Auteur: Jasper Menger, Noortje Pouwels Brigitte Hermans

Neveninkomens naar sociaaleconomische categorie

Over deze publicatie

Dit artikel in de CBS-reeks Statistische Trends geeft een overzicht van neveninkomens bij scholieren en studenten, werknemers, zelfstandigen, uitkeringsontvangers en pensioenontvangers. Hoe hoog is het aandeel dat een neveninkomen heeft? Om welk soort inkomen gaat het vooral? En hoe verhoudt het tweede inkomen zich tot het totale bruto-inkomen?

1. Inleiding

Van de 13,5 miljoen mensen van 15 jaar of ouder met een eigen inkomen in 2018 had ruim driekwart alleen een hoofdinkomen, 23 procent had daarnaast een neveninkomen. Het zijn vooral scholieren en studenten die bijverdienen. Van de scholieren en studenten met een eigen inkomen hadden ruim 9 op de 10 bijverdiensten. Daarmee zijn ze goed voor 40 procent van alle personen met een neveninkomen.Pensioenontvangers en werknemers hebben het minst vaak een tweede inkomen:respectievelijk 11 en 14 procent. Bij ruim de helft van de personen met neveninkomen ging het om loon als werknemer, bij bijna een kwart betrof het een uitkering.
Een groot deel van de mensen met inkomen ontvangt dit uit meerdere bronnen tegelijk; in 2018 waren er 3,1 miljoen personen met een neveninkomen. Wie zijn deze mensen met neveninkomen, waar leven ze vooral van, en hoeveel dragen deze bijverdiensten bij aan hun totale inkomen? Het CBS beschikt niet over reguliere statistieken van neveninkomens.Wel wordt incidenteel gerapporteerd over de bijverdiensten van specifieke groepen zoals scholieren en studenten (CBS, 1999; 2010) en zelfstandigen (Bierings en Kösters, 2018; CBS,2016; Kösters en Van den Brakel, 2016). Ook in ander onderzoek worden doorgaans bepaalde vormen van neveninkomens uitgelicht; de focus ligt met name op personen met stapelbanen, ook wel multi-jobbers (Neefs en Vansteenkiste, 2018) of moonlighters (Pouliakas, 2018; Webster, Edwards en Smith, 2018) genoemd. Ook gaat er aandacht uit naar oudere werknemers (Bouwhuis et al., 2018), naar ouderen die hun pensioen aanvullen met overbruggingsinkomen (Dingemans, Henkens en Van Solinge, 2016; Beehr en Bennett, 2014) en naar zelfstandigen (Schulz, 2016). Hieruit komt een beeld naar voren van een zeer gemêleerde groep.

Het combineren van meerdere inkomens kan duiden op economische noodzaak, maar er kunnen ook andere redenen zijn om een bijbaan of een onderneming te hebben naast de hoofdbaan of een (pensioen)uitkering. Denk aan plezier in het werk, aangename contacten met collega’s of klanten, bijverdiensten voor vakantie of hobby’s, enzovoorts. Zo werden erbij onderzoeken gebaseerd op het Britse huishoudenspanel aanwijzingen gevonden dat personen met meerdere banen een wens hebben naar meer afwisseling in het werk(Wu, Baimbridge en Zhu, 2011), nieuwe vaardigheden willen ontwikkelen(Panos, Konstantinos en Zangelidis, 2014), of misschien zichzelf zo willen verzekeren tegen volledige werkloosheid (Bell, Hart en Wright, 1997).

In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de diverse combinaties van hoofd- en neveninkomens en de bedragen die hiermee zijn gemoeid voor Nederland. Daarbij wordende neveninkomens uitgelicht per sociaaleconomische categorie: scholieren en studenten,werknemers, zelfstandigen, uitkeringsontvangers en pensioenontvangers. Er wordt afgesloten met enkele gedachten over mogelijke methodologische verbeteringen.

Tenzij anders vermeld hebben alle hier gepresenteerde gegevens betrekking op voorlopige cijfers voor 2018. De onderzoekspopulatie omvat allen met een geregistreerd persoonlijk inkomen die woonachtig zijn in een particulier huishouden in Nederland op 1 januari.Wanneer wordt gesproken over inkomen, dan gaat het steeds over het persoonlijk brutojaarinkomen (zie kader Bruto-inkomen).

