Auteur: Math Akkermans, Hans Schmeets

De Heitjes en buurtcohesie, leefbaarheid en veiligheid in Heerlen

Over deze publicatie

In 2021 neemt Heerlen een lage plaats in op de ervaren cohesie in de buurt. Slechts 5 van de 52 grote gemeenten hebben een lagere score dan Heerlen. Ook krijgen de leefbaarheid en de veiligheid in Heerlense buurten lage rapportcijfers, en vertonen de burgers vaak mijdgedrag zoals ’s avonds de deur niet opendoen en omlopen om onveilige plekken te vermijden. Ook zijn de inwoners van Heerlen duidelijk minder tevreden met hun gemeente als het gaat om de aanpak van de leefbaarheid en veiligheid dan inwoners van zowel de G4 als van de 51 andere grote steden. De lage posities die Heerlen op deze aspecten inneemt verandert nagenoeg niet als rekening wordt gehouden met verschillen tussen gemeenten in de man/vrouw-verhouding, leeftijdsopbouw, opleidingsniveau en het besteedbaar inkomen van huishoudens. Ook dan staat Heerlen in de onderste regionen. De inwoners van Heerlen zijn echter niet vaker slachtoffer van criminaliteit zoals geweld, diefstal en inbraak en vernielingen dan inwoners in de andere grote steden.
Ook komt een tweedeling binnen Heerlen naar voren. In Heerlen-noord is de buurtcohesie, leefbaarheid en veiligheid duidelijk lager dan in Heerlen-zuid. De ervaren leefbaarheid en veiligheid in de buurt zijn gerelateerd aan het inkomen: hoe meer een persoon te besteden heeft, hoe hoger de waardering voor de buurt.

In Heerlen is inmiddels het zogeheten Heitje-project gestart ter bevordering van de burgerbetrokkenheid, verbetering van de openbare ruimte en het stimuleren van de lokale economie. Met dit essay wordt beoogd inzichten te leveren over de ervaren buurtcohesie, leefbaarheid en veiligheid en daarmee ook aandacht te geven aan het Heitje-project.

1. Relevantie van sociale cohesie, leefbaarheid en veiligheid

Op 19 oktober 2022 is het negende essay verschenen in een reeks over de sociale cohesie en het welzijn in Heerlen (Schmeets, 2022). In de vorm van samenvattende scores over het meedoen met en het vertrouwen in de samenleving is ingegaan op het zogenoemde ‘sociaal kapitaal’ in Heerlen. Het gaat daarbij om collectieve verbanden van mensen binnen en tussen bevolkingsgroepen die begrip hebben voor elkaars meningen (Coté en Healy, 2001; Keeley, 2007). Daaruit blijkt dat Heerlen ten opzichte van 50 andere grote gemeenten de laagste scores heeft op zowel dit sociaal kapitaal als op de twee bouwstenen daarvan: de participatie en het vertrouwen. En ook: het noordelijke stadsgebied scoort beduidend lager dan het zuidelijke.  

Waarom is sociaal kapitaal relevant? De sociale netwerken, mensen die met elkaar verbonden zijn en elkaar vertrouwen, zijn relevant voor de economische productiviteit en groei (Bourdieu, 1986; Knack en Keefer, 1997; Woolcock, 1998; Neira, Vázquez en Portela, 2009). Tevens bevordert het sociaal kapitaal het welzijn van mensen (Helliwell en Wang, 2011; Portela, Neira, Salinas-Jiménez, 2013; Puntscher, Hauser, Walde en Tappeiner, 2014). In essay 8 is aangetoond dat Heerlen niet alleen lage scores heeft op (onderdelen van) het sociaal kapitaal, maar ook op het welzijn: het geluk, de tevredenheid met het eigen leven, en het ‘bredere’ welzijn (Schmeets en Tummers, 2022a). En vervolgens is in essay 9 het sociaal kapitaal gelinkt aan het welzijn in Heerlen (Schmeets, 2022). Ook daaruit blijkt dat meer sociaal kapitaal gepaard gaat met meer geluk en meer tevredenheid met het eigen leven. Dat geldt niet alleen voor Heerlen, maar ook voor de beide stadsdelen: Heerlen-noord en Heerlen-zuid. 

Dit sociaal kapitaal is tevens van belang voor de sociale cohesie in de samenleving (Brock, Kwakernaak, de Meere en Boutellier, 2019). Niet alleen veel vertrouwen in en veel meedoen met de samenleving bevorderen de sociale cohesie, maar ook als er op deze terreinen weinig tegenstellingen zijn tussen bevolkingsgroepen. Anders gezegd: niet alleen het sociaal kapitaal zorgt voor cohesie in de samenleving, maar ook de integratie (Schmeets, 2008). De integratie verwijst naar de mate waarin álle leden van een samenleving participeren, zoals sociale contacten onderhouden, actief zijn in organisaties, en betrokken zijn bij de politiek. En ook dat allen vertrouwen hebben in zowel instituties als in andere personen. Dit resulteert in meer begrip voor elkaars meningen, gedeelde waarden en normen, en samenwerking tussen bevolkingsgroepen. Daardoor nemen tegenstellingen tussen groepen in het vertrouwen in en in het meedoen met de samenleving af. En dat zal de sociale cohesie versterken. In de eerder verschenen essays is aangetoond dat naast de tegenstelling tussen Heerlen-noord en Heerlen-zuid, ook tussen bevolkingsgroepen (aspecten van) het sociaal kapitaal niet gelijk verdeeld is. Vooral meer hulpbronnen in de vorm van opleiding en inkomen gaan samen met meer participatie en meer vertrouwen.  
In dit tiende essay gaan we de sociale cohesie benaderen vanuit een andere invalshoek. In plaats van het vaststellen van de mate van het meedoen met en het vertrouwen in de samenleving, wordt de burgers gevraagd naar de mate van de cohesie in hun eigen buurt. Buurtcohesie kan worden opgevat als een vorm van gemeenschapszin waarbij mensen contacten hebben in de buurt, het idee hebben dat ze steun kunnen krijgen als ze dat nodig hebben en zich onderdeel voelen van de buurt (Lochner, Kawachi en Kennedy, 1999). Wat is hun eigen, directe, perceptie? Vinden ze dat er veel saamhorigheid is, is het er plezierig wonen, gaan de mensen prettig met elkaar om, kent men en helpt men elkaar, is het er gezellig wonen, en voelen ze zich thuis bij de mensen in de buurt? Het gaat dus om een specifieke vorm van sociale cohesie die betrekking heeft op de directe woonomgeving. 

De waardering die de burger toekent aan de eigen buurt, zal ook relevant zijn voor de beleving van de leefbaarheid en veiligheid. In buurten waar de buurtcohesie groter is, is de kwaliteit van de relaties tussen buurtgenoten hoger. Daarnaast zorgt de buurtcohesie ervoor dat de burger zich meer thuis voelt in de buurt, verbonden met, en verantwoordelijk voor de leefbaarheid, waaronder de veiligheid, van de buurt (de Hart, Knol, Maas-de Waal en Roes, 2002). Buurten met een hoge sociale cohesie hebben vaker een effectieve sociale controle tegen ongewenst gedrag (Sampson, Raudenbush en Earls, 1997). Zo zullen in buurten waar mensen elkaar vertrouwen en er onderlinge solidariteit is, inwoners eerder geneigd zijn in te grijpen als er op straat iets gebeurt. Ook uit een studie in Amsterdam is gebleken dat het stimuleren van de buurtcohesie, zoals het vertrouwen dat de burgers in hun buurt hebben, een positief effect heeft op de veiligheidsbeleving (Boers, van Steden en Boutellier, 2008). En voor Nederland is aangetoond dat meer buurtcohesie gepaard gaat met minder criminaliteit in de vorm van kleinere aandelen slachtoffers en misdrijven (Van Beuningen, Schmeets, Arts en Te Riele, 2013). Volgens Duyvendak is juist in wijken met een slechte leefbaarheid het bevorderen van de buurtcohesie van groot belang (Duyvendak, 1998). Want in zulke wijken valt vooral winst te halen om de leefbaarheid via de buurtcohesie te verbeteren. 

