Vriendinnen lopen met hun kinderen in een wandelwagen door het centrum van Rotterdam.

Worden we individualistischer?

23-12-2017 02:00
Sinds het begin van deze eeuw heeft het afnemend belang van traditionele instituties als het huwelijk en de kerk zich doorgezet. Op andere terreinen, zoals bij sociale contacten, lijkt eerder sprake van stabiliteit of een verandering in vorm. Deze ontwikkelingen geven samen een gemengd beeld van de mate van individualisering in deze eeuw.

Het vraagstuk van individualisering in de samenleving blijft de gemoederen bezig houden. Sommigen juichen wat zij zien als toenemende persoonlijke keuzevrijheid toe, anderen zijn bang dat teveel nadruk op het individu leidt tot een verlies van sociale cohesie. De aanname is daarbij meestal dat individualisering ook vandaag de dag nog toeneemt. In het wetenschappelijk debat wordt erop gewezen dat individualisering een proces is dat al geruime tijd geleden is ingezet. Het CBS heeft met een nadere analyse van relevante statistieken onderzocht of de individualisering zich ook na 2000 heeft voortgezet. 

Het ontbreken van een algemeen geaccepteerde definitie van individualisering, maakt onderzoek naar dat fenomeen lastig. In de verschillende definities die in omloop zijn, keert echter een aantal elementen steeds terug. Dit artikel kijkt naar drie van deze elementen: de invloed van traditionele instituties (zoals het huwelijk en de kerk), keuzevrijheid en zelfbeschikking en verbanden tussen individu en verschillende groepen. Deze elementen zijn onderzocht aan de hand van een aantal relevante statistieken die als indicator gelden. Meestal zijn deze indicatoren al eerder gebruikt in onderzoek naar individualisering.

Wat we met deze cijfers meestal niet kunnen laten zien is hoe mensen denken, bijvoorbeeld of zij zichzelf meer als individu beschouwen of als lid van een groep. Wat we wel kunnen waarnemen is gedrag. Gedrag is niet alleen het gevolg van de ideeën en wensen van individuen, maar ook van de mate waarin de samenleving het individu ruimte biedt daar invulling aan te geven. Die ruimte is niet voor iedereen in dezelfde mate gegroeid. Meer keuzevrijheid hoeft ook niet per se te betekenen dat er meer diversiteit optreedt in keuzes. Daarnaast maakt lang niet iedereen gebruik van de geboden ruimte.

Ten slotte spelen er meer ontwikkelingen in de maatschappij. Veel van wat je als individualisering kan beschouwen overlapt met zaken als emancipatie, ontzuiling en flexibilisering van de arbeidsmarkt. Om deze redenen is voorzichtigheid bij het interpreteren van deze cijfers gepast.

Centrale rol van het huwelijk brokkelt verder af

In de jaren zestig speelden relatievorming en het krijgen van kinderen zich nog grotendeels af binnen het kader van het huwelijk. Het was gebruikelijk om vanuit het ouderlijk huis te trouwen en dan te gaan samenwonen met een partner. Kinderen waren onlosmakelijk verbonden met trouwen en ongehuwd ouderschap werd afgekeurd. In de laatste decennia van de vorige eeuw is er wat dit betreft al veel veranderd in de levenslopen van mensen.

Jongere generaties wonen steeds vaker ongehuwd samen

Inmiddels kiezen de meeste stellen ervoor om eerst te gaan samenwonen en pas later te trouwen. Sommige stellen trouwen helemaal niet meer. Het aandeel gehuwden in de bevolking is sinds 2000 dan ook verder gedaald, van ongeveer 45 procent naar iets meer dan 39 procent in 2017. Onder dertigers en veertigers was de afname nog sterker. Voor hen is het huwelijk minder gebruikelijk geworden.

Deels kiezen stellen voor andere vormen van samenwonen. Sinds de eeuwwisseling is het aandeel niet-gehuwde samenwoners toegenomen van 16 tot 23 procent van alle huishoudens met twee partners (al of niet met kinderen). Ook kiezen stellen vaker voor een geregistreerd partnerschap. In 2016 werden 16 duizend partnerschappen gesloten; bijna 13 duizend meer dan in 2000.
Daarnaast is het sinds 2001 voor stellen van gelijk geslacht mogelijk om te trouwen. In 2015 werden ruim 750 vrouwenhuwelijken en bijna 650 mannenhuwelijken gesloten, iets meer dan in de vijf jaren ervoor.

