Auteur: Lenny Stoeldraijer, Peteke Feijten, Coen van Duin

Bevolkingsprognose 2023-2070: minder geboorten, meer migratie

Over deze publicatie

Dit artikel beschrijft de uitkomsten en veronderstellingen van de Bevolkingsprognose 2023–2070 die in december 2023 is gepubliceerd. Het gaat om een nieuwe prognose voor de bevolking naar leeftijd, geslacht en herkomst. Ten opzichte van de vorige prognose zijn aanpassingen gedaan aan de veronderstellingen voor geboorte, sterfte en migratie.

Volgens de Bevolkingsprognose 2023–2070 van het CBS groeit de Nederlandse bevolking van 17,8 miljoen inwoners eind 2023 naar 20,6 miljoen in 2070. Internationale migratie speelt een belangrijke rol bij de toekomstige bevolkingsgroei. De bevolking in 2070 is ouder dan de huidige bevolking en ook diverser, meer inwoners zijn zelf in het buitenland geboren of hebben in het buitenland geboren ouders.

De verwachte bevolkingsgroei is voor de komende jaren groter dan volgens de prognose uit 2020. In 2070 is de verwachte bevolkingsomvang daardoor 191 duizend groter. De komende jaren worden er minder kinderen geboren dan eerder was verwacht en zal het migratiesaldo met name in de eerste jaren van de prognoseperiode hoger liggen.

1. Inleiding

De Bevolkingsprognose beoogt de meest waarschijnlijke toekomstige ontwikkeling van de bevolking in Nederland te beschrijven. Het CBS gebruikt hiervoor een simulatiemodel waarbij op onderzoek gebaseerde veronderstellingen over geboorte, sterfte, immigratie en emigratie als basis dienen. De prognosecijfers zijn met onzekerheden omgeven. Zo kan het aantal migranten van jaar op jaar sterk fluctueren. Ook is niet zeker of de stijging van de levensverwachting in de toekomst in hetzelfde tempo door zal zetten en of Nederlanders een voorkeur voor gezinnen met twee kinderen blijven houden.

De Bevolkingsprognose 2023–2070 is een actualisatie van de Bevolkingsprognose 2020–2070 die in december 2020 is gepubliceerd (Stoeldraijer, De Regt, Van Duin, Huisman & Te Riele, 2020). In de tussenliggende periode heeft de coronapandemie een grote invloed op de Nederlandse samenleving gehad. Ook de bevolkingsontwikkeling werd erdoor geraakt: meer mensen overleden en minder mensen migreerden. Dit laatste vanwege economische veranderingen, reisrestricties en onzekerheden. In 2022 begon de oorlog in Oekraïne wat tot meer migratie uit die regio leidde. Op basis van deze ontwikkelingen zijn de veronderstellingen over geboorte, sterfte en migratie aangepast. Daarnaast is het CBS in 2022 overgegaan op een andere manier van publiceren over wat tot dan toe migratieachtergrond werd genoemd. Dat is in deze prognose ook aangepast.

1.1 Belangrijke verandering ten opzichte van de vorige prognoses

Voor de demografische prognoses werkt het CBS met een driejaarlijkse publicatiecyclus. In december 2020 werd de Bevolkingsprognose 2020–2070 gepubliceerd, een nieuwe prognose voor de bevolking naar leeftijd, geslacht en migratieachtergrond (Stoeldraijer, De Regt, Van Duin, Huisman & Te Riele, 2020). In december 2021 werd de Kernprognose 2021–2070 gepubliceerd (Stoeldraijer, Van Duin, De Regt, Van der Reijden & Te Riele, 2021). Dit was een update van de Bevolkingsprognose 2020–2070, waarbij de bevolking niet naar migratieachtergrond is onderscheiden. Tegelijkertijd met de Kernprognose 2021–2070 werd de Huishoudensprognose 2022–2070 gepubliceerd, een prognose van de toekomstige huishoudenssamenstelling van de bevolking (Stoeldraijer, Te Riele, Van Duin & Van der Reijden, 2021). In december 2022 werd de Kernprognose 2022–2070 gepubliceerd (Stoeldraijer, Van Duin, Nicolaas & Huisman, 2022), opnieuw een update van de Bevolkingsprognose 2020–2070 waarbij de bevolking niet naar migratieachtergrond is onderscheiden.

Op basis van recente ontwikkelingen en meer kennis over het verleden worden de prognoses regelmatig aangepast om beter aan te sluiten bij de werkelijkheid. De Bevolkingsprognose 2023–2070 is op een belangrijk punt aangepast ten opzichte van de Bevolkingsprognose 2020–2070. Dat zal hierna worden toegelicht.

