar de recente ontwikkelingen op het gebied van geboorte, sterfte en migratie en naar de aansluiting van de recente prognose(s) op de waarnemingen. Op basis van de bevindingen worden vervolgens de veronderstellingen uit de meest recente prognose bijgesteld of, wanneer daartoe aanleiding is, opnieuw opgesteld.

De prognose beschrijft de meest waarschijnlijke ontwikkeling van de bevolking. Omdat deze verwachting ook onzekerheden kent, worden prognose-intervallen berekend, een marge (onder- en bovengrens) rond de prognose die een indruk geeft van de verwachte nauwkeurigheid van die prognose.

Voor de Kernprognose 2022–2070 zijn de veronderstellingen van de Bevolkingsprognose 2020–2070 geactualiseerd op basis van recente ontwikkelingen. Deze actualisering wordt in dit artikel beschreven. In paragraaf 2 worden recente ontwikkelingen besproken en vergeleken met de uitkomsten van de Bevolkingsprognose uit 2020 en de Kernprognose uit 2021. Paragraaf 3 beschrijft de bijgestelde veronderstellingen en resultaten voor geboorte, sterfte en migratie. In paragraaf 4 volgt een beschrijving van de toekomstige ontwikkeling van de bevolking.

2. Recente ontwikkeling en vergelijking met voorgaande prognoses

2.1 Recente bevolkingsontwikkeling

In de periode 2013-2016 verdubbelde de bevolkingsgroei van 49 duizend tot 103 duizend. De toename was het gevolg van oplopende immigratie. De asielmigratie leverde hieraan een belangrijke bijdrage, maar ook de immigratie uit andere Europese landen en van mensen met een Nederlandse achtergrond nam toe. De bevolkingsgroei tussen 2013 en 2016 bleef beperkt, doordat de emigratie en het aantal overledenen ook toenamen.

Tussen 2017 en 2019 nam de bevolkingsgroei verder toe van 100 duizend naar 125 duizend. Dit kwam opnieuw door een toegenomen immigratie. Het aantal emigranten en het aantal overledenen namen geleidelijk toe, terwijl het aantal levend geboren kinderen iets afnam.

In 2020 groeide de bevolking met 68 duizend en in 2021 met 115 duizend. Als gevolg van de coronapandemie nam de immigratie in 2020 af. In 2021 nam de immigratie weer toe tot net onder het niveau van 2019. Ook de emigratie daalde in 2020 en in 2021. Het aantal overledenen was in die jaren zo’n 10 procent hoger dan verwacht. Na een lange periode van daling van het aantal geboortes was er in 2021 weer sprake van een stijging.

In 2022 groeide de bevolking sterk met 227 duizend (op basis van de voorlopige cijfers tot en met oktober 2022). De bevolking groeide vooral door buitenlandse migratie. Zo’n 110 duizend mensen kwamen in verband met de oorlog in Oekraïne naar Nederland. In 2022 emigreerden 174 duizend mensen, er overleden 169 duizend mensen en er werden 169 duizend kinderen geboren.

2.1.1 Bevolkingsontwikkeling
 Levend geboren kinderen (x 1 000)Overledenen (x 1 000)Immigratie (x 1 000)Emigratie (inclusief administratieve correcties) (x 1 000)Totale bevolkingsgroei (x 1 000)
1995190,513135,67596,09982,19569,767
1996189,521137,561108,74991,94573,218
1997192,443135,783109,86081,97387,085
1998199,408137,482122,40779,289106,033
1999200,445140,487119,15178,779103,725
2000206,619140,527132,85078,977123,125
2001202,603140,377133,40482,566118,210
2002202,083142,355121,25096,91887,287
2003200,297141,936104,514104,83165,460
2004194,007136,55394,019110,23547,494
2005187,910136,40292,297119,72528,684
2006185,057135,372101,150132,47023,782
2007181,336133,022116,819122,57647,407
2008184,634135,136143,516117,77980,388
2009184,915134,235146,378111,89789,202
2010184,397136,058154,432121,35180,810
2011180,060135,741162,962133,19474,549
2012175,959140,813158,374144,49149,227
2013171,341141,245164,772145,66949,714
2014175,181139,223182,949147,86271,437
2015170,510147,134204,615149,50978,394
2016172,520148,997230,739151,545102,387
2017169,836150,214234,957154,29299,577
2018168,525153,363243,737157,366101,079
2019169,680151,885269,064161,029125,422
2020168,681168,678220,853152,49467,830
2021179,441170,972252,528145,330115,257
2022*167,881169,385402,459174,394226,561

2.2 Vergelijking voorgaande prognoses met realisatie

De ramingen die voor de migratie, geboorte en sterfte over 2020 in de Bevolkingsprognose 2020–2070 werden gebruikt, kwamen redelijk overeen met de realisaties. Het aantal immigranten is met 10 duizend (5 procent) onderschat, het aantal emigranten met duizend (minder dan 1 procent). De raming voor het aantal overledenen lag 5 duizend (3 procent) te laag, de raming voor het aantal geboorten was gelijk aan het werkelijke aantal. De bevolkingsgroei in 2020 is al met al met 5 duizend (8 procent) onderschat.

De Bevolkingsprognose 2020–2070 schatte het aantal immigranten in 2021 9 duizend (4 procent) lager dan verwacht. De prognose van het aantal emigranten in 2021 lag 28 duizend (19 procent) hoger dan de huidige waarneming, het aantal levend geboren kinderen was 18 duizend (10 procent) lager, het aantal overledenen was 13 duizend (8 procent) lager. De bevolkingsgroei in 2021 was daardoor 42 duizend (36 procent) hoger dan de groei die in de Bevolkingsprognose werd verwacht.

Op basis van de voorlopige cijfers tot en met oktober 2022 zal het aantal immigranten 123 duizend (31 procent) hoger uitkomen dan de Bevolkingsprognose 2020–2070 verwachtte. De prognose van het aantal emigranten lag 7 duizend (4 procent) lager dan de huidige raming, het aantal levend geboren kinderen was 2 duizend (1 procent) hoger, het aantal overledenen was 12 duizend (7 procent) hoger. De bevolkingsgroei in 2021 was daardoor end (53 procent) hoger dan de groei die in de Bevolkingsprognose werd verwacht.