Meer eenpersoonshuishoudens

Sinds het begin van deze eeuw is het aandeel alleenstaanden verder gegroeid. In 2000 bestond 33 procent van alle huishoudens uit één persoon, in 2016 was dat 38 procent. Er zijn nog steeds meer gehuwde paren dan alleenstaanden, maar het verschil is kleiner geworden.

De toename van het aantal alleenstaanden komt deels doordat een groot deel van de relaties op enig moment strandt of mensen op latere leeftijd (tijdelijk) weer alleen komen te staan. Daarnaast is het onder jongeren gebruikelijker geworden om na het verlaten van het ouderlijk huis eerst een tijdje op zichzelf te wonen. Van de 25- tot 35 jarigen was bijvoorbeeld 24 procent alleenstaand in 2016. In 2000 was dit nog 20 procent. Samen met de 55- tot 65 jarigen is dit de snelst groeiende groep alleenstaanden in deze eeuw. Een groter deel van de ouderen woont thuis in plaats van in een verzorgings- of verpleeghuis, waardoor ze nu wel tot de categorie alleenstaanden worden gerekend (Van Duin e.a., 2016).



Niet alle alleenstaanden zijn single: ruim 20 procent van de volwassen alleenstaanden of alleenstaande ouders in 2013 had een partner. Jongeren hebben vaker zo’n LAT-relatie dan ouderen. Zij willen in de toekomst meestal met deze partner gaan samenwonen of trouwen. Oudere alleenstaanden, vooral vrouwen, willen dat minder vaak.

Percentage gescheidenen blijft stijgen

Eén op de drie huwelijken eindigt in een echtscheiding, waarna 45 procent van de mannen en 38 procent van de vrouwen uiteindelijk weer hertrouwt. Het percentage mensen dat gescheiden is nam toe van 5 in 2000 tot 8 in 2017. Echtscheidingen kwamen in de eerste helft van de 20e eeuw zelden voor, maar dat veranderde onder degenen die na de Tweede Wereldoorlog werden geboren. Nu deze groep een hogere leeftijd bereikt maken personen tussen 50 jaar en 80 jaar oud een groter deel uit van de mensen die gescheiden zijn. In 2017 was dat 65 procent, in 2000 nog 45 procent.

Kinderen buiten het huwelijk

Sinds de jaren zeventig hebben vrouwen het moment waarop zij aan kinderen beginnen steeds verder uitgesteld. In 2000 was de gemiddelde leeftijd bij het eerste kind 29,1 jaar. Ook na 2000 schoof die leeftijd nog verder omhoog, maar niet meer zo sterk. In 2016 was deze leeftijd 29,7 jaar. Vooral jonge vrouwen stelden het krijgen van kinderen verder uit. Daarbij spelen onder meer economische afwegingen mee.
Het klassieke gehuwde paar met kinderen verliest terrein, afgaand op het groeiende percentage baby’s van ongehuwd samenwonende ouders. Kinderen krijgen buiten het huwelijk is geen zeldzaamheid meer. In 2016 waren de ouders van ruim vier op de tien baby’s niet getrouwd, in 2000 gold dit nog voor een kwart (Latten en Mulder, 2013).

Traditionele sociale verbanden minder belangrijk

In de tijd dat Nederland nog sterk verzuild was, werd identiteit grotendeels bepaald door religie of politieke overtuiging. Iemand was bijvoorbeeld gereformeerd, katholiek of socialist. Hij of zij ging via de kerk of vakbond ook vooral om met gelijkgestemden. Verder werd de identiteit vooral bepaald door beroep en sociale klasse van de familie of het gezin.

Afname mensen met kerkelijke gezindte

Een eeuw geleden ging bijna iedereen naar de kerk. Dit veranderde met de ontzuiling sinds eind jaren zestig. Ook deze eeuw neemt de kerkelijkheid af: het deel van de bevolking dat tot een kerkelijke gezindte behoort, is tussen 2000 en 2015 geleidelijk gedaald van 60 tot 50 procent van het aantal 18-plussers. Ook het kerkbezoek nam af. Aan het begin van deze eeuw bezocht 23 procent van de mensen maandelijks een kerk of een levensbeschouwelijke bijeenkomst. Anno 2015 was dat 16 procent.

Geleidelijke daling vakbondsleden

Het percentage personen van 15 jaar en ouder dat lid was van een vakbond daalde van 15 rond de eeuwwisseling tot 12 procent in 2017. Het ledental is sinds 1999 gedaald van ruim 1,9 miljoen tot 1,7 miljoen leden. De instroom van jongeren is afgenomen. In de afgelopen tien jaar nam het aandeel vakbondsleden tussen de 25 en 45 jaar met bijna 10 procentpunt af. Het ledenbestand van veel vakverenigingen is daardoor aan het vergrijzen. Momenteel is bijna 19 procent van de vakbondsleden 65 jaar of ouder. Maar ook andere factoren spelen een rol in de daling van het vakbondslidmaatschap.