Hoe is het gesteld met de buurtcohesie, de leefbaarheid en de veiligheid in de buurten van Heerlen? En zien we op deze terreinen dat de inwoners van Heerlen-noord achterblijven ten opzichte van Heerlen-zuid? Hoe verhouden de sociale cohesie, leefbaarheid en veiligheid in de buurten in Heerlen zich ten opzichte van die in andere steden? Welke trends zien we in de buurtcohesie, leefbaarheid en veiligheid, ook tegen de achtergrond van de COVID 19-pandemie? Deze vragen staan centraal in dit voorlaatste essay van 2022 dat in het kader van het Heerlens Heitje verschijnt.

1) De invloed van de pandemie kan slechts indicatief worden afgeleid omdat niet bepaald kan worden in welke mate veranderingen tussen 2019 en 2021 toe te schrijven zijn aan de invloed van de pandemie dan wel aan andere ontwikkelingen in de samenleving. 

2. Sociale cohesie in de buurt

De inwoners van Heerlen zijn nogal verdeeld over diverse aspecten van de buurtcohesie. Een meerderheid van zo’n 6 op de 10 Heerlenaren vindt dat de mensen prettig met elkaar omgaan in de buurt, is tevreden over de bevolkingssamenstelling in de buurt, en durft de sleutel aan de buren te geven wanneer ze op vakantie zouden gaan of langere tijd afwezig zijn. Ruim de helft vindt dat ze in een gezellige buurt wonen waar men elkaar helpt, en voelt zich thuis bij de mensen in de buurt. En iets meer dan een kwart onderschrijft de stelling dat de mensen elkaar nauwelijks kennen in de buurt. Over andere aspecten van de buurtcohesie is men minder te spreken. Zo zegt een minderheid van zo’n 4 op de 10 inwoners van Heerlen dat de mensen elkaar in de buurt durven aanspreken op onwenselijk gedrag en 3 op de 10 geven aan veel contact met andere buurtbewoners te hebben. 

Het percentage Heerlenaren dat het (helemaal) eens is met deze stellingen over de sociale cohesie in de buurt is vergelijkbaar met de percentages van de inwoners van de G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht samen). Maar de vergelijking met de 51 andere gemeenten met meer dan zeventig duizend inwoners leert dat de sociale cohesie in Heerlen beduidend achter blijft. Op de meeste aspecten is het gemiddelde van die grote gemeenten zo’n 10 procentpunt hoger dan in Heerlen. Alleen bij de stelling dat de mensen elkaar nauwelijks kennen in de buurt is er weinig verschil, en wordt dit in Heerlen positiever beoordeeld dan in de G4. 

2.1 Sociale cohesie in buurt in Heerlen, G4 en 70 000+-gemeenten, 2021
OnderwerpHeerlen (% (helemaal) eens)G4 (% (helemaal) eens)70 000+-gemeenten (% (helemaal) eens)
Mensen gaan prettig met elkaar om63,966,075,8
Tevreden met samenstelling bevolking57,258,268,5
Durf mijn huissleutel te geven56,959,172,8
Gezellige buurt waar men elkaar helpt52,249,361,3
Voel mij thuis bij mensen in deze buurt52,053,363,5
Mensen spreken elkaar aan op gedrag39,540,049,5
Veel contact met andere buurtbewoners31,031,437,4
Mensen kennen elkaar nauwelijks27,337,024,6

Dit beeld wordt bevestigd door de samenvattende score op de acht stellingen, in de vorm van een rapportcijfer van 0 (= laag) tot en met 10 (= hoog). Heerlen scoort een 5,9 (zie tabel 2.2). Deze is vergelijkbaar met die van de G4 (5,8) en lager dan die van 52 grote gemeenten (6,1). Eerder is in de essays aangetoond dat Heerlen ook onderaan staat ten opzichte van andere gemeenten in het meedoen, het vertrouwen en het welzijn. Dit past in het patroon van de buurtcohesie waar Heerlen in de top-6 staat van de gemeenten met de laagste scores, na Schiedam, Rotterdam, Den Haag, Amsterdam en Vlaardingen. Dit samenvattende cijfer voor de buurtcohesie loopt uiteen van 5,6 in Schiedam tot 6,9 in Hoeksche waard. 

Het overzicht van de gemeenten leert dat de andere grote gemeenten in Zuid-Limburg ook lage posities innemen op de ranglijst: Maastricht doet het met een 6,0 nauwelijks beter dan Heerlen, terwijl het met de buurtcohesie in Sittard-Geleen met een 6,2 al beter is gesteld. De score is met een 6,3 nog iets hoger in Venlo.  De gemeenten verschillen qua samenstelling, zoals de man/vrouw verhouding, leeftijdsopbouw, opleidingsniveau en het huishoudensinkomen. Als met deze verschillen rekening wordt gehouden, dan verandert deze positie van Heerlen op de ranglijst niet. De buurtcohesie is sinds 2013 in Heerlen weinig veranderd: in 2013 was dit een 5,8, in 2021 een 5,9. Ook het verschil tussen Heerlen, de G4 en het gemiddelde van de grotere gemeenten is tussen 2013 en 2021 niet wezenlijk gewijzigd.

2.2 Sociale cohesie, leefbaarheid en overlast in buurt in Heerlen, zeventig-duizend-plus-gemeenten en G4, 2021
Sociale cohesie in buurtRapportcijfer leefbaarheid buurtErvaart veel overlast in buurt
schaalscore
(0 - 10)
rapportcijfer (1-10)% veel overlast
G45,87,258,1
70 0000+-gemeenten 6,17,451,0
Heerlen5,97,060,7
Alkmaar6,57,642,2
Almelo6,27,449,8
Almere6,07,451,1
Alphen aan den Rijn6,57,643,9
Amersfoort6,57,645,6
Amstelveen6,37,737,4
Amsterdam5,87,456,8
Apeldoorn6,47,643,3
Arnhem6,07,453,6
Breda6,37,651,2
Delft5,97,441,4
Deventer6,57,645,8
Dordrecht6,27,457,0
Ede6,87,742,5
Eindhoven6,07,550,3
Emmen6,57,643,2
Enschede5,97,352,5
Gouda6,37,451,1
s-Gravenhage 5,77,258,3
Groningen6,17,540,8
Haarlem6,47,551,3
Haarlemmermeer6,57,744,5
Helmond6,17,553,4
Hengelo 6,27,545,6
's-Hertogenbosch6,57,748,9
Hilversum6,37,652,5
Hoeksche Waard6,97,938,8
Hoorn6,27,545,5
Leeuwarden6,27,542,4
Leiden6,17,546,2
Leidschendam-Voorburg6,47,741,1
Lelystad6,17,545,9
Maastricht6,07,549,9
Meierijstad6,87,837,0
Nijmegen6,17,548,4
Nissewaard6,07,252,1
Oss6,37,743,2
Purmerend6,17,549,0
Roosendaal6,07,253,1
Rotterdam5,77,063,3
Schiedam5,66,965,7
Sittard-Geleen6,27,456,3
Súdwest-Fryslân6,87,840,0
Tilburg6,07,451,3
Utrecht 6,17,551,6
Venlo6,37,552,2
Vlaardingen5,97,159,3
Westland6,77,741,0
Zaanstad6,27,356,0
Zoetermeer6,17,550,2
Zwolle6,57,741,9
Bron: CBS

Het geschetste beeld over de buurtcohesie in Heerlen past in het patroon van de vergelijkingen op andere terreinen van de participatie, het vertrouwen en het welzijn. Heerlen staat meestal onderaan (zie Schmeets, 2022 voor een overzicht). Uit deze statistieken blijkt tevens dat er een, vaak grote, tegenstelling is tussen Heerlen-noord en Heerlen-zuid. Waar Heerlen-zuid op veel aspecten niet veel onderdoet ten opzichte van het gemiddelde van de andere grotere steden, is voor in het noordelijke stadsgebied de achterstand groot. Het is dus te verwachten dat er ook bij de buurtcohesie in Heerlen sprake is van een tweedeling. En dit is ook het geval: in Heerlen-zuid is het rapportcijfer 6,4, in Heerlen-noord 5,6 (zie figuur 2.3). Ook wanneer rekening worden gehouden met demografische en sociaaleconomische verschillen tussen beide stadsdelen verandert dit beeld nauwelijks. Plaatsen we dit in het perspectief van de scores van de gemeenten, dan komt de buurtcohesie in Heerlen-zuid vrijwel overeen met het landelijke beeld. In Heerlen-noord daarentegen is de buurtcohesie gelijk aan die van Schiedam: de laagst scorende gemeente.   

