Auteur(s): Niels Kooiman en Pleun Lagerberg
LAT-relaties bij 60-plussers

4. Conclusie

In dit artikel is onderzocht hoe vaak LAT-relaties voorkomen bij mensen van 60 tot 80 jaar, afgezet tegen het aandeel dat geen vaste partner heeft en het aandeel dat met een vaste partner samenwoont. Tot dusverre had onderzoek naar LAT-relaties in Nederland zich enkel gericht op mensen tot 60 jaar, maar een nieuwe bron (de enquête Sociale Samenhang en Welzijn) geeft ook inzicht in het aandeel 60- tot 80-jarigen dat een vaste partner buiten het huishouden heeft. Er is gekeken naar de periode 2014-2024.

De relatiestatus van zestigers komt behoorlijk overeen met die van vijftigers. Zo had in 2024 5 procent van de zestigers een LAT-relatie. Meer dan twee derde van de zestigers woonde samen met een partner en bijna een kwart was alleenstaand en had ook geen partner buitenshuis. Dat betekent dus dat 18 procent van de zestigers die zonder partner woonde, wel een vaste relatie buiten het huishouden had. In die leeftijdsgroep wonen mannen vaker met een partner en geven daarnaast vaker aan een LAT-relatie te hebben. Vrouwen van deze leeftijd wonen vaker alleenstaand en zijn single. 

Een leeftijdsgroep hoger, bij mensen van 70 tot 80 jaar, woont een kleiner deel met een partner, omdat de partner al vaker is overleden (verweduwing). Ook LAT-relaties komen in die leeftijdsgroep duidelijk minder vaak voor dan bij zestigers. Van de zeventigers had 3 procent een LAT-relatie (9 procent van degenen die alleen wonen). Ook in deze leeftijdsgroep geven mannen aanzienlijk vaker dan vrouwen aan een vaste partner buiten het huishouden te hebben.

Vergeleken met 2014 hebben ouderen in 2024 vaker een LAT-relatie. Dit geldt vooral voor zestigers en in mindere mate voor zeventigers. Zestigers in 2024 wonen door het toegenomen aantal scheidingen minder vaak met een partner dan de zestigers van 2014 en daarnaast hebben degenen die zonder partner wonen, vaker een partner buiten het huishouden. Ook bij zeventigers is het aandeel dat alleen woont, maar wel een vaste partner buitenshuis heeft, wat toegenomen. Bij deze leeftijdsgroep valt daarnaast op dat vrouwen vaker dan in 2014 op die leeftijd nog samenwonen met een partner, doordat zij minder vaak alleen kwamen te staan door verweduwing.

Daarnaast is onderzocht welke 60-plussers die alleen wonen, het vaakst een partner buiten het huishouden hebben. Uit die analyse blijkt dat een LAT-relatie hebben vooral een fenomeen is onder degenen met een hbo- of wo-opleiding. Deze bevinding is in lijn met eerder onderzoek naar LAT-relaties bij mensen tot 60 jaar en bij het algemene patroon dat mensen met een hbo- of wo-opleiding vaak voorlopers zijn als het gaat om nieuw sociaal-demografisch gedrag. Daarnaast bleken LAT-relaties veel voor te komen bij 60-plussers met een goede gezondheid, al geldt dit laatste voornamelijk voor vrouwen. Dit betekent dat het vooral de alleenstaande 60-plussers in relatief slechte gezondheid zijn die ook geen partner buiten het huishouden hebben op wie zij eventueel kunnen rekenen voor hulp of steun. 

Bij alleenwonende vrouwen zijn het vooral degenen die eerder gescheiden zijn of nooit getrouwd zijn geweest, die betrekkelijk vaak een LAT-relatie hebben. Vrouwen van wie de partner is overleden, hebben aanzienlijk minder vaak een LAT-relatie. Bij mannen is dat anders: verweduwde mannen hebben net als gescheiden mannen juist betrekkelijk vaak een LAT-relatie. En mannen die nooit getrouwd zijn geweest, hebben het minst vaak een partner buiten het huishouden. Met het oog op het ontvangen van mantelzorg kan die laatste groep als kwetsbaarder worden gezien omdat zij in de meeste gevallen ook geen kinderen hebben op wie zij kunnen terugvallen.

Hoewel dit onderzoek inzicht biedt in de mate waarin alleenstaande 60-plussers LAT-relaties hebben en welke 60-plussers dit vooral zijn, geeft het geen informatie over de redenen die zij hebben om te kiezen voor een LAT-relatie en of degenen met een LAT-relatie dit vooral zien als opmaat naar eventueel samenwonen of als een gewenste relatievorm. Eerder onderzoek onder mensen tot 60 jaar met een LAT-relatie liet zien dat vooral de 50- tot 60-jarigen in de toekomst apart wilden blijven wonen, vrouwen vaker dan mannen (Otten en Te Riele, 2015). Het is aannemelijk dat dit nog sterker geldt voor 60-plussers. Toekomstig onderzoek zou dat kunnen uitwijzen en zou zich kunnen richten op de vraag wat beweegredenen zijn om apart te blijven wonen of juist te gaan samenwonen. Daarnaast zou toekomstig onderzoek meer inzicht kunnen verschaffen in hoe de praktijk van LAT-relaties bij 60-plussers er in Nederland uitziet: hoe vaak zien de partners elkaar, hoe ver wonen zij uit elkaar en hoe verhoudt de stabiliteit zich tot die van samenwoonrelaties en huwelijken?