Herkomst in plaats van migratieachtergrond

In 2022 is het CBS overgegaan op een andere manier van publiceren over wat tot dan toe de bevolking met een eerste- of tweede generatie, en westerse en niet-westerse migratieachtergrond werd genoemd (CBS, 2022a). Het land waar iemand zelf is geboren, is hierin meer bepalend voor de herkomst dan voorheen. Daarnaast is de hoofdindeling westers/niet-westers vervangen door een indeling op basis van werelddelen en veelvoorkomende immigratielanden. Naast de gewijzigde indeling is er ook een verandering in terminologie doorgevoerd. De termen ‘westers’ en ‘niet-westers’ worden niet meer gebruikt, de term ‘migratieachtergrond’ wordt vervangen door ‘herkomst(land)’ en in plaats van ‘eerstegeneratiemigranten’ spreken we over ‘migranten’ (in het buitenland geboren personen). De term ‘tweede generatie’ (in combinatie met ‘geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in het buitenland’) blijft gehandhaafd.

Deze veranderingen zijn ook van invloed op de Bevolkingsprognose en hebben geleid tot een nieuwe indeling van landen naar herkomstgroepen die in de Bevolkingsprognose 2023–2070 is toegepast. Bij de Bevolkingsprognose 2023–2070 zijn de volgende groepen onderscheiden (zie bijlage 1 voor meer detail):

  1. West-Europese landen in de Europese Unie (EU)
  2. Midden- en Oost-Europese landen in de EU (lidstaten toegetreden in 2004 en later)
  3. Overig Europa (exclusief EU en Turkije)
  4. Turkije
  5. Marokko
  6. Nederlandse Cariben (Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
  7. Indonesië
  8. Suriname
  9. Afrika (exclusief Marokko)
  10. Aziatisch Midden-Oosten
  11. Oostelijk Azië (exclusief Indonesië)
  12. Latijns-Amerika (exclusief Suriname en Nederlandse Cariben)
  13. Noord-Amerika en Oceanië
  14. Nederlandse herkomst

De belangrijkste veranderingen in de nieuwe ten opzichte van de oude indeling zijn (1) de verschuiving van het Verenigd Koninkrijk van EU naar Overig Europa, (2) de verschuiving van Japan van Noord-Amerika en Oceanië naar Oostelijk Azië, en (3) de verschuiving van acht voormalige Sovjetrepublieken (Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Kazachstan, Kirgizië, Oezbekistan, Tadzjikistan en Turkmenistan) van Overig Europa naar Aziatisch Midden-Oosten. Daarnaast krijgen mensen die in het buitenland geboren zijn en twee in Nederland geboren ouders hebben (bijvoorbeeld expats of Nederlanders die in de grensregio’s België of Duitsland wonen), in de nieuwe indeling een herkomst buiten Nederland, terwijl zij in de oude indeling een Nederlandse achtergrond hadden. Dit betreft minder dan 1 procent van de totale bevolking van Nederland.

2. Belangrijkste uitkomsten

In maart 2016 passeerde het inwonertal van Nederland de 17 miljoen. De grens van 18 miljoen inwoners wordt volgens de huidige inzichten in de eerste helft van 2024 gepasseerd. In 2037 zal naar alle waarschijnlijkheid de grens van 19 miljoen worden overschreven; in 2058 telt Nederland naar verwachting 20 miljoen inwoners.

De Bevolkingsprognose 2023–2070 beoogt de meest waarschijnlijke toekomstige ontwikkeling te beschrijven, rekening houdend met recente ontwikkelingen en huidige inzichten. De cijfers zijn echter met onzekerheden omgeven. Zo is de ontwikkeling van de immigratie onvoorspelbaar en kan deze van jaar op jaar sterk verschillen, zoals de afgelopen jaren is gebleken tijdens de coronapandemie en de oorlog in Oekraïne. Ook is niet zeker of de stijging van de levensduur in de toekomst in hetzelfde tempo door zal zetten en of Nederlanders een voorkeur voor twee-kindgezinnen blijven houden. Het CBS schat daarom onzekerheidsintervallen rond haar prognosecijfers. Ook wanneer rekening wordt gehouden met de onzekerheidsintervallen is zeer waarschijnlijk dat het inwonertal de komende jaren verder zal toenemen. Op langere termijn is zowel verdere groei als krimp mogelijk. In 2070 zal het inwonertal waarschijnlijk tussen de 18,9 en 22,3 miljoen liggen (67 procent prognose-interval) en zeer waarschijnlijk tussen de 17,6 en 24,0 miljoen (95 procent prognose-interval).

Op 1 januari 2023 woonden in Nederland 17,8 miljoen mensen, 161 duizend personen meer dan volgens de Bevolkingsprognose uit 2020 werd verwacht (Stoeldraijer, De Regt, Van Duin, Huisman & Te Riele, 2020). De bijstellingen ten opzichte van de Bevolkingsprognose 2020–2070 betekenen dat in 2025 in Nederland 203 duizend inwoners meer verwacht worden. Tien jaar later loopt het verschil af tot 87 duizend, om vervolgens weer op te lopen tot 233 duizend rond 2057. In 2070 worden 191 duizend inwoners meer verwacht dan in de vorige prognose.