2.3 Sociale cohesie in buurt in Heerlen, G4 en 70 000+-gemeenten, 2021
 OnderwerpSchaalscore (Schaalscore (0-10))
HeerlenHeerlen totaal*5,9
HeerlenHeerlen-noord5,6
HeerlenHeerlen-zuid6,4
G45,8
70 000+-gemeenten6,1
* In het cijfer van Heerlen totaal zijn ook personen meegeteld van wie niet bekend is of ze in Heerlen-noord of Heerlen-zuid wonen.

De sociale cohesie die Heerlenaren in hun buurt ervaren verschilt weinig naar geslacht en leeftijd. Jongeren voelen iets minder samenhang in de buurt dan oudere leeftijdsgroepen. Hoogopgeleiden oordelen iets positiever dan laag- of middelbaar opgeleiden. De mate waarin buurtcohesie wordt ervaren verschilt relatief fors naar huishoudensinkomen. De schaalscore bij personen in huishoudens met de hoogste inkomens bedraagt een 6,3; bij personen in huishoudens met de laagste inkomens een 5,1.  

2.4 Sociale cohesie in buurt in Heerlen naar kenmerken, 2021
   2021 (Schaalscore (0-10))
Totaal5,9
GeslachtMannen5,9
GeslachtVrouwen5,8
Leeftijd15 tot 25 jaar5,6
Leeftijd25 tot 45 jaar6,0
Leeftijd45 tot 65 jaar5,9
Leeftijd65 jaar of ouder5,8
OnderwijsniveauLaag5,8
OnderwijsniveauMiddelbaar 5,8
OnderwijsniveauHoog6,1
HuishoudensinkomenEerste 20 procent (laag inkomen)5,1
HuishoudensinkomenTweede 20 procent5,8
HuishoudensinkomenDerde 20 procent6,2
HuishoudensinkomenVierde 20 procent6,2
HuishoudensinkomenVijfde 20 procent (hoog inkomen)6,3

3. Leefbaarheid en overlast in buurt

Leefbaarheid buurt

Aan de bevolking is in 2021 gevraagd naar de waardering van de leefbaarheid in hun buurt. Gemiddeld geven de inwoners van de 52 grote gemeenten een 7,4 als rapportcijfer (zie tabel 2.2). De Heerlenaren waarderen de leefbaarheid van hun buurt met een 7,0 een stuk lager. Ook de inwoners van de G4 vinden met een 7,2 dat de leefbaarheid minder goed is dan het gemiddelde van de grote gemeenten. In de 52 grote gemeenten loopt het rapportcijfer voor de leefbaarheid van de buurt uiteen van 6,9 in Schiedam tot 7,9 in Hoeksche Waard. Na Schiedam staat Heerlen samen met Rotterdam met een 7,0 in de top drie van steden met de laagste waardering voor de leefbaarheid van de buurt.  

De waardering voor de leefbaarheid in de buurt is in de andere Limburgse gemeenten hoger. Met een 7,3 komt Sittard-Geleen op plek 11 als het gaat om gemeenten met een relatief lage waardering voor de leefbaarheid van de buurt. Venlo en Maastricht komen met een 7,5 op de plekken 20 en 24 terecht. Ook wanneer rekening wordt gehouden met verschillen in man/vrouw-verhouding, leeftijdsopbouw, opleiding en inkomen tussen de steden verandert deze positie van Heerlen op de ranglijst niet. In de rapportcijfers treden sinds 2013 weinig fluctuaties op. In Heerlen is de waardering voor de leefbaarheid in de buurt weinig veranderd: in 2013 was dit een 6,8, in 2021 een 7,0. Ook het verschil tussen Heerlen, de G4 en de 52 grote gemeenten is tussen 2013 en 2021 niet wezenlijk gewijzigd. In alle jaren was het rapportcijfer in Heerlen lager dan gemiddeld in de andere gemeenten.

Bij de conclusie dat het slecht gesteld is met de leefbaarheid in buurten in Heerlen dient echter een kanttekening te worden geplaatst. Zoals we reeds hebben geconstateerd bij de buurtcohesie is in Heerlen sprake van een tweedeling. In Heerlen-noord is het rapportcijfer voor de leefbaarheid van de buurt een vol punt lager dan in Heerlen-zuid: 6,6 tegen 7,6. Dat betekent dat de leefbaarheid in het zuidelijke deelgebied boven het gemiddelde van de grote gemeenten terecht komt. In het noordelijke gebied is de leefbaarheid lager dan Schiedam, de gemeente met de laagste waardering van de burgers voor hun leefbaarheid. 

3.1 Rapportcijfer leefbaarheid buurt in Heerlen, G4 en 70 000+-gemeenten, 2021
 OnderwerpRapportcijfer (1-10) (Rapportcijfer (1-10))
HeerlenHeerlen totaal*7,0
HeerlenHeerlen-noord6,6
HeerlenHeerlen-zuid7,6
G47,2
70 000+-gemeenten7,4
* In het cijfer van Heerlen totaal zijn ook personen meegeteld van wie niet bekend is of ze in Heerlen-noord of Heerlen-zuid wonen.

De waardering die Heerlenaren voor de leefbaarheid van hun buurt hebben verschilt weinig naar geslacht en leeftijd. 65-plussers zijn iets tevredener dan jongere leeftijdsgroepen. Hoogopgeleiden oordelen iets positiever dan laag- of middelbaar opgeleiden. De waardering verschilt relatief fors naar huishoudensinkomen. Personen in huishoudens met de hoogste inkomens geven de leefbaarheid van hun buurt een 7,7, personen in huishoudens met de laagste inkomens een 6,1.  

3.2 Rapportcijfer leefbaarheid buurt in Heerlen naar kenmerken, 2021
   2021 (Rapportcijfer (1-10))
Totaal7,0
GeslachtMannen7,0
GeslachtVrouwen7,1
Leeftijd15 tot 25 jaar7,0
Leeftijd25 tot 45 jaar6,9
Leeftijd45 tot 65 jaar7,0
Leeftijd65 jaar of ouder7,3
OnderwijsniveauLaag7,0
OnderwijsniveauMiddelbaar 6,9
OnderwijsniveauHoog7,4
HuishoudensinkomenEerste 20 procent (laag inkomen)6,1
HuishoudensinkomenTweede 20 procent6,8
HuishoudensinkomenDerde 20 procent7,2
HuishoudensinkomenVierde 20 procent7,5
HuishoudensinkomenVijfde 20 procent (hoog inkomen)7,7

Overlast in buurt

Heerlen bevindt zich in de onderste regionen qua leefbaarheid. Maar hierbij dient meteen de nuancerende opmerking te worden gemaakt dat dit uitsluitend geldt voor Heerlen-noord. Dit roept de vraag op waarom het zo slecht gesteld is met de leefbaarheid in het noordelijke deelgebied. Hoe staat het met de ervaren buurtoverlast en veiligheid? 