De Kernprognose 2021–2070 raamde zowel de immigratie als de emigratie 7 duizend lager dan de waarneming in 2021. Ook de raming voor het aantal overledenen was aan de lage kant (3 duizend verschil). De bevolkingsgroei in 2021 was daardoor 3 duizend lager dan de groei die in de Kernprognose werd verwacht.

Op basis van de voorlopige cijfers tot en met oktober 2022 zal het aantal immigranten 122 duizend (30 procent) hoger uitkomen dan de Kernprognose 2021–2070 verwachtte. De prognose van het aantal emigranten lag 16 duizend (4 procent) lager dan de huidige raming, het aantal levend geboren kinderen was 11 duizend (6 procent) hoger, het aantal overledenen was 11 duizend (6 procent) lager. De bevolkingsgroei in 2022 was daardoor 84 duizend (37 procent) hoger dan de groei die in de Kernprognose werd verwacht.

2.2.1 Bevolkingsontwikkeling 2021 en 2022 (x 1 000)
Bevolking op
1 januari
Levend
geboren
kinderen
Over-
ledenen
ImmigratieEmigratie
(inclusief
administratieve
correcties)
Bevolkingsgroei
Waarneming (W)202016916922115268
Waarneming (W)202117475179171253145116
Waarneming (W)2022*17591168169402174227
Bevolkings-
prognose
2020 (BP20)
202016816421115263
Bevolkings-
prognose
2020 (BP20)
20211747116115824417374
Bevolkings-
prognose
2020 (BP20)
202217544166158279182106
Verschil (BP20 - W)20200-5-10-1-5
Verschil (BP20 - W)2021-5-18-13-928-42
Verschil (BP20 - W)2022*-46-2-12-1237-121
Kernprognose
2021 (KP21)
2021180168245139118
Kernprognose
2021 (KP21)
202217594178158281159142
Verschil (KP21 - W)20210-3-7-73
Verschil (KP21 - W)2022*311-11-122-16-84

3. Bijgestelde veronderstellingen en resultaten voor geboorte, sterfte en migratie

De veronderstellingen voor geboorte, sterfte en migratie zijn op basis van de recente ontwikkelingen geactualiseerd. De afname van het aantal geboorten in 2022 gaf aanleiding om de veronderstellingen uit de Kernprognose 2021–2070 voor de eerste paar jaar te verlagen. De veronderstellingen voor de sterfte zijn op de lange termijn nagenoeg hetzelfde als in de vorige prognose, maar voor de korte termijn iets verlaagd. De veronderstellingen voor de internationale migratie zijn aangepast, vooral naar aanleiding van de veranderingen van met name de instroom van Oekraïners sinds maart 2022.

3.1 Geboorte

Na de scherpe geboortedaling in de jaren 1970 schommelde het aantal kinderen dat jaarlijks geboren wordt, lang tussen de 180 duizend en 200 duizend. Sinds 2010 daalde het aantal geboorten naar rond de 170 duizend per jaar. In 2021 werden tijdelijk meer kinderen geboren (179 duizend), maar in 2022 daalde het aantal geboorten opnieuw (168 duizend op basis van de voorlopige cijfers tot en met oktober). De daling betrof vooral geboorten van tweede en derde kinderen.

Vanaf de jaren 1970 begonnen vrouwen later aan kinderen en kregen zij gemiddeld minder kinderen dan de generaties voor hen. Vrouwen die zijn geboren in 1945, kregen gemiddeld nog 2 kinderen en waren gemiddeld 24,5 jaar als ze moeder werden. Daarentegen kregen vrouwen die zijn geboren in 1970, gemiddeld nog maar 1,76 kinderen, met de eerste op 29-jarige leeftijd. De generaties daarna stelden het krijgen van kinderen niet meer verder uit en kregen een vergelijkbaar aantal kinderen. Schommelingen in het aantal kinderen dat jaarlijks werd geboren, hingen vanaf midden jaren 1990 voornamelijk af van het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Na 2010 daalde het aantal geboorten echter meer dan op basis daarvan verwacht kon worden.

Dat kan afgeleid worden uit het totale vruchtbaarheidscijfer (Total Fertility Rate, afgekort TFR), een cijfer dat corrigeert voor het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd. De TFR wordt berekend door het aantal kinderen dat in een jaar bij vrouwen van een bepaalde leeftijd wordt geboren te delen door het aantal vrouwen van die leeftijd in de bevolking. Op deze manier komen leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers tot stand, die vervolgens bij elkaar worden opgeteld. De som van de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers kan worden beschouwd als het gemiddeld kindertal dat vrouwen zouden hebben, als de vruchtbaarheidscijfers van dat jaar van hun vijftiende tot hun vijftigste zouden gelden. De TFR daalde van 1,80 in 2010 tot 1,54 in 2020. Er werden dus gemiddeld minder kinderen per vrouw geboren.

De TFR wordt sterk beïnvloed door de timing van de geboorten, het moment waarop vrouwen hun kinderen krijgen. In perioden waarin het krijgen van kinderen wordt uitgesteld, ligt de TFR tijdelijk lager. Wanneer vrouwen op latere leeftijd alsnog kinderen krijgen, ligt de TFR tijdelijk hoger. De daling sinds 2010 wijst op verder uitstel. In eerste instantie werd de verklaring daarvoor gezocht in de neergaande economische conjunctuur in de jaren na 2008. Eerdere schommelingen in de TFR leken ook met conjuncturele schommelingen samen te hangen (De Beer, 2012). De TFR daalde echter verder na 2013, toen de Nederlandse economie er steeds beter voor kwam te staan (De Beer en Latten, 2018). Verondersteld werd dat er meer structurele veranderingen aan de daling van de TFR ten grondslag lagen.