2. Personen met neveninkomen

In deze paragraaf staan mensen met een neveninkomen centraal. Hoe hoog is het aandeelpersonen naar sociaaleconomische categorie dat een neveninkomen heeft? En welke combinaties van hoofd- en neveninkomen komen in de praktijk het meest voor?

Bijna een kwart met neveninkomen

Van de 13,5 miljoen mensen in Nederland met een eigen inkomen begin 2018 had 77 procent alleen een hoofdinkomen, terwijl 23 procent ook nog een ander inkomen ontving. Deze percentages zijn in de periode 2011-2018 vrij stabiel gebleven. Het zijn vooral de scholieren en studenten die veelvuldig bijverdienen. Ruim 9 op de 10 studenten met inkomen hebben bijverdiensten (figuur 2.1). Dit komt neer op 1,2 miljoen personen,oftewel 40 procent van alle personen met een tweede inkomen. 

Ook onder uitkeringsontvangers komen neveninkomens met 27 procent bovengemiddeld vaak voor. Met name degenen met een uitkering vanwege werkloosheid of ziekte- of arbeidsongeschiktheid hebben dikwijls een tweede inkomen.
Bij zelfstandigen ligt het aandeel met een neveninkomen vrijwel op het gemiddelde.Pensioenontvangers en werknemers hebben het minst vaak een tweede inkomen,respectievelijk 11 en 14 procent.

2.1 Aandeel personen met neveninkomen naar sociaaleconomische categorie, 1 januari 2018*
HoofdinkomenHoofd- en neveninkomen (% van personen met inkomen)
Totaal 23,1
Scholier of student90,9
Werknemer14,3
Zelfstandige22,9
Uitkeringsontvanger26,8
Pensioenontvanger10,7

Studenten met werknemersbaan grootste groep

Gegeven de gekozen indeling zijn er 17 mogelijke combinaties van hoofd- en neveninkomen mogelijk. Figuur 2.2 toont hoe vaak deze combinaties voorkomen. Veruit de grootste groep wordt gevormd door de 1,2 miljoen scholieren en studenten met een werknemersbaan. Het gaat dan vaak om kleine banen waarvoor weinig opleiding is vereist zoals winkelbediende,vakkenvuller, kelner of serveerster of schoonmaker (CBS, 1999; 2010).

Werknemers met een uitkering (495 duizend) komen op de tweede plaats, gevolgd doorwerknemers die tevens als zelfstandige opereren (278 duizend) en werknemers die ook pensioen ontvangen (152 duizend). Uitkeringsontvangers (139 duizend) en pensioenontvangers(137 duizend) met daarnaast loon als werknemer nemen de vijfde en zesde plaats in.

Bij ruim de helft van de 3,1 miljoen personen met neveninkomen bestaat dit inkomen uitl oon als werknemer, bij 23 procent is het afkomstig uit een uitkering, bij 15 procent uit inkomen als zelfstandige en bij 11 procent gaat het om pensioen. 

2.2 Soort neveninkomen naar sociaaleconomische categorie, 1 januari 2018*
CategorieLoon als werknemer (1 000 personen met neveninkomen)Inkomen van zelfstandige (1 000 personen met neveninkomen)Pensioen (1 000 personen met neveninkomen)Uitkering (1 000 personen met neveninkomen)
Scholier of student1211,819,80,815,5
Werknemer0277,5151,7495
Zelfstandige100,736,984,163,1
Uitkeringsontvanger139,527,4105,758,6
Pensioenontvanger137,4107,8094,5

3. Neveninkomen en brutoinkomen

In deze paragraaf staat de hoogte van het neveninkomen centraal. Hoe verhoudt het neveninkomen zich tot het bruto jaarinkomen bij de verschillende sociaaleconomische groepen? En wat is de bijdrage van de verschillende soorten neveninkomen aan het totale inkomen?