Ruim 6 op de 10 Heerlenaren geven aan een of meerdere vormen van buurtoverlast te ervaren (zie figuur 3.3). Dat is vergelijkbaar met de inwoners van de G4, waar bijna 6 op de 10 zeggen veel overlast binnen hun buurt te hebben, en is meer dan in de 52 grote gemeenten (gemiddeld ongeveer 5 op de 10). In Heerlen-noord ervaart 66 procent veel buurtoverlast, en dat is substantieel hoger dan in Heerlen-zuid waar een krappe meerderheid van 53 procent veel ervaart. Ook wanneer rekening worden gehouden met demografische en sociaaleconomische verschillen tussen beide stadsdelen verandert dit beeld nauwelijks. De relatief sterke overlastervaring komt tot uiting op diverse terreinen. Zo hebben Heerlenaren naar eigen zeggen veel last van fysieke verloedering in de buurt, zoals rommel op straat of vernield straatmeubilair: 36 procent ervaart daar veel overlast van. Dat is een beduidend grotere groep dan het gemiddelde van de 52 grote gemeenten, waarvan 26 procent veel overlast heeft van verloedering in de hun buurt. Binnen Heerlen komt ook op dit vlak de tweedeling naar voren: 39 procent van de burgers die in Heerlen-noord wonen rapporteren dat ze overlast hebben van rommel op straat tegenover 32 procent in Heerlen-zuid. Maar ook dit percentage in het zuidelijk stadsdeel ligt op het niveau van dat van de G4-gemeenten. 

Een ander aspect van buurtoverlast is de sociale overlast, zoals drugsgebruik of rondhangende jongeren. Ook daar hebben de inwoners van Heerlen veel last van: 22 procent in Heerlen tegenover gemiddeld 17 procent in de 52 grote gemeenten. Heerlen benadert daarmee de sociale overlast in de G4 waar 24 procent daarmee kampt. Het grote contrast tussen de twee stadsgebieden komt hier duidelijk naar voren: waar in Heerlen-zuid 14 procent dergelijke overlast ervaart is dat met 27 procent in Heerlen-noord dubbel zoveel. Of anders gezegd: waar in het zuidelijke deelgebied minder sociale overlast is dan het stedelijke gemiddelde, heeft het noordelijke deelgebied sociale overlastpercentage dat hoger is dan dat van de G4. 

Niet alleen hebben de Heerlenaren te kampen met verloedering en sociale overlast, ook wordt er veel verkeersoverlast in de buurt ervaren. Bijna de helft van de Heerlenaren heeft overlast van verkeer zoals te hard rijden of agressief verkeersgedrag in hun buurt. Dat is beduidend meer dan in zowel de G4 gemeenten (38 procent) als het gemiddelde van de 52 grote steden (35 procent). Ook op dit vlak is de tweedeling duidelijk zichtbaar: waar in het Heerlen-noord door 57 procent verkeersoverlast wordt ervaren, blijft dit in Heerlen-zuid beperkt tot 37 procent. Daarmee is de situatie in het noordelijke gebied veel slechter dan in de grote gemeenten, inclusief in die van de G4, terwijl in het zuidelijke gebied de overlast van het verkeer past bij het gemiddelde niveau. 

Beduidend minder overlast ervaren de inwoners van geluids-of stankoverlast of overlast van horecagelegenheden. Heerlen volgt daarin met 16 procent het gemiddelde overlastpercentage van de 52 grote gemeenten. Deze zogenoemde milieuoverlast wordt met 21 procent sterker ervaren in de G4 gemeenten. Wederom komt de tweedeling binnen Heerlen naar voren: de inwoners van Heerlen-noord hebben aanzienlijk vaker last van geluidsoverlast in hun buurt (18 procent) dan de mensen die in Heerlen-zuid wonen (12 procent).  

3.3 Buurtoverlast in Heerlen, G4 en 70 000+-gemeenten, 2021
OnderwerpHeerlen* (% veel overlast)Heerlen-noord (% veel overlast)Heerlen-zuid (% veel overlast)G4 (% veel overlast)70 000+-gemeenten (% veel overlast)
Overlast totaal in buurt60,766,352,558,151,0
Fysieke verloedering36,339,331,531,826,0
Sociale overlast22,027,114,323,616,7
Verkeersoverlast48,856,737,438,134,5
Milieuoverlast16,018,411,821,415,6
* In het cijfer van Heerlen zijn ook personen meegeteld van wie niet bekend is of ze in Heerlen-noord of Heerlen-zuid wonen.

Zoals aangetoond heeft Heerlen te kampen met bovengemiddelde sociale overlast, en dat is geheel toe te schrijven aan de het noordelijke gebied. Wanneer wordt ingezoomd op sociale overlast in de buurt blijkt dat Heerlenaren, in vergelijking met de inwoners van de 52 grote gemeenten, in hun woonomgeving veel overlast ervaren van met name rondhangende jongeren, drugshandel, drugsgebruik en verwarde personen. De overlastpercentages liggen op het niveau van de G4, of in geval van drugshandel nog hoger. De vergelijking tussen Heerlen-noord en Heerlen-zuid leert dat deze bovengemiddelde sociale overlast In Heerlen wordt veroorzaakt door de situatie in het noordelijke gebied. De discrepanties met vrijwel alle vormen tussen Heerlen-noord ten opzichte van zowel het gemiddelde in de 52 steden als van de G4 zijn fors. Vooral is dat te zien bij de overlast van rondhangende jongeren en drugshandel.  

3.4 Sociale overlast in buurt in Heerlen, G4 en 70 000+-gemeenten, 2021
OnderwerpHeerlen* (% veel overlast)Heerlen-noord (% veel overlast)Heerlen-zuid (% veel overlast)G4 (% veel overlast)70 000+-gemeenten (% veel overlast)
Rondhangende jongeren11,816,34,711,87,8
Drugshandel10,113,34,96,54,8
Overlast door buurtbewoners6,96,46,896,8
Verwarde personen6,57,25,65,93,5
Drugsgebruik6,484,26,84,5
Dronken mensen op straat4,14,23,96,43,8
Mensen worden op straat lastiggevallen3,53,82,24,52,4
* In het cijfer van Heerlen zijn ook personen meegeteld van wie niet bekend is of ze in Heerlen-noord of Heerlen-zuid wonen.

Heerlenaren, en dan vooral de inwoners van Heerlen-noord, geven dus duidelijk vaker aan zelf veel buurtoverlast te ervaren dan inwoners van de 52 grote gemeenten. Hierbij kan wel de volgende nuancering gemaakt worden. Dit verschil is kleiner als het gaat om de mate waarin buurtoverlast naar eigen waarneming in de buurt voorkomt, los van de vraag of men daar zelf veel overlast van heeft. Zo geeft van de inwoners van de 52 grote gemeenten een overgrote meerderheid van 95 procent aan dat buurtoverlast ‘wel eens voorkomt’. In Heerlen is dat 97 procent. Dit zien we ook bij de diverse vormen. Zo zegt 90 procent van de Heerlenaren dat fysieke verloedering in de buurt weleens voorkomt, 65 procent sociale buurtoverlast, 86 procent verkeersoverlast, en 45 procent milieuoverlast. Het gemiddelde van de 52 grote gemeenten is respectievelijk 86, 64, 81 en 46 procent. Buurtoverlast wordt in Heerlen dus niet veel frequenter waargenomen dan in andere steden, maar de persoonlijke overlastervaring van Heerlenaren is groter dan die van inwoners van andere steden. 

4. Veiligheidsbeleving en criminaliteit in buurt, en aanpak gemeente

Uit de statistieken is naar voren gekomen dat, in het verlengde van de buurtcohesie, het zowel met de leefbaarheid als met de (sociale) overlast in de buurten van Heerlen duidelijk slechter gesteld is dan in veel andere steden. En ook: dat dit vooral geldt voor het noordelijke gebied. Uit onderzoek van het SCP blijkt dat de mate van verloedering in een buurt medebepalend is voor de angstgevoelens (Oppelaar en Wittebrood, 2006). Te verwachten is derhalve dat de inwoners van Heerlen zich bovengemiddeld onveilig voelen. 