Het aantal geboorten daalde sinds 2010 vooral bij twintigers en jonge dertigers. Deze groep deed er ook in andere opzichten langer over om gesetteld te raken. Twintigers gingen later uit huis en later samenwonen, volgden langer onderwijs en hadden minder snel een vaste baan en een koopwoning (CBS, 13 mei 2019). Jonge generaties hadden in toenemende mate te maken met onzekerheid. De flexibilisering van de arbeidsmarkt leidde bijvoorbeeld tot meer inkomens- en baanonzekerheid, terwijl een stabiel en voldoende hoog inkomen een belangrijke voorwaarde zijn om aan kinderen te beginnen (Loozen en Kloosterman, 2019). Betaalbare woningen voor starters waren schaars en hypotheken waren moeilijker te krijgen (SER, 2019). De stap naar het ouderschap werd daardoor mogelijk verder opgeschoven.

Het aantal kinderen dat bij oudere dertigers en veertigers werd geboren, bleef echter wel op peil en nam zelfs licht toe. Om die reden werd er vanuit gegaan dat vrouwen weliswaar later aan kinderen begonnen, maar dat zij deze kinderen op latere leeftijd alsnog (gedeeltelijk) zouden krijgen. In vorige prognoses werd daarom verondersteld dat vrouwen die vanaf 1995 geboren zijn, uiteindelijk op een kindertal van gemiddeld 1,7 uit zouden komen.

In 2021 leek het er op dat de verwachte inhaalslag was begonnen, mogelijk ingegeven door omstandigheden die samenhangen met de coronapandemie. De TFR steeg naar 1,63 en vooral dertigers kregen meer kinderen. Onder jonge twintigers nam het aantal geboorten wel verder af. Na deze geboortehobbel in 2021 volgde echter een geboortedip, sterker dan verondersteld was in de Kernprognose 2021–2070. Met name onder vrouwen op jonge leeftijd daalde het aantal geboorten verder. De redenen die vóór de coronapandemie voor uitstel zorgden, gelden voor deze vrouwen nog steeds.

3.1.1 Gemiddeld kindertal per vrouw, leeftijd, geboortegeneratie
 1935 (kindertal)1945 (kindertal)1955 (kindertal)1965 (kindertal)1975 (kindertal)1985 (kindertal)1995 (kindertal)
150,00030,00050,00080,00040,00040,00050,0003
160,00140,00290,00420,00200,00180,00220,0011
170,00620,01170,01540,00610,00550,00610,0031
180,02040,03480,03560,01390,01340,01380,0071
190,04780,07660,06550,02790,02650,02610,0141
200,09330,14090,10550,04980,04420,04440,0248
210,15990,23590,16360,08210,06780,06790,0404
220,25470,36660,24100,12630,09950,09970,0611
230,38590,53320,34010,18460,14080,14320,0891
240,55560,73020,45800,25470,19360,19760,1256
250,75050,92800,59530,34280,26280,26870,1732
260,97021,11810,74110,44590,34660,35390,2362
271,19491,29070,88300,55850,44900,45540,3113
281,41221,43411,01670,68170,56730,5693
291,61401,55171,14660,81520,69830,7001
301,79211,64861,26980,95130,83810,8362
311,94311,72761,38321,08580,98360,9784
322,06991,78961,48351,21441,12181,1142
332,17551,83921,56801,33511,25551,2405
342,26601,87751,63931,43941,37381,3529
352,34121,90911,70061,53161,47851,4515
362,39431,93281,74891,60431,56241,5417
372,43101,95101,78571,65981,62731,6074
382,45531,96451,81351,70191,6749
392,47081,97461,83341,73201,7119
402,48111,98191,84721,75301,7384
412,48801,98711,85571,76661,7564
422,49241,99051,86121,77491,7678
432,49501,99291,86421,77941,7746
442,49661,99441,86581,78221,7783
452,49741,99531,86671,78341,7801
462,49801,99591,86721,78411,7812
472,49841,99621,86731,78441,7817
482,49871,99641,86741,7845
492,49881,99651,86751,7849
502,49891,99651,86751,7849

Model en veronderstellingen voor geboorten

De Kernprognose 2021–2070 veronderstelde een lichte daling van de TFR in 2022 om daarna te stijgen naar 1,70 in 2034. Vanwege de sterkere daling in 2022 dan verwacht, wordt voor de Kernprognose 2022–2070 verondersteld dat de TFR de komende jaren lager zal zijn dan in de vorige prognose verondersteld. Vanaf 2034 zijn de veronderstellingen weer gelijk.

De veronderstellingen ten aanzien van de gemiddelde leeftijd bij de geboorte van een tweede of later kind zijn aangepast, maar voor het eerste kind zijn de veronderstellingen hetzelfde gebleven als in de vorige prognose. Voor de lange termijn wordt een verdere leeftijdsstijging bij de geboorte van het eerste kind verondersteld naar 30,6 jaar vanaf 2035. Voor alle geboren kinderen neemt de gemiddelde leeftijd toe tot 32,2 jaar vanaf 2035, 0,2 jaar hoger dan in de vorige prognose.

