Bevolkingsprognose 2023-2070: minder geboorten, meer migratie

3. Veronderstellingen

De demografische prognose van het CBS beschrijft de verwachte ontwikkeling van de Nederlandse bevolking in de toekomst. Deze wordt berekend met het cohort-componentmodel. Dit is een simulatiemodel waarbij de bevolking aan het eind van het jaar wordt bepaald door geboorte, sterfte, migratie en veroudering te verrekenen met de bevolking aan het begin van het jaar. Door dit van jaar op jaar te doen, kan steeds verder vooruit worden gekeken. Input voor het model zijn kansen die bepalen hoeveel vrouwen gedurende het jaar een kind krijgen, hoeveel mensen zullen emigreren en hoeveel mensen zullen sterven. Daarnaast dienen immigratieaantallen als input.

Om over input voor het model te kunnen beschikken, moeten veronderstellingen worden geformuleerd over het toekomstige kindertal, de levensduur en de omvang en richting van de internationale migratiestromen. Deze veronderstellingen worden gemaakt op basis van ontwikkelingen die in het (recente) verleden hebben plaatsgevonden. Analyseren van demografische ontwikkelingen is daarom een belangrijk onderdeel van het maken van een prognose. Dit hoofdstuk beschrijft de veronderstellingen voor geboorte, sterfte, immigratie en emigratie die gebruikt zijn voor de Bevolkingsprognose 2023–2070.

In de Bevolkingsprognose wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met alle factoren die van invloed zijn op de bevolkingsontwikkeling. Echter, dit is niet altijd mogelijk. Hoewel er brede consensus is dat klimaatverandering effecten op menselijk leven zal hebben (IPCC, 2022; Mackenbach, 2023), is er nog weinig empirische basis om vast te stellen hoe dit geboorte, sterfte en migratie zal beïnvloeden. De impact van klimaatverandering op demografie is een relatief nieuw fenomeen en daarom zijn in historische cijfers over geboorte, sterfte en migratie eventuele klimaateffecten lastig te zien of te onderscheiden van andere ontwikkelingen. Dit geldt zeker voor Noord-Europese landen zoals Nederland, die in gematigde klimaatzones liggen en meer middelen hebben om maatregelen te nemen. De effecten van klimaat op bevolking die wel meetbaar zijn, zijn vaak indirect, vormen slechts een deelfactor, en zijn grotendeels lokaal van aard (IPCC, 2022). Om die redenen worden in de Bevolkingsprognose 2023–2070 geen veronderstellingen gedaan over de invloed van klimaat op geboorte, sterfte of migratie. Voor zover het klimaat tot nu toe (indirecte) effecten heeft gehad op de bevolkingsontwikkeling, zijn die impliciet meegenomen via de historische cijfers waarop de Bevolkingsprognose is gebaseerd.

3.1 Geboorte

Na de scherpe daling in de jaren ’70 en het dieptepunt in de jaren ’80, schommelde het aantal kinderen dat jaarlijks geboren wordt lang tussen de 180 en 200 duizend (grafiek 3.1.4). Sinds 2010 is het aantal geboorten echter duidelijk gedaald en lag het enkele jaren rond de 170 duizend per jaar. In 2021 was er sprake van een kleine geboortegolf met ruim 179 duizend geboorten, maar in 2022 en 2023 daalde het aantal geboorten opnieuw.

Ontwikkeling in het kindertal

Hoeveel kinderen geboren worden, hangt onder andere af van het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Een cijfer dat daarvoor corrigeert, is het totale vruchtbaarheidscijfer (TFR). De TFR wordt berekend door het aantal kinderen dat in een jaar bij vrouwen van een bepaalde leeftijd wordt geboren te delen door het aantal vrouwen van die leeftijd in de bevolking. Op deze manier komen leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers tot stand, die vervolgens bij elkaar worden opgeteld. De som van de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers valt te interpreteren als het gemiddeld kindertal dat vrouwen zouden hebben als de vruchtbaarheidscijfers van dat jaar van hun vijftiende tot hun vijftigste zouden gelden. Hoewel de TFR dus niet afhangt van het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd, wordt deze wel beïnvloed door de timing van de geboorten. In perioden waarin het krijgen van kinderen wordt uitgesteld, ligt de TFR tijdelijk lager; wanneer vrouwen op latere leeftijd alsnog kinderen krijgen, ligt de TFR tijdelijk hoger. De TFR kan daardoor van jaar op jaar sterke schommelingen laten zien.

Ook de TFR is sinds 2010 gedaald, van 1,80 kinderen per vrouw naar 1,54 in 2020 (grafiek 3.1.3). In 2021 was er een kort geboortegolfje, gevolgd door een nieuwe daling tot 1,49 in 2022 en 1,43 in 2023 (raming op basis van voorlopige cijfers tot en met oktober 2023). In eerste instantie werd de verklaring voor deze daling gezocht in de neergaande economische conjunctuur in de jaren na 2008. Eerdere schommelingen in de TFR leken ook met conjuncturele schommelingen samen te hangen (De Beer, 2012). De TFR daalde echter verder na 2013, toen de Nederlandse economie er juist steeds beter voor kwam te staan (De Beer & Latten, 2018). Dit wijst erop dat andere, meer structurele veranderingen een rol moeten spelen.