Hoe zit het met de veiligheid in Heerlen? Ruim een kwart van de Heerlenaren (26 procent) voelt zich weleens onveilig in de eigen buurt (zie tabel 4.1). Dit percentage is vergelijkbaar met dat in de G4 (25 procent) en hoger dan dat gemiddeld in de 52 grote gemeenten (19 procent). Hetzelfde patroon is zichtbaar als het gaat om het percentage dat zich er vaak onveilig voelt. Bij de onveiligheidsgevoelens ’s avonds op straat in de buurt en ’s avonds alleen thuis, zijn de percentages in Heerlen niet alleen hoger dan die in 52 grote gemeenten maar ook hoger dan die in de G4.  

4.1 Veiligheidsbeleving, criminaliteit en aanpak gemeente in Heerlen, zeventig-duizend-plus-gemeenten en G4, 2021
Voelt zich weleens onveilig in buurtSlachtoffers criminaliteitOordeel aanpak gemeente
%%% (zeer) tevreden
G424,528,241,8
70 000+-gemeenten18,521,542,7
Heerlen25,518,729,8
Alkmaar14,918,346,8
Almelo15,820,437,7
Almere17,718,736,1
Alphen aan den Rijn11,515,842,0
Amersfoort13,420,444,9
Amstelveen11,217,057,3
Amsterdam24,129,641,9
Apeldoorn13,014,647,2
Arnhem20,723,544,2
Breda14,318,447,5
Delft14,221,144,6
Deventer12,814,643,1
Dordrecht16,120,941,5
Ede11,416,846,3
Eindhoven19,620,642,9
Emmen14,513,041,1
Enschede21,523,839,4
Gouda21,017,437,8
s-Gravenhage 24,226,640,9
Groningen15,622,647,8
Haarlem15,421,441,4
Haarlemmermeer12,218,143,0
Helmond19,716,940,5
Hengelo 10,317,844,2
's-Hertogenbosch15,018,842,6
Hilversum14,318,746,8
Hoeksche Waard4,910,847,3
Hoorn16,716,439,1
Leeuwarden15,220,148,4
Leiden15,521,250,5
Leidschendam-Voorburg12,516,250,9
Lelystad15,717,038,7
Maastricht18,722,439,8
Meierijstad7,811,449,4
Nijmegen17,619,247,4
Nissewaard14,921,534,3
Oss13,715,742,5
Purmerend11,114,439,4
Roosendaal23,617,539,0
Rotterdam26,827,438,7
Schiedam25,425,532,4
Sittard-Geleen19,816,828,2
Súdwest-Fryslân7,19,845,9
Tilburg22,622,045,6
Utrecht 21,628,848,7
Venlo18,919,136,0
Vlaardingen25,122,630,1
Westland10,713,242,4
Zaanstad18,821,234,8
Zoetermeer15,517,547,5
Zwolle13,317,455,0
Bron: CBS

Tussen de 52 grote gemeenten zijn forse verschillen te zien in de mate waarin de inwoners zich onveilig voelen in hun buurt. In Hoeksche Waard blijft dit beperkt tot 5 procent, waarna dit oploopt tot 27 procent in Rotterdam. Na Rotterdam staat Heerlen met 26 procent op de tweede plek van de gemeenten met de meeste onveiligheidsgevoelens. Bovendien leert het overzicht dat de ervaren buurtonveiligheid in Heerlen groter is dan in de drie andere grote Limburgse gemeenten: Sittard-Geleen staat met 19 procent op plek 13, Venlo en Maastricht nemen met elk 17 procent de posities 16 en 18 op de ranglijst in. Indien rekening wordt gehouden met verschillen in de bevolkingssamenstelling tussen de steden, zoals de leeftijdsopbouw, het opleidings- en het inkomensniveau, dan schuift Heerlen slechts één positie in de ranglijst op: Heerlen behoort dan nog steeds tot de top-3 van de steden waar burgers zich in hun buurt weleens onveilig voelen. Ook bij de drie andere vormen van onveiligheid – zich vaak onveilig voelen in de buurt, in de avond op straat, en als men alleen thuis is – staat Heerlen op de hoogste treden van de onveiligheidsladders. Net als de ervaren buurtcohesie en de waardering voor de leefbaarheid van de buurt zijn ook gevoelens van onveiligheid in de buurt weinig veranderd: in 2013 voelde 29 procent zich er weleens onveilig, in 2021 26 procent. Ook het verschil tussen Heerlen, de G4 en de andere grote gemeenten is tussen 2013 en 2021 niet wezenlijk gewijzigd. In alle jaren was het rapportcijfer in Heerlen lager dan gemiddeld in de andere gemeenten.

Ook bij deze vier vormen van onveiligheid komt de tweedeling in Heerlen naar voren. In Heerlen-noord hebben de inwoners meer angstgevoelens over de buurtveiligheid dan in Heerlen-zuid. Zo voelt 30 procent van de inwoners van Heerlen-noord zich weleens en 5 procent vaak onveilig. Verder voelt zich 12 procent  ’s avonds vaak onveilig op straat, en 5 procent vaak ’s avonds onveilig als men alleen thuis is. Vooral groot is het verschil met Heerlen-zuid bij het zich onveilig voelen op straat en thuis, waar deze angst beperkt blijft tot respectievelijk 5 en 1 procent. Ook wanneer rekening worden gehouden met demografische en sociaaleconomische verschillen tussen beide stadsdelen blijft het beeld van de tweedeling in onveiligheidsgevoelens intact.

4.2 Onveiligheidsgevoelens in buurt in Heerlen, G4 en 70 000+-gemeenten, 2021
 OnderwerpWeleens onveilig in buurt (%)Vaak onveilig in buurt (%)Vaak s avonds op straat in buurt onveilig (%)Vaak s avonds alleen thuis onveilig (%)
HeerlenHeerlen totaal*25,54,89,53,9
HeerlenHeerlen-noord29,94,912,25,3
HeerlenHeerlen-zuid18,84,05,01,2
G424,54,07,02,7
70 000+-gemeenten18,52,75,02,1
* In het cijfer voor Heerlen totaal zijn ook personen meegeteld van wie niet bekend is of ze in Heerlen-noord of Heerlen-zuid wonen.

Dat de burger in Heerlen zich bovengemiddeld onveilig voelt, roept de vraag op bij welke bevolkingsgroepen dat vooral het geval is en bij welke dat minder speelt. Zijn het bijvoorbeeld vooral vrouwen, ouderen, lager opgeleiden die zich in hun buurt onveilig voelen? De onveiligheidsgevoelens in de buurt in Heerlen verschillen weinig tussen mannen en vrouwen: van de mannen voelt 26 procent zich weleens onveilig in hun buurt, van de vrouwen is dat 24 procent. Leeftijd is sterker onderscheidend. De 65-plussers voelen zich beduidend minder vaak weleens onveilig (21 procent) dan de jongere leeftijdsgroepen (rond de 28 procent). Tevens voelen met 30 procent vooral de middelbaar opgeleiden zich onveilig. Bij zowel de groep met een lage als met een hoge opleiding is dit in minder mate het geval. De sterkste relatie is te zien bij het inkomen. Van de mensen die het minst te besteden hebben voelt 37 procent zich weleens onveilig in hun buurt. Naarmate het inkomen van het huishouden hoger is, neemt dit af tot 13 procent bij de groep die het meest te besteden heeft. 