3.1.2 Totale vruchtbaarheidscijfer
 WaarnemingPrognose 2021-2070Prognose 2022-2070Prognose-interval (95%)Prognose-interval (67%)
19801,6
19811,56
19821,5
19831,47
19841,49
19851,51
19861,55
19871,56
19881,55
19891,55
19901,62
19911,61
19921,59
19931,57
19941,57
19951,53
19961,53
19971,56
19981,63
19991,65
20001,72
20011,71
20021,73
20031,75
20041,73
20051,71
20061,72
20071,72
20081,77
20091,79
20101,8
20111,76
20121,72
20131,68
20141,71
20151,66
20161,66
20171,62
20181,59
20191,57
20201,54
20211,621,63
20221,491,591,491,41 – 1,571,45 – 1,53
20231,611,511,4 – 1,621,46 – 1,56
20241,621,561,42 – 1,691,49 – 1,62
20251,631,591,44 – 1,741,52 – 1,67
20261,651,611,44 – 1,781,52 – 1,69
20271,651,621,43 – 1,81,53 – 1,71
20281,661,631,43 – 1,831,53 – 1,73
20291,671,651,43 – 1,861,54 – 1,75
20301,681,661,43 – 1,891,55 – 1,77
20311,681,671,43 – 1,911,55 – 1,79
20321,691,681,43 – 1,931,56 – 1,8
20331,691,691,43 – 1,951,56 – 1,82
20341,71,71,42 – 1,971,56 – 1,83
20351,71,71,42 – 1,981,56 – 1,84
20361,71,71,41 – 1,991,56 – 1,85
20371,71,71,4 – 2,01,55 – 1,85
20381,71,71,39 – 2,011,55 – 1,85
20391,71,71,38 – 2,021,54 – 1,86
20401,71,71,37 – 2,031,54 – 1,86
20411,71,71,36 – 2,041,53 – 1,87
20421,71,71,35 – 2,051,53 – 1,87
20431,71,71,35 – 2,051,52 – 1,88
20441,71,71,34 – 2,061,52 – 1,88
20451,71,71,33 – 2,071,52 – 1,88
20461,71,71,32 – 2,081,51 – 1,89
20471,71,71,32 – 2,081,51 – 1,89
20481,71,71,31 – 2,091,51 – 1,89
20491,71,71,3 – 2,11,5 – 1,9
20501,71,71,29 – 2,111,5 – 1,9
20511,71,71,29 – 2,111,5 – 1,9
20521,71,71,28 – 2,121,49 – 1,91
20531,71,71,27 – 2,131,49 – 1,91
20541,71,71,27 – 2,131,49 – 1,91
20551,71,71,26 – 2,141,48 – 1,92
20561,71,71,25 – 2,151,48 – 1,92
20571,71,71,25 – 2,151,48 – 1,92
20581,71,71,24 – 2,161,47 – 1,93
20591,71,71,23 – 2,171,47 – 1,93
20601,71,71,23 – 2,171,47 – 1,93
20611,71,71,22 – 2,181,46 – 1,94
20621,71,71,22 – 2,181,46 – 1,94
20631,71,71,21 – 2,191,46 – 1,94
20641,71,71,21 – 2,191,46 – 1,94
20651,71,71,2 – 2,21,45 – 1,95
20661,71,71,19 – 2,211,45 – 1,95
20671,71,71,19 – 2,211,45 – 1,95
20681,71,71,18 – 2,221,44 – 1,96
20691,71,71,18 – 2,221,44 – 1,96
20701,71,71,17 – 2,231,44 – 1,96

Toekomstige ontwikkeling van geboorten

Onder deze veronderstellingen neemt het aantal geboorten na de daling in 2022 (168 duizend) weer toe naar 208 duizend rond 2035. Daarna wordt een daling verwacht tot 191 duizend rond 2050. De kleinere generaties van de afgelopen jaren komen dan in de leeftijd waarop ze kinderen krijgen.

Ten opzichte van de Kernprognose 2021–2070 worden 11 duizend kinderen minder geboren in 2022. Ook in de jaren daarna is het aantal geboorten in de Kernprognose 2022–2070 lager, maar vanaf 2030 ligt het aantal geboorten juist hoger als gevolg van de hoger dan verwachte immigratie in 2022 en de jaren erna. Het gaat hier voornamelijk om in Nederland geboren kinderen van Oekraïense vluchtelingen. Vanaf eind jaren 2040 is het verschil ten opzichte van de Kernprognose 2021-2070 minder dan 2 duizend geboorten per jaar.

3.1.3 Levend geboren kinderen
 WaarnemingPrognose 2021-2070Prognose 2022-2070Prognose-interval (95%)Prognose-interval (67%)
1980181,294
1981178,569
1982172,071
1983170,246
1984174,436
1985178,136
1986184,513
1987186,667
1988186,647
1989188,979
1990197,965
1991198,665
1992196,734
1993195,748
1994195,611
1995190,513
1996189,521
1997192,443
1998199,408
1999200,445
2000206,619
2001202,603
2002202,083
2003200,297
2004194,007
2005187,91
2006185,057
2007181,336
2008184,634
2009184,915
2010184,397
2011180,06
2012175,959
2013171,341
2014175,181
2015170,51
2016172,52
2017169,836
2018168,525
2019169,68
2020168,681
2021179,441179,839
2022167,881178,47167,881158,993 – 175,993163,767 – 172,042
2023183,115173,773161,882 – 185,516167,807 – 179,535
2024186,985181,51166,91 – 196,752173,984 – 188,882
2025190,019187,454170,502 – 205,743178,632 – 196,342
2026193,831190,889171,609 – 211,734180,807 – 201,066
2027195,697193,502171,82 – 216,64182,124 – 205,02
2028198,156196,0171,643 – 221,963183,161 – 208,693
2029200,211199,171172,606 – 227,897184,812 – 212,996
2030201,679201,874173,256 – 233,581186,22 – 216,606
2031202,799203,949173,32 – 237,903187,502 – 219,756
2032203,319205,641172,734 – 242,079188,636 – 222,584
2033203,687206,985171,869 – 245,249189,01 – 225,05
2034203,494207,807171,054 – 248,532188,612 – 226,47
2035202,847207,835169,207 – 249,606187,466 – 227,04
2036201,731206,999166,751 – 250,222186,017 – 226,39
2037200,179205,595163,468 – 249,784184,236 – 225,694
2038198,699204,01160,638 – 249,479182,159 – 224,417
2039197,425202,407158,765 – 249,671180,187 – 223,329
2040196,114200,73156,528 – 248,826177,831 – 221,946
2041194,821198,94154,008 – 248,182175,638 – 220,674
2042193,622197,238151,756 – 246,665173,342 – 219,539
2043192,575195,728149,968 – 245,865171,45 – 218,47
2044191,696194,415148,592 – 246,08169,772 – 217,397
2045190,94193,281146,047 – 245,774168,185 – 216,945
2046190,34192,359144,76 – 245,655166,695 – 216,569
2047189,925191,627143,472 – 246,162165,249 – 216,557
2048189,738191,115142,621 – 247,563164,157 – 216,315
2049189,811190,839141,708 – 248,744163,62 – 216,661
2050190,156190,817140,666 – 248,938163,037 – 217,453
2051190,79191,085139,766 – 249,076162,614 – 218,565
2052191,718191,659138,817 – 250,848162,107 – 219,136
2053192,944192,564138,204 – 253,203162,3 – 220,067
2054194,439193,801137,652 – 257,052162,62 – 221,623
2055196,165195,335137,556 – 260,756163,466 – 224,248
2056198,052197,116137,749 – 265,801164,3 – 227,148
2057200,033199,078138,532 – 270,501165,458 – 230,057
2058202,034201,156138,262 – 274,717166,632 – 233,306
2059203,981203,283138,256 – 278,251167,631 – 236,715
2060205,799205,369137,655 – 281,821168,261 – 240,187
2061207,424207,329138,042 – 285,644168,717 – 243,642
2062208,816209,091138,179 – 290,876168,864 – 246,48
2063209,949210,615139,005 – 295,64169,424 – 248,888
2064210,814211,866138,852 – 301,016169,733 – 251,404
2065211,411212,819138,697 – 304,623170,292 – 253,746
2066211,753213,477137,741 – 307,29170,111 – 255,535
2067211,866213,859137,081 – 309,922169,552 – 256,192
2068211,784213,988135,627 – 312,624168,28 – 256,803
2069211,544213,899133,982 – 315,783167,44 – 257,228
2070211,187213,631132,764 – 316,96166,745 – 257,385