De afname sinds 2010 in de TFR heeft vooral betrekking op het aantal geboorten bij twintigers en jonge dertigers. Geboorten bij oudere dertigers en veertigers zijn wel op peil gebleven. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen voor het eerst moeder worden, is verder opgeschoven van 29,4 in 2010 naar 30,3 in 2022. Vrouwen beginnen dus later aan kinderen. Ook in andere opzichten lijken jongere generaties er langer over te doen om ‘gesetteld’ te raken. Twintigers van nu gaan later uit huis en later samenwonen, volgen langer onderwijs en hebben minder snel een vaste baan en een koopwoning (CBS, 2019). Ze hebben in toenemende mate te maken met onzekerheid. De flexibilisering van de arbeidsmarkt leidt tot meer inkomens- en baanonzekerheid, terwijl een stabiel en voldoende hoog inkomen als een belangrijke voorwaarde wordt beschouwd om aan kinderen te beginnen (Loozen & Kloosterman, 2019). Betaalbare woningen voor starters zijn schaars en hypotheken zijn met de aangescherpte normen moeilijker te krijgen (SER, 2019).

3.1.1 Vruchtbaarheidscijfer per vrouw naar leeftijdsgroep
 tot 25 jaar (vruchtbaarheidscijfer)25 tot 30 jaar (vruchtbaarheidscijfer)30 tot 35 jaar (vruchtbaarheidscijfer)35 tot 40 jaar (vruchtbaarheidscijfer)40 jaar en ouder (vruchtbaarheidscijfer)
20000,210,50,650,270,04
20010,210,490,640,280,04
20020,210,50,660,280,05
20030,20,50,660,30,05
20040,20,490,660,30,05
20050,190,490,660,30,05
20060,190,50,670,310,05
20070,190,490,660,310,05
20080,180,510,690,330,05
20090,180,510,690,340,06
20100,180,510,690,340,06
20110,170,50,680,340,06
20120,160,490,670,330,06
20130,150,470,650,330,06
20140,140,480,670,340,07
20150,130,450,650,340,07
20160,130,440,650,350,07
20170,120,420,640,340,07
20180,110,410,630,340,07
20190,110,390,630,340,08
20200,10,380,620,340,08
20210,090,390,650,360,08
20220,090,360,590,330,08
2023*0,090,340,590,330,08

Doordat de daling sinds 2010 vooral plaatsvindt bij vrouwen jonger dan 30 jaar, hebben deze vrouwen nog tijd om een eventuele uitgestelde kinderwens alsnog te realiseren. De daling van het vruchtbaarheidscijfer in de jaren ’70 en ’80 en de daaropvolgende stijging in de jaren ’90 verliepen volgens een dergelijk patroon van uitstel en gedeeltelijk afstel van ouderschap.

Bij vrouwen uit de jaren ’70, die hun gezinsvorming inmiddels vrijwel afgerond hebben, lag het uiteindelijke kindertal voor laag-, middelbaar en hoogopgeleiden vrijwel gelijk. Wel waren er duidelijke verschillen in de timing van de geboorten te zien, die van generatie op generatie in stand blijven. Vrouwen met een hoger onderwijsniveau beginnen later aan kinderen dan vrouwen met een laag onderwijsniveau. Het onderwijsniveau sinds de jaren ‘70 is van generatie op generatie gestegen, wat zorgde voor een daling van het gerealiseerd kindertal op jongere leeftijden. Op latere leeftijd werd dit weer ingehaald (Van Duin & Feijten, 2023).

De TFR voor in Nederland geboren vrouwen en voor in het buitenland geboren vrouwen is sinds 2010 nagenoeg gelijk. Het geboortegolfje in 2021 vond echter alleen plaats bij in Nederland geboren vrouwen, terwijl bij in het buitenland geboren vrouwen sinds 2019, en met name in 2022, juist een versnelde daling optrad. Mogelijk speelden hier de afgenomen immigratie en emigratie tijdens de coronapandemie een rol.

Model en veronderstellingen voor het kindertal

Voor de prognose moeten veronderstellingen gemaakt worden over het uiteindelijk kindertal van vrouwen die nu nog in de vruchtbare leeftijden zijn. Verschillen in gerealiseerd kindertal tussen groepen vrouwen op jonge leeftijden worden vaak op latere leeftijd weer kleiner, zoals in het verleden te zien was bij verschillende generaties en zichtbaar bij vrouwen van verschillende onderwijsniveaus. Voor de toekomst wordt daarom verondersteld dat de geboorteachterstanden bij de huidige jonge vrouwen deels nog worden ingelopen.

Vanwege de hernieuwde daling in 2022, die bovendien doorzet in 2023, zijn de veronderstellingen ten opzichte van de vorige prognose naar beneden bijgesteld. De dalende trend bij jonge leeftijden wordt langer aangehouden en er wordt verondersteld dat het herstel bij hoge leeftijden later inzet, en minder hoog uit zal komen dan in de vorige prognose werd aangenomen. Daarnaast is de methode aangepast. In eerdere Bevolkingsprognoses werd gewerkt met veronderstellingen voor de Nederlandse bevolking als geheel. Dit werd gecombineerd met aparte veronderstellingen voor in het buitenland geboren vrouwen. Hieruit volgde vervolgens het kindertal voor in Nederland geboren vrouwen. In de Bevolkingsprognose 2023–2070 wordt overgegaan naar specifieke veronderstellingen voor in Nederland geboren vrouwen, naast de veronderstellingen voor in het buitenland geboren vrouwen. Het totaal wordt afgeleid uit deze veronderstellingen. Hierdoor sluiten de veronderstellingen voor het vruchtbaarheidscijfer van in Nederland geboren vrouwen beter aan bij de ontwikkelingen in het verleden. Daarnaast wordt zo het effect van een veranderende samenstelling naar geboorteland van de vrouwen op het totale vruchtbaarheidscijfer in de prognose meegenomen.