4.3 Onveiligheidsgevoelens in buurt in Heerlen naar kenmerken, 2021
   Weleens onveilig in buurt (% weleens onveilig in buurt)
Totaal25,5
GeslachtMannen25,8
GeslachtVrouwen25,2
Leeftijd15 tot 25 jaar27,5
Leeftijd25 tot 45 jaar27,4
Leeftijd45 tot 65 jaar26,9
Leeftijd65 jaar of ouder21
OnderwijsniveauLaag23,5
OnderwijsniveauMiddelbaar 30,5
OnderwijsniveauHoog22
HuishoudensinkomenEerste 20 procent (laag inkomen)36,6
HuishoudensinkomenTweede 20 procent25,9
HuishoudensinkomenDerde 20 procent28
HuishoudensinkomenVierde 20 procent20,8
HuishoudensinkomenVijfde 20 procent (hoog inkomen)12,5

Bij veiligheidsbeleving zijn niet alleen de gevoelens van onveiligheid van belang, maar ook de inschatting van het gevaar en het gedrag dat uit de gevoelens en de inschatting volgt. In de literatuur (De Vries, 2005) wordt dit aangeduid met het onderscheid tussen affectief (gevoel), cognitief (inschatting), en conatief (gedrag). Bij de cognitie gaat het om de waarneming van onveilige situaties en om inschattingen van het risico op slachtofferschap. De gevoelens van onveiligheid staan niet los van de kennis die men heeft van de onveilige situaties en de inschatting om slachtoffer te worden. Beide resulteren in een bepaald gedrag, waarvan het vermijdingsgedrag het belangrijkste onderdeel is, zoals het vermijden van bepaalde plekken en bepaald handelen.

Op het cognitieve aspect, de verstandelijke component van veiligheidsbeleving, zijn de cijfers van Heerlen vergelijkbaar met die van de G4 maar ongunstiger dan die op basis van het gemiddelde van de 52 grote gemeenten. Zo beoordeelt de Heerlenaar de veiligheid in de buurt met een 6,9 als rapportcijfer. Dat is gelijk aan dat van de G4 en lager dan dat van de andere grote gemeenten (7,2). En 18 procent denkt dat er in hun buurt veel criminaliteit plaatsvindt, vergelijkbaar met dat van de G4 (20 procent), maar een stuk hoger dan het gemiddelde van de 52 grote steden (13 procent). Ook op het conatieve aspect, de gedragscomponent, scoort Heerlen relatief ongunstig. Zo zegt 15 procent dat ze ’s avonds vaak niet opendoen omdat ze het niet veilig vinden is. In de G4 blijft dit beperkt tot 11 procent en in de 52 steden tot 9 procent. In Heerlen geeft 6 procent aan dat ze in de eigen buurt vaak omlopen of omrijden om onveilige plekken te vermijden. Dat verschilt niet ten opzichte van de G4, maar is wel hoger dan de 4 procent van de 52 grote gemeenten.  

De percentages Heerlenaren die zich weleens onveilig voelen in de buurt, die denken dat er veel criminaliteit plaatsvindt in de buurt, en die het ’s avonds niet opendoen uit veiligheidsoverwegingen liggen boven het gemiddelde van de 52 grote gemeenten, en zijn vergelijkbaar met dat van de G4. Ook bij deze vier vormen van onveiligheid komt de tweedeling in Heerlen naar voren. Zowel bij de onveiligheidsgevoelens in de buurt, de inschatting van criminaliteit in de buurt als het ’s avonds niet opendoen scoort Heerlen-noord duidelijk ongunstiger dan Heerlen-zuid.  

4.4 Veiligheidsbeleving in buurt in Heerlen, G4 en 70 000+-gemeenten, 2021
 Heerlen* (%)Heerlen-noord (%)Heerlen-zuid (%)G4 (%)70 000+-gemeenten (%)
Voelt zich weleens onveilig in buurt 25,529,918,824,518,5
Denkt dat er veel criminaliteit is in buurt18,221,413,120,413,1
Doet 's avonds vaak niet open14,719,37,511,29,4
* In het cijfer van Heerlen zijn ook personen meegeteld van wie niet bekend is of ze in Heerlen-noord of Heerlen-zuid wonen.

Criminaliteit en veiligheidsbeleving

De onveiligheidsgevoelens van slachtoffers van criminaliteit zijn beduidend groter dan die van personen die geen slachtoffer hiervan zijn (Akkermans en Kloosterman, 2020). Van de Nederlanders die in 2020 aangaven in de 12 maanden voorafgaand aan het onderzoek slachtoffer te zijn geweest van een of meerdere vormen van veelvoorkomende criminaliteit zoals geweld, diefstal en inbraak, en vernielingen voelde 28 procent zich onveilig in de buurt, tegen 12 procent van de personen die geen slachtoffer waren geweest. Bij geweldsdelicten bedroegen de percentages onveiligheidsgevoelens in de buurt voor slachtoffers en niet-slachtoffers 37 en 14 procent en bij diefstal en inbraak 32 en 14 procent. Tevens scoren slachtoffers van criminaliteit ongunstiger dan niet-slachtoffers op zowel de cognitieve component, zoals het rapportcijfer voor de veiligheid in de buurt, als op de conatieve component, in de vorm van mijdgedrag. 

Gelet op deze samenhang tussen het slachtofferschap van criminaliteit en veiligheidsbeleving zou verwacht kunnen worden dat de relatief ongunstige positie van Heerlen in de veiligheidsbeleving ook tot uitdrukking komt in het slachtofferschap van criminaliteit. Dit blijkt echter niet zo te zijn. In een periode van een jaar is 18 procent van de Heerlenaren slachtoffer geweest van criminaliteit, in de 52 grote gemeenten is dat gemiddeld 22 procent, en 28 procent in de G4. Bij geweldsdelicten, zoals mishandeling en bedreiging, en bij vernielingen, bijvoorbeeld aan voertuigen, huis of tuin, zijn er weinig verschillen tussen Heerlen, de G4 en 52 grote steden. En bij vermogensdelicten, zoals diefstal en inbraak, scoort Heerlen beduidend lager dan zowel de G4 als de 52 grote gemeenten. Binnen Heerlen komt ook bij het slachtofferschap van criminaliteit de tweedeling tussen de stadsdelen naar voren. In Heerlen-noord is 22 procent – evenveel als het gemiddelde van de grote gemeenten – slachtoffer geweest van criminaliteit tegenover 13 procent in Heerlen-zuid. Het grootst is het verschil tussen de noordelijke en zuidelijke stadshelft bij geweld (9 tegen 4 procent). Bij vermogensdelicten zoals diefstal en inbraak bestaat geen verschil. 

4.5 Slachtoffers criminaliteit in Heerlen, G4 en 70 000+-gemeenten, 2021
OnderwerpHeerlen* (% )Heerlen-noord (% )Heerlen-zuid (% )G4 (% )70 000+-gemeenten (% )
Totaal18,722,313,028,221,5
Geweldsdelicten7,19,03,87,56,3
Vermogensdelicten6,66,56,117,111,8
Vernielingen9,711,17,89,87,8
* In het cijfer van Heerlen zijn ook personen meegeteld van wie niet bekend is of ze in Heerlen-noord of Heerlen-zuid wonen.

Functioneren gemeente inzake aanpak leefbaarheid en veiligheid

Van de Heerlenaren is 30 procent tevreden of zeer tevreden over het functioneren van de gemeente als het gaat om de aanpak van leefbaarheid en veiligheid, 22 procent is ontevreden of zeer ontevreden. De rest (48 procent) is tevreden noch ontevreden, of zegt dit niet te kunnen beoordelen. De inwoners van Heerlen zijn beduidend minder (zeer) tevreden met hoe hun gemeente opereert in de aanpak van leefbaarheid en veiligheid dan zowel in de G4 (42 procent) als in de 52 grote steden (43 procent) (zie tabel 4.1). In de 52 grote gemeenten loopt het percentage inwoners dat (zeer) tevreden is uiteen van 28 procent in Sittard-Geleen tot 57 procent in Amstelveen. Na Sittard-Geleen scoort Heerlen met een tevredenheidspercentage van 30 het laagst. In Venlo is er met 36 procent (plek 7) en in Maastricht met 40 procent (plek 17) meer tevredenheid over de aanpak van de gemeente. In Heerlen wordt de aanpak om de leefbaarheid en de veiligheid te verbeteren ook veel negatiever beoordeeld dan in de vier grootste steden (41 procent). Dat is opmerkelijk: hoewel de G4, net als Heerlen, ongunstig scoort op leefbaarheid, buurtoverlast en veiligheidsbeleving, is de tevredenheid over de aanpak van de gemeente op deze terreinen groter dan in Heerlen. Ook het verschil tussen Heerlen, de G4 en de andere grote gemeenten is tussen 2013 en 2021 niet wezenlijk gewijzigd. In alle jaren was de tevredenheid over het functioneren van de gemeente als het gaat om de aanpak van leefbaarheid en veiligheid lager dan in de G4 en lager dan gemiddeld in de andere gemeenten.