Neveninkomen goed voor 16 procent van bruto-inkomen

In 2018 was het bruto-inkomen voor alle personen met inkomen gemiddeld 36,9 duizend euro (CBS StatLine, 2020). Met 27,5 duizend euro is het inkomen van personen met neveninkomen ruim 30 procent lager dan de 39,2 duizend euro voor personen met alleen een hoofdinkomen. Dit komt doordat er veel scholieren en studenten in de groep met neveninkomen zitten. Het bruto-inkomen van scholieren en studenten met bijverdiensten bedraagt gemiddeld 5 duizend euro en is daarmee veruit het laagst van alle sociaaleconomische groepen met neveninkomen (figuur 3.1). Wel is het beduidend hoger dan het inkomen van scholieren/studenten zonder bijverdiensten, die het met gemiddeld 3,6 duizend euro moeten doen (tabel B.1).

Bij bijverdienende scholieren en studenten is het gemiddelde neveninkomen met 3,3 duizend euro goed voor bijna twee derde van hun bruto-inkomen. Voor de overige sociaaleconomische categorieën is dat aandeel veel lager; het varieert van 10 procent bijwerknemers tot 19 procent bij zelfstandigen. In totaal draagt het neveninkomen voor 16 procent bij aan het bruto-inkomen van personen met een tweede inkomen. Gemiddeld gaat het om een bedrag van 4,5 duizend euro. Bij zelfstandigen is dat met 9,4 duizend euro het hoogst. Daarnaast ligt ook bij de pensioenontvangers het neveninkomen met 5,5 duizend euro boven het gemiddelde.

3.1 Bruto-inkomen van personen met neveninkomen naar sociaaleconomische categorie, 1 januari 2018*
CategorieHoofdinkomen (1 000 euro)Neveninkomen (1 000 euro)Rest (1 000 euro)
Totaal20,74,52,4
Scholier of student0,83,31,0
Werknemer39,84,52,5
Zelfstandige36,09,44,6
Uitkeringsontvanger19,04,33,0
Pensioenontvanger 30,85,54,5

Met neveninkomen doorgaans een hoger inkomen

Bij bijna alle sociaaleconomische categorieën is het bruto-inkomen van mensen met een neveninkomen gemiddeld hoger dan bij degenen met alleen een hoofdinkomen. Alleen onder werknemers is dat omgekeerd: in 2018 was het bruto-inkomen van werknemers met alleen een hoofdinkomen gemiddeld 5,0 duizend euro hoger dan dat van hun collega’s die daarnaast ook nog een ander inkomen hadden (tabel B.1). 


Bij pensioenontvangers en uitkeringsontvangers valt op dat het hoofdinkomen van de groep met neveninkomen gemiddeld boven dat van de groep zonder neveninkomen ligt.Dit kan er op wijzen dat het dikwijls mensen met een hogere (pensioen)uitkering zijn die daarnaast nog een tweede inkomen hebben.

Neveninkomen uit pensioen het hoogst

Het bruto-inkomen van personen die bijverdienden als werknemer kwam in 2018 op 12,7 duizend euro (figuur 3.2). De bijverdiensten zijn met 4,1 duizend euro goed voor bijna een derde van het totale inkomen. Het relatief lage bruto-inkomen kan worden verklaard doordat ruim driekwart van de mensen met neveninkomen uit een werknemersbaan scholieren en studenten zijn.

Bezien vanuit het soort neveninkomen hebben personen die bijverdienen als zelfstandige gemiddeld het hoogste inkomen, namelijk 51,5 duizend euro bruto. Met 3,9 duizend euro maakt het neveninkomen hier maar een relatief klein deel van uit (8 procent). De groep dieop deze manier bijverdient, bestaat voor bijna 60 procent uit werknemers.

Personen die naast hun hoofdinkomen ook pensioen ontvangen, hebben gemiddeld het hoogste neveninkomen: 8,4 duizend euro. Dit komt neer op 17 procent van het gemiddelde bruto-inkomen van 48,4 duizend euro van degenen met dit neveninkomen. Het betreft een gemêleerde groep: 44 procent is werknemer, 31 procent uitkeringsontvanger en 25 procent zelfstandige.