Het uiteindelijk kindertal voor in Nederland geboren vrouwen wordt berekend uit het waargenomen kindertal per leeftijd over de periode 1995 tot en met 2023. Aangenomen wordt dat de daling sinds 2010 bij jongere vrouwen (30 jaar of jonger eind 2021) nog een aantal jaar doorzet. Het verschil in hun gerealiseerde kindertal in vergelijking met dat van vrouwen van hetzelfde onderwijsniveau en dezelfde leeftijd vijf jaar ervoor, zal uiteindelijk nog halveren. Bij oudere vrouwen wordt aangenomen dat een kleiner deel van de geboorteachterstand wordt ingelopen, omdat ze al in leeftijden zijn waar de biologische vruchtbaarheid duidelijk daalt. De genoemde aannamen resulteren in een daling van het uiteindelijk kindertal van 1,77 kind per vrouw voor in Nederland geboren vrouwen uit 1981, naar 1,68 voor vrouwen geboren na de eeuwwisseling. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun kinderen krijgen stijgt van 31,0 jaar voor generatie 1981 naar 33,3 jaar voor vrouwen van na 2005.

De veronderstellingen voor in het buitenland geboren vrouwen ten opzichte van de Bevolkingsprognose 2020–2070 zijn in het algemeen omlaag bijgesteld. Wel wordt ervan uitgegaan dat de scherpe daling in 2022 grotendeels tijdelijk is. Uitgangspunt van de veronderstellingen voor het kindertal van in het buitenland geboren vrouwen is dat de vruchtbaarheidsniveaus in de toekomst vergelijkbare verschillen tonen als die we nu waarnemen, rekening houdend met het dalende kindertal in de landen van herkomst. Voor Afrika, Aziatisch Midden-Oosten, Marokko en Turkije zal de TFR in de toekomst hoger liggen dan voor in Nederland geboren vrouwen, voor de andere herkomstgroepen lager.

3.1.2 Veronderstellingen totale vruchtbaarheid per geboorteland vrouwen
 Nederland (gemiddeld kindertal)Turkije, Marokko, Afrika, Aziatisch Midden-Oosten (gemiddeld kindertal)Overige landen (gemiddeld kindertal)Nederland (prognose) (gemiddeld kindertal)Turkije, Marokko, Overig Afrika, Aziatisch Midden Oosten (prognose) (gemiddeld kindertal)Overige landen (prognose) (gemiddeld kindertal)
19961,472,791,57
19971,502,891,61
19981,572,891,63
19991,602,791,66
20001,672,891,72
20011,662,781,71
20021,702,691,66
20031,732,641,59
20041,702,591,61
20051,692,531,55
20061,712,471,55
20071,722,371,56
20081,792,331,58
20091,812,311,59
20101,802,351,57
20111,772,341,54
20121,732,291,52
20131,692,231,47
20141,722,281,51
20151,662,291,47
20161,662,421,44
20171,622,361,38
20181,592,411,34
20191,582,391,32
20201,562,311,24
20211,662,211,26
20221,522,141,121,522,141,12
20231,482,121,05
20241,472,111,03
20251,462,111,02
20261,452,111,03
20271,442,121,04
20281,452,131,07
20291,472,151,09
20301,502,161,12
20311,522,181,16
20321,542,191,19
20331,552,201,23
20341,572,211,26
20351,582,221,29
20361,592,231,31
20371,602,231,33
20381,622,231,33
20391,632,231,33
20401,642,231,33
20411,652,231,33
20421,652,231,33
20431,662,231,33
20441,672,231,33
20451,672,231,33
20461,672,231,34
20471,672,221,34
20481,682,221,34
20491,682,221,34
20501,682,221,34
20511,682,221,34
20521,682,221,34
20531,682,221,34
20541,682,221,34
20551,682,221,34
20561,682,221,34
20571,682,221,34
20581,682,221,34
20591,682,221,34
20601,682,221,34
20611,682,221,34
20621,682,221,34
20631,682,221,34
20641,682,221,34
20651,682,221,34
20661,682,221,34
20671,682,221,34
20681,682,221,34
20691,682,231,34
20701,682,231,35

Toekomstige ontwikkeling van het kindertal en de geboorten

De aangepaste veronderstellingen betekenen dat de TFR de komende jaren zal dalen tot 1,40 rond 2025 en daarna weer zal toenemen. Omdat het de verwachting is dat dit uitstel niet meer volledig ingehaald zal worden, stijgt de TFR daarna door naar 1,64 kind per vrouw in 2041. Bij de Bevolkingsprognose 2020–2070 was dit nog 1,70 in 2031.