In tegenstelling tot de andere onderzochte thema’s is het verschil tussen Heerlen-noord (27 procent zeer tevreden) en Heerlen-zuid (34 procent) op dit punt relatief klein. Ook in het zuidelijke stadsgebied blijft de tevredenheid over de gemeentelijke aanpak van leefbaar en veiligheid achter ten opzichte van het gemiddelde van zowel de 52 grote steden als dat van de G4.  

4.6 Tevredenheid over functioneren gemeente inzake aanpak leefbaarheid en veiligheid in Heerlen, G4 en 70 000+-gemeenten, 2021
 Onderwerp(Zeer) tevreden (% (zeer) tevreden)
HeerlenHeerlen totaal*29,8
HeerlenHeerlen-noord27,0
HeerlenHeerlen-zuid34,0
G441,8
70 000+-gemeenten42,7
* In het cijfer van Heerlen totaal zijn ook personen meegeteld van wie niet bekend is of ze in Heerlen-noord of Heerlen-zuid wonen.

5. Conclusie en discussie

Uit dit essay komt naar voren dat de ervaren buurtcohesie, de leefbaarheid en overlast, en de veiligheidsbeleving in de buurt in Heerlen vergelijkbaar zijn met die in de G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht tezamen). Heerlen scoort op deze aspecten wel duidelijk lager dan de andere 51 grote gemeenten. En ook is het in Heerlen slechter gesteld dan in de andere Limburgse steden Sittard-Geleen, Maastricht en Venlo. Ook de tevredenheid over het functioneren van de gemeente als het gaat om de aanpak van de leefbaarheid en veiligheid is relatief laag in Heerlen. Dit totaalbeeld verandert niet of nauwelijks als rekening wordt gehouden met verschillen in de bevolkingssamenstelling tussen de steden: ook dan neemt Heerlen vrijwel dezelfde lage posities in op de ranglijsten. De relatief lage scores van Heerlen op de terreinen van de buurtcohesie, leefbaarheid en veiligheidsbeleving zijn in de afgelopen 10 jaar niet wezenlijk veranderd. De achterstanden die Heerlen kent zijn blijkbaar hardnekkig en het verkleinen ervan vereist een lange adem.

Ook de beleving van de woonomgeving is in Heerlen relatief negatief ten opzichte van die van andere steden. Daarbij valt op dat er in Heerlen, in tegenstelling tot in andere steden, een discrepantie bestaat tussen deze negatieve beleving van de omgeving en feitelijke omstandigheden die deze zouden kunnen verklaren. Zo voelen Heerlenaren zich vaker dan inwoners van andere steden onveilig in de buurt, denken vaker dat er veel criminaliteit plaatsvindt in de buurt, en doen vaker ’s avonds uit veiligheidsoverwegingen niet open, terwijl het percentage slachtoffers van criminaliteit in Heerlen niet hoger is dan in andere steden. Ook geven Heerlenaren vaker dan inwoners van andere steden aan zelf veel overlast in de buurt te ervaren, terwijl het percentage dat zegt dat overlast in de buurt weleens voorkomt in Heerlen niet hoger is dan elders. Het lijkt erop dat fenomenen zoals criminaliteit en buurtoverlast bij Heerlenaren eerder tot een negatieve beleving van de leefbaarheid en veiligheid van hun woonomgeving leiden, en in het verlengde daarvan tot een negatieve beoordeling van de buurtcohesie, dan bij inwoners van andere steden. Mogelijk speelt hierbij een rol dat Heerlenaren relatief weinig vertrouwen hebben in elkaar en in de samenleving, dat ze weinig sociale contacten onderhouden, weinig hulp geven aan anderen zowel buiten als binnen organisaties, en er weinig binding is met het verenigingsleven. Kortom: de burgers van Heerlen hebben weinig sociaal kapitaal opgebouwd. En bovendien maakt de tegenstelling tussen Heerlen-noord en Heerlen-zuid, alsook de discrepanties tussen bevolkingsgroepen dat er weinig sprake is van integratie, waardoor ook op dit vlak de sociale cohesie achterblijft bij andere steden.  

Een andere verklaring voor het feit dat Heerlenaren zich bijvoorbeeld relatief vaak onveilig voelen terwijl de feitelijke omstandigheden daar niet nier per se aanleiding toe lijken te geven, zou kunnen zijn dat Heerlenaren in vergelijking met inwoners van andere steden een sterke persoonlijke dispositie hebben om zich snel angstig te voelen. Dit blijkt echter niet uit de beschikbare data. In de Veiligheidsmonitor is door middel van stellingen persoonlijke weerbaarheid onderzocht. Een van de stellingen die aan de respondenten is voorgelegd is: “Ik ben iemand die zich in het algemeen snel angstig voelt”. Van de Heerlenaren is 12 procent het (helemaal) eens met deze stelling, een percentage dat vergelijkbaar is met dan van het gemiddelde van de 52 grote gemeenten (11 procent). 

Dat het minder goed gesteld is met de ervaren sociale cohesie, leefbaarheid en veiligheid in Heerlen spoort met bevindingen die in eerdere essays zijn besproken. Nagenoeg op alle aspecten van het meedoen met en het vertrouwen hebben in de samenleving staat Heerlen onderaan op de ranglijst, veelal bij de top-3 van de 51 grote gemeenten met de laagste posities. Dit duidt erop dat in Heerlen weinig sociaal kapitaal is opgebouwd. En dit kapitaal, de sociale netwerken met gemeenschappelijke waarden, is van belang voor het bevorderen van sociale cohesie. Het stimuleren van participatie is een instrument daartoe. Met het Heitjes-project wordt gepoogd om de participatie te bevorderen, door via de vrijwilligersregeling de burgers te stimuleren om klussen te doen om daarmee de publieke ruimte te verbeteren. Daardoor, zo is de verwachting, ontstaan ook meer sociale contacten, neemt de verbondenheid tussen burgers toe, en zal het onderlinge vertrouwen en het vertrouwen in instituties groeien. En ook de tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen alsmede tussen Heerlen-noord en Heerlen-zuid kunnen daardoor afnemen. Met de in 2022 verzamelde aanvullende gegevens, wordt in 2023 in vervolgessays nagegaan of er indicaties zijn dat het sociaal kapitaal en de sociale cohesie in Heerlen is toegenomen in een periode van bijna twee jaar.

Binnen Heerlen is er meer aan de hand. Er is een duidelijke tweedeling: waar het zuidelijke gebied veelal niet veel onderdoet ten opzichte van het gemiddelde van andere grote steden, is vooral in Heerlen-noord sprake van een relatief lage sociale cohesie, een lage waardering van de leefbaarheid van de buurt, veel ervaren buurtoverlast en een lage veiligheidsbeleving in de buurt. Ook wanneer rekening wordt gehouden met demografische en sociaaleconomische verschillen tussen beide stadsdelen, verandert dit beeld nauwelijks. 

In eerdere essays is gewezen op de mijnsluitingen en daarmee gepaarde armoede en grensmigranten van wie het sociale netwerk veelal in Duitsland is gebleven (zie ook Glas en Mulder, 2018) die met name de inwoners Heerlen-noord heeft geraakt. Maar waarschijnlijk spelen ook andere (gerelateerde) mechanismen een rol. Het is ook niet uit te sluiten dat de inwoners van Heerlen-noord, van wie de gezondheid gemiddeld al minder goed is dan in Heerlen-zuid, ook kwetsbaarder zijn en als gevolg van de Corona pandemie harder getroffen zijn in de gevolgen voor hun werksituatie en de daaraan gerelateerde psychische effecten (Reep en Hupkens, 2021). Vervolgonderzoek met de data van 2022 kan ook in dit opzicht meer duidelijkheid gaan bieden.