2.0.1 Totale bevolking
JaarWaarnemingPrognose 2020-2070Prognose 2022-2070Prognose 2023-2070Prognose-interval (95%)Prognose-interval (67%)
198014,091
198114,209
198214,286
198314,34
198414,395
198514,454
198614,529
198714,615
198814,715
198914,805
199014,893
199115,01
199215,129
199315,239
199415,342
199515,424
199615,494
199715,567
199815,654
199915,76
200015,864
200115,987
200216,105
200316,193
200416,258
200516,306
200616,334
200716,358
200816,405
200916,486
201016,575
201116,656
201216,73
201316,78
201416,829
201516,901
201616,979
201717,082
201817,181
201917,282
202017,408
202117,47517,471
202217,59117,544
202317,81117,6517,817
202417,95117,7617,99917,95117,904 – 17,99617,929 – 17,974
202517,86618,1318,06917,966 – 18,16518,017 – 18,121
202617,9718,24118,17118,005 – 18,33218,089 – 18,255
202718,06918,3318,25618,019 – 18,48518,142 – 18,37
202818,16718,41818,33318,017 – 18,62718,181 – 18,483
202918,26218,50618,40218,012 – 18,75418,211 – 18,59
203018,35418,59318,47518,004 – 18,90418,256 – 18,692
203118,44218,67918,54818,009 – 19,08818,287 – 18,803
203218,52818,76318,62318,018 – 19,25218,33 – 18,918
203318,60918,84618,69818,003 – 19,41218,376 – 19,022
203418,68618,92718,77317,993 – 19,57218,423 – 19,132
203518,75919,00518,84718,017 – 19,71218,445 – 19,218
203618,82919,08218,91918,02 – 19,86818,493 – 19,345
203718,89619,15418,98918,032 – 19,98518,53 – 19,456
203818,95819,22319,05818,056 – 20,10218,545 – 19,562
203919,01719,28719,12318,05 – 20,23918,578 – 19,656
204019,07219,34819,18618,041 – 20,38918,601 – 19,773
204119,12419,40519,24618,022 – 20,55818,631 – 19,883
204219,17319,45819,30417,978 – 20,64218,664 – 19,974
204319,21919,50819,35817,986 – 20,78818,666 – 20,07
204419,26219,55519,41117,99 – 20,93118,682 – 20,149
204519,30419,59919,46117,966 – 21,0718,69 – 20,232
204619,34319,64119,50917,968 – 21,21718,669 – 20,305
204719,3819,68119,55617,929 – 21,37418,68 – 20,376
204819,41519,71819,617,916 – 21,48818,694 – 20,473
204919,44919,75519,64317,875 – 21,59118,693 – 20,551
205019,48219,78919,68417,854 – 21,68118,701 – 20,625
205119,51419,82319,72317,845 – 21,72518,699 – 20,678
205219,54519,85619,76117,845 – 21,8318,689 – 20,752
205319,57619,88819,79817,828 – 22,00218,693 – 20,835
205419,60719,92119,83417,781 – 22,06218,702 – 20,909
205519,63919,95419,8717,761 – 22,18818,7 – 20,987
205619,67319,98919,90517,741 – 22,25218,693 – 21,029
205719,70820,02519,94117,73 – 22,37418,697 – 21,11
205819,74620,06419,97817,748 – 22,4718,704 – 21,182
205919,78720,10520,01617,697 – 22,53718,712 – 21,238
206019,8320,14920,05517,666 – 22,62218,716 – 21,328
206119,87720,19620,09717,639 – 22,78118,723 – 21,407
206219,92720,24620,14217,633 – 22,92318,714 – 21,485
206319,9820,320,18917,61 – 23,01118,737 – 21,572
206420,03620,35720,2417,577 – 23,12418,748 – 21,657
206520,09520,41620,29517,553 – 23,27518,748 – 21,748
206620,15720,47920,35317,53 – 23,38818,76 – 21,817
206720,22120,54420,41417,513 – 23,56418,788 – 21,937
206820,28720,61120,47817,541 – 23,71618,801 – 22,055
206920,35520,67920,54517,561 – 23,88118,845 – 22,167
207020,42320,74920,61417,569 – 24,01518,895 – 22,266

De bevolking groeit al een aantal jaren relatief snel. Tussen 2013 en 2016 verdubbelde het aantal inwoners dat er jaarlijks bij kwam van 50 duizend tot 102 duizend. In 2019 volgde een verdere stijging en kwamen er 126 duizend inwoners bij. De groei kwam grotendeels doordat meer mensen naar Nederland immigreerden. Tussen 2013 en 2016 leverde de asielmigratie hieraan een belangrijke bijdrage, maar ook de immigratie uit andere Europese landen en de immigratie van mensen met een Nederlandse achtergrond nam toe. Vanaf 2016 daalde het aantal asielmigranten dat naar Nederland kwam, maar het totale aantal immigranten bleef toenemen. In 2018 immigreerden 244 duizend mensen, in 2019 zelfs 269 duizend. Tegelijkertijd nam ook de emigratie toe, maar minder sterk. In 2019 emigreerden 161 duizend mensen. Het aantal levend geboren kinderen bleef in de periode 2013-2019 op een relatief laag niveau; jaarlijks werden bijna 170 duizend kinderen geboren. Het aantal overledenen nam licht toe, van zo’n 140 duizend tot 152 duizend. De bijdrage van het geboorteoverschot aan de totale bevolkingsgroei nam daardoor af.

