Auteur: Rianne Kloosterman, Math Akkermans, Carin Reep, Marleen Wingen, Hermine Molnár - In 't Veld, Jacqueline van Beuningen
Klimaatverandering en energietransitie: opvattingen en gedrag van Nederlanders in 2020

6. Vleesconsumptie

Het eten van vlees heeft een grote impact op het klimaat en het milieu. De productie van plantaardige eiwitrijke voedingsmiddelen veroorzaakt veel minder milieuschade dan die van vlees. Voor 1 kilo vlees is bijvoorbeeld gemiddeld 5 kilo plantaardig materiaal (veevoer) nodig (Milieu Centraal, 2021b). Vleesproductie zorgt verder voor veel meer uitstoot van broeikasgassen en voor verzuring van de bodem en de lucht. Dat geldt ook voor de productie van zuivel. Ook het eten van vis is milieubelastend, mede door de uitstoot van broeikasgassen, maar meer nog door de overbevissing bij wilde vis en door het antibioticagebruik bij kweekvis (Milieu Centraal, 2021b). In het Klimaatakkoord zijn met betrekking tot de vleesconsumptie twee doelen voor 2050 gesteld. Ten eerste minder consumptie van dierlijke eiwitten en meer consumptie van plantaardige eiwitten, zodat een gezonde verhouding wordt bereikt conform de adviezen van het Voedingscentrum. Ten tweede zouden naast deze toename van het aandeel plantaardige eiwitten in ons dieet in totaal 10 tot 15 procent minder eiwitten ingenomen moeten worden (Rijksoverheid, 2019). In dit hoofdstuk staat centraal hoe milieubewust Nederlanders omgaan met hun vleesconsumptie.

6.1 Vleesconsumptie 

Vijf procent eet geen vlees

In 2020 geeft 5 procent van de 18-plussers (630 duizend personen) in het onderzoek Belevingen aan nooit vlees17) te eten;  3 procent eet geen vlees maar wel vis (de pescotariërs), 2 procent eet ook geen vis (de vegetariërs). Een volledig plantaardig dieet18) komt met 0,4 procent (53 duizend personen) nog zeer weinig voor. Een half procent van de 18-plussers is in het afgelopen jaar19) gestopt met vlees eten (zie bijlagetabel 6a). 

Bijna de helft is flexitariër

Het overgrote deel van de bevolking (95 procent) eet dus nog wel vlees maar het is lang niet altijd dagelijkse kost: 45 procent van de 18-plussers eet maximaal 4 dagen in de week vlees, bij de warme maaltijd, als broodbeleg of als snack. Zij worden hier als ‘flexitariër’20) beschouwd. Twintig procent eet iedere dag vlees en 30 procent 5 of 6 dagen per week21)

6.1.1 Vlees- en visconsumptie, 2020
 Personen van 18 jaar of ouder
Volledig plantaardig0,4
Nooit vlees en nooit vis1,7
Nooit vlees, wel vis2,6
Maximaal 4 dagen per week vlees44,8
5 of 6 dagen per week vlees30,5
Iedere dag vlees20,2

Ruim 1 op de 3 is in afgelopen jaar minder vlees gaan eten

Niet alleen het aantal dagen dat vlees wordt gegeten maar ook de hoeveelheid vlees die per dag wordt gegeten is van belang voor inzicht in de bewuste omgang met voeding. 35 procent van de 18-plussers zegt in het afgelopen jaar minder vlees te zijn gaan eten dan daarvoor, hetzij door vleesloze dagen in te lassen, hetzij door kleinere porties vlees te eten. De meesten, 58 procent, geven aan dat hun vleesconsumptie in de afgelopen 12 maanden niet is veranderd. 

6.1.2 Ontwikkeling in vleesconsumptie in de afgelopen 12 maanden, 2020
 Personen van 18 jaar of ouder
Gestopt met vlees eten0,5
Minder vlees gaan eten34,9
Evenveel vlees blijven eten57,9
Meer vlees gaan eten1,5
Weet het niet1,1
Niet van toepassing, eet al langer dan 1 jaar geen vlees4,1


37 procent van de vleeseters vindt dat hij/zij eigenlijk (nog) minder vlees zou moeten eten (zie bijlagetabel 6b). De mensen die al af en toe geen vlees eten vinden dit vaker dan degenen die iedere dag vlees eten, namelijk 40 tegen 25 procent.   
Bijna twee op de drie vleeseters willen hun vleesconsumptie niet opgeven. Ook hier bestaan er verschillen tussen vleesconsumenten: van degenen die iedere dag vlees eten geeft 82 procent aan het vlees niet op te willen geven, terwijl 56 procent van de flexitariërs dit zegt.