3.1.3 Totaal vruchtbaarheidscijfer (TFR)
JaarWaarneming (gemiddeld kindertal)Prognose 2020-2070 (gemiddeld kindertal)Prognose 2022-2070 (gemiddeld kindertal)Prognose 2023-2070 (gemiddeld kindertal)Prognose-interval (95%) (gemiddeld kindertal)Prognose-interval (67%) (gemiddeld kindertal)
19801,6
19811,56
19821,5
19831,47
19841,49
19851,51
19861,55
19871,56
19881,54
19891,55
19901,62
19911,61
19921,59
19931,57
19941,57
19951,53
19961,53
19971,56
19981,63
19991,65
20001,72
20011,71
20021,73
20031,75
20041,73
20051,71
20061,72
20071,72
20081,77
20091,79
20101,8
20111,76
20121,72
20131,68
20141,71
20151,66
20161,66
20171,62
20181,59
20191,57
20201,541,54
20211,621,46
20221,491,491,49
20231,431,531,511,431,36 – 1,511,4 – 1,47
20241,581,561,411,31 – 1,521,36 – 1,47
20251,611,591,41,27 – 1,531,34 – 1,47
20261,621,611,41,25 – 1,561,33 – 1,48
20271,641,621,421,25 – 1,591,33 – 1,5
20281,671,631,441,25 – 1,621,34 – 1,53
20291,681,651,461,26 – 1,661,36 – 1,56
20301,691,661,491,28 – 1,711,38 – 1,6
20311,71,671,521,29 – 1,741,4 – 1,63
20321,71,681,541,3 – 1,781,42 – 1,66
20331,71,691,561,3 – 1,811,43 – 1,68
20341,71,71,581,31 – 1,841,44 – 1,71
20351,71,71,591,32 – 1,871,46 – 1,73
20361,71,71,611,32 – 1,891,46 – 1,75
20371,71,71,621,32 – 1,911,47 – 1,76
20381,71,71,621,32 – 1,931,47 – 1,78
20391,71,71,631,32 – 1,941,47 – 1,78
20401,71,71,631,31 – 1,961,47 – 1,79
20411,71,71,641,3 – 1,971,47 – 1,8
20421,71,71,641,3 – 1,981,47 – 1,81
20431,71,71,641,29 – 1,991,47 – 1,81
20441,71,71,641,28 – 2,01,46 – 1,82
20451,71,71,641,28 – 2,011,46 – 1,82
20461,71,71,641,27 – 2,021,46 – 1,83
20471,71,71,641,26 – 2,021,45 – 1,83
20481,71,71,641,25 – 2,031,45 – 1,83
20491,71,71,641,25 – 2,041,45 – 1,84
20501,71,71,641,24 – 2,051,44 – 1,84
20511,71,71,641,23 – 2,051,44 – 1,85
20521,71,71,641,23 – 2,061,44 – 1,85
20531,71,71,641,22 – 2,071,43 – 1,85
20541,71,71,641,21 – 2,071,43 – 1,86
20551,71,71,641,2 – 2,081,43 – 1,86
20561,71,71,641,2 – 2,091,42 – 1,86
20571,71,71,641,19 – 2,091,42 – 1,87
20581,71,71,641,19 – 2,11,42 – 1,87
20591,71,71,641,18 – 2,111,42 – 1,87
20601,71,71,641,17 – 2,111,41 – 1,88
20611,71,71,651,17 – 2,121,41 – 1,88
20621,71,71,651,16 – 2,131,41 – 1,88
20631,71,71,651,16 – 2,141,41 – 1,89
20641,71,71,651,15 – 2,141,4 – 1,89
20651,71,71,651,15 – 2,151,4 – 1,9
20661,71,71,651,14 – 2,151,4 – 1,9
20671,71,71,651,14 – 2,161,4 – 1,9
20681,71,71,651,13 – 2,171,39 – 1,91
20691,71,71,651,13 – 2,171,39 – 1,91
20701,71,71,651,12 – 2,181,39 – 1,91

Het aantal geboorten neemt de komende jaren toe, van 165 duizend in 2023 naar 199 duizend rond 2038. Vrouwen krijgen in de toekomst gemiddeld minder kinderen, maar doordat het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd toeneemt, door schommelingen in de geboorten 25 jaar geleden en in de migratie, neemt het aantal geboorten toch toe.

Ten opzichte van de Bevolkingsprognose 2020–2070 ligt het aantal geboorten tot en met 2037 in de huidige prognose lager, tot een maximaal verschil van 22 duizend rond 2028. Daarna, tussen 2038 en 2052, ligt het aantal geboorten hoger. In de Bevolkingsprognose 2020–2070 werd verwacht dat het aantal geboorten na 2050 weer op zou lopen. In de huidige prognose is dat iets later, vanaf 2053: dat komt doordat er de komende jaren minder vrouwen geboren worden.