Als gevolg van de coronapandemie daalde in 2020 de bevolkingsgroei naar 68 duizend. Vooral de immigratie nam af, maar ook de emigratie daalde en het aantal overledenen nam toe. In 2021 trok de immigratie weer aan en was er bovendien sprake van een kleine geboortegolf. De bevolking groeide in dat jaar met 116 duizend. In 2022 begon de oorlog in Oekraïne waardoor immigratie uit die regio volgde. De bevolking groeide in 2022 met 221 duizend inwoners. Naast de immigratie van Oekraïense vluchtelingen nam ook de immigratie uit andere delen van de wereld verder toe. Het aantal geboorten lag weer lager dan in 2021 en de emigratie nam toe. Het aantal overledenen bleef ongeveer gelijk.

De verwachting is dat de bevolking ook in de toekomst blijft groeien doordat gemiddeld meer mensen immigreren dan emigreren. Het aantal kinderen dat de komende jaren geboren zal worden, ligt naar verwachting eerst een paar jaar lager dan het aantal overledenen en vanaf 2028 hoger. Hierdoor groeit de bevolking vanaf 2028 ook. Doordat het aantal overledenen jaarlijks toeneemt, ligt het aantal overledenen vanaf 2040 hoger dan het aantal kinderen dat geboren wordt. Na 2055 daalt het jaarlijks aantal overledenen weer. Vanaf 2065 worden weer meer kinderen geboren dan dat er mensen overlijden.

2.0.2 Bevolkingsontwikkeling
 Levend geboren kinderen (x 1 000)Overledenen (x 1 000)Immigratie (x 1 000)Emigratie (x 1 000)Bevolkingsgroei (x 1 000)Levend geboren kinderen (prognose) (x 1 000)Overledenen (prognose) (x 1 000)Immigratie (prognose) (x 1 000)Emigratie (prognose) (x 1 000)Bevolkingsgroei (prognose) (x 1 000)
2000206,6140,5132,979123,1
2001202,6140,4133,482,6118,2
2002202,1142,4121,396,987,3
2003200,3141,9104,5104,865,5
2004194136,694110,247,5
2005187,9136,492,3119,728,7
2006185,1135,4101,2132,523,8
2007181,3133116,8122,647,4
2008184,6135,1143,5117,880,4
2009184,9134,2146,4111,989,2
2010184,4136,1154,4121,480,8
2011180,1135,7163133,274,5
2012176140,8158,4144,549,2
2013171,3141,2164,8145,749,7
2014175,2139,2182,9147,971,4
2015170,5147,1204,6149,578,4
2016172,5149230,7151,5102,4
2017169,8150,2235154,399,6
2018168,5153,4243,7157,4101,1
2019169,7151,9269,1161125,8
2020168,7168,7220,9152,568,4
2021179,4171252,5145,3115,7
2022167,5170,1403,1179,3221,2
2023164,9169,3336,9192,5140164,9169,3336,9192,5140
2024165,3169,5323,3201,2117,8
2025166,1169,9314,6209,5101,3
2026168170,6305,3217,685,1
2027170,9171,4305,5227,877,2
2028174,3172,4306238,469,4
2029178,5173,6307,8240,372,3
2030182,8176,1308,7241,773,7
2031186,5178,7309,7242,774,8
2032189,7181,2310,2243,375,3
2033192,3183,7309,8243,474,9
2034194,6186,2309,1244,173,4
2035196,4188,6309,3244,972,3
2036197,7190,8309,4245,870,5
2037198,5193309,4246,768,2
2038198,7195309,4247,565,6
2039198,3196,8309,5248,262,8
2040197,8198,5309,6248,960,1
2041197,2200309,6249,457,4
2042196,4201,3309,7249,954,9
2043195,6202,5309,8250,452,5
2044194,8203,6309,9250,850,3
2045194,1204,6309,9251,248,1
2046193,3205,5309,9251,546,2
2047192,6206,3309,9251,844,3
2048191,9207,2310252,142,6
2049191,4208,1310252,341
2050190,9208,9310252,539,5
2051190,6209,7310252,838,1
2052190,3210,4310,1253,136,9
2053190,2210,9310,1253,336,1
2054190,2211,2310,1253,535,6
2055190,4211,3310,1253,835,5
2056190,8211,1310,225435,8
2057191,4210,7310,2254,336,6
2058192,2210,1310,3254,637,9
2059193,3209,1310,4254,939,7
2060194,5208310,5255,241,9
2061196206,6310,6255,544,6
2062197,7205310,7255,747,7
2063199,5203,3310,925651
2064201,3201,5311256,354,5
2065203199,7311,1256,557,9
2066204,7197,9311,2256,861,2
2067206,2196,2311,325764,3
2068207,5194,8311,4257,366,9
2069208,6193,5311,5257,569,1
2070209,5192,6311,6257,770,8

3. Veronderstellingen

De demografische prognose van het CBS beschrijft de verwachte ontwikkeling van de Nederlandse bevolking in de toekomst. Deze wordt berekend met het cohort-componentmodel. Dit is een simulatiemodel waarbij de bevolking aan het eind van het jaar wordt bepaald door geboorte, sterfte, migratie en veroudering te verrekenen met de bevolking aan het begin van het jaar. Door dit van jaar op jaar te doen, kan steeds verder vooruit worden gekeken. Input voor het model zijn kansen die bepalen hoeveel vrouwen gedurende het jaar een kind krijgen, hoeveel mensen zullen emigreren en hoeveel mensen zullen sterven. Daarnaast dienen immigratieaantallen als input.