Lidmaatschap andere ideële organisaties stabiel

Vakbondslidmaatschap en kerkelijkheid zijn deze eeuw gedaald, maar bij andere ideële organisaties en verenigingen is die afname niet te zien. In de periode 2012-2016 bleef het deel van de personen vanaf 15 jaar dat lid was van een vereniging stabiel op meer dan driekwart. Alleen het percentage dat lid was van een milieuorganisatie is statistisch significant teruggelopen van 22 naar 20. Vooral mensen tussen de 25 en 45 jaar waren minder vaak lid van een milieuorganisatie.
Het internet neemt een steeds belangrijker plaats in in de manier waarop mensen hun maatschappelijke betrokkenheid vormgeven, zoals we hierna zullen zien bij de banden met familie en vrienden.

Uniek en zelfstandig

Niet alleen is het belang van klassieke patronen in relatie- en gezinsvorming afgenomen, ook zijn mensen in allerlei andere opzichten zelfstandiger geworden. Ze worden steeds vaker gezien als een autonoom individu, in plaats van onderdeel van een familie, kerk of dorp.

Kindernaam vaker uniek

Nederlanders kiezen steeds vaker een naam voor hun kinderen die afwijkt van de namen uit hun omgeving. Vroeger heetten jongens Jan of Johannes en meisjes Maria of Johanna. Tegenwoordig hebben steeds meer kinderen unieke, soms zelfbedachte namen. Ouders kiezen in nog maar één op de twaalf gevallen een naam uit het lijstje met de tien populairste namen. In de jaren dertig en veertig had tegen de 40 procent van de kinderen een naam uit de top 10. De grootste verschuiving vond plaats tussen 1955 en 1975. De laatste jaren gaat het minder snel.

Vooral economische zelfstandigheid vrouwen gegroeid

De tijd dat de man de kostwinner was van het huishouden, is voorbij. Steeds meer vrouwen zijn gaan werken, terwijl het aandeel werkende mannen daalde. Tussen 2003 en 2016 is de netto arbeidsparticipatie onder vrouwen toegenomen van 56 tot 61 procent. Het aandeel mannen met werk is in deze periode met 1 procentpunt gedaald tot 71 procent. Steeds meer vrouwen verdienen dan ook voldoende om van te kunnen leven, terwijl dit aandeel bij mannen juist afneemt. In 2014 was bijna de helft van de vrouwen tussen 15 en 65 jaar economische zelfstandig, ten opzichte van twee derde van de mannen.



Het verschil in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen is dus steeds verder gekrompen. Tot 2008 hangt dit samen met toename in de arbeidsparticipatie onder vrouwen: meer vrouwen gingen werken. Na 2008 vloeit dit voort uit afgenomen arbeidsparticipatie en toegenomen werkloosheid onder mannen (SCP, 2016).

Sociale en maatschappelijke participatie niet minder, maar anders

De omvang van sociale contacten van Nederlanders en de maatschappelijke participatie van burgers laten over de afgelopen jaren een stabiel patroon zien. Het zijn signalen dat ‘individualistisch’ niet automatisch ‘ieder voor zich’ betekent.

Contacten met familie en vrienden stabiel

De meeste Nederlanders hebben regelmatig contact met familie en vrienden. Sinds 2000 heeft ongeveer 85 procent van de mensen dagelijks of wekelijks contact met familieleden via telefoon, sociale media of persoonlijke ontmoetingen. Het aandeel dagelijkse of wekelijkse contacten met vooral buren, maar ook vrienden en kennissen, ligt op een lager niveau. Ook dat niveau is stabiel.



* Contacten met familieleden en vrienden tot 2012: vanaf 12 jaar. De cijfers vanaf 2012 uit de enquête Sociale samenhang en Welzijn (S&W) zijn niet geheel vergelijkbaar met eerdere cijfers uit het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS), doordat de methode van waarneming en de vragenlijst is aangepast. Dit heeft geleid tot trendbreuken.