3.1.4 Levend geboren kinderen
 WaarnemingPrognose 2020-2070Prognose 2022-2070Prognose 2023-2070Prognose-interval (95%)Prognose-interval (67%)
1980181,3
1981178,6
1982172,1
1983170,2
1984174,4
1985178,1
1986184,5
1987186,7
1988186,6
1989189,0
1990198,0
1991198,7
1992196,7
1993195,7
1994195,6
1995190,5
1996189,5
1997192,4
1998199,4
1999200,4
2000206,6
2001202,6
2002202,1
2003200,3
2004194,0
2005187,9
2006185,1
2007181,3
2008184,6
2009184,9
2010184,4
2011180,1
2012176,0
2013171,3
2014175,2
2015170,5
2016172,5
2017169,8
2018168,5
2019169,7
2020168,7168,3
2021179,4161,3
2022167,5165,7167,9
2023164,9172,7173,8164,9156,2 – 173,1160,7 – 169,3
2024180,5181,5165,3153,4 – 177,1159,5 – 171,5
2025185,3187,5166,1151,3 – 181,1159,0 – 174,1
2026188,2190,9168,0150,5 – 185,7159,4 – 177,2
2027192,5193,5170,9150,3 – 191,2160,8 – 181,4
2028196,1196,0174,3151,0 – 197,3163,0 – 185,7
2029198,9199,2178,5152,2 – 204,5166,3 – 191,3
2030200,6201,9182,8154,4 – 212,0169,8 – 196,5
2031202,0203,9186,5156,4 – 218,7172,3 – 201,1
2032201,8205,6189,7158,4 – 223,6174,1 – 205,1
2033201,7207,0192,3159,5 – 228,2175,5 – 208,8
2034201,4207,8194,6160,1 – 232,4177,0 – 211,8
2035201,0207,8196,4159,8 – 236,4178,1 – 214,4
2036200,3207,0197,7159,9 – 239,5178,8 – 216,5
2037199,2205,6198,5158,8 – 241,9178,6 – 218,1
2038198,0204,0198,7157,5 – 242,9177,9 – 219,0
2039196,7202,4198,3155,5 – 243,5177,0 – 219,5
2040195,5200,7197,8153,7 – 243,7175,9 – 219,9
2041194,2198,9197,2151,6 – 245,3175,0 – 220,1
2042193,0197,2196,4149,3 – 246,9173,7 – 219,9
2043191,9195,7195,6147,2 – 249,1172,2 – 219,9
2044191,0194,4194,8145,8 – 249,5170,4 – 219,9
2045190,1193,3194,1145,2 – 249,7169,0 – 220,3
2046189,4192,4193,3144,7 – 248,7167,8 – 220,1
2047188,8191,6192,6143,8 – 248,5166,5 – 219,9
2048188,3191,1191,9142,8 – 248,6165,2 – 219,7
2049188,1190,8191,4141,6 – 249,5164,0 – 219,8
2050188,2190,8190,9140,4 – 250,1162,7 – 219,4
2051188,6191,1190,6139,1 – 250,1162,0 – 219,4
2052189,3191,7190,3137,9 – 250,1161,1 – 219,6
2053190,3192,6190,2137,3 – 249,9160,6 – 220,1
2054191,6193,8190,2136,4 – 250,6160,0 – 220,9
2055193,2195,3190,4136,1 – 252,0159,3 – 221,5
2056195,1197,1190,8135,2 – 254,7158,9 – 222,5
2057197,1199,1191,4134,7 – 256,9158,6 – 223,8
2058199,2201,2192,2133,8 – 259,7158,8 – 225,0
2059201,3203,3193,3133,0 – 261,8158,4 – 226,5
2060203,4205,4194,5132,3 – 265,0158,8 – 228,0
2061205,3207,3196,0132,1 – 268,3159,4 – 230,5
2062206,9209,1197,7132,2 – 272,0160,7 – 233,3
2063208,2210,6199,5131,7 – 275,3161,7 – 236,0
2064209,2211,9201,3131,2 – 279,2162,4 – 238,8
2065209,9212,8203,0131,5 – 283,8163,1 – 241,9
2066210,4213,5204,7131,7 – 287,2163,5 – 244,9
2067210,6213,9206,2131,5 – 290,5164,6 – 247,8
2068210,6214,0207,5131,0 – 293,2165,0 – 250,3
2069210,4213,9208,6130,0 – 297,3165,3 – 252,4
2070210,1213,6209,5130,2 – 299,4165,4 – 253,4

3.2 Sterfte

In 2019 overleden 152 duizend mensen in Nederland. Dit is het dubbele van het aantal overledenen in 1950. Door het toenemend aantal ouderen neemt het aantal mensen dat jaarlijks overlijdt toe, met zo nu en dan fluctuaties van jaar op jaar. Ook voor de toekomst is de verwachting dat het aantal overledenen blijft toenemen.

Sinds het begin van de coronapandemie steeg het aantal overledenen naar 169 duizend in 2020, 171 duizend in 2021 en 170 duizend in 2022. In de eerste twee jaar van de coronapandemie waren drie golven waarneembaar waarin meer mensen overleden dan verwacht wanneer er geen coronapandemie was geweest, de zogenaamde oversterfte. De perioden met oversterfte in 2020 en 2021 vielen samen met de perioden waarin relatief veel mensen aan COVID-19 overleden (CBS en RIVM, 2022). In 2022, toen er in het voorjaar een dertien weken durende griepepidemie was, overleden minder mensen aan COVID-19 dan in 2020 en 2021 (CBS, 25 april 2023). Er was dat jaar opnieuw sprake van oversterfte (CBS, 25 januari 2023). In 2023 neemt de oversterfte iets af en komt het totaal aantal overledenen uit op 169 duizend (op basis van de voorlopige cijfers tot en met oktober 2023).

Ontwikkeling in de levensverwachting

Het aantal mensen dat overlijdt, wordt beïnvloed door de veranderende bevolkingsopbouw en het feit dat mensen steeds ouder worden. Om de ontwikkelingen in de sterfte te volgen wordt in plaats van naar de absolute aantallen overledenen gekeken naar de levensverwachting (Stoeldraijer & Harmsen, 2017). Deze periode-levensverwachting of virtuele levensduur geeft aan hoe oud een pasgeborene gemiddeld zal worden als vanaf dat moment de vooruitgang op het gebied van gezondheid en medische kennis zou stilvallen.