3.2 Sterfte

In 2019 overleden 152 duizend mensen in Nederland. Dit is het dubbele van het aantal overledenen in 1950. Door het toenemend aantal ouderen neemt het aantal overledenen jaarlijks toe, met zo nu en dan fluctuaties van jaar op jaar. Ook voor de toekomst is de verwachting dat het aantal overledenen blijft toenemen.

Sinds het begin van de coronapandemie steeg het aantal overledenen naar 169 duizend in 2020 en 171 duizend in 2021. In deze twee jaren waren drie golven waarneembaar waarin meer mensen overleden dan verwacht wanneer er geen coronapandemie was geweest, de zogenaamde oversterfte. De perioden met oversterfte in 2020 en 2021 vallen samen met de perioden waarin relatief veel mensen aan COVID-19 overleden (CBS en RIVM, 2022). Ook in het grootste deel van 2022 was sprake van oversterfte (CBS, 9 september 2022).

Ontwikkeling levensverwachting

Het aantal mensen dat overlijdt, wordt beïnvloed door de veranderende bevolkingsopbouw en het feit dat mensen steeds ouder worden. Om de ontwikkelingen in de sterfte te volgen wordt in plaats van naar de absolute aantallen overledenen gekeken naar de levensverwachting (Stoeldraijer en Harmsen, 2017). Deze periode-levensverwachting of virtuele levensduur geeft aan hoe oud een pasgeborene gemiddeld zal worden als vanaf dat moment de vooruitgang op het gebied van gezondheid en medische kennis zou stilvallen.

De levensverwachting vertoont op de lange termijn een stijgende trend (Stoeldraijer, 2020a). Waar in 1980 voor mannen een levensverwachting van 72,5 jaar gold en voor vrouwen van 79,2 jaar, was dit in 2019 gestegen tot 80,5 jaar voor mannen en 83,6 jaar voor vrouwen. Wel is sprake van schommelingen in de levensverwachting. Incidentele ontwikkelingen zoals griepgolven of extreme zomers of winters kunnen tot fluctuaties in het cijfer leiden. Zo was de toename van de levensverwachting in 2018 zeer beperkt vanwege de hoge sterfte tijdens de lange griepepidemie aan het begin van het jaar. Ook voor de lange termijn zijn schommelingen waarneembaar door veranderingen in onder meer leefstijl, gezondheidszorg en economie. Voor de toekomst wordt vooral gekeken naar de ontwikkelingen over een lange periode.

De levensverwachting van Nederlandse mannen lag in 2018 met 80,2 jaar 0,4 jaar boven het gemiddelde in Denemarken, Duitsland, Engeland en Wales, Finland, Frankrijk, Italië, Noorwegen, Spanje, Zweden en Zwitserland. De levensverwachting van Nederlandse vrouwen, die tot 1992 hoger was dan het gemiddelde van andere West-Europese vrouwen, lag in 2018 met 83,3 jaar 1,0 jaar onder het gemiddelde in West-Europa. Ondanks de verschillen waren de trends in de sterfte van West-Europese landen in de afgelopen vijftig jaar redelijk vergelijkbaar. Het rookgedrag in het verleden heeft een belangrijke rol gespeeld bij de verklaring van de verschillen in trends tussen West-Europese landen (Janssen, 2019). De trend in de levensverwachting voor alle West-Europese landen is stabieler dan de trend voor Nederland. Om die reden is eerstgenoemde een goede aanvulling om de toekomstige trend van de levensverwachting voor Nederland te bepalen.

Het rookgedrag verklaart ook de verschillende ontwikkeling van de levensverwachting van mannen en vrouwen. Tot het midden van de jaren 1980 nam het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen toe. Daarna nam het verschil af, als gevolg van verschillend rookgedrag van mannen en vrouwen. Doordat rookgedrag vertraagd doorwerkt op de sterfte, zijn ook voor de toekomst nog afwijkende trends in de levensverwachting te verwachten voor mannen en vrouwen.