Groei sociale contacten via internet

Tussen 2012 en 2017 is het aandeel personen dat via internet communiceert gestegen van 57 naar 84 procent. In 2017 gebruikte 63 procent van de bevolking in de afgelopen drie maanden een sociaal netwerk als Facebook of Twitter. In 2012 was dat nog 48 procent.
Meer dan 9 op de 10 jongeren (18 tot 25 jaar) gebruikte in de afgelopen vijf jaar sociale media. Oudere leeftijdsgroepen liepen in deze periode een deel van hun achterstand in. In 2012 gebruikte nog 1 op de 10 65-plussers sociale media, in 2017 was dat de helft.
Personen met relatief veel sociaal contact hebben meer “voordeel” van hun digitale activiteit dan anderen. Er is dus sprake van een ‘rich get richer-model’: wie al een stevig sociaal netwerk heeft, zal dit via internetgebruik versterken. Voor personen met zwakke sociale netwerken biedt internet niet of nauwelijks compensatie.

Steeds vaker relatie via internet

In korte tijd is internet een belangrijk middel geworden om een partner te vinden. Van de partners die tussen 1998 en 2003 gingen samenwonen, had nog minder dan 2 procent elkaar via internet ontmoet. Vijf jaar later was dit al bijna 10 procent. Tussen 2008 en 2013 bedroeg dit aandeel ruim 13 procent van de nieuwe samenwoners. De groei van internet op de relatiemarkt komt vooral van veertigplussers.

Vrijetijdsbesteding, zoals uitgaan en op vakantie gaan, is nog altijd de meest voorkomende manier om een partner te ontmoeten, maar de rol hiervan loopt terug. Dat geldt ook voor ontmoetingen via een vereniging (sport of hobby) of via de kerk.

Sociale isolatie

Uit het voorgaande blijkt dat de mate waarin mensen sociaal contact hebben de afgelopen jaren vrij stabiel is gebleven in Nederland. Toch is het de vraag of dat voor iedereen geldt. In een tijd van toenemende digitalisering en groei van het aantal alleenstaanden is de verwachting dat er een groep mensen is die geen aansluiting vindt bij deze ontwikkelingen en in een sociaal isolement kan raken.

Bijna 4 procent van de Nederlanders vanaf 15 jaar had tussen 2012 en 2015 geen wekelijks contact met familie, vrienden of buren. Mensen tussen 45 en 75 jaar missen deze contacten iets vaker dan anderen. Bij deze contacten gaat het om persoonlijke ontmoetingen, telefonische en schriftelijke contacten, maar ook om contact via bijvoorbeeld e-mail en Whatsapp. Iets meer dan 2 procent van de mensen voelt zich ook daadwerkelijk geïsoleerd omdat zij bijvoorbeeld met niemand persoonlijke kwesties kunnen delen of geen deel uitmaken van een groep vrienden. Het aantal geïsoleerde Nederlanders is in vier jaar tijd niet toegenomen.

Percentage vrijwilligers stabiel

De helft van de bevolking vanaf 15 jaar deed in 2016 vrijwilligerswerk. Dit aandeel is sinds het begin van deze eeuw nagenoeg hetzelfde gebleven. Ook hier geldt een trendbreuk doordat cijfers vanaf 2012 uit de Enquête Sociale samenhang en Welzijn niet geheel vergelijkbaar met eerdere cijfers uit het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS), doordat de methode van waarneming en de vragenlijst is aangepast. Tussen 2000 en 2008 was het aandeel vrijwilligers rond 44 procent, vanaf 2012 vanwege deze trendbreuk rond de 49 procent van de bevolking.
De meeste vrijwilligers zetten zich in voor sportverenigingen, scholen en voor verzorging of verpleging. Vakbonden en organisaties op het gebied van wonen en woonsubsidies, sociale hulpverlening en politieke partijen hebben de minste vrijwilligers.

Tot besluit

Wat wij waarnemen van menselijk gedrag is een samenspel tussen individuele wensen en de ruimte die de samenleving daarvoor biedt. Dat gedrag wordt niet alleen beïnvloed door het proces van individualisering maar ook door andere, verwante sociale veranderingen in de afgelopen decennia, zoals emancipatie en ontzuiling.

De ontwikkelingen die wij hebben bekeken zijn ook niet compleet. Er zijn andere aspecten aan individualisering die lastig in cijferreeksen te vangen zijn. Net zoals sommige onderzoekers een andere interpretatie van het begrip individualisering hanteren.

Wanneer we de hierboven beschreven ontwikkelingen naast elkaar leggen, ontvouwt zich geen kraakhelder patroon. Sommige trends kan je interpreteren als een bewijs van toenemende individualisering, bijvoorbeeld de verder afnemende invloed van traditionele instituties zoals huwelijk en kerk. Andere indicatoren, zoals die rond maatschappelijke participatie, blijven stabiel of lijken eerder te wijzen op een verandering in vorm dan in frequentie.

Overige literatuur