De levensverwachting vertoont op de lange termijn een stijgende trend (Stoeldraijer, 2020a). Waar in 1980 voor mannen een levensverwachting van 72,5 jaar gold en voor vrouwen van 79,2 jaar, was dit in 2019 gestegen tot 80,5 jaar voor mannen en 83,6 jaar voor vrouwen. Wel is sprake van schommelingen in de levensverwachting. Incidentele ontwikkelingen zoals griepgolven of extreme zomers of winters kunnen tot fluctuaties in het cijfer leiden. Zo was de toename van de levensverwachting in 2018 beperkt vanwege de hoge sterfte tijdens de lange griepepidemie aan het begin van het jaar. Ook voor de lange termijn zijn schommelingen waarneembaar door veranderingen in onder meer leefstijl, gezondheidszorg en economie. Voor de toekomst wordt vooral gekeken naar de ontwikkelingen over een lange periode.

De levensverwachting van Nederlandse mannen lag in 2019 met 80,5 jaar 0,4 jaar boven het gemiddelde in Denemarken, Duitsland, Engeland en Wales, Finland, Frankrijk, Italië, Noorwegen, Spanje, Zweden en Zwitserland. De levensverwachting van Nederlandse vrouwen, die tot 1992 hoger was dan het gemiddelde van andere West-Europese vrouwen, lag in 2019 met 83,6 jaar 1,1 jaar onder het gemiddelde in West-Europa. Ondanks de verschillen waren de trends in de sterfte van West-Europese landen in de afgelopen vijftig jaar redelijk vergelijkbaar. Het rookgedrag in het verleden heeft een belangrijke rol gespeeld bij de verklaring van de verschillen in trends tussen West-Europese landen (Janssen, 2019). De trend in de levensverwachting voor alle West-Europese landen is stabieler dan de trend voor Nederland. Om die reden is eerstgenoemde een goede aanvulling om de toekomstige trend van de levensverwachting voor Nederland te bepalen.

Het rookgedrag verklaart ook de verschillende ontwikkeling van de levensverwachting van mannen en vrouwen. Tot het midden van de jaren ’80 nam het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen toe. Daarna nam het verschil af, als gevolg van verschillend rookgedrag van mannen en vrouwen. Doordat rookgedrag vertraagd doorwerkt op de sterfte, zijn ook voor de toekomst nog afwijkende trends in de levensverwachting te verwachten voor mannen en vrouwen.

3.2.1 Periode-levensverwachting bij geboorte
 West-Europa* - Mannen (Jaar)Nederland - Mannen (Jaar)West-Europa* - Vrouwen (Jaar)Nederland - Vrouwen (Jaar)
197068,5770,8174,7876,5
197168,6970,9974,9876,77
197268,8970,8175,2676,79
197369,0371,375,477,13
197469,3571,6175,7877,61
197569,471,4575,8977,71
197669,6371,5376,1877,92
197770,172,0876,7678,52
197870,1471,9576,8678,5
197970,4272,4677,1578,93
198070,6472,4877,3779,18
198170,9372,7177,679,32
198271,2772,7377,9179,41
198371,3372,9377,9779,56
198471,7872,9678,4579,68
198571,8473,0878,4779,66
198672,1173,0978,779,61
198772,4673,5179,1180,06
198872,6173,6879,2380,24
198972,7973,6679,4279,92
199072,8773,8479,5780,11
199173,0374,0579,7680,15
199273,4174,380,1280,28
199373,5273,9880,1180
199473,974,5880,4880,31
199574,0474,680,6180,36
199674,3574,6680,880,35
199774,7675,1681,0680,55
199874,9675,1981,280,69
199975,1975,3481,3380,45
200075,5975,5481,6780,58
200175,9175,881,9280,71
200276,1175,9981,9880,69
200376,2376,2481,9780,93
200476,8976,8782,6281,44
200577,0677,1982,6981,6
200677,4877,6383,0581,89
200777,6778,0183,1682,31
200877,8978,3283,1982,28
200978,1278,5383,3782,65
201078,4378,7783,6182,72
201178,7779,1883,8582,85
201278,8879,1483,8182,82
201379,179,4183,9883,04
201479,4679,8784,2983,29
201579,2479,7383,9983,13
201679,5679,8884,383,13
201779,6180,0684,2683,32
201879,7280,1684,3583,33
201980,0280,4684,6283,56
202079,6783,08
202179,6882,99
202280,183,09
2023*80,3983,46
* Denemarken, Duitsland, Engeland en Wales, Finland, Frankrijk, Italië, Noorwegen, Spanje, Zweden en Zwitserland

Corona

In februari 2020 kreeg Nederland voor het eerst te maken met het coronavirus SARS-CoV-2 die de ziekte COVID-19 veroorzaakt. Een maand later waren de gevolgen te zien in de sterfte. In de jaren 2020 tot en met 2022 overleden naar schatting 10 procent meer mensen dan wanneer er geen coronapandemie was geweest (CBS, 25 januari 2023). De levensverwachting daalde in 2020 en 2021 naar 81,4 jaar, 0,7 jaar lager dan in 2019. In 2022 nam de levensverwachting toe naar 81,6 jaar.

In het begin was duidelijk meer oversterfte (relatief) te zien onder mannen, maar dit is in 2021 en met name in 2022 bijgetrokken. Voor iedere leeftijd is oversterfte te zien, maar in absolute aantallen is de bevolking van 65 jaar of ouder oververtegenwoordigd in de oversterfte (CBS, 25 januari 2023).