Het gemiddelde bruto-inkomen van personen met een uitkering als neveninkomen bedraagt 34,8 duizend euro. Hiervan komt 4,0 duizend euro oftewel 11 procent voor rekening van het neveninkomen. Deze groep bestaat voor 68 procent uit werknemers.

3.2 Bruto-inkomen van personen met neveninkomen naar soort neveninkomen, 1 januari 2018*
CategorieHoofdinkomen (1 000 euro)Neveninkomen (1 000 euro)Rest (1 000 euro)
Loon als werknemer6,94,11,7
Inkomen als zelfstandige43,93,93,7
Pensioen38,08,42,0
Uitkering27,74,03,1

4. Soort neveninkomen per sociaaleconomische categorie

In de komende paragraaf wordt per sociaaleconomische categorie dieper ingegaan op de verschillende soorten neveninkomens. Hoe groot is het aandeel dat een bepaald neveninkomen heeft? Hoe hoog zijn die inkomsten gemiddeld en hoe verhouden ze zich tot het bruto-inkomen?

Studenten verdienen het vaakst bij als werknemer

Scholieren en studenten met neveninkomen verdienen vrijwel allemaal (97 procent) bij met een werknemersbaan (tabel 4.1). Deze leverde hun in 2018 gemiddeld zo’n 3,3 duizend euro bruto op naast een eventuele studielening. De overige scholieren en studenten zijn daarnaast vooral actief als zelfstandige of ontvangen een uitkering.

Werknemers: vooral uitkering als neveninkomen

Het merendeel (54 procent) van de werknemers met neveninkomen heeft een uitkering. In 2018 ging het om een bedrag van gemiddeld 3,6 duizend euro bruto. Dit komt neer op 10 procent van het bruto-inkomen van 35,3 duizend euro van deze werknemers. Het gaat dikwijls om werkloosheidsuitkeringen.

Daarnaast zijn werknemers ook vaak actief als zelfstandigen (30 procent) of ontvangen een pensioenuitkering (16 procent). Het hieruit verkregen neveninkomen bedraagt respectievelijk 4,0 en 8,3 duizend euro. Van alle mogelijke combinaties van hoofd- en neveninkomen hebben werknemers met daarnaast inkomen als zelfstandige of pensioen gemiddeld het hoogste bruto-inkomen; in beide gevallen 60 duizend euro.

Neveninkomen bij zelfstandigen met pensioen het hoogst

Zelfstandigen met neveninkomen hebben dikwijls een baan als werknemer (35 procent) of ontvangen pensioen (29 procent). Van alle sociaaleconomische groepen hebben zelfstandigen gemiddeld het hoogste neveninkomen, namelijk 9,4 duizend euro. Vooral bij degenen met pensioen is dat inkomen aanzienlijk. Met 12,8 duizend euro is het goed voor een kwart van hun bruto-inkomen. Maar ook de neveninkomsten uit loon of uitkering zijn bij zelfstandigen relatief hoog: respectievelijk 8,5 duizend en 9,2 duizend euro. Het betreft vaak uitkeringen vanwege ziekte- of arbeidsongeschiktheid. 

Van de zelfstandigen heeft 13 procent eveneens neveninkomen als zelfstandige, het gaat dan voornamelijk om situaties waarbij het directeur-groot aandeelhouderschap wordt gecombineerd met het zelfstandige-ondernemerschap, of andersom.

4.1 Bruto-inkomen van personen met neveninkomen naar sociaaleconomische categorie en soort neveninkomen, 1 januari 2018*
Personen met neveninkomenSoort neveninkomenBruto-inkomenHoofdinkomen Neveninkomen Rest
x 1 000%1 000 euro
Scholier of student
Totaal12501005,00,83,31,0
Loon als werknemer1214974,90,83,30,9
Overige3637,01,22,63,2
Werknemer
Totaal92410046,839,84,52,5
Inkomen als zelfstandige2783060,052,84,03,2
Pensioen1521660,049,88,31,9
Uitkering 4955435,329,43,62,4
Zelfstandige
Totaal28510049,936,09,44,6
Loon als werknemer1013545,531,38,55,8
Inkomen als zelfstandige371359,646,84,18,6
Pensioen842950,935,512,82,6
Uitkering 632250,037,89,22,9
Uitkeringsontvanger
Totaal33110026,319,04,33,0
Loon als werknemer1394223,616,24,03,4
Inkomen als zelfstandige27832,924,14,84,0
Pensioen1063230,624,05,11,5
Uitkering 591821,814,63,14,2
Pensioenontvanger
Totaal34010040,830,85,54,5
Loon als werknemer1374045,633,67,94,2
Inkomen als zelfstandige1083240,333,04,03,3
Uitkering 942834,424,53,76,2

Uitkeringsontvanger heeft laagste neveninkomen

Uitkeringsontvangers met neveninkomen hebben van alle sociaaleconomische groepen gemiddeld niet alleen het laagste hoofdinkomen (42 procent) of pensioen (32 procent). Dat levert hun gemiddeld respectievelijk 4,3 duizend en 5,1 duizend euro op. Zo’n 18 procent van de uitkeringsontvangers heeft daarnaast nog een andere uitkering van gemiddeld 3,1 duizend euro. Het aandeel dat bijverdient als zelfstandige is met 8 procent relatief laag. 

De helft van de uitkeringsontvangers met neveninkomen heeft een arbeidsongeschiktheidsuitkering als hoofdinkomen. Van hen ontvangt 48 procent naast deze uitkering pensioen, terwijl 24 procent een baan als werknemer heeft. Van de andere uitkeringsontvangers (werkloosheidsuitkering, bijstandsuitkering of een overige uitkering sociale voorziening) met een tweede inkomen verdient het merendeel bij als werknemer.

Pensioenontvanger verdient als werknemer het meest bij

Pensioenontvangers met neveninkomen zijn vaak ook werknemer (40 procent) of zelfstandige (32 procent), of zij ontvangen aanvullend een andere uitkering (28 procent).Degenen die bijverdienen als werknemer hebben gemiddeld het hoogste neveninkomen:7,9 duizend euro. Pensioenontvangers die ook als werknemer of zelfstandige actief zijn,zijn meestal mannen, terwijl degenen met tevens een (andere) uitkering net wat vaker vrouw zijn. De andere uitkering als neveninkomen betreft bij pensioenontvangers vooral arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.

5. Conclusies

Dit artikel geeft een overzicht van neveninkomens naar sociaaleconomische categorie. Het uitlichten van neveninkomens levert extra inzicht in de welvaartspositie van de bevolking. Deze inkomsten blijven verborgen wanneer alleen wordt gekeken naar de totale inkomens.

In 2018 waren er 3,1 miljoen personen met neveninkomen. Ruim de helft had loon als werknemer en bijna een kwart een uitkering. Gemiddeld bedroeg het neveninkomen op jaarbasis 4,5 duizend euro bruto, oftewel 16 procent van het bruto-inkomen. Bij personen die naast hun hoofdinkomen ook pensioen ontvangen, is het neveninkomen gemiddeld het hoogst (8,4 duizend euro), terwijl dat bij bijverdiensten als zelfstandige het laagst is(3,9 duizend euro).

De meest opvallende bevindingen per sociaaleconomische categorie zijn:

Scholieren en studenten

Scholieren en studenten met inkomen hebben het vaakst neveninkomen (91 procent van deze categorie). Dit is goed voor bijna twee derde van hun bruto-inkomen van gemiddeld 5,0 duizend euro. Ze verdienen voornamelijk bij met een werknemersbaan (97 procent van de scholieren en studenten met neveninkomen). Deze bijbaan levert hun gemiddeld 3,3 duizend euro bruto per jaar op. Met 1,1 miljoen personen vormen de scholieren en studenten die bijverdienen als werknemer veruit de grootste groep met neveninkomen. 

Werknemers

Bij werknemers is het aandeel van het neveninkomen in het bruto-inkomen met gemiddeld 10 procent het kleinst. Van de werknemers met neveninkomen heeft meer dan de helft een uitkering. Met bijna 500 duizend vormen deze werknemers met uitkering de op één na grootste groep van mensen met neveninkomen. Werknemers met een tweede inkomen als zelfstandige of pensioen hebben gemiddeld het hoogste bruto-inkomen van alle combinaties van hoofd- en neveninkomen, namelijk beide 60 duizend euro. 