Om over input voor het model te kunnen beschikken, moeten veronderstellingen worden geformuleerd over het toekomstige kindertal, de levensduur en de omvang en richting van de internationale migratiestromen. Deze veronderstellingen worden gemaakt op basis van ontwikkelingen die in het (recente) verleden hebben plaatsgevonden. Analyseren van demografische ontwikkelingen is daarom een belangrijk onderdeel van het maken van een prognose. Dit hoofdstuk beschrijft de veronderstellingen voor geboorte, sterfte, immigratie en emigratie die gebruikt zijn voor de Bevolkingsprognose 2023–2070.

In de Bevolkingsprognose wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met alle factoren die van invloed zijn op de bevolkingsontwikkeling. Echter, dit is niet altijd mogelijk. Hoewel er brede consensus is dat klimaatverandering effecten op menselijk leven zal hebben (IPCC, 2022; Mackenbach, 2023), is er nog weinig empirische basis om vast te stellen hoe dit geboorte, sterfte en migratie zal beïnvloeden. De impact van klimaatverandering op demografie is een relatief nieuw fenomeen en daarom zijn in historische cijfers over geboorte, sterfte en migratie eventuele klimaateffecten lastig te zien of te onderscheiden van andere ontwikkelingen. Dit geldt zeker voor Noord-Europese landen zoals Nederland, die in gematigde klimaatzones liggen en meer middelen hebben om maatregelen te nemen. De effecten van klimaat op bevolking die wel meetbaar zijn, zijn vaak indirect, vormen slechts een deelfactor, en zijn grotendeels lokaal van aard (IPCC, 2022). Om die redenen worden in de Bevolkingsprognose 2023–2070 geen veronderstellingen gedaan over de invloed van klimaat op geboorte, sterfte of migratie. Voor zover het klimaat tot nu toe (indirecte) effecten heeft gehad op de bevolkingsontwikkeling, zijn die impliciet meegenomen via de historische cijfers waarop de Bevolkingsprognose is gebaseerd.

3.1 Geboorte

Na de scherpe daling in de jaren ’70 en het dieptepunt in de jaren ’80, schommelde het aantal kinderen dat jaarlijks geboren wordt lang tussen de 180 en 200 duizend (grafiek 3.1.4). Sinds 2010 is het aantal geboorten echter duidelijk gedaald en lag het enkele jaren rond de 170 duizend per jaar. In 2021 was er sprake van een kleine geboortegolf met ruim 179 duizend geboorten, maar in 2022 en 2023 daalde het aantal geboorten opnieuw.

Ontwikkeling in het kindertal

Hoeveel kinderen geboren worden, hangt onder andere af van het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Een cijfer dat daarvoor corrigeert, is het totale vruchtbaarheidscijfer (TFR). De TFR wordt berekend door het aantal kinderen dat in een jaar bij vrouwen van een bepaalde leeftijd wordt geboren te delen door het aantal vrouwen van die leeftijd in de bevolking. Op deze manier komen leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers tot stand, die vervolgens bij elkaar worden opgeteld. De som van de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers valt te interpreteren als het gemiddeld kindertal dat vrouwen zouden hebben als de vruchtbaarheidscijfers van dat jaar van hun vijftiende tot hun vijftigste zouden gelden. Hoewel de TFR dus niet afhangt van het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd, wordt deze wel beïnvloed door de timing van de geboorten. In perioden waarin het krijgen van kinderen wordt uitgesteld, ligt de TFR tijdelijk lager; wanneer vrouwen op latere leeftijd alsnog kinderen krijgen, ligt de TFR tijdelijk hoger. De TFR kan daardoor van jaar op jaar sterke schommelingen laten zien.

Ook de TFR is sinds 2010 gedaald, van 1,80 kinderen per vrouw naar 1,54 in 2020 (grafiek 3.1.3). In 2021 was er een kort geboortegolfje, gevolgd door een nieuwe daling tot 1,49 in 2022 en 1,43 in 2023 (raming op basis van voorlopige cijfers tot en met oktober 2023). In eerste instantie werd de verklaring voor deze daling gezocht in de neergaande economische conjunctuur in de jaren na 2008. Eerdere schommelingen in de TFR leken ook met conjuncturele schommelingen samen te hangen (De Beer, 2012). De TFR daalde echter verder na 2013, toen de Nederlandse economie er juist steeds beter voor kwam te staan (De Beer & Latten, 2018). Dit wijst erop dat andere, meer structurele veranderingen een rol moeten spelen.

