Auteur(s): Niels Kooiman en Pleun Lagerberg

LAT-relaties bij 60-plussers

Over deze publicatie

Steeds meer ouderen zijn alleenstaand in de zin dat ze zonder partner wonen, maar het is onbekend welk deel van hen buitenshuis wel een vaste partner heeft (LAT-relatie, Living Apart Together). In dit artikel wordt onderzocht hoe vaak dergelijke LAT-relaties voorkomen bij 60-plussers. Drie vragen staan hierbij centraal:

1. Welk deel van de 60-plussers heeft een LAT-relatie?
2. Hoe heeft dit aandeel zich tussen 2014 en 2024 ontwikkeld?
3. Welke sociaal-demografische en sociaaleconomische kenmerken van 60-plussers hangen samen met de waarschijnlijkheid dat alleenstaande 60-plussers een LAT-relatie hebben?

Belangrijkste bevindingen
─ In 2024 had 5 procent van de zestigers en 3 procent van de zeventigers een LAT-relatie, dat wil zeggen een vaste partner buiten het huishouden.
─ Het aandeel 60-plussers met een LAT-relatie is tussen 2014 en 2024 wat toegenomen.
─ De relatiestatus van zestigers lijkt sterk op die van vijftigers. Zeventigers wonen vaker zonder partner en hebben ook minder vaak een LAT-relatie.
─ Mannen van 60 jaar of ouder wonen niet alleen vaker dan vrouwen met een partner, degenen die zonder partner wonen geven ook vaker aan een partner buiten het huishouden te hebben.
─ LAT-relaties onder alleen wonende 60-plussers komen vooral voor bij mensen met een hbo- of wo-opleiding, bij mensen met een goede gezondheid en bij degenen die eerder in de levensloop gescheiden zijn. Bij vrouwen hebben degenen die zijn verweduwd, het minst vaak een LAT-relatie, en bij mannen degenen die nooit getrouwd zijn geweest.

1. Inleiding

Het aantal alleenstaanden in Nederland neemt toe, vooral onder ouderen. In 2000 waren er volgens de huishoudensstatistiek ruim 800 duizend 60-plussers die een eenpersoonshuishouden voerden, in 2025 waren dat er ruim 1,4 miljoen (CBS Statline, 2025). De verwachting is dat het aantal alleenstaande ouderen in de komende decennia sterk blijft toenemen. In 2050 telt Nederland volgens de huishoudensprognose ruim 1,9 miljoen alleenstaande 60-plussers (Stoeldraijer, Van Duin, Feijten, Fang en Kooiman, 2024). Momenteel woont ongeveer een derde van de 60-plussers alleen of anderszins zonder partner. Een deel van hen heeft nooit met een partner gewoond, en een ander deel is alleen na een scheiding of na het overlijden van de partner. Dit laatste speelt vooral bij de oudste ouderen een belangrijke rol. Doordat vrouwen vaker verweduwen dan mannen, zijn er vooral onder ouderen meer alleenstaande vrouwen dan mannen (CBS, 2024). 

