Auteur: Rianne Kloosterman, Math Akkermans, Carin Reep, Marleen Wingen, Hermine Molnár - In 't Veld, Jacqueline van Beuningen
Klimaatverandering en energietransitie: opvattingen en gedrag van Nederlanders in 2020

4. Duurzaam wonen

Het duurzaam maken van woningen is een van de factoren die bijdraagt aan de vermindering van de CO2-uitstoot. Het gaat dan om betere isolatie van woningen, duurzaam opwekken van energie en minder gebruik van fossiele brandstoffen. Voor deze verduurzaming worden steeds inventievere methoden ingezet, waarvan sommige vertrouwder zijn dan andere. Hoe staat het met de duurzaamheid van woningen in Nederland en wat zijn de opvattingen en plannen die woningeigenaren hierover hebben? Deze vragen staan in dit hoofdstuk centraal.

4.1 Gebruik van aardgas in woningen

Nederland moet van het aardgas af. Volgens het Klimaatakkoord (Rijksoverheid, 2019) moeten alle woningen in 2050 aardgasvrij zijn. In het afgelopen decennium is het aardgasverbruik door Nederlandse huishoudens gedaald (CBS StatLine, 2020a). In de periode tussen 2012 en 2016 daalde het voor temperatuurverschillen gecorrigeerde aardgasverbruik van particuliere huishoudens gemiddeld met 2,7 procent per jaar (CBS, 2018).

1 op de 10 huishoudens geeft aan geen aardgasaansluiting in woning te hebben

In het onderzoek Belevingen 2020 is gevraagd of er een aardgasaansluiting in de woning aanwezig is. Tien procent van de huishoudens zegt geen aardgasaansluiting (meer) te hebben in de woning4). Dit komt neer op 800 duizend huishoudens. Het niet hebben van een aardgasaansluiting in de woning betekent overigens niet dat er voor het verwarmen van de woning helemaal geen CO2-uitstoot plaatsvindt.
Bij nieuwe woningen wordt steeds minder vaak een aardgasaansluiting aangelegd. Zo zegt 30 procent van de huishoudens die in een woning van ná 2005 wonen geen aardgasaansluiting te hebben; van de huishoudens woonachtig in een woning van vóór 1946 geeft 4 procent dat aan. Meergezinswoningen hebben vaker geen aardgasaansluiting dan eengezinswoningen; dit geldt zowel voor oudere als voor recent gebouwde woningen. Van de huishoudens in eengezinswoningen heeft 7 procent geen aardgasaansluiting, van de huishoudens in meergezinswoningen heeft 18 procent geen aansluiting. 

4.1.1 Geen aardgasaansluiting in woning, 2020
   2020 (% huishoudens)
Totaal woningen10,3
BouwjaarVoor 19464,5
Bouwjaar1946-19747,0
Bouwjaar1975-19919,3
Bouwjaar1992-200512,1
BouwjaarNa 200530,4
Een- of meergezinsEengezinswoning7,1
Een- of meergezinsMeergezinswoning17,7
 

Tenminste 450 duizend woningen aardgasvrij

Huishoudens zonder aardgasaansluiting in de woning gebruiken soms indirect nog wel aardgas in het geval sprake is van collectieve verwarming (stadsverwarming of blokverwarming) waarbij aardgas wordt gebruikt. Bij blokverwarming wordt aardgas verstookt in een centrale verwarmingsinstallatie voor het verwarmen van meerdere woningen. Bij stadsverwarming wordt warmte aangevoerd die (deels) kan zijn opgewekt met aardgas. Uit recent onderzoek (CBS, 2021e, CBS StatLine 2021c) blijkt dat op 1 januari 2019 in 447 duizend woningen geen aardgas werd gebruikt5). Dit betreft 6 procent van de woningen (meergezins- of eengezinswoningen). Bij 254 duizend woningen (3 procent) is de situatie onbekend; een deel hiervan is mogelijk ook aardgasvrij. Bij aardgasvrije woningen kan onderscheid gemaakt worden  tussen elektrisch verwarmde woningen (met elektrische warmtepompen of elektrische verwarming) en woningen met stadsverwarming. In 2019 werden 44 duizend aardgasvrije woningen elektrisch verwarmd en in 403 duizend aardgasvrije woningen was sprake van stadsverwarming6). Woningen waarover geen informatie beschikbaar was over het type verwarmingsinstallatie maar waarvan wel het vermoeden is dat deze aardgasvrij waren, zijn geteld onder elektrisch verwarmde aardgasvrije woningen. Het is mogelijk dat een beperkt (onbekend) aantal van deze woningen gebruik maakt van bijvoorbeeld een pellet cv-ketel of biomassaketel voor ruimteverwarming.  

4.2 Aanwezigheid duurzame energievoorzieningen en isolatie in eengezinskoopwoningen

Meeste eengezinswoningen beschikken over gasbesparende voorzieningen en isolatie

De meeste huishoudens, 93 procent, hebben in 2020 een aardgasaansluiting in de woning. Wel trachten veel huishoudens hun gasverbruik te reduceren. Zo heeft het overgrote deel (86 procent van alle eigenaren van eengezinswoningen) een hoogrendementsketel, 40 procent kookt elektrisch en 23 procent verwarmt de woning (aanvullend) met hout. Warmtepompen9) en zonneboilers worden nog niet vaak gebruikt: 5 procent van de huishoudens zegt een warmtepomp te hebben en 3 procent een zonneboiler. Ruim een kwart (28 procent) van de eengezinskoopwoningen heeft zonnepanelen. 

Bijna alle woningen zijn in meer of mindere mate geïsoleerd. Zo zijn bijna alle eengezinskoopwoningen (96 procent) geheel of gedeeltelijk voorzien van dubbel, driedubbel of HR-glas. Van 79 procent is het dak (gedeeltelijk) geïsoleerd, 71 procent heeft gevel- of spouwmuurisolatie en 61 procent is voorzien van vloerisolatie. Bij dak-, gevel/spouwmuur- en vloerisolatie kunnen de percentages in werkelijkheid maximaal ongeveer 8 procent hoger liggen omdat ongeveer 8 procent van de woningeigenaren aangeeft niet te weten of die isolatie aanwezig is in hun woning. 

4.2.1 Energievoorzieningen en isolatie in eengezinskoopwoningen, 2020
 Aanwezig (% eigenaar-bewoners van een eengezinswoning)Onbekend (% eigenaar-bewoners van een eengezinswoning)
Energievoorzieningen
Aardgasaansluiting930,4
HR-ketel85,62,7
Elektrische kookplaat40,30,4
Zonnepanelen27,50
Houtgestookte installatie22,80,6
Warmtepomp4,61,7
Zonneboiler2,80,4
Isolatie
(Drie)dubbel glas of HR-glas96,21,2
Dakisolatie79,36,2
Gevel- of spouwmuurisolatie70,97,9
Vloerisolatie60,96,1
 

Het is niet mogelijk inzicht te geven in de isolatiegraad van woningen omdat informatie over het deel van de woning (ramen, dak, gevel of vloer) dat geïsoleerd is ontbreekt. Door het combineren van het aantal isolatievormen en de aan- of afwezigheid van zonnepanelen en van een aardgasaansluiting kan wel enig inzicht worden gegeven in de duurzaamheid van woningen, zonder dat daarbij aangegeven kan worden welke voorzieningen hieraan de grootste bijdrage leveren.  

Twee procent woningen helemaal niet geïsoleerd

Twee procent van de eigenaren van eengezinswoningen geeft aan geen enkele vorm van isolatie te hebben. Aan de andere kant heeft eveneens 2 procent alle isolatievormen én zonnepanelen én geen aardgasaansluiting. De meest voorkomende combinatie van duurzaamheidskenmerken (29 procent van de eengezinswoningen) is de combinatie waarbij sprake is van alle isolatievormen, zonder zonnepanelen en met een aardgasaansluiting. Bijna de helft (48 procent) van de eengezinswoningen beschikt over alle bevraagde isolatievoorzieningen, ongeacht de aanwezigheid van zonnepanelen of  een gasaansluiting. 

4.3 Zonnepanelen: aanwezigheid, motieven en aanschafplannen

In 2020 was 28 procent van de eengezinskoopwoningen voorzien van zonnepanelen. De helft daarvan is tussen 2018 en 2020 aangeschaft. Ruim een op de vijf (21 procent) woningeigenaren is van plan om binnen twee jaar panelen aan te schaffen, 16 procent weet het nog niet. 

4.3.1 Zonnepanelen eengezinskoopwoningen, 2020
 % eigenaar-bewoners van een eengezinswoning
Aanwezig, niet zelf aangeschaft1,6
Zelf aangeschaft, langer dan 2 jaar geleden12,3
Zelf aangeschaft in de afgelopen 2 jaar13,6
Zelf aangeschaft, weet niet wanneer0,1
Aanschafplannen voor de komende 2 jaar20,6
Weet nog niet of ze in de komende 2 jaar aangeschaft worden15,6
Geen plannen tot aanschaf36,2

Helft woningen van na 2005 heeft zonnepanelen

De aanwezigheid van zonnepanelen hangt sterk samen met het bouwjaar van de woning: de nieuwste woningen hebben het vaakst zonnepanelen. Van de eengezinskoopwoningen die na 2005 gebouwd zijn heeft 49 procent zonnepanelen; bij woningen van vóór 1946 is dat 21 procent. Ook bestaat er een sterk verband met de welvaart van de bewoners: waar 35 procent van de huishoudens in de hoogste welvaartsklasse zonnepanelen heeft, is dat bij huishoudens in de lagere welvaartsklassen minder dan een kwart. Verder speelt het opleidingsniveau10) een rol: hoogopgeleiden hebben het vaakst zonnepanelen. Tot slot blijkt er ook een relatie met leeftijd. Van de 65- tot 75-jarigen zegt 36 procent panelen te hebben, van de 25- tot 45-jarigen geeft 23 procent dat aan. Er bestaat geen relatie met de stedelijkheid van de woongemeente.

Als het gaat om concrete plannen zijn middelbaar- en hoogopgeleiden en 25- tot 45-jarigen relatief vaak voornemens om in de komende twee jaar zonnepanelen aan te schaffen.

4.3.2 Aanwezigheid en plannen voor zonnepanelen, 2020
   Zonnepanelen aanwezig (% eigenaar-bewoners van een eengezinswoning)Concrete plannen tot aanschaf in de komende twee jaar (% eigenaar-bewoners van een eengezinswoning)
Totaal27,520,6
BouwjaarVoor 194621,420
Bouwjaar1946-197422,322,4
Bouwjaar1975-199125,919,2
Bouwjaar1992-200531,822,4
Bouwjaarna 200549,217,1
Welvaart huishoudenEerste 25 procent (lage welvaart)
Welvaart huishoudenTweede 25 procent20,917,8
Welvaart huishoudenDerde 25 procent24,620,5
Welvaart huishoudenVierde 25 procent (hoge welvaart)34,921,5
OpleidingsniveauLaag20,615,6
OpleidingsniveauMiddelbaar26,821,3
OpleidingsniveauHoog31,722,8
Leeftijd18 tot 25 jaar
Leeftijd25 tot 45 jaar23,329,4
Leeftijd45 tot 65 jaar29,120,9
Leeftijd65 tot 75 jaar35,68,7
Leeftijd75 jaar en ouder20,310,7
 

Helft eigenaren schaft zonnepanelen aan voor het milieu of klimaat

De belangrijkste reden voor de (geplande) aanschaf van zonnepanelen is een bijdrage te leveren aan een beter milieu of klimaat: voor 47 procent van de huishoudens vormt dit de belangrijkste reden. Woningeigenaren met plannen om zonnepanelen aan te schaffen noemen dit milieu-of klimaatmotief nog iets vaker dan woningeigenaren die de panelen al hebben (49 tegen 45 procent). Bijna vier op de tien (37 procent) noemen geldbesparing als belangrijkste reden. Voor 9 procent is de onafhankelijkheid van energiebedrijven het belangrijkste motief en 7 procent heeft een andere reden. 
Bij minder welvarende huishoudens is geldbesparing ongeveer even vaak als het milieu of klimaat de belangrijkste reden om zonnepanelen aan te (willen) schaffen (respectievelijk 43 en 41 procent). Bij huishoudens in de hoogste welvaartsklasse heeft het milieu- of klimaatmotief duidelijk de overhand, namelijk 53 tegen 31 procent. 

4.3.3 Belangrijkste reden voor (geplande) aanschaf zonnepanelen, 2020
 % eigenaar-bewoners van een eengezinswoning met zonnepanelen of concrete aanschafplannen
Bijdragen aan beter milieu of klimaat46,9
Geldbesparing36,9
Minder afhankelijk zijn van energiebedrijven8,8
Overige redenen7,4
 

Kosten meest genoemde reden om geen zonnepanelen aan te schaffen

Verreweg de meest genoemde reden om geen zonnepanelen aan te schaffen zijn de hoge aanschafkosten, al dan niet in combinatie met een te laag rendement. 38 procent van de woningeigenaren die in ieder geval in de komende twee jaar nog geen panelen aanschaffen, zeggen dit om (onder andere) deze reden niet te doen (zie bijlagetabel 4b). Daarnaast wordt de (on)geschiktheid van het huis naar verhouding vaak genoemd: 19 procent zegt dat de ligging van het dak niet gunstig is of dat er te weinig ruimte voor panelen is. Elf procent vindt zichzelf te oud voor een dergelijke dure of ingrijpende investering, 7 procent heeft verhuisplannen en 4 procent vindt zonnepanelen lelijk. Twaalf procent zegt nooit over de aanschaf van zonnepanelen te hebben nagedacht. Bijna een kwart (23 procent) geeft geen of andere redenen11) .

4.4 Andere energievoorzieningen en isolatie: aanwezigheid en aanschafplannen

Niet alleen bij zonnepanelen maar ook bij andere energievoorzieningen is in de enquête doorgevraagd naar de plannen voor de nabije toekomst. 86 procent van de woningeigenaren heeft in 2020 een HR-ketel en 2 procent heeft concrete plannen om er een binnen twee jaar aan te schaffen (zie bijlagetabel 4a). Elektrisch koken gebeurt door vier op de tien eigenaren; 13 procent wil dat binnen twee jaar gaan doen. Met betrekking tot de energievoorzieningen die minder vaak in de woning aanwezig zijn zegt 5 procent binnen twee jaar een zonneboiler aan te willen schaffen, 4 procent een warmtepomp en 2 procent een houtgestookte installatie. 

Weinig woningeigenaren zeggen in 2020 plannen te hebben hun woning binnen twee jaar (verder) te willen isoleren; de meeste woningen zijn immers al (deels) geïsoleerd. Eén procent van de eigenaar-bewoners is van plan binnen twee jaar de woning geheel of gedeeltelijk van (drie)dubbel of HR-glas te voorzien (zie bijlagetabel 4a). Bij respectievelijk 2 procent, 3 procent en 4 procent van de woningeigenaren ontbreekt dak- gevel- en vloerisolatie nog geheel maar zijn deze maatregelen wel gepland.  

Wooncomfort belangrijkste reden voor dak-, gevel of vloerisolatie

Ruim de helft (57 procent) van de woningeigenaren heeft zelf dak-, gevel- of vloerisolatie aangeschaft; 14 procent geeft aan dat (ook) in de afgelopen 2 jaar te hebben gedaan (zie bijlagetabel 4a). Zeven procent is van plan om binnen twee jaar dak, gevel of vloer te isoleren. De redenen om dak, gevel of vloer te (willen) isoleren zijn zeer divers, maar het vaakst wordt wooncomfort genoemd. Voor de helft (51 procent) van de eigenaren is dit de belangrijkste reden voor de (geplande) isolatie. Geldbesparing is met 20 procent ook een veelgenoemde reden. Een op de acht woningeigenaren (12 procent) heeft de woning vooral (beter) geïsoleerd of is van plan om dit te doen om bij te dragen aan een beter milieu of klimaat. 
De eigenaren die niet van plan zijn hun dak, gevel of vloer (beter) te isoleren geven hiervoor het vaakst als reden dat ze hier niet aan hebben gedacht. Ook hoge kosten, geen zin in verbouwing en verhuisplannen spelen een rol.  

4.4.1 Belangrijkste reden voor (geplande) aanschaf isolatie van dak, gevel of vloer, 2020
 % eigenaar-bewoners van een eengezinswoning met isolatie of concrete aanschafplannen
Meer wooncomfort51,3
Geldbesparing19,9
Bijdragen aan beter milieu of klimaat11,9
Tegengaan ventilatie- of vochtproblemen4,7
Verhogen waarde woning1,8
Geluidsoverlast verminderen0,5
Andere reden7,8
Weigert2,2

Ook voor glasisolatie is wooncomfort de belangrijkste reden

Ruim zes op de tien (61 procent) woningeigenaren hebben zelf (drie)dubbel of HR-glas aangeschaft (zie bijlagetabel 4a). Een op de tien (11 procent) geeft aan dit (ook) in de afgelopen twee jaar te hebben gedaan. Net als bij dak-, gevel of vloerisolatie is ook hier het wooncomfort het meest (door 57 procent) genoemde motief, op grote afstand gevolgd door geldbesparing (19 procent). Bijdragen aan een beter milieu of klimaat werd door 7 procent van de woningeigenaren genoemd als belangrijkste reden voor de (geplande) glasisolatie.

4.4.2 Belangrijkste reden voor (geplande) aanschaf glasisolatie, 2020
 % eigenaar-bewoners van een eengezinswoning met glasisolatie of concrete aanschafplannen
Meer wooncomfort56,9
Geldbesparing19,2
Bijdragen aan beter milieu of klimaat7
Tegengaan ventilatie- of vochtproblemen4,4
Geluidsoverlast verminderen2,5
Verhogen waarde woning1,8
Andere reden6
Weigert2,2

4.5 Slimme meter

8 op de 10 hebben slimme meter in huis

Steeds meer woningen hebben een slimme meter. Een slimme meter is een digitale energiemeter in de meterkast die bijhoudt hoeveel elektriciteit en gas er wordt verbruikt in de woning en die de meterstanden automatisch naar de energieleverancier en netbeheerder stuurt. In 2020 heeft 79 procent van de eigenaren van eengezinswoningen naar eigen zeggen een slimme meter in huis; 45 procent van de eigenaren had deze nog geen twee jaar. 

4.5.1 Aanwezigheid slimme meter in woning, 2020
 % eigenaar-bewoners van een eengezinswoning
Slimme meter, langer dan 2 jaar32,2
Slimme meter, 2 jaar of minder lang44,5
Slimme meter, weet niet hoe lang2,6
Geen slimme meter17,2
Weet niet of er een slimme meter is3,4
Niet van toepassing0,2

De helft (49 procent) van de woningeigenaren zonder slimme meter wil er ook geen (zie bijlagetabel 4c). Hiervan geeft bijna een kwart aan dat ze het nut er niet van inzien. Een op de vijf wil geen slimme meter omwille van de privacy. Verder zegt 13 procent dat ze nadelen zien bij teruglevering door zonnepanelen en 11 procent is bang voor onjuiste hoge meterstanden. Zes procent zegt te twijfelen over de veiligheid van de eigen gegevens bij aanwezigheid van een slimme meter. 
Negen procent wil een slimme meter en is bereid daarvoor te betalen, 25 procent wil er wel een maar alleen als die gratis is, en 15 procent weet het niet.

Bijna de helft van de eigenaren met een slimme meter maakt ook gebruik van een zogeheten verbruiksmanager: een app, website of los kastje waarmee op ieder moment inzicht in het gas- en energieverbruik verkregen kan worden. In totaal gebruikt 42 procent van alle woningeigenaren in 2020 een verbruiksmanager; 24 procent doet dit pas sinds 2018.

4.6 Beschouwingen bij duurzaam wonen 

Zoals blijkt uit hoofdstuk 3 is een ruime meerderheid van de Nederlanders voorstander van een transitie van fossiele brandstoffen naar groene energie. Uit de SCP-studie ‘De Energietransitie vanuit Burgerperspectief’ blijkt dat ruim drie kwart het (in enige mate) belangrijk vindt om de klimaatverandering tegen te gaan door zuinig om te gaan met energie (Scholte, De Kluizenaar, De Wilde, Steenbekkers en Carabain, 2020). Uit dezelfde studie blijkt tevens dat de meningen over het aardgasvrij-beleid op het gebied van wonen verdeeld zijn. De groep die het aardgasvrij-beleid (in enige mate) steunt is met ongeveer de helft weliswaar het grootst, maar er is ook nog een substantieel deel van ruim een kwart dat (in enige mate) tegen is. Daarnaast is er een vrij grote groep die het eigenlijk niet zo goed weet of er neutraal tegenover staat. Deze houding ten aanzien van het aardgasvrij-beleid verschilt dus van die ten aanzien van de omschakeling van fossiele energie naar duurzame energiebronnen: in brede zin is er draagvlak voor de energietransitie maar over de concrete invulling van dat beleid lijkt er nog veel verdeeldheid te zijn (Scholte e.a., 2020). 
Zo is in hetzelfde SCP-onderzoek aan respondenten met een koopwoning met een cv-ketel of gashaard gevraagd in hoeverre zij een aardgasvrij alternatief zouden overwegen zodra hun huidige gasverwarming kapot is. Daaruit blijkt dat ruim 40 procent hun cv-ketel/gaskachel dan zou (laten) vervangen door een aardgasvrij alternatief. Tegelijk geeft bijna driekwart van de eigenaar-bewoners aan moeilijk in te kunnen schatten wat een goed aardgasvrij alternatief voor de huidige verwarming zou zijn. Bijna twee op de drie zeggen nog weinig vertrouwen te hebben in de alternatieven voor aardgas en ruim de helft geeft aan op informatie van de overheid te wachten voordat zij een aardgasvrij alternatief overwegen (Scholte e.a., 2020).

Uit onderzoek van I&O Research uit 2019 blijkt dat de helft van de Nederlanders zich veel of enige zorgen maakt over de kosten van verduurzaming van de woning (Kanne en Van Engeland, 2019). Het merendeel heeft er weliswaar vertrouwen in dat goede isolatie zichzelf terugverdient, maar dit betekent nog niet dat dergelijke maatregelen ook daadwerkelijk uitgevoerd gaan worden: ruim vier op de tien Nederlanders geven aan dat het startbedrag voor het verduurzamen van de woning voor hen te hoog is. 