3.2.1 Levensverwachting bij geboorte
 West-Europa* - Mannen (jaren)Nederland - Mannen (jaren)West-Europa* - Vrouwen (jaren)Nederland - Vrouwen (jaren)
197068,5770,8174,7876,5
197168,6970,9974,9876,77
197268,8970,8175,2676,79
197369,0371,375,4077,13
197469,3571,6175,7877,61
197569,4071,4575,8977,71
197669,6371,5376,1877,92
197770,1072,0876,7678,52
197870,1471,9576,8678,5
197970,4272,4677,1578,93
198070,6472,4877,3779,18
198170,9372,7177,6079,32
198271,2772,7377,9179,41
198371,3372,9377,9779,56
198471,7872,9678,4579,68
198571,8473,0878,4779,66
198672,1173,0978,7079,61
198772,4673,5179,1180,06
198872,6173,6879,2380,24
198972,7973,6679,4279,92
199072,8773,8479,5780,11
199173,0374,0579,7680,15
199273,4174,380,1280,28
199373,5273,9880,1180
199473,9074,5880,4880,31
199574,0474,680,6180,36
199674,3574,6680,8080,35
199774,7775,1681,0680,55
199874,9675,1981,2080,69
199975,1975,3481,3380,45
200075,5975,5481,6780,58
200175,9175,881,9280,71
200276,1175,9981,9980,69
200376,2476,2481,9780,93
200476,8976,8782,6381,44
200577,0777,1982,7081,6
200677,4877,6383,0681,89
200777,6778,0183,1682,31
200877,8978,3283,1982,28
200978,1278,5383,3882,65
201078,4478,7783,6282,72
201178,7779,1883,8582,85
201278,8979,1483,8282,82
201379,1179,4183,9883,04
201479,4779,8784,2983,29
201579,2579,7384,0083,13
201679,5779,8884,3183,13
201779,6280,0684,2783,32
201879,7380,1684,3683,33
201980,4683,56
202079,6783,08
202179,6882,99
2022*80,1983,20
* Denemarken, Duitsland, Engeland en Wales, Finland, Frankrijk, Italië, Noorwegen, Spanje, Zweden en Zwitserland

Corona

In februari 2020 kreeg Nederland voor het eerst te maken met het coronavirus SARS-CoV-2 die de ziekte COVID-19 veroorzaakt. Een maand later waren de gevolgen al te zien in de sterfte. Het wekelijks aantal overledenen liep op van ruim 3 duizend begin maart naar ruim 5 duizend begin april. Een aantal weken nadat de eerste coronamaatregelen waren ingevoerd, daalde het aantal overledenen. Begin oktober 2020 begon de sterfte opnieuw toe te nemen. Die toename viel samen met de opkomende tweede golf van de coronapandemie. De sterfte over heel 2020 lag naar schatting 10 procent hoger dan als er geen coronapandemie was geweest (CBS, 29 januari 2021). De levensverwachting daalde naar 81,4 jaar, 0,7 jaar lager dan in 2019.

Ook in 2021 was de sterfte naar schatting 10 procent hoger dan verwacht als er geen coronapandemie was geweest (CBS, 26 januari 2022). Met name in het najaar liep de sterfte op en dit viel grotendeels samen met de sterfte aan COVID-19. De levensverwachting voor 2021 kwam, net als in 2020, uit op 81,4 jaar.

In het begin was er duidelijk meer oversterfte (relatief) te zien onder mannen, maar dit is in 2021 en met name in 2022 bijgetrokken. Voor iedere leeftijd is oversterfte te zien, maar in absolute aantallen is de bevolking van 65 jaar of ouder oververtegenwoordigd in de oversterfte (CBS, 4 november 2022).

Ook in andere landen wereldwijd was de levensverwachting in 2020 en 2021 lager dan gewoonlijk. Tegelijkertijd zijn de verschillen in levensverwachting tussen de landen vergroot. In een aantal West-Europese landen was de sterfte in 2021 weer op het niveau van voor de coronapandemie (Frankrijk, België, Zwitserland en Zweden) (Schöley et al., 2022).

Veronderstellingen corona

Bij het opstellen van de Kernprognose 2022–2070 is nog veel onzeker over het verdere verloop van de coronapandemie en over de impact van COVID-19 op de sterfte. Van COVID-19 kun je ernstig ziek worden, overlijden of langdurige klachten houden, maar net als in de Bevolkingsprognose 2020–2070 en de Kernprognose 2021–2070 wordt de aanname gemaakt dat er op de lange termijn geen blijvend effect zal zijn op de levensverwachting.

Deze aanname volgt uit eerder onderzoek waaruit blijkt dat het waarschijnlijk is dat de stijgende lijn in de levensverwachting op de langere termijn niet nadelig beïnvloed zal worden (Stoeldraijer, 2020b; Koninklijk Actuarieel Genootschap, 5 juli 2021; Schöley et al., 2022). Na eerdere perioden met hoge sterfte, zoals bij de Spaanse griep en de Tweede Wereldoorlog, was de levensverwachting weer snel terug op het oude niveau. Vervolgens zette de trend van vóór de periode met hoge sterfte door.

Directe en indirecte effecten van de coronapandemie op de sterfte zijn divers. Aan de positieve kant, wat de sterfte mogelijk verlaagt, zijn er het healthy survivor effect (ongezonde mensen overlijden eerder aan COVID-19 waardoor je een gemiddeld gezondere bevolking overhoudt), gezondere gewoontes (minder roken) en minder vervuilde lucht, de lessen die geleerd zijn op het gebied van volksgezondheid, nieuwe medische technologieën (zoals mRNA-vaccins) en wellicht op termijn meer geld naar gezondheid en sociale zekerheid. Duidelijk is wel dat behandelmethoden en medicijnen met betrekking tot COVID-19 zijn verbeterd sinds het begin van de pandemie en het is ook bewezen dat de vaccins effectief zijn (RIVM, 2021; CBS en RIVM, 2022), ook al sluiten de verbeteringen sterfte niet geheel uit. Sinds de omikronvariant is ook de ernst van het ziektebeeld afgenomen.

Aan de negatieve kant, wat tot hogere sterfte kan leiden, is het mogelijk dat mensen die al oud of ziek waren of corona hebben doorgemaakt, een achteruitgang in de gezond ervaren, nu of in de toekomst. Er is ook nog veel onduidelijk over de rol van risicofactoren en comorbiditeit (het hebben van één of meerdere aandoeningen) in relatie tot sterfte aan COVID-19. Nieuwe infectiegolven en/of nieuwe varianten kunnen opkomen. Daarnaast is nog veel onbekend over effecten op de sterfte die niet direct maar indirect door het virus worden veroorzaakt, zoals uitgestelde behandelingen en doktersbezoeken, en de economische situatie.