6.2 Redenen om geen of beperkt vlees te eten

Ruim 1 op de 6 volwassenen eet geen vlees of maximaal 4 dagen per week voor het klimaat

Bijna de helft van de 18-plussers eet helemaal geen vlees of maximaal 4 dagen per week (zie paragraaf 6.1); 16 procent doet dit om onder andere het klimaat minder te belasten. Voor 8 procent is het klimaat of milieu de enige of belangrijkste drijfveer: 7 procent eet hiervoor flexitarisch, 1 procent laat hiervoor het vlees helemaal staan (zie bijlagetabel 6a). 
35 procent van alle 18-plussers is in het afgelopen jaar minder vlees gaan eten (zie ook paragraaf 6.1), bij 14 procent van alle 18-plussers speelt het milieu of klimaat hierbij een rol, bij 8 procent is het milieu of klimaat hiervoor de enige of belangrijkste reden.

Voor niet-vleeseters dierenwelzijn op 1, klimaat op 2

Zorg voor klimaat is niet de meest genoemde, en ook niet de meest doorslaggevende reden om geen vlees of beperkt vlees te eten. Zo is bij personen die helemaal geen vlees eten (de pesco- en vegetariërs) het dierenwelzijn het belangrijkste motief; 71 procent geeft aan dat dit een van de redenen is om geen vlees te eten; bij 48 procent is dat ook het enige of belangrijkste motief. Het milieu of klimaat wordt weliswaar ook door veel niet-vleeseters genoemd (59 procent), maar dit is voor slechts 20 procent de belangrijkste reden. Daarnaast spelen de eigen gezondheid (35 procent) en de smaak/geen behoefte hebben (28 procent) een rol maar dit zijn meestal geen doorslaggevende redenen om geen vlees te eten. 

Voor flexitariërs persoonlijke redenen belangrijker dan dierenwelzijn en klimaat

Flexitariërs geven juist relatief vaak aan dat gezondheidsvoordelen (37 procent) en een verminderde behoefte of het niet zo lekker vinden (34 procent) meespelen bij hun keuze om beperkt vlees te eten. Het klimaat of milieu en het dierenwelzijn worden beide door 30 procent van de flexitariërs als reden genoemd. De verschillen tussen deze vier motieven zijn dus minder groot dan bij degenen die helemaal geen vlees eten.  
Bij degenen die pas in het afgelopen jaar flexitariër zijn geworden komt de reden ‘een verminderde behoefte of het niet zo lekker vinden’ overigens minder vaak voor (26 procent)22). Zij geven veel vaker als motief het milieu of klimaat (42 procent), gezondheid (41 procent) en dierenwelzijn (38 procent). 
Het totaalbeeld is dat personen die helemaal geen vlees eten vaker meerdere redenen hiervoor hebben, met de nadruk op dierenwelzijn en klimaat of milieu. Flexitariërs daarentegen geven vaker maar één reden om beperkt vlees te eten, met de nadruk op meer persoonlijke motieven zoals de eigen gezondheid en een verminderde behoefte/het niet lekker vinden.

6.2.1 Redenen om geen of beperkt vlees te eten, 2020
 Belangrijkste (of enige) reden (%)Een reden maar niet de belangrijkste (%)
Redenen van niet-vleeseters
(pesco- en vegetariers)
Dierenwelzijn47,823,0
Klimaat / milieu20,138,8
Gezondheid12,722,4
Geen behoefte / niet lekker12,615,1
Huisgenoot eet geen vlees0,74,7
Te duur0,41,1
Andere reden4,80,9
Geen (belangrijkste) reden gegeven0,9
Redenen van personen die max 4 dagen
per week vlees eten (flexitariers)
Gezondheid23,513,9
Geen behoefte / niet zo lekker25,28,7
Klimaat / milieu14,715,5
Dierenwelzijn15,913,9
Te duur3,33,5
Huisgenoot eet geen / beperkt vlees2,72,0
Andere reden10,01,0
Geen (belangrijkste) reden gegeven4,7

6.3 Verschillen in vleesconsumptie tussen bevolkingsgroepen

Stedelingen eten vaker pesco- of vegetarisch en flexitarisch dan plattelandsbewoners. Hoogopgeleiden doen dit vaker dan laagopgeleiden, en vrouwen vaker dan mannen. Jongeren (tot ongeveer 35 jaar) eten iets vaker pesco- of vegetarisch, terwijl ouderen (vanaf ongeveer 55 jaar) juist vaker flexitarisch eten23). Volledig plantaardig eten komt het vaakst voor bij universitair geschoolden (zie maatwerktabel). Van hen geeft 2 procent aan volledig plantaardig te eten. Bij de personen met een ander opleidingsniveau is dat minder dan 0,3 procent. 

6.3.1 Vlees- en visconsumptie naar kenmerken, 2020
   Volledig plantaardig (% personen van 18 jaar of ouder)Nooit vlees en nooit vis (% personen van 18 jaar of ouder)Nooit vlees, wel vis (% personen van 18 jaar of ouder)Maximaal 4 dagen per week vlees (% personen van 18 jaar of ouder)5 of 6 dagen per week vlees (% personen van 18 jaar of ouder)Iedere dag vlees (% personen van 18 jaar of ouder)
GeslachtMan0,41,01,940,730,125,9
GeslachtVrouw0,42,33,248,730,814,6
Leeftijd18 tot 25 jaar0,53,02,739,328,825,8
Leeftijd25 tot 35 jaar1,12,24,644,729,517,8
Leeftijd35 tot 45 jaar0,21,12,044,927,923,9
Leeftijd45 tot 55 jaar0,51,52,441,434,220,1
Leeftijd55 tot 65 jaar0,22,02,047,032,016,9
Leeftijd65 tot 75 jaar0,01,02,346,532,118,0
Leeftijd75 jaar en ouder0,00,81,650,426,320,9
OpleidingsniveauLaag 0,00,51,345,030,922,2
OpleidingsniveauMiddelbaar0,21,11,641,231,824,0
OpleidingsniveauHoog0,82,64,147,129,316,0
StedelijkheidZeer sterk stedelijk0,92,65,254,023,813,6
StedelijkheidSterk stedelijk0,31,82,745,328,721,2
StedelijkheidMatig stedelijk0,00,81,041,335,521,4
StedelijkheidWeinig stedelijk0,01,10,638,435,224,7
StedelijkheidNiet stedelijk0,31,42,036,836,622,9

Vooral hoogopgeleiden en stedelingen eten flexitarisch vanwege het klimaat

Hoogopgeleide flexitariërs geven het vaakst aan flexitarisch te eten vanwege het klimaat. Vooral universitair geschoolden zeggen met 60 procent vaak dat dit een reden is om beperkt vlees te eten (zie maatwerktabel). Van de laagstopgeleide flexitariërs geeft 12 procent dat aan. En van de flexitariërs die in zeer sterk stedelijke gemeenten wonen zegt 40 procent dat het klimaat een rol speelt bij de keuze om beperkt vlees te eten; van de flexitariërs in matig tot niet stedelijke gemeenten geeft 23 procent dit aan. 
De motieven van personen die helemaal geen vlees eten kunnen niet naar achtergrondkenmerken worden weergegeven in verband met het te kleine aantal waarnemingen in het onderzoek. 

6.3.2 Milieu of klimaat als reden om beperkt vlees te eten, 2020
   Flexitariers (% personen die max 4 dagen per week vlees eten (flexitariers))
Totaal30,1
GeslachtMan29,3
GeslachtVrouw30,9
Leeftijd18 tot 25 jaar35,6
Leeftijd25 tot 35 jaar43,3
Leeftijd35 tot 45 jaar38,6
Leeftijd45 tot 55 jaar25,9
Leeftijd55 tot 65 jaar28,8
Leeftijd65 tot 75 jaar23,6
Leeftijd75 jaar en ouder11,4
OpleidingsniveauLaag11,5
OpleidingsniveauMiddelbaar24,5
OpleidingsniveauHoog48,0
StedelijkheidZeer sterk stedelijk40,0
StedelijkheidSterk stedelijk29,7
StedelijkheidMatig stedelijk22,4
StedelijkheidWeinig stedelijk23,0
StedelijkheidNiet stedelijk23,6

6.4 Beschouwingen bij vleesconsumptie

Met het onderzoek Belevingen publiceert het CBS voor het eerst cijfers over vleesconsumptie. Dit thema is eerder door verschillende onderzoeksinstituten bestudeerd. De Nederlandse Vegetariërsbond heeft alle representatieve onderzoeken van de afgelopen 15 jaar geïnventariseerd en de onderzoeksresultaten in een factsheet gepresenteerd (De Waart, 2020). Door verschillen in opzet van de onderzoeken zijn de cijfers onderling niet zonder meer te vergelijken, maar geconstateerd kan worden dat ze wel in dezelfde orde van grootte liggen als de cijfers in deze publicatie. Conclusies over een toe- of afname van de vleesconsumptie in de meest recente jaren zijn door de verschillen in onderzoeksopzet echter niet mogelijk. Wel blijkt uit drie verschillende langlopende onderzoeken van het RIVM (2011, 2020), TNS-NIPO (2013) en het LEI (De Bakker en Dagevos, 2010; Dagevos, Voordouw, Van Hoeven, Van der Weele en De Bakker, 2012) dat het aantal vegetariërs in de eerste 10 à 15 jaar van deze eeuw is gestegen. In de laatste jaren is de stijging van het aantal flexi- en vegetariërs mogelijk gestagneerd. Zo blijkt uit onderzoek van de WUR dat het gemiddelde aantal dagen per week dat vlees wordt gegeten in 2019 even hoog lag als in 2011. Ook is de totale vleesconsumptie sinds 2016 niet meer gedaald. Uit het onderzoek Belevingen blijkt dat slechts 0,5 procent van de volwassenen in het afgelopen jaar gestopt is met het eten van vlees (zie paragraaf 6.1). Onderzoek van Natuur en Milieu daarentegen suggereert dat het aantal flexitariërs in 2020 ten opzichte van 2019 is toegenomen (Natuur en Milieu, 2021).  Vanaf 2022 gaat het CBS de vleesconsumptie monitoren via de Gezondheidsenquête, een jaarlijkse landelijke enquête waarmee betrouwbare jaar-op-jaarcijfers verzameld worden. 
 

 

17) In deze publicatie bedoelen we met vlees alleen het vlees van zoogdieren en gevogelte.
18) Onder ‘volledig plantaardig’ wordt hier verstaan geen vlees, geen vis en geen zuivel of eieren. Over het eten van insecten is in de enquête niets gevraagd.
19) Met ‘afgelopen jaar’ wordt hier bedoeld de periode van 12 maanden voorafgaand aan het moment van enquêteren.
20) De flexitariërs zijn hier gedefinieerd op grond van uitsluitend hun vleesconsumptie (dus ongeacht hun visconsumptie). Het betreft personen die incidenteel tot maximaal 4 dagen in de week vlees eten.
21) Een deel van de vleeseters eet op de vleesloze dagen wel vis. Naar schatting eet 35 procent van de 18-plussers iedere dag vlees of vis en eet 33 procent 5 of 6 dagen per week vlees of vis. De vraagstelling in het onderzoek maakt het niet mogelijk een betrouwbare schatting te geven van het aantal dagen dat men vlees óf vis eet (zie maatwerktabel).
22) Het gaat hier om de personen die in de enquête op de vraag of ze in de afgelopen 12 maanden meer, minder of evenveel vlees zijn gaan eten, met ‘minder’ hebben geantwoord. Dit sluit niet uit dat ze ook al in de periode daarvoor minder vlees zijn gaan eten. 
23) Tussen de achtergrondkenmerken kunnen onderlinge samenhangen bestaan. Zo wonen hoogopgeleiden vaker in steden en eten stedelingen vaker helemaal geen vlees of vaker flexitarisch. Door in de analyse te corrigeren voor deze onderlinge samenhang tussen opleidingsniveau en stedelijkheid kan de directe relatie tussen deze kenmerken en vleesconsumptie worden weergegeven. In de maatwerktabel zijn ook deze gecorrigeerde cijfers opgenomen (zie maatwerktabel). Daaruit komt de directe, ook in de tekst beschreven, relatie tussen de onderzochte achtergrondkenmerken en vleesconsumptie naar voren.