Ook wereldwijd was de levensverwachting in 2020, 2021 en 2022 lager dan gewoonlijk. Tegelijkertijd zijn de verschillen in levensverwachting tussen de landen vergroot. In een aantal West-Europese landen was de sterfte in 2021 weer op het niveau van voor de coronapandemie (Frankrijk, België, Zwitserland en Zweden) (Schöley et al., 2022). De cijfers van 2022 laten een verschillend beeld zien, waarbij in sommige landen sprake is van herstel, terwijl in andere landen juist weer een daling in de levensverwachting heeft plaatsgevonden (Eurostat, 2023a).

In 2023 is op basis van de weeksterfte tot en met week 34 te zien dat in de landen van West-Europa over het algemeen minder mensen overleden dan het jaar ervoor (Eurostat, 2023b). In Nederland is in 2023 nog steeds sprake van oversterfte, maar is tegelijkertijd een toename in de levensverwachting te zien naar 82,0 jaar. Er is sprake van herstel, maar minder dan eerder was verwacht. De WHO maakte in mei 2023 bekend dat alhoewel het coronavirus ingeburgerd en aanhoudend is (WHO, 2023), er geen sprake meer is van een noodsituatie.

Veronderstellingen corona

Bij het opstellen van de Bevolkingsprognose 2023–2070 is, net als bij de vorige prognoses, nog veel onzeker over de verdere impact van COVID-19 op de sterfte. Het is voorstelbaar dat zowel directe als indirecte gevolgen een effect kunnen hebben op de levensverwachting in de (nabije) toekomst. Het is echter nog niet mogelijk om (al) deze mogelijkheden te kwantificeren.

Directe en indirecte effecten van de coronapandemie op de sterfte zijn divers. Aan de positieve kant, wat de sterfte mogelijk verlaagt, zijn het ‘healthy survivor effect’ (ongezonde mensen overlijden eerder aan COVID-19 waardoor je een gemiddeld gezondere bevolking overhoudt) en gezondere gewoonten (minder roken) en minder vervuilde lucht. Daarnaast zouden de lessen die geleerd zijn op het gebied van volksgezondheid, nieuwe medische technologieën (zoals mRNA-vaccins) en wellicht op termijn meer geld naar gezondheid en sociale zekerheid, de sterfte kunnen verlagen. Duidelijk is wel dat behandelmethoden en medicijnen met betrekking tot COVID-19 zijn verbeterd sinds het begin van de pandemie en het is ook bewezen dat de vaccins effectief zijn (RIVM, 2021; CBS en RIVM, 2022), ook al sluiten de verbeteringen sterfte niet geheel uit. Sinds de omikron-variant is ook de ernst van het ziektebeeld afgenomen.

Wat tot hogere sterfte kan leiden, is mogelijk dat mensen die al oud of ziek waren of corona hebben doorgemaakt, een achteruitgang in de gezond ervaren, nu of in de toekomst. Er is ook nog veel onduidelijk over de rol van risicofactoren en comorbiditeit (het hebben van een of meerdere aandoeningen) in relatie tot sterfte aan COVID-19. Nieuwe infectiegolven en/of nieuwe varianten kunnen opkomen. Daarnaast is nog veel onbekend over effecten op de sterfte die niet direct maar indirect door het virus worden veroorzaakt, zoals uitgestelde behandelingen en doktersbezoeken en de economische situatie.

In de voorgaande prognoses werd, vanwege de onduidelijkheid over de verdere impact van COVID-19 op de sterfte, de aanname gemaakt dat er op de lange termijn geen blijvend effect zou zijn op de levensverwachting. Deze aanname volgde uit eerder onderzoek waaruit blijkt dat het waarschijnlijk is dat de stijgende lijn in de levensverwachting op de langere termijn niet nadelig beïnvloed zal worden (Stoeldraijer, 2020b; Koninklijk Actuarieel Genootschap, 5 juli 2021; Schöley et al., 2022). Na eerdere perioden met hoge sterfte, zoals bij de Spaanse griep en de Tweede Wereldoorlog, was de levensverwachting weer snel terug op het oude niveau. Vervolgens zette de trend van vóór de periode met hoge sterfte door.

Nu de WHO heeft aangegeven dat de noodsituatie voorbij is, maar dat COVID-19 inmiddels goed is ingeburgerd en aanhoudend is, geeft de situatie in 2023 wel enig zicht op het toekomstige effect van COVID-19 op de sterfte. Er is herstel zichtbaar en verdere vooruitgang is nog mogelijk, maar het gaat langzamer dan verwacht. Om die reden wordt er geen volledig herstel naar de trend van voor de coronapandemie meer verondersteld.

Model voor de levensverwachting

Het CBS gebruikt voor de prognose van de sterftekansen een extrapolatiemodel: er wordt van uitgegaan dat de toekomstige trends een voortzetting zijn van de trends uit het verleden (Stoeldraijer, Van Duin & Janssen, 2013). In het model wordt niet alleen uitgegaan van de trends in Nederland, maar ook van de meer stabiele trends in andere West-Europese landen. Tijdelijke versnellingen en vertragingen die voorkomen in de Nederlandse trends, hebben zo een minder groot effect op de toekomstverwachtingen. Het model houdt ook rekening met het effect van rookgedrag op de sterfte, wat voor Nederland met name belangrijk is om de verschillen tussen mannen en vrouwen in sterftetrends goed te beschrijven.