Ook het relatief lage welzijn in Heerlen en in Heerlen-noord in het bijzonder, zoals dat uit een eerder essay naar voren kwam speelt mee. Veenhoven verklaart dit lage welzijn vanuit beperkingen van de individuele vrijheid die ingegeven zijn door de rol van de sociaal-politiek verzuilde kerk in het zuiden van Nederland2). Als dit het geval is, dan zal dit mechanisme van ervaren vrijheidsrestricties doordat Heerlen-zuid pas veel later tot ontwikkeling is gekomen dan het noordelijke deelgebied sterker een rol spelen in Heerlen-noord met als gevolg een lager welzijn in het noordelijke deel van de stad. En dat spoort met de reeds besproken overzichten van het meedoen met en het vertrouwen hebben in de samenleving. Op deze manier wordt steeds meer inzichtelijk hoe de diverse factoren met elkaar verweven zijn. Dat is mede relevant voor een gedifferentieerde aanpak om niet alleen het persoonlijke welzijn te stimuleren, maar ook de wijze waarop de cohesie, leefbaarheid en veiligheid van de directe woonomgeving wordt ervaren.
2) Zie: https://www.limburger.nl/cnt/dmf20220513_97327421.

Referenties

Akkermans, M., Kloosterman, Moons, E., Reep, C., en Tummers-van der Aa, M. (2022). Veiligheidsmonitor 2021. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Akkermans, M en R. Kloosterman (2020). Veiligheidsbeleving van slachtoffers van criminaliteit. Statistische Trends, december 2020.

Boers, J., van Steden, R. en J. C. J. Boutellier, (2008). Het effect van positieve en negatieve factoren op veiligheidsbeleving: Een kwantitatieve studie onder inwoners van Amsterdam. Tijdschrift voor veiligheid en veiligheidszorg, 7(3), 34-52

 

Bourdieu, P. (1986). The forms of capital. In: J. Richardson (red.), Handbook of theory and research for the sociology of education. New York: Greenwood Press.

 

Brock, A.,  Kwakernaak, M.,  de Meere, F. en H. Boutellier (2019).  Literatuurstudie Sociale Cohesie. Utrecht: Verwey Jonker Instituut 118050_Literatuurstudie_sociale_cohesie.pdf (verwey-jonker.nl)

 

Coté, S. en T. Healy (2001). The well-being of nations. The role of human and social capital. Paris: Organisation for Economic Co-operation and Development.

 

Duyvendak, J.W. (1998). Van verzuiling naar vermenging. Wijkopbouw en opbouwwerk in een multiculturele samenleving. Ethiek & Maatschappij 1(3): 80-93.

 

Glas, I. en L. Mulder (2018). Diversiteit naar herkomst en sociale cohesie. In: Jennissen, R., Engbersen, G., Bokhorst, M. en M. Bovens (red.) De nieuwe verscheidenheid. Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland. Den Haag: WRR, 75-122.

 

Hart, de J., Knol, F., Maas-de Waal, C. en T. Roes (2002). Zekere banden. Sociale cohesie, leefbaarheid en veiligheid. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

 

Helliwell, J. F. en S. Wang (2011). Trust and wellbeing. International Journal of Wellbeing, 1(1), 42-78.

 

Keeley, B. (2007). Human capital: how what you know shapes your life. Paris: OECD

 

Knack S. en P. Keefer (1997). Does social capital have an economic pay-off? A cross country investigation. Quarterly Journal of Economics, 112 (4), 1251-1288.

 

Lochner, K., I. Kawachi en B. P. Kennedy (1999), Social capital: a guide to its measurement. Health & Place, 5,  259–270

 

Mars, G. en H. Schmeets (2011). Meer sociale samenhang, meer geluk? Bevolkingstrends,59(3).

 

Neira, I., Vázquez, E. en M. Portela (2009). An Empirical Analysis of Social Capital and Economic Growth in Europe. Social Indicators Research, 92(1), 111-129.

 

Oppelaar, J. en K. Wittebrood (2006). Angstige burgers? De determinanten van gevoelens van onveiligheid onderzocht. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Angstige burgers (scp.nl)

 

Portela, M., I. Neira, en M. del Mar Salinas-Jiménez (2013). Social Capital and Subjective Wellbeing in Europe: A New Approach on Social Capital, Social Indicators Research, 114, 493-511.

 

Puntscher, S., Walde, J. en G. Tappeiner (2015). The impact of social capital on subjective well-being: A regional perspective. Journal of Happiness Studies: An Interdisciplinary Forum on Subjective Well-Being, 16(5), 1231–1246.

 

Reep, C. en C. Hupkens (2021). Ervaren impact corona op mentale gezondheid en leefstijl. Statistische Trends, 3-9-2021.

 

Sampson, R. J., Raudenbush, S. W.  en F. Earls (1997). Neighborhoods and Violent Crime: A Multilevel Study of Collective Efficacy. Science, 277, 918–924

 

Schmeets, H. (2008). Speerpunt Sociale samenhang. Project brief. Heerlen/Voorburg: CBS.

 

Schmeets, H. (2022). De Heitjes en het sociaal kapitaal in Heerlen. CBS: Den Haag/Heerlen/Bonaire, 19 oktober 2022.

 

Schmeets, H. en J. Exel (2022). Vertrouwen in medemens en instituties voor en tijdens de pandemie. CBS Den Haag/Heerlen. Statistische Trends 2022.

 

Schmeets, H., Exel, J., Ten Westenend, A. en D. Martens (2021). Meer vrijwilligers in Heerlen met het Heitje. CBS: Den Haag/Heerlen/Bonaire, 29 december 2021.

 

Schmeets, H., Exel, J., Ten Westenend, A. en D. Martens (2022a). De Heitjes en het onderlinge wantrouwen in Heerlen. CBS: Den Haag/Heerlen/Bonaire, 21 februari 2022.

 

Schmeets, H., Exel, J., Ten Westenend, A. en D. Martens (2022b). De Heitjes en het politieke vertrouwen in Heerlen. CBS: Den Haag/Heerlen/Bonaire, 1 maart 2022.

 

Schmeets, H., Exel, J., Ten Westenend, A. en D. Martens (2022c). De Heitjes en de sociale contacten in Heerlen. CBS: Den Haag/Heerlen/Bonaire, 22 maart 2022.

 

Schmeets, H., Exel, J., Ten Westenend, A. en D. Martens (2022d). De Heitjes en het verenigingsleven in Heerlen. CBS: Den Haag/Heerlen/Bonaire, 1 april 2022.

 

Schmeets, H. en J. Exel (2022a). De Heitjes en de politieke betrokkenheid in Heerlen. CBS: Den Haag/ Heerlen/Bonaire, 25 mei 2022.

 

Schmeets, H. en J. Exel (2022b). De Heitjes en het vertrouwen in instituties in Heerlen. CBS: Den Haag/Heerlen/Bonaire, 20 juli 2022.

 

Schmeets, H. en M. Tummers (2022a). De Heitjes en het welzijn in Heerlen. CBS: Den Haag/Heerlen/Bonaire, 25 augustus 2022. 

 

Schmeets, H. en M. Tummers (2022b). Maatschappelijk onbehagen en pessimisme voor en tijdens de pandemie. Statistische Trends, 19 december 2022. 

 

Van Beuningen, J., Schmeets, H., Arts, K. en  S. te Riele (2013). Samenhang tussen etnische diversiteit en criminaliteit: de rol van sociaal kapitaal. Bevolkingstrends, oktober 2013, p. 1-20. 

 

Woolcock M. (1998) Social capital and economic development. Theory and Society, 27(2), 151–208.