De afname sinds 2010 in de TFR heeft vooral betrekking op het aantal geboorten bij twintigers en jonge dertigers. Geboorten bij oudere dertigers en veertigers zijn wel op peil gebleven. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen voor het eerst moeder worden, is verder opgeschoven van 29,4 in 2010 naar 30,3 in 2022. Vrouwen beginnen dus later aan kinderen. Ook in andere opzichten lijken jongere generaties er langer over te doen om ‘gesetteld’ te raken. Twintigers van nu gaan later uit huis en later samenwonen, volgen langer onderwijs en hebben minder snel een vaste baan en een koopwoning (CBS, 2019). Ze hebben in toenemende mate te maken met onzekerheid. De flexibilisering van de arbeidsmarkt leidt tot meer inkomens- en baanonzekerheid, terwijl een stabiel en voldoende hoog inkomen als een belangrijke voorwaarde wordt beschouwd om aan kinderen te beginnen (Loozen & Kloosterman, 2019). Betaalbare woningen voor starters zijn schaars en hypotheken zijn met de aangescherpte normen moeilijker te krijgen (SER, 2019).

3.1.1 Vruchtbaarheidscijfer per vrouw naar leeftijdsgroep
 tot 25 jaar (vruchtbaarheidscijfer)25 tot 30 jaar (vruchtbaarheidscijfer)30 tot 35 jaar (vruchtbaarheidscijfer)35 tot 40 jaar (vruchtbaarheidscijfer)40 jaar en ouder (vruchtbaarheidscijfer)
20000,210,50,650,270,04
20010,210,490,640,280,04
20020,210,50,660,280,05
20030,20,50,660,30,05
20040,20,490,660,30,05
20050,190,490,660,30,05
20060,190,50,670,310,05
20070,190,490,660,310,05
20080,180,510,690,330,05
20090,180,510,690,340,06
20100,180,510,690,340,06
20110,170,50,680,340,06
20120,160,490,670,330,06
20130,150,470,650,330,06
20140,140,480,670,340,07
20150,130,450,650,340,07
20160,130,440,650,350,07
20170,120,420,640,340,07
20180,110,410,630,340,07
20190,110,390,630,340,08
20200,10,380,620,340,08
20210,090,390,650,360,08
20220,090,360,590,330,08
2023*0,090,340,590,330,08

Doordat de daling sinds 2010 vooral plaatsvindt bij vrouwen jonger dan 30 jaar, hebben deze vrouwen nog tijd om een eventuele uitgestelde kinderwens alsnog te realiseren. De daling van het vruchtbaarheidscijfer in de jaren ’70 en ’80 en de daaropvolgende stijging in de jaren ’90 verliepen volgens een dergelijk patroon van uitstel en gedeeltelijk afstel van ouderschap.

Bij vrouwen uit de jaren ’70, die hun gezinsvorming inmiddels vrijwel afgerond hebben, lag het uiteindelijke kindertal voor laag-, middelbaar en hoogopgeleiden vrijwel gelijk. Wel waren er duidelijke verschillen in de timing van de geboorten te zien, die van generatie op generatie in stand blijven. Vrouwen met een hoger onderwijsniveau beginnen later aan kinderen dan vrouwen met een laag onderwijsniveau. Het onderwijsniveau sinds de jaren ‘70 is van generatie op generatie gestegen, wat zorgde voor een daling van het gerealiseerd kindertal op jongere leeftijden. Op latere leeftijd werd dit weer ingehaald (Van Duin & Feijten, 2023).

De TFR voor in Nederland geboren vrouwen en voor in het buitenland geboren vrouwen is sinds 2010 nagenoeg gelijk. Het geboortegolfje in 2021 vond echter alleen plaats bij in Nederland geboren vrouwen, terwijl bij in het buitenland geboren vrouwen sinds 2019, en met name in 2022, juist een versnelde daling optrad. Mogelijk speelden hier de afgenomen immigratie en emigratie tijdens de coronapandemie een rol.

Model en veronderstellingen voor het kindertal

Voor de prognose moeten veronderstellingen gemaakt worden over het uiteindelijk kindertal van vrouwen die nu nog in de vruchtbare leeftijden zijn. Verschillen in gerealiseerd kindertal tussen groepen vrouwen op jonge leeftijden worden vaak op latere leeftijd weer kleiner, zoals in het verleden te zien was bij verschillende generaties en zichtbaar bij vrouwen van verschillende onderwijsniveaus. Voor de toekomst wordt daarom verondersteld dat de geboorteachterstanden bij de huidige jonge vrouwen deels nog worden ingelopen.

Vanwege de hernieuwde daling in 2022, die bovendien doorzet in 2023, zijn de veronderstellingen ten opzichte van de vorige prognose naar beneden bijgesteld. De dalende trend bij jonge leeftijden wordt langer aangehouden en er wordt verondersteld dat het herstel bij hoge leeftijden later inzet, en minder hoog uit zal komen dan in de vorige prognose werd aangenomen. Daarnaast is de methode aangepast. In eerdere Bevolkingsprognoses werd gewerkt met veronderstellingen voor de Nederlandse bevolking als geheel. Dit werd gecombineerd met aparte veronderstellingen voor in het buitenland geboren vrouwen. Hieruit volgde vervolgens het kindertal voor in Nederland geboren vrouwen. In de Bevolkingsprognose 2023–2070 wordt overgegaan naar specifieke veronderstellingen voor in Nederland geboren vrouwen, naast de veronderstellingen voor in het buitenland geboren vrouwen. Het totaal wordt afgeleid uit deze veronderstellingen. Hierdoor sluiten de veronderstellingen voor het vruchtbaarheidscijfer van in Nederland geboren vrouwen beter aan bij de ontwikkelingen in het verleden. Daarnaast wordt zo het effect van een veranderende samenstelling naar geboorteland van de vrouwen op het totale vruchtbaarheidscijfer in de prognose meegenomen.

Het uiteindelijk kindertal voor in Nederland geboren vrouwen wordt berekend uit het waargenomen kindertal per leeftijd over de periode 1995 tot en met 2023. Aangenomen wordt dat de daling sinds 2010 bij jongere vrouwen (30 jaar of jonger eind 2021) nog een aantal jaar doorzet. Het verschil in hun gerealiseerde kindertal in vergelijking met dat van vrouwen van hetzelfde onderwijsniveau en dezelfde leeftijd vijf jaar ervoor, zal uiteindelijk nog halveren. Bij oudere vrouwen wordt aangenomen dat een kleiner deel van de geboorteachterstand wordt ingelopen, omdat ze al in leeftijden zijn waar de biologische vruchtbaarheid duidelijk daalt. De genoemde aannamen resulteren in een daling van het uiteindelijk kindertal van 1,77 kind per vrouw voor in Nederland geboren vrouwen uit 1981, naar 1,68 voor vrouwen geboren na de eeuwwisseling. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun kinderen krijgen stijgt van 31,0 jaar voor generatie 1981 naar 33,3 jaar voor vrouwen van na 2005.

De veronderstellingen voor in het buitenland geboren vrouwen ten opzichte van de Bevolkingsprognose 2020–2070 zijn in het algemeen omlaag bijgesteld. Wel wordt ervan uitgegaan dat de scherpe daling in 2022 grotendeels tijdelijk is. Uitgangspunt van de veronderstellingen voor het kindertal van in het buitenland geboren vrouwen is dat de vruchtbaarheidsniveaus in de toekomst vergelijkbare verschillen tonen als die we nu waarnemen, rekening houdend met het dalende kindertal in de landen van herkomst. Voor Afrika, Aziatisch Midden-Oosten, Marokko en Turkije zal de TFR in de toekomst hoger liggen dan voor in Nederland geboren vrouwen, voor de andere herkomstgroepen lager.

3.1.2 Veronderstellingen totale vruchtbaarheid per geboorteland vrouwen
 Nederland (gemiddeld kindertal)Turkije, Marokko, Afrika, Aziatisch Midden-Oosten (gemiddeld kindertal)Overige landen (gemiddeld kindertal)Nederland (prognose) (gemiddeld kindertal)Turkije, Marokko, Overig Afrika, Aziatisch Midden Oosten (prognose) (gemiddeld kindertal)Overige landen (prognose) (gemiddeld kindertal)
19961,472,791,57
19971,502,891,61
19981,572,891,63
19991,602,791,66
20001,672,891,72
20011,662,781,71
20021,702,691,66
20031,732,641,59
20041,702,591,61
20051,692,531,55
20061,712,471,55
20071,722,371,56
20081,792,331,58
20091,812,311,59
20101,802,351,57
20111,772,341,54
20121,732,291,52
20131,692,231,47
20141,722,281,51
20151,662,291,47
20161,662,421,44
20171,622,361,38
20181,592,411,34
20191,582,391,32
20201,562,311,24
20211,662,211,26
20221,522,141,121,522,141,12
20231,482,121,05
20241,472,111,03
20251,462,111,02
20261,452,111,03
20271,442,121,04
20281,452,131,07
20291,472,151,09
20301,502,161,12
20311,522,181,16
20321,542,191,19
20331,552,201,23
20341,572,211,26
20351,582,221,29
20361,592,231,31
20371,602,231,33
20381,622,231,33
20391,632,231,33
20401,642,231,33
20411,652,231,33
20421,652,231,33
20431,662,231,33
20441,672,231,33
20451,672,231,33
20461,672,231,34
20471,672,221,34
20481,682,221,34
20491,682,221,34
20501,682,221,34
20511,682,221,34
20521,682,221,34
20531,682,221,34
20541,682,221,34
20551,682,221,34
20561,682,221,34
20571,682,221,34
20581,682,221,34
20591,682,221,34
20601,682,221,34
20611,682,221,34
20621,682,221,34
20631,682,221,34
20641,682,221,34
20651,682,221,34
20661,682,221,34
20671,682,221,34
20681,682,221,34
20691,682,231,34
20701,682,231,35

Toekomstige ontwikkeling van het kindertal en de geboorten

De aangepaste veronderstellingen betekenen dat de TFR de komende jaren zal dalen tot 1,40 rond 2025 en daarna weer zal toenemen. Omdat het de verwachting is dat dit uitstel niet meer volledig ingehaald zal worden, stijgt de TFR daarna door naar 1,64 kind per vrouw in 2041. Bij de Bevolkingsprognose 2020–2070 was dit nog 1,70 in 2031.

3.1.3 Totaal vruchtbaarheidscijfer (TFR)
JaarWaarneming (gemiddeld kindertal)Prognose 2020-2070 (gemiddeld kindertal)Prognose 2022-2070 (gemiddeld kindertal)Prognose 2023-2070 (gemiddeld kindertal)Prognose-interval (95%) (gemiddeld kindertal)Prognose-interval (67%) (gemiddeld kindertal)
19801,6
19811,56
19821,5
19831,47
19841,49
19851,51
19861,55
19871,56
19881,54
19891,55
19901,62
19911,61
19921,59
19931,57
19941,57
19951,53
19961,53
19971,56
19981,63
19991,65
20001,72
20011,71
20021,73
20031,75
20041,73
20051,71
20061,72
20071,72
20081,77
20091,79
20101,8
20111,76
20121,72
20131,68
20141,71
20151,66
20161,66
20171,62
20181,59
20191,57
20201,541,54
20211,621,46
20221,491,491,49
20231,431,531,511,431,36 – 1,511,4 – 1,47
20241,581,561,411,31 – 1,521,36 – 1,47
20251,611,591,41,27 – 1,531,34 – 1,47
20261,621,611,41,25 – 1,561,33 – 1,48
20271,641,621,421,25 – 1,591,33 – 1,5
20281,671,631,441,25 – 1,621,34 – 1,53
20291,681,651,461,26 – 1,661,36 – 1,56
20301,691,661,491,28 – 1,711,38 – 1,6
20311,71,671,521,29 – 1,741,4 – 1,63
20321,71,681,541,3 – 1,781,42 – 1,66
20331,71,691,561,3 – 1,811,43 – 1,68
20341,71,71,581,31 – 1,841,44 – 1,71
20351,71,71,591,32 – 1,871,46 – 1,73
20361,71,71,611,32 – 1,891,46 – 1,75
20371,71,71,621,32 – 1,911,47 – 1,76
20381,71,71,621,32 – 1,931,47 – 1,78
20391,71,71,631,32 – 1,941,47 – 1,78
20401,71,71,631,31 – 1,961,47 – 1,79
20411,71,71,641,3 – 1,971,47 – 1,8
20421,71,71,641,3 – 1,981,47 – 1,81
20431,71,71,641,29 – 1,991,47 – 1,81
20441,71,71,641,28 – 2,01,46 – 1,82
20451,71,71,641,28 – 2,011,46 – 1,82
20461,71,71,641,27 – 2,021,46 – 1,83
20471,71,71,641,26 – 2,021,45 – 1,83
20481,71,71,641,25 – 2,031,45 – 1,83
20491,71,71,641,25 – 2,041,45 – 1,84
20501,71,71,641,24 – 2,051,44 – 1,84
20511,71,71,641,23 – 2,051,44 – 1,85
20521,71,71,641,23 – 2,061,44 – 1,85
20531,71,71,641,22 – 2,071,43 – 1,85
20541,71,71,641,21 – 2,071,43 – 1,86
20551,71,71,641,2 – 2,081,43 – 1,86
20561,71,71,641,2 – 2,091,42 – 1,86
20571,71,71,641,19 – 2,091,42 – 1,87
20581,71,71,641,19 – 2,11,42 – 1,87
20591,71,71,641,18 – 2,111,42 – 1,87
20601,71,71,641,17 – 2,111,41 – 1,88
20611,71,71,651,17 – 2,121,41 – 1,88
20621,71,71,651,16 – 2,131,41 – 1,88
20631,71,71,651,16 – 2,141,41 – 1,89
20641,71,71,651,15 – 2,141,4 – 1,89
20651,71,71,651,15 – 2,151,4 – 1,9
20661,71,71,651,14 – 2,151,4 – 1,9
20671,71,71,651,14 – 2,161,4 – 1,9
20681,71,71,651,13 – 2,171,39 – 1,91
20691,71,71,651,13 – 2,171,39 – 1,91
20701,71,71,651,12 – 2,181,39 – 1,91

Het aantal geboorten neemt de komende jaren toe, van 165 duizend in 2023 naar 199 duizend rond 2038. Vrouwen krijgen in de toekomst gemiddeld minder kinderen, maar doordat het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd toeneemt, door schommelingen in de geboorten 25 jaar geleden en in de migratie, neemt het aantal geboorten toch toe.

Ten opzichte van de Bevolkingsprognose 2020–2070 ligt het aantal geboorten tot en met 2037 in de huidige prognose lager, tot een maximaal verschil van 22 duizend rond 2028. Daarna, tussen 2038 en 2052, ligt het aantal geboorten hoger. In de Bevolkingsprognose 2020–2070 werd verwacht dat het aantal geboorten na 2050 weer op zou lopen. In de huidige prognose is dat iets later, vanaf 2053: dat komt doordat er de komende jaren minder vrouwen geboren worden.