Zelfstandigen

Bij zelfstandigen is het neveninkomen met 9,4 duizend euro gemiddeld het hoogst. Met name het neveninkomen uit pensioen is bij hen relatief hoog. Met 12,8 duizend euro is het goed voor een kwart van het bruto-inkomen van de zelfstandigen met pensioeninkomsten.Maar ook het neveninkomen uit loon en uitkering is bij de zelfstandigen hoger dan bij de andere sociaaleconomische groepen. 

Uitkeringsontvangers

Na scholieren en studenten hebben uitkeringsontvangers met 27 procent het vaakst een neveninkomen. Het zijn met name de ontvangers van een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering die dikwijls een tweede inkomen hebben. Gemiddeld bedraagt het neveninkomen van een uitkeringsontvanger 4,2 duizend euro. Dat is na de scholieren en studenten het laagst van alle sociaaleconomische categorieën. Zo’n 18 procent heeft naast de uitkering nog een andere uitkering.

Pensioenontvangers

Onder pensioenontvangers komt een neveninkomen het minst vaak voor: bij 11 procent van deze groep. Na de zelfstandigen hebben zij wel het hoogste neveninkomen, namelijk gemiddeld 5,5 duizend euro. Vooral als werknemer verdienen ze betrekkelijk veel bij.

Verbeterpunten

De in dit artikel gepresenteerde methode voorziet in een globaal overzicht van neveninkomens, maar is nog te beperkt om specifieke deelgroepen in detail te beschrijven.

Belangrijke verbeterpunten zijn:

Stapelbanen onderscheiden

Loon als werknemer wordt nu als één inkomensbron beschouwd. Op basis van de beschikbare loongegevens is het echter mogelijk om per persoon het aantal banen te onderscheiden waarin simultaan gewerkt wordt, evenals de hoogte van de afzonderlijke lonen. Dit kan vervolgens in de neveninkomensstatistiek worden verwerkt door de combinatie hoofd- én neveninkomen als werknemer toe te voegen. Deze uitbreiding kan in principe op korte termijn worden gerealiseerd.

Volgtijdelijkheid uitsluiten

Specifiek voor zelfstandige ondernemers is het onzeker of het op één na hoogste inkomen(het gedefinieerde neveninkomen) inderdaad tegelijk met het hoofdinkomen wordt gegenereerd. Het ondernemersinkomen is immers enkel op jaarbasis bekend. Er zijn geen bronnen beschikbaar die een nauwkeurigere afleiding direct mogelijk maken, maar wellicht kunnen er op langere termijn indicatoren worden ontwikkeld voor het preciezer schatten van de start- en stopdatum van ondernemersactiviteiten.

Detaillering

Na verdere verfijning van de methodiek voor het uitsplitsen van hoofd- en neveninkomen zullen bepaalde onderzoeksvragen beter beantwoord kunnen worden. Bijvoorbeeld de vraag in welke sectoren werknemers en zelfstandigen het vaakst nevenactiviteiten hebben,en hoe dit zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. Bij studenten is de vraag relevant of zij sinds de invoering van het leenstelsel meer zijn gaan werken en bijverdienen naast de studie, of dat ze dat juist minder zijn gaan doen omdat ze geen studievertraging wille noplopen. Een andere kwestie van meer methodologische aard is of het wellicht beter is om studenten helemaal uit te sluiten van de onderzoekspopulatie. Een groot deel van hen betrekt de voornaamste financiële middelen immers uit een lening, en een lening is geen inkomen maar een schuld.

En hoe dicht liggen de inkomens van werkende gepensioneerden en personen met stapelbanen tegen diverse kritische inkomensgrenzen aan, te beginnen tegen die van de economische zelfstandigheid? Wanneer bijverdiensten het verschil maken tussen leven boven of onder de armoedegrens, ligt het voor de hand om ervan uit te gaan dat de bijverdiensten een economische noodzaak zijn.

Technische toelichting

Het volgende overzicht toont de samenstelling van de vijf verschillende inkomensbronnen.