Voor de Bevolkingsprognose 2023–2070 wordt gebruik gemaakt van de waarnemingen van de totale sterfte in Nederland over de periode 1970–2023 en de longkankersterfte over de periode 1950–2023. Voor de West-Europese landen wordt gebruik gemaakt van de totale sterfte en longkankersterfte over de periode 1970–2018. De toekomstige sterftetrend wordt geschat op de periode 1970–2018, net als bij de vorige prognoses. Vanwege de hogere sterfte door COVID-19 in 2020 tot en met 2022 worden de sterftecijfers van die jaren niet gebruikt in het model om de langetermijntrend te bepalen. De modeluitkomsten van de sterftekansen voor Nederland worden geëxtrapoleerd vanaf het gemiddelde niveau in 2018 en 2019 (half gewicht) en 2023 (half gewicht). Tussen 2023 en 2029 wordt er geïnterpoleerd. Vanaf 2029 zijn de sterftekansen gelijk aan de sterftekansen uit het geëxtrapoleerde model.

Toekomstige ontwikkeling van de levensverwachting en de sterfte

De langetermijnontwikkeling in de Bevolkingsprognose 2023–2070 zal nagenoeg gelijk zijn aan de langetermijnontwikkeling in de Bevolkingsprognose 2020–2070, maar het niveau zal wel iets lager liggen. In 2070 is het verschil 0,2 jaar voor mannen en 0,4 jaar voor vrouwen. De raming van de levensverwachting in 2023 komt uit op 80,4 jaar voor mannen en op 83,5 jaar voor vrouwen.

3.2.2a Periode-levensverwachting mannen
 WaarnemingPrognose 2020-2070Prognose 2022-2070Prognose 2023-2070Prognose-interval (95%)Prognose-interval (67%)
198072,48
198172,71
198272,73
198372,93
198472,96
198573,08
198673,09
198773,51
198873,68
198973,66
199073,84
199174,05
199274,3
199373,98
199474,58
199574,6
199674,66
199775,16
199875,19
199975,34
200075,54
200175,8
200275,99
200376,24
200476,87
200577,19
200677,63
200778,01
200878,32
200978,53
201078,77
201179,18
201279,14
201379,41
201479,87
201579,73
201679,88
201780,06
201880,16
201980,46
202079,6780,05
202179,6880,58
202280,180,8380,19
202380,4181,0480,6980,3979,63 – 81,1580,02 – 80,77
202481,1981,0380,6179,53 – 81,6980,08 – 81,14
202581,3681,2880,8379,52 – 82,1580,18 – 81,49
202681,5381,4981,0679,54 – 82,5880,31 – 81,81
202781,6981,6881,2879,58 – 82,9980,44 – 82,12
202881,8581,8681,579,64 – 83,3780,58 – 82,42
202982,0182,0281,7279,7 – 83,7380,72 – 82,71
203082,1682,1881,8779,72 – 84,0380,81 – 82,94
203182,3282,3382,0379,74 – 84,3180,9 – 83,16
203282,4782,4882,1879,77 – 84,5980,99 – 83,37
203382,6282,6482,3479,81 – 84,8681,09 – 83,58
203482,7782,7982,4979,85 – 85,1381,19 – 83,79
203582,9282,9482,6479,9 – 85,3981,29 – 84,0
203683,0783,0982,7979,94 – 85,6481,39 – 84,2
203783,2283,2482,9479,99 – 85,8981,49 – 84,4
203883,3683,3983,0980,05 – 86,1481,59 – 84,6
203983,5183,5483,2480,1 – 86,3881,69 – 84,79
204083,6583,6883,3980,16 – 86,6281,79 – 84,98
204183,7983,8283,5380,21 – 86,8581,89 – 85,17
204283,9483,9783,6880,27 – 87,0882,0 – 85,36
204384,0884,1183,8280,33 – 87,3182,1 – 85,54
204484,2284,2583,9680,39 – 87,5382,2 – 85,72
204584,3684,3984,180,45 – 87,7582,3 – 85,91
204684,4984,5384,2480,51 – 87,9782,4 – 86,08
204784,6384,6784,3880,57 – 88,1982,5 – 86,26
204884,7784,884,5280,64 – 88,482,6 – 86,44
204984,984,9484,6680,7 – 88,6182,7 – 86,61
205085,0485,0784,7980,76 – 88,8282,8 – 86,78
205185,1785,2184,9380,83 – 89,0382,9 – 86,95
205285,385,3485,0680,89 – 89,2383,0 – 87,12
205385,4385,4785,1980,95 – 89,4383,1 – 87,29
205485,5685,685,3281,02 – 89,6383,2 – 87,45
205585,6985,7385,4681,08 – 89,8383,3 – 87,61
205685,8285,8685,5881,14 – 90,0283,39 – 87,78
205785,9485,9985,7181,21 – 90,2283,49 – 87,94
205886,0786,1185,8481,27 – 90,4183,59 – 88,1
205986,1986,2485,9781,33 – 90,683,68 – 88,25
206086,3286,3686,0981,4 – 90,7983,77 – 88,41
206186,4486,4986,2281,46 – 90,9783,87 – 88,56
206286,5686,6186,3481,52 – 91,1683,96 – 88,72
206386,6886,7386,4681,59 – 91,3484,06 – 88,87
206486,886,8586,5881,65 – 91,5284,15 – 89,02
206586,9286,9786,781,71 – 91,784,24 – 89,17
206687,0487,0986,8281,77 – 91,8784,33 – 89,32
206787,1687,2186,9481,83 – 92,0584,42 – 89,46
206887,2787,3287,0681,89 – 92,2284,51 – 89,61
206987,3987,4487,1781,95 – 92,3984,6 – 89,75
207087,587,5587,2982,01 – 92,5784,69 – 89,89