Schaalvergroting melkveehouderij maakt pas op de plaats

30-11-2017 10:30
De schaalvergroting in de landbouw lijkt in een aantal sectoren te stagneren. Zo werden doorsnee melkvee- en akkerbouwbedrijven in 2017 niet of nauwelijks groter vergeleken met de jaren daarvoor. In de varkenshouderij is nog wel sprake van schaalvergroting. Dit blijkt uit de nieuwe Landbouwtelling van het CBS.


Het gemiddeld aantal melkkoeien per bedrijf bij de melkveebedrijven steeg van 56 in 2000 tot 101 in 2016, maar kwam dit jaar weer net onder de 100 uit. Het aantal varkens op een doorsnee varkensbedrijf steeg in de periode 2000-2017 tot 3 827 dieren. Dit is een toename van ongeveer 135 varkens per jaar.

Ook het doorsnee akkerbouwbedrijf werd iets groter. In 2017 bewerkte een akkerbouwer gemiddeld 42 hectare, dit was in 2000 nog 33 hectare. Deze opschaling voltrok zich vooral in de jaren 2000-2007. In deze jaren groeide de gemiddelde bedrijfsgrootte met bijna 1 hectare per jaar tot 38 hectare in 2007.

Standaardopbrengst varkensbedrijf verdrievoudigd

De gemiddelde standaardopbrengst van een varkensbedrijf kwam in 2017 uit op ruim 900 duizend euro, drie keer zo veel als in het jaar 2000. De standaardopbrengst van een doorsnee melkveehouder verdubbelde in deze periode tot ruim 400 duizend euro.
De gemiddelde standaardopbrengst in de akkerbouw kwam in 2017 uit op 181 duizend euro.

De standaardopbrengst is een maat voor de economische omvang van agrarische bedrijven, die wordt gedefinieerd door de Europese Commissie. Deze normering wordt 3 keer per 10 jaar opnieuw vastgesteld. Een nieuwe normering heeft invloed op de standaardopbrengst.

Geen specialisatie meer in de veehouderij en akkerbouw

Melkveebedrijven hebben zich de laatste jaren niet verder gespecialiseerd. In deze sector stokte de specialisatiegraad op 81 procent. De specialisatiegraad van een sector is berekend door de standaardopbrengst die bedrijven uit die sector halen uit hun kernactiviteit, te delen door de standaardopbrengst die alle bedrijven samen uit die activiteit halen. In de varkenshouderij is de kernactiviteit het houden van varkens, in de melkveehouderij is dat het houden van melkvee. De specialisatie in de varkenshouderij en melkveehouderij lijkt voltooid, omdat de standaardopbrengst uit de kernactiviteit niet meer toeneemt. In de varkenshouderij is de laatste drie jaar de specialisatiegraad op 91 procent blijven steken.

In de akkerbouw is zelfs sprake van diversificatie, een afname van de specialisatiegraad. De specialisatiegraad in deze sector daalde de laatste drie jaar van 76 procent naar 73 procent. Dit betekent dat op de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven een kleiner deel van de standaardopbrengst is gehaald uit akkerbouwactiviteiten op gespecialiseerde akkerbouwbedrijven .

Verbredingsactiviteiten bij een derde van de bedrijven

In 2016 vonden op bijna een derde van de agrarische bedrijven verbredingsactiviteiten plaats. De meest voorkomende activiteit was verkoop aan huis (7 procent van de bedrijven), gevolgd door agrarisch landschaps- en natuurbeheer(6 procent).

De verbredingsactiviteiten die uitgevoerd worden verschillen sterk per sector. Bij de melkveebedrijven scoort het agrarisch landschaps- en natuurbeheer met 19 procent van alle activiteiten het hoogst, op akkerbouwbedrijven is dat het loonwerk voor derden (12 procent) en op varkensbedrijven is dit de duurzame energieproductie voor eigen gebruik (4 procent).

Het deelnemen van agrarische bedrijven aan verbreding verschilt per sterk per sector. Bij de melkveebedrijven neemt 35 procent van de bedrijven deel aan verbredingsactiviteiten, bij de akkerbouwbedrijven gaat het om 28 procent en bij de varkensbedrijven is dit 12 procent van de bedrijven.

Opbrengst verbreding veelal gering

De bijdrage van verbredingsactiviteiten aan de totale opbrengst van agrarische bedrijven is meestal klein. Voor 62 procent van alle bedrijven met verbreding is de bijdrage van de verbreding aan de totale opbrengst van het bedrijf minder dan 10 procent. Bij 80 procent van de melkveebedrijven, bij 69 procent van de varkenshouderijen en bij 55 procent van de akkerbouwbedrijven dragen de verbredingsactiviteiten voor minder dan 10 procent bij aan de totale opbrengst.

Vooral familieleden werken ook buiten bedrijf

Boeren op agrarische familiebedrijven hebben vaak een baan naast het bedrijf. Op bijna de helft van de agrarische familiebedrijven hebben het bedrijfshoofd en/of de meewerkende familieleden een baan buiten het bedrijf. Van deze bedrijven heeft 23 procent een bedrijfshoofd met een baan buiten het bedrijf, 31 procent heeft een of meer meewerkende familieleden met een baan buiten het bedrijf.

Wel zijn de verschillen binnen de agrarische sector flink. Op 30 procent van de akkerbouwbedrijven heeft het bedrijfshoofd een baan buiten het bedrijf. Bij de melkveebedrijven is dit 12 procent en bij de varkensbedrijven 25 procent. Op 27 procent van de akkerbouwbedrijven hebben meewerkende familieleden een baan. Op 39 procent van de melkveebedrijven en op 28 procent van de varkensbedrijven is dit ook het geval.

In het algemeen geldt dat bedrijfshoofden van de kleinere bedrijven er vaker een baan bij hebben dan de hoofden van grotere bedrijven. En voor meewerkende familieleden geldt, omgekeerd, dat zij er op grotere bedrijven vaker een baan bij hebben dan op kleinere bedrijven.