T.1 Samenstelling inkomensbronnen
Bron(Sub)groepJaarinkomenBekende maandbedragen
Loon als werknemerWerknemerLoon werknemer Loon werknemer
Loon ambtenaar Loon ambtenaar
Werkgeverspremies
Loon in natura (a)
Inkomen als zelfstandigeDirecteur-
grootaandeelhouder (dga)
Loon dga Loon dga
Loon in natura (a)
Zelfstandig ondernemerWinst zelfstandigeOnbekend (b)
Overige zelfstandige of
meewerkend gezinslid
Inkomen uit overige arbeidOnbekend (b)
PensioenPensioenontvangerUitkering AOW Uitkering AOW
Pensioen Pensioen
Nabestaandenpensioen Nabestaandenpensioen
Levensloop
Overdrachten
Premies (c)
Studiefinanciering/-leningScholier of studentUitkering studietoelageUitkering studietoelage
Overige uitkeringWerkloosUitkering WW Uitkering WW
Wachtgeld
Premies (c)
ArbeidsongeschiktUitkering ziekte Uitkering ziekte
Arbeidsongeschiktheid Arbeidsongeschiktheid
Particuliere ziekteverzekering
BijstandUitkering bijstand Uitkering bijstand
Premies (c)
OverigUitkering overige
sociale voorzieningen
Uitkering overige
sociale voorzieningen
Premies (c)

De genoemde inkomenscomponenten zijn afkomstig uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB) (CBS, 2017). Maandstaten worden zodanig opgeteld dat de jaartotalen aansluiten op de definitie van het Integrale inkomens- en vermogensonderzoek (IIV) (CBS, 2020). De maandbedragen worden gebruikt om voor elke afzonderlijke maand te achterhalen welke bron het voornaamste neveninkomen vormt. Dit is het hoogste bedrag van de bronnen die niet horen bij de sociaaleconomische categorie van de betreffende maand (SECM) of het hele jaar (SECJ). Hierbij gelden de volgende aannames:
a. Loon in natura. Denk hierbij vooral aan gebruik van een auto van de zaak. Het is niet expliciet bekend bij welke inkomensbron dit hoort. Het gehele bedrag wordt toegekend aan de bron die overeenkomt met de sociaaleconomische categorie op jaarbasis (SECJ).
b. Zelfstandigen. De onbekende maandbedragen worden geschat als het jaarinkomen gedeeld door 12.
c. Premies. Door uitkeringsinstanties betaalde premies voor verzekering tegen ziekte(ZVW), werkloosheid (WW) en arbeidsongeschiktheid (WAO) zijn niet direct gekoppeld aan inkomensbronnen. Deze jaarbedragen worden over de bronnen verdeeld naar rato van de som van de overige componenten aldaar.
d. Zelfde hoofd- en nevenbetrekking. Wanneer er simultaan geregistreerd inkomen is voor meerdere sub-bronnen, kan een persoon in dezelfde categorie worden ingedeeld voor zowel hoofd als neveninkomen; dit kan voorkomen bij zelfstandigen en uitkeringsontvangers. Iemand kan bijvoorbeeld hoofdinkomen hebben als directeur-grootaandeelhouder, en neveninkomen als zelfstandig ondernemer.

De opgetelde maandcijfers zijn vervolgens de verdeelsleutel voor het opsplitsen van het jaarinkomen. Op deze wijze worden bedragen die wel voor het hele jaar maar niet per maand bekend zijn (zie overzicht) alsnog toegewezen aan de bijbehorende inkomensbron.Dus:

Bruto persoonlijk jaarinkomen = hoofdinkomen + voornaamste neveninkomen +restinkomen

De drie jaarbedragen tellen samen op tot het bruto persoonlijke inkomen, een van de kernconcepten van de inkomensstatistiek. Het restinkomen bevat de eventuele derde,vierde en vijfde inkomensbronnen, en in gevallen waarbij een persoon gedurende het jaar van sociaaleconomische categorie wisselt, het bijbehorende transitie-inkomen.