1.1 Alleenstaanden
Jaar15 tot 25 jaar (x mln)25 tot 45 jaar (x mln)45 tot 65 jaar (x mln)65 tot 75 jaar (x mln)75 jaar of ouder (x mln)Bijzonderheden (x mln)
1970
19710,1000,1480,1660,1600,111
19720,1050,1620,1740,1680,117
19730,1110,1760,1820,1760,122
19740,1180,1890,1880,1840,128
19750,1250,2030,1950,1920,135
19760,1340,2170,2030,2000,142
19770,1430,2330,2090,2060,150
19780,1520,2530,2170,2120,159
19790,1600,2780,2240,2180,169
19800,1690,3080,2320,2240,180
19810,1790,3420,2410,2280,192
19820,1870,3800,2510,2330,205
19830,1950,4210,2610,2360,216
19840,2030,4630,2720,2380,228
19850,2110,5040,2830,2400,240
19860,2210,5400,2930,2460,251
19870,2310,5730,3020,2520,262
19880,2410,6020,3130,2580,276
19890,2520,6260,3230,2630,289
19900,2610,6480,3370,2680,301
19910,2690,6680,3500,2740,312
19920,2740,6850,3670,2810,323
19930,2740,7040,3830,2880,332
19940,2730,7250,4010,2940,339
19950,2670,7460,4180,2990,348
19960,2590,7630,4360,3010,360
19970,2520,7750,4530,3010,373
19980,2490,7860,4710,3020,384
19990,2510,7920,4880,3020,396
20000,2530,7960,5070,3020,406
20010,2550,8010,5260,3020,415
20020,2580,8060,5460,3030,423
20030,2640,8080,5670,3040,429
20040,2700,8080,5870,3050,436
20050,2750,8050,6060,3070,445
20060,2810,8030,6280,3100,454
20070,2870,8030,6490,3110,462
20080,2960,8070,6710,3140,471
20090,3070,8180,6940,3200,478
20100,3190,8340,7180,3270,485
20110,3190,8260,7390,3330,491
20120,3270,8340,7450,3500,490
20130,3270,8340,7560,3690,496
20140,3280,8300,7700,3830,505
20150,3330,8300,7880,3970,520
20160,3280,8310,8050,4110,530
20170,3250,8420,8240,4270,544
20180,3250,8520,8320,4400,549
20190,3180,8660,8400,4520,561
20200,3150,8840,8460,4630,573
20210,3040,8820,8510,4770,582
20220,3200,9080,8590,4780,608
20230,3360,9500,8680,4830,629
20240,3690,9720,8660,4870,647
20250,3811,0050,8710,4960,663Prognose
20260,3821,0350,8740,5060,680Prognose
20270,3761,0650,8740,5180,697Prognose
20280,3661,0930,8720,5290,716Prognose
20290,3521,1190,8680,5410,736Prognose
20300,3411,1400,8640,5540,756Prognose
20310,3331,1550,8610,5650,776Prognose
20320,3291,1650,8610,5740,798Prognose
20330,3261,1720,8610,5810,819Prognose
20340,3231,1780,8600,5890,841Prognose
20350,3201,1830,8580,5980,864Prognose
20360,3181,1840,8590,6050,885Prognose
20370,3161,1840,8610,6080,908Prognose
20380,3141,1820,8660,6090,931Prognose
20390,3141,1790,8750,6040,954Prognose
20400,3131,1750,8850,5960,976Prognose
20410,3131,1720,8960,5880,997Prognose
20420,3131,1680,9060,5801,017Prognose
20430,3121,1640,9170,5711,036Prognose
20440,3121,1580,9280,5621,054Prognose
20450,3121,1520,9380,5511,076Prognose
20460,3121,1440,9470,5411,095Prognose
20470,3091,1410,9550,5341,112Prognose
20480,3101,1350,9640,5281,125Prognose
20490,3121,1280,9720,5271,133Prognose
20500,3151,1230,9780,5291,138Prognose
20510,3191,1190,9810,5331,141Prognose
20520,3231,1150,9830,5401,142Prognose
20530,3281,1140,9830,5471,142Prognose
20540,3321,1120,9840,5541,142Prognose
20550,3361,1120,9850,5611,142Prognose
20560,3391,1130,9840,5691,143Prognose
20570,3421,1160,9810,5781,142Prognose
20580,3441,1200,9790,5881,141Prognose
20590,3451,1260,9760,5971,139Prognose
20600,3461,1320,9730,6061,138Prognose
20610,3471,1400,9710,6131,139Prognose
20620,3471,1470,9700,6181,141Prognose
20630,3471,1540,9670,6231,145Prognose
20640,3461,1620,9630,6301,149Prognose
20650,3461,1690,9580,6361,155Prognose
20660,3451,1770,9510,6421,165Prognose
20670,3451,1810,9480,6461,176Prognose
20680,3441,1880,9420,6501,188Prognose
20690,3441,1950,9360,6541,201Prognose
20700,3431,2020,9310,6551,215Prognose

Dat ouderen niet met een partner wonen, betekent echter niet dat zij single zijn: een deel heeft een vaste partner met wie zij niet samenwonen, oftewel een LAT-relatie (Living Apart Together). Om het aandeel alleenstaanden met een LAT-relatie te kunnen bepalen is informatie uit representatief vragenlijstonderzoek nodig. Hoewel er goede schattingen bestaan van het aandeel LAT-relaties bij alleenstaanden jonger dan 60 jaar (Van Solinge & Mandemakers, 2025), is dit voor oudere alleenstaanden nog onbekend. Het doel van dit artikel is te onderzoeken welk deel van de alleenstaande 60-plussers een partner buiten het huishouden heeft en wat de samenhang is met sociaal-demografische en sociaaleconomische kenmerken. 

De manier waarop mensen romantische relaties met elkaar aangaan, is in de afgelopen decennia diverser geworden. Zo is het niet meer vanzelfsprekend dat jongeren direct trouwen, wanneer zij het ouderlijk huis verlaten. Ook is ongehuwd samenwonen veel gebruikelijker geworden. Deze ontwikkelingen worden, net als het later krijgen van kinderen en de toename van het aantal scheidingen, omschreven als de Tweede Demografische Transitie. In dit sociaal- culturele proces dat halverwege de jaren ’60 van de vorige eeuw begon maakten de waarden individualisme en autonomie steeds nadrukkelijker deel uit van moderne samenlevingen (Lesthaeghe, 2010). Ook de opkomst van LAT-relaties als substituut voor het huwelijk en voor ongehuwd samenwonen wordt in deze ontwikkeling geplaatst. De LAT-relatie wordt gezien als een teken van voortschrijdende individualisering, omdat partners weliswaar een relatie hebben en in die zin aan elkaar zijn verbonden, maar desondanks hun situatie als alleenstaande behouden (Latten, 2004). 

Ouderen hebben doorgaans andere redenen om een te LAT-relatie te hebben dan jongeren. Voor veel jongeren is een LAT-relatie een opmaat naar samenwonen: zij zijn van plan in de toekomst te gaan samenwonen (of trouwen), maar vinden de relatie nog te pril of wonen om meer praktische redenen nog apart. Beide LAT-partners kunnen bijvoorbeeld in ver uit elkaar gelegen steden een studie volgen of een baan hebben. Ook kunnen de financiële middelen ontoereikend zijn om een woning te bemachtigen om in samen te wonen. Voor veel ouderen, en met name voor gescheiden of verweduwde personen, is LAT daarentegen vaak een bewuste en blijvende relatievorm (Liefbroer, Poortman & Seltzer, 2015). Een belangrijk motief is het behoud van vrijheid en zelfstandigheid (Otten en Te Riele, 2015). Partners kiezen daarbij bewust voor emotionele verbondenheid zonder samen te wonen, om autonomie en bestaande leefpatronen te behouden. Daarmee kan LAT worden gezien als een uiting van verdere individualisering en informalisering van relaties (Latten, 2004). LAT-relaties lijken te worden gekenmerkt door een geringere stabiliteit dan samenwoonrelaties: mensen met een LAT-relatie hebben vaker dan samenwoners nagedacht over het verbreken van de relatie (Otten en Te Riele, 2015). 

Het is belangrijk inzicht te krijgen in het aandeel alleenstaande ouderen dat een LAT-relatie heeft, omdat dit de diversiteit aan relatievormen weerspiegelt en beter dan cijfers over huishoudens weergeeft welk deel van de ouderen een partner heeft. Dit kan bij ouderen ook implicaties hebben voor de sociale en emotionele steun waarop zij kunnen rekenen. Uit een eerdere studie onder 50- tot 80-jarigen in Nederland bleek dat LAT-partners elkaar vergelijkbare emotionele steun bieden als samenwonende partners, ook in tijden van slechte gezondheid (Broese van Groenou, De Jong-Gierveld & Te Riele, 2019). Daarnaast kunnen ouderen met een LAT-relatie elkaar ook mantelzorg verlenen als dit nodig is, al geven samenwonende partners elkaar vaker dagelijkse zorg dan partners met een LAT-relatie (Broese van Groenou, De Jong-Gierveld & Te Riele, 2019). Bij de ontwikkeling van beleid en voorzieningen gericht op ouderen is informatie over partners buiten het huishouden van belang om aan te kunnen sluiten bij hun werkelijke sociale context.

Daarnaast wordt in dit artikel onderzocht welke alleenstaande 60-plussers het vaakst een LAT-relatie hebben. Hierbij wordt gekeken naar de burgerlijke staat (het onderscheid tussen mensen die verweduwd zijn, gescheiden of nooit gehuwd), het opleidingsniveau, het inkomen en de gezondheid. Er is gekeken naar burgerlijke staat, omdat uit eerder onderzoek naar voren is gekomen dat mensen die gescheiden of verweduwd zijn, vaker kiezen voor een LAT-relatie (De Jong-Gierveld, 2004; Liefbroer, Poortman & Seltzer, 2015; Otten en Te Riele, 2015). Opleidingsniveau is mogelijk van belang, omdat mensen met een hbo- of wo-opleiding doorgaans voorop lopen in sociaal-demografische veranderingen die vallen binnen de Tweede Demografische Transitie. Eerdere studies lieten zien dat LAT-relaties relatief veel voorkomen bij mensen met een dergelijk opleidingsniveau (Liefbroer, Poortman & Seltzer, 2015). De rol van het inkomen wordt onderzocht, omdat financiële middelen het voor partners mogelijk kunnen maken om twee woningen aan te houden en geen gebruik te maken van de schaalvoordelen van samenwonen. Tot slot wordt gekeken naar de rol van gezondheid, enerzijds omdat gezonde ouderen mogelijk eenvoudiger een partner vinden dan minder gezonde ouderen en anderzijds omdat alleenstaanden met een LAT-relatie eventueel op hulp en steun van hun partner kunnen rekenen in tijden dat dit nodig is. 

2. Data en methode

In dit artikel worden schattingen van het aandeel LAT-relaties gebaseerd op de enquête Sociale Samenhang en Welzijn (SSW) (CBS, z.d.-b), een vragenlijstonderzoek waaraan ook personen van 60 jaar en ouder meedoen en dat ook de mogelijkheid biedt om in kaart te brengen of mensen een vaste partner buiten het huishouden (LAT-relatie) hebben. SSW is opgezet om inzicht te bieden in de sociale, maatschappelijke en politieke participatie van de Nederlandse bevolking en in het vertrouwen dat mensen hebben in anderen en in instellingen. Het biedt geen aanvullende informatie over beweegredenen van mensen om te kiezen voor een LAT-relatie en over intenties om in de toekomst te gaan samenwonen. Aan de enquête doen jaarlijks ongeveer 7 500 mensen van 15 jaar of ouder mee, onder wie circa 1 800 60- tot 75-jarigen en 700 75-plussers. In dit onderzoek zijn de gegevens van 2014, 2018, 2021 en 2024 gebruikt. Er is een weging toegepast om te corrigeren voor verschillen tussen de totale bevolking en de samenstelling van de steekproef.

2.1 Afleiding relatiestatus

Het doel is om de relatiestatus van mensen te bepalen aan de hand van drie categorieën: 

  1. Zonder partner/single, 
  2. Samenwonend met partner en 
  3. LAT-relatie met partner. 

De relatiestatus kan worden afgeleid op basis van de enquête Sociale Samenhang en Welzijn (SOCSAM), die het CBS vanaf 2012 jaarlijks uitvoert. De wijze waarop de huishoudenssituatie wordt uitgevraagd, is echter door de jaren heen veranderd: in 2022 en in 2024 weer. Daarom is besloten om in dit onderzoek alleen de jaren 2014, 2018, 2021 en 2024 te gebruiken, zodat slechts twee verschillende uitvraagmethodes hoeven te worden samengevoegd.

Relatiestatus in de jaren 2012-2021

Tot en met 2021 werd de huishoudenssituatie uitgevraagd aan respondenten. Hiermee kan worden afgeleid of de respondent een partner in het huishouden heeft. De volgende mogelijke posities worden onderscheiden: 

  1. Alleenstaande, 
  2. Lid van een paar zonder kinderen, 
  3. Lid van een paar met kinderen, 
  4. Alleenstaande ouder, 
  5. Thuiswonend kind of 
  6. Overig. 

Ongeveer twee derde van de respondenten uit de jaren 2014, 2018 en 2021 gaf aan met een partner samen te wonen: zij waren lid van een paar zonder of met kinderen. Van de overige respondenten kan worden aangenomen dat zij niet met een partner samenwoonden. Aan hen werd vervolgens de vraag Partner gesteld: Heeft u op dit moment een vaste relatie? De mogelijke antwoorden hierbij waren “Ja”, “Nee” en “Weigert”. 

De relatiestatus is bepaald aan de hand van de combinatie van de huishoudenspositie en de partnerstatus. De respondenten die rapporteerden lid van een paar met of zonder kinderen te zijn, worden geclassificeerd als samenwonend met een partner. Respondenten met overige huishoudensposities (niet samenwonend met partner) die aangaven geen vaste relatie te hebben, worden geclassificeerd als zonder partner / single en degenen die aangaven wel een vaste relatie te hebben worden geclassificeerd als hebbende een LAT-relatie. Respondenten met overige huishoudensposