Materiële welvaart

Een belangrijke maat voor de materiële welvaart is de consumptie. Na ruim vijf jaar van groei, kromp de consumptie door huishoudens in maart 2020 met ruim 6 procent. Zo’n krimp was niet eerder vertoond. De grootste klap moest toen echter nog komen. In april lag de consumptie door huishoudens liefst 16,5 procent lager dan een jaar eerder. Ook in mei-oktober kromp de consumptie harder dan ooit vóór maart 2020 werd gemeten. In januari 2021 hebben consumenten 13,5 procent minder besteed dan in januari 2020. Dat is de op één na grootste krimp ooit gemeten; alleen in april 2020 was de daling van de consumptie groter. In maart 2021 hebben consumenten 0,4 procent minder besteed dan in maart 2020. Een maand eerder was de krimp nog 11,6 procent. De veel kleinere krimp in maart komt onder meer doordat de consumptie in maart vorig jaar ook al op een laag niveau lag. In juni 2021 hebben consumenten 6,4 procent meer besteed dan in juni 2020. De stijging is minder groot dan in april en mei, toen de consumptie met respectievelijk 12,1 en 11,0 procent groeide. De hoge groeicijfers in het voorjaar van 2021 komen onder meer doordat de consumptie in het voorjaar van 2020 op een zeer laag niveau lag door de eerste lockdown. In juni 2021 besteedden consumenten nog wel 1,4 procent minder dan in juni 2019.

Sparen zinvoller

Als onderdeel van het onderzoek naar consumentenvertrouwen wordt aan huishoudens gevraagd of ze sparen nu zinvol achten. Voor aanvang van de crisis vond een meerderheid dat sparen minder zinvol was. Vanaf de start van de crisis is dit beeld scherp veranderd en vindt juist een ruime meerderheid van de respondenten het nu een goed moment om te sparen. Vanaf maart 2021 nam deze meerderheid vrijwel maandelijks af en komt het evenwichtspunt weer in zicht dat evenveel respondenten sparen zinvol achten of niet.

Toename beschikbare inkomen

Het reëel beschikbare inkomen van huishoudens is de laatste jaren voortdurend toegenomen. In 2020 was de toename 2,4 procent ten opzichte van een jaar eerder. Ondanks de coronacrisis steeg het inkomen in 2020 sneller dan in 2019. De voor inflatie gecorrigeerde ontwikkeling van het beschikbaar inkomen wordt bepaald op basis van het voortschrijdend gemiddelde van vier kwartalen. Deze toename is in het eerste kwartaal van 2020 ongeveer de gemiddelde toename in de voorbije vijf jaar. Het reëel beschikbare inkomen reageert nooit heel snel op crisissituaties. Gepensioneerden en werknemers met een vaste baan, twee omvangrijke groepen met vaste inkomsten, zorgen ervoor dat het totale inkomen maar weinig beweegt. Aan het begin van een crisis worden deze groepen doorgaans nog niet geraakt. Ook heeft de overheid allerlei maatregelen getroffen om ontregeling van de economie en inkomensderving tegen te gaan.

Bijstandsuitkeringen

De ontwikkeling van de bijstand hangt sterk samen met de economie en de arbeidsmarkt. Vanaf het voorjaar van 2017 tot het eind van 2019 daalde het aantal ontvangers van een bijstandsuitkering bijna ononderbroken. Daarna was dit aantal een paar maanden min of meer stabiel, maar na het uitbreken van corona in maart liep het weer op waarbij er eind juni bijna 15 duizend meer personen met een bijstandsuitkering waren dan eind februari. Daarna daalde het aantal weer iets, maar niet tot het niveau van het begin van de coronacrisis. Vanaf november 2020 liep het aantal ontvangers van een bijstandsuitkering weer op.