Als een bron van neveninkomen van een persoon gedurende geen enkele maand van het jaar ook als hoofdinkomen is geclassificeerd, dan kan er geen sprake zijn van eentransitiesituatie, en wordt het neveninkomen in kwestie als eenduidig gemarkeerd.

Referenties

Beehr, T.A., Bennett, M.M. (2014). Working after retirement: Features of Bridge Employment and research directions. Work, Aging and Retirement.

Bell, D., Hart, R., Wright, R.E. (1997). Multiple Job Holding as a ‘Hedge’ Against Unemployment. CEPR Discussion Papers.

Bierings, H., Kösters, L. (2017). Werkzaam als zzp’er én als werknemer. Statistische Trends,september 2017.

Bouwhuis, S., De Wind, A. , Geuskens, G.A., Van der Beek, A.J., Bongers, P.M., Boot, C.R.L.(2018). Experiences with multiple job holding: a qualitative study among Dutch older workers. BMC Public Health.

CBS (31 mei 1999). Meer bijbaantjes naast school. CBS nieuwsbericht.

CBS (23 juni 2010). Bijbaan scholier is goed voor 1100 euro per jaar. CBS nieuwsbericht.

CBS (2016). Welvaart in Nederland 2016. Hoofdstuk 5.2 - Ondernemersinkomen, hoofd- of bijzaak?

CBS (2017). Beschrijving Stelsel van Sociaal statistische Bestanden (SSB).

CBS (2020). Onderzoeksbeschrijving Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV).

CBS StatLine (2020). Inkomen van personen; inkomensbestanddelen, persoonskenmerken.

Dingemans, E., Henkens, K., van Solinge, H. (2016). Access to bridge employment: Who finds and who does not find work after retirement? The Gerontologist.

Kösters, L., van den Brakel, M. (2016). Vooral bij mannen: kleine zzp’er naast pensioen. Economische Statistische Berichten (ESB).

Neefs, B., Vansteenkiste, S. (2018). Dé multi-jobber bestaat niet: zowel sterke als kwetsbare profielen. Steunpunt Werk (Vlaanderen).

Neefs, B., Vansteenkiste, S. (2018). Multi-jobbers in Vlaanderen, een kwetsbare groep? Steunpunt Werk (Vlaanderen).

Panos, G. A., Konstantinos, P., Zangelidis, A. (2014). Multiple Job Holding, Skill Diversification, and Mobility. Industrial Relations: A Journal of Economy and Society.

Pouliakas, K. (2018). Multiple job holding: Career pathway or dire straits? IZA World of Labor.

Schulz, M., Urbig, D., Procher, V. (2016). The role of hybrid entrepreneurship in explaining multiple job holders’ earning structure. Journal of Business Venturing Insights.

Webster, B.D., Edwards, B.D. , Smith, M.B. (2018). Is holding two jobs too much? An examination of Dual Jobholders. Journal of Business and Psychology. https://link.springer.com/article/10.1007/s10869-018-9540-2

Wu, Z., Baimbridge, M., Zhu, Y. (2011). Multiple job holding in the United Kingdom: evidence from the British Household Panel Survey. Journal of Applied Economics.

Tabellenbijlage

B.1 Bruto-inkomen van personen zonder en met neveninkomen, 1 januari 2018*
Personen met inkomenBruto-inkomenHoofdinkomenNeveninkomenRest
x 1 000 1 000 euro
Alleen hoofdinkomen
Totaal1040839,839,2
Sociaaleconomische categorie
Werknemer556151,851,4
Zelfstandige95845,343,6
Pensioenontvanger284623,022,8
Uitkeringsontvanger90418,217,1
Scholier of student1253,61,5
Ook neveninkomen
Totaal313527,520,74,52,4
Sociaaleconomische categorie
Werknemer92446,839,84,52,5
Zelfstandige28549,936,09,44,6
Pensioenontvanger34040,830,85,54,5
Uitkeringsontvanger33126,319,04,33,0
Scholier of student12485,00,83,31,0
Bron van neveninkomen
Loon als werknemer159412,76,94,11,7
Inkomen als zelfstandige46951,643,93,93,7
Pensioen34448,438,08,42,0
Uitkering72834,827,74,03,1