Hoewel het voorstelbaar is dat deze indirecte gevolgen een effect zouden kunnen hebben op de levensverwachting in de (nabije) toekomst, is het nog te vroeg om (al) deze mogelijkheden te kwantificeren.

Model voor de sterfte

Het CBS gebruikt voor de prognose van de sterftekansen een extrapolatiemodel: er wordt van uitgegaan dat de toekomstige trends een voortzetting zijn van de trends uit het verleden (Stoeldraijer, Van Duin en Janssen, 2013). In het model wordt niet alleen uitgegaan van de trends in Nederland, maar ook van de meer stabiele trends in andere West-Europese landen. Tijdelijke versnellingen en vertragingen die voorkomen in de Nederlandse trends, hebben zo een minder groot effect op de toekomstverwachtingen. Het model houdt ook rekening met het effect van rookgedrag op de sterfte, wat voor Nederland met name belangrijk is om de verschillen tussen mannen en vrouwen in sterftetrends goed te beschrijven.

Voor de Kernprognose 2022–2070 zijn geen extra waarnemingen voor de totale sterfte en longkankersterfte in Nederland meegenomen bij het schatten van de sterftetrend. De toekomstige sterftetrend is opnieuw geschat op de periode 1970-2019, net als in de Bevolkingsprognose 2020–2070 en in de Kernprognose 2021–2070. De West-Europese sterftedata bevatten opnieuw de gegevens tot en met 2018. De modeluitkomsten van de sterftekansen voor Nederland worden geëxtrapoleerd vanaf het gemiddelde niveau in 2018 en 2019.

Vanwege de hogere sterfte door COVID-19 in 2020 en in 2021 worden de sterftecijfers van 2020 en 2021 niet gebruikt in het model om de langetermijntrend te bepalen.

Voor de eerstkomende jaren is het waarschijnlijk dat de coronapandemie tot meer sterfte leidt, maar in mindere mate dan in de afgelopen 2,5 jaar. Op de korte termijn zal de levensverwachting daarom worden aangepast. Vanwege de overeenkomst tussen het leeftijdspatroon van de COVID-19-sterfte en alle andere doodsoorzaken (Bauer, Brugger, König en Posch, 2021) worden de sterftekansen uit het extrapolatiemodel voor mannen en vrouwen over alle leeftijden met dezelfde factor verhoogd. Vanaf 2028 zijn de sterftekansen gelijk aan de sterftekansen uit het geëxtrapoleerde model. In de tussenliggende jaren wordt een exponentieel verloop voorzien.

Toekomstige ontwikkeling van de sterfte

De langetermijnontwikkeling in deze Kernprognose 2022–2070 zal nagenoeg gelijk zijn aan de langetermijnontwikkeling in de Bevolkingsprognose 2020–2070 en de Kernprognose 2021–2070. Op de korte termijn wordt een toename naar deze langetermijnontwikkeling verondersteld. De raming van de levensverwachting in 2022 komt uit op 80,2 jaar voor mannen en op 83,2 jaar voor vrouwen.

3.2.2a Periode-levensverwachting mannen
 WaarnemingModelPrognose 2022-2070Prognose-interval (95%)Prognose-interval (67%)
198072,5
198172,7
198272,7
198372,9
198473,0
198573,1
198673,1
198773,5
198873,7
198973,7
199073,8
199174,1
199274,3
199374,0
199474,6
199574,6
199674,7
199775,2
199875,2
199975,3
200075,5
200175,8
200276,0
200376,2
200476,9
200577,2
200677,6
200778,0
200878,3
200978,5
201078,8
201179,2
201279,1
201379,4
201479,9
201579,7
201679,9
201780,1
201880,2
201980,5
202079,780,6
202179,780,8
202280,280,980,279,4 – 81,079,8 – 80,6
202381,080,779,6 – 81,880,2 – 81,2
202481,281,079,7 – 82,480,4 – 81,7
202581,481,379,7 – 82,880,5 – 82,0
202681,581,579,8 – 83,280,6 – 82,3
202781,781,779,8 – 83,680,8 – 82,6
202881,981,979,8 – 83,980,9 – 82,9
202982,082,079,8 – 84,280,9 – 83,1
203082,282,279,9 – 84,581,0 – 83,3
203182,382,379,9 – 84,881,1 – 83,5
203282,582,579,9 – 85,081,2 – 83,8
203382,682,680,0 – 85,381,3 – 84,0
203482,882,880,0 – 85,681,4 – 84,2
203582,982,980,1 – 85,881,5 – 84,4
203683,183,180,1 – 86,181,6 – 84,6
203783,283,280,2 – 86,381,7 – 84,8
203883,483,480,2 – 86,681,8 – 85,0
203983,583,580,3 – 86,881,9 – 85,2
204083,783,780,3 – 87,082,0 – 85,3
204183,883,880,4 – 87,382,1 – 85,5
204284,084,080,4 – 87,582,2 – 85,7
204384,184,180,5 – 87,782,3 – 85,9
204484,384,380,6 – 87,982,4 – 86,1
204584,484,480,6 – 88,282,5 – 86,3
204684,584,580,7 – 88,482,6 – 86,4
204784,784,780,7 – 88,682,7 – 86,6
204884,884,880,8 – 88,882,8 – 86,8
204984,984,980,9 – 89,082,9 – 87,0
205085,185,180,9 – 89,283,0 – 87,1
205185,285,281,0 – 89,483,1 – 87,3
205285,385,381,1 – 89,683,2 – 87,5
205385,585,581,1 – 89,883,3 – 87,6
205485,685,681,2 – 90,083,4 – 87,8
205585,785,781,2 – 90,283,5 – 88,0
205685,985,981,3 – 90,483,6 – 88,1
205786,086,081,4 – 90,683,7 – 88,3
205886,186,181,4 – 90,883,8 – 88,4
205986,286,281,5 – 91,083,9 – 88,6
206086,486,481,6 – 91,284,0 – 88,7
206186,586,581,6 – 91,484,1 – 88,9
206286,686,681,7 – 91,584,2 – 89,1
206386,786,781,7 – 91,784,3 – 89,2
206486,986,981,8 – 91,984,4 – 89,4
206587,087,081,9 – 92,184,4 – 89,5
206687,187,181,9 – 92,384,5 – 89,7
206787,287,282,0 – 92,484,6 – 89,8
206887,387,382,0 – 92,684,7 – 89,9
206987,487,482,1 – 92,884,8 – 90,1
207087,687,682,2 – 92,984,9 – 90,2

3.2.2b Periode-levensverwachting vrouwen
 WaarnemingModelPrognose 2022-2070Prognose-interval (95%)Prognose-interval (67%)
198079,2
198179,3
198279,4
198379,6
198479,7
198579,7
198679,6
198780,1
198880,2
198979,9
199080,1
199180,2
199280,3
199380,0
199480,3
199580,4
199680,4
199780,6
199880,7
199980,5
200080,6
200180,7
200280,7
200380,9
200481,4
200581,6
200681,9
200782,3
200882,3
200982,7
201082,7
201182,9
201282,8
201383,0
201483,3
201583,1
201683,1
201783,3
201883,3
201983,6
202083,183,7
202183,083,9
202283,284,183,282,4 – 84,082,8 – 83,6
202384,383,882,7 – 84,983,3 – 84,4
202484,484,282,9 – 85,583,6 – 84,9
202584,684,582,9 – 86,083,7 – 85,2
202684,784,783,0 – 86,483,8 – 85,5
202784,984,983,0 – 86,883,9 – 85,8
202885,185,183,0 – 87,184,1 – 86,1
202985,285,283,1 – 87,484,2 – 86,3
203085,485,483,1 – 87,784,3 – 86,5
203185,685,683,1 – 88,084,4 – 86,8
203285,785,783,2 – 88,384,5 – 87,0
203385,985,983,2 – 88,684,6 – 87,2
203486,186,183,3 – 88,884,7 – 87,4
203586,286,283,4 – 89,184,8 – 87,7
203686,486,483,4 – 89,484,9 – 87,9
203786,686,683,5 – 89,685,0 – 88,1
203886,786,783,6 – 89,985,2 – 88,3
203986,986,983,6 – 90,285,3 – 88,5
204087,087,083,7 – 90,485,4 – 88,7
204187,287,283,8 – 90,685,5 – 88,9
204287,387,483,8 – 90,985,6 – 89,1
204387,587,583,9 – 91,185,7 – 89,3
204487,687,784,0 – 91,385,8 – 89,5
204587,887,884,0 – 91,685,9 – 89,7
204687,987,984,1 – 91,886,0 – 89,9
204788,188,184,2 – 92,086,1 – 90,0
204888,288,284,2 – 92,286,3 – 90,2
204988,488,484,3 – 92,586,4 – 90,4
205088,588,584,4 – 92,786,5 – 90,6
205188,688,784,4 – 92,986,6 – 90,7
205288,888,884,5 – 93,186,7 – 90,9
205388,988,984,6 – 93,386,8 – 91,1
205489,189,184,6 – 93,586,9 – 91,2
205589,289,284,7 – 93,787,0 – 91,4
205689,389,384,8 – 93,987,1 – 91,6
205789,489,484,8 – 94,187,2 – 91,7
205889,689,684,9 – 94,387,3 – 91,9
205989,789,785,0 – 94,487,3 – 92,0
206089,889,885,0 – 94,687,4 – 92,2
206189,989,985,1 – 94,887,5 – 92,4
206290,190,185,1 – 95,087,6 – 92,5
206390,290,285,2 – 95,287,7 – 92,7
206490,390,385,3 – 95,487,8 – 92,8
206590,490,485,3 – 95,587,9 – 92,9
206690,590,585,4 – 95,788,0 – 93,1
206790,690,785,4 – 95,988,1 – 93,2
206890,890,885,5 – 96,088,1 – 93,4
206990,990,985,5 – 96,288,2 – 93,5
207091,091,085,6 – 96,488,3 – 93,7
  

Het aantal overledenen neemt geleidelijk toe, tot een maximum van 211 duizend rond 2055. Ten opzichte van de Kernprognose 2021–2070 ligt het aantal overledenen de eerstkomende jaren wat hoger, maar vanaf 2025 zijn de verschillen beperkt.

3.2.3 Overledenen
 WaarnemingPrognose 2021-2070Prognose 2022-2070Prognose-interval (95%)Prognose-interval (67%)
1980114,279
1981115,515
1982117,264
1983117,761
1984119,812
1985122,704
1986125,307
1987122,199
1988124,163
1989128,905
1990128,824
1991129,958
1992129,821
1993137,795
1994133,471
1995135,675
1996137,561
1997135,783
1998137,482
1999140,487
2000140,527
2001140,377
2002142,355
2003141,936
2004136,553
2005136,402
2006135,372
2007133,022
2008135,136
2009134,235
2010136,058
2011135,741
2012140,813
2013141,245
2014139,223
2015147,134
2016148,997
2017150,214
2018153,363
2019151,885
2020168,678
2021170,972168,099
2022169,385158,446169,385156,212 – 183,485162,836 – 176,402
2023157,455163,456146,445 – 182,615155,016 – 172,589
2024159,725161,864141,664 – 185,062152,067 – 172,949
2025162,023162,326139,529 – 189,216151,408 – 174,55
2026164,364163,811139,228 – 193,276151,845 – 177,201
2027166,756165,835140,173 – 197,507152,861 – 180,044
2028169,206167,939141,046 – 200,282154,14 – 183,221
2029171,715170,578142,241 – 204,16156,273 – 186,753
2030174,267173,249143,157 – 208,164158,522 – 190,138
2031176,846175,939145,23 – 212,957160,733 – 193,543
2032179,424178,62147,485 – 216,618162,728 – 196,574
2033181,975181,266149,532 – 219,979164,555 – 199,666
2034184,472183,873150,835 – 222,69166,488 – 202,733
2035186,895186,354152,038 – 226,433168,452 – 205,985
2036189,217188,752153,26 – 230,356170,319 – 209,019
2037191,42191,026154,696 – 233,807172,439 – 211,517
2038193,483193,156156,16 – 237,003174,751 – 213,957
2039