In de in april 2021 gepubliceerde studie ‘Woningverduurzaming: willen en kunnen betekenen nog niet doen’ onderzocht het SCP de verduurzamingsintenties van woningeigenaren en hun concrete acties om woningen te isoleren en zonnepanelen aan te schaffen (Steenbekkers, Fransman, De Kluizenaar en Flore, 2021). Uit dit onderzoek blijkt dat medio 2019 een groot deel van de woningeigenaren nog geen concrete acties heeft ondernomen om hun woning te verduurzamen; bijna de helft had (nog) geen optimale isolatie en driekwart van de eigenaren met een eigen dak had nog geen zonnepanelen geplaatst. Verschillende belemmeringen hielden hen tegen om in beweging te komen. Woningeigenaren die wel wilden verduurzamen maar dit nog niet hadden gedaan, gaven hiervoor argumenten als te hoge kosten, de verwachting dat maatregelen in de toekomst goedkoper worden of dat men zich er nog niet in heeft verdiept. Voor een kwart (isolatie) tot de helft (zonnepanelen) van de eigenaren was de belangrijkste reden om niet te willen verduurzamen de onzekerheid hoe lang ze nog in de woning zullen wonen, bijvoorbeeld door een voorziene verhuizing of omdat men op leeftijd is. Om een kanteling in de verduurzaming door woningeigenaren te realiseren, is volgens het SCP enerzijds beleid nodig om de huiseigenaren die willen aan te moedigen en te stimuleren; anderzijds zal meer specifieke beleidsinzet nodig zijn om de minder draagkrachtige woningeigenaren die niet zelf kunnen verduurzamen te ontlasten en te ontzorgen, en om de onzuinige woningen waar de meeste winst te behalen is prioritair aan te pakken.

 

4) In het onderzoek Belevingen is gevraagd of er een gasaansluiting in de woning is. Het kan voorkomen dat huishoudens een aardgasaansluiting hebben die afgesloten is, en dat ze mét een aardgasaansluiting dus toch aardgasvrij wonen. Het aantal huishoudens dat een afgesloten aardgasaansluiting heeft is onbekend.
5) Aardgasvrije woningen zijn in het onderzoek Aardgasvrije woningen (CBS, 2021b) als zodanig geïdentificeerd wanneer er geen gasaansluiting in de woning werd gevonden en:
- er op basis van een energielabel geconstateerd werd dat er geen gasinstallaties aanwezig zijn voor ruimteverwarming of voor warm water, of:
- er geen energielabel beschikbaar is, maar een subsidie werd gevonden voor een warmtepomp, of:
- er geen energielabel of subsidie voor warmtepomp werd gevonden, en het om een woning gaat die pas sinds 2018 in de voorraad is gekomen.
Energielabels zijn nog niet voor alle woningen beschikbaar en informatie kan verouderd zijn. Niet alle woningen met warmtepompen hebben hiervoor een subsidie ontvangen. Het totaal aantal aardgasvrije woningen wordt hierdoor waarschijnlijk onderschat.
Verder is in het onderzoek nieuwbouw in 2019 niet meegenomen.
6) Het is mogelijk dat een aardgasvrije woning stadsverwarming heeft waarbij (deels) aardgas wordt gebruikt. Welke stadsverwarming aardgas gebruikt is niet bekend.
7) Tot de meergezinswoningen worden flats, appartementen, etagewoningen en boven- en benedenwoningen gerekend. Eengezinswoningen zijn rijtjes- of tussenwoningen, hoekwoningen in een rij, twee-onder-een kapwoningen en vrijstaande woningen. Een klein percentage van de huishoudens (3 procent) geeft aan in een ander soort woning te wonen. Zij zijn toegevoegd aan de groep die in een eengezinswoning woont.
8) Zo blijkt dat bijna een kwart van de huurders niet weet of ze een HR-ketel hebben; bij de eigenaar-bewoners van meergezinswoningen is dat 10 procent en bij de eigenaar-bewoners van eengezinswoningen is dat 3 procent. Verder weet bijna 40 procent van de huurders niet of hun woning gevelisolatie heeft; bij de eigenaar-bewoners van meergezinswoningen is dat 23 procent en bij de eigenaar-bewoners van eengezinswoningen is dat 8 procent. 
9) In het onderzoek Belevingen 2020 is niet gevraagd om wat voor type warmtepomp het gaat. Bij een woning zonder aardgas is dat een elektrische pomp en bij een woning met aardgasaansluiting een hybride pomp.
10) Als proxy voor opleiding en voor leeftijd ‘van het huishouden’ is gekozen voor de opleiding en leeftijd van de persoon die de enquête heeft ingevuld. Deze persoon behoort altijd tot de huishoudkern.
11) De percentages in deze alinea zijn gebaseerd op textmining van antwoorden op een open vraag.