Arbeidsparticipatie naar onderwijsniveau

De nettoarbeidsparticipatie kwam in het eerste kwartaal van 2021 uit op 68,4 procent. In hetzelfde kwartaal een jaar eerder was het aandeel 0,5 procentpunt hoger, namelijk 68,9 procent. In het algemeen geldt dat de arbeidsdeelname groter is naarmate het behaalde onderwijsniveau hoger is. In een jaar tijd nam de nettoarbeidsparticipatie af onder personen met een laag of middelbaar onderwijsniveau.

Arbeidsparticipatie neemt toe met onderwijsniveau

De nettoarbeidsparticipatie was in het eerste kwartaal van 2021 het laagst bij personen met uitsluitend basisonderwijs (36,7 procent). Onder personen met een hbo- of wo-diploma was de arbeidsparticipatie ruim twee keer zo hoog.

Afgelopen jaar afname op laag en middelbaar onderwijsniveau

De arbeidsparticipatie nam tussen het eerste kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021 bij personen met alleen basisonderwijs af met 1,3 procentpunt. De participatie van personen met vmbo, havo-, vwo-onderbouw of mbo1 nam in deze periode sterker af (met 3,1 procentpunt). Ook op middelbaar onderwijsniveau (havo-, vwo- en mbo2-4) nam de arbeidsparticipatie af (met 1,7 procentpunt). Onder hoogopgeleiden nam de arbeidsparticipatie toe op het niveau van hbo-, wo-master of doctor (+0,8 procentpunt).

Cijfers op StatLine: Arbeidsdeelname; onderwijsniveau

Arbeidsparticipatie masters blijvend hoog

De participatie van mensen die een hbo- of wo-masters of een wo-doctorsopleiding hebben afgerond, was in de periode 2010-2020 niet alleen het hoogst van alle onderwijsniveaus, maar steeg ook bijna voortdurend. Tussen 2014 en 2019 steeg de arbeidsdeelname ook bij lager opgeleiden. Toch was de nettoarbeidsparticipatie in 2020 op alle onderwijsniveaus nog lager dan tien jaar eerder, behalve bij personen met een hbo- of wo-masters- of doctorstitel.

Cijfers op StatLine: Arbeidsdeelname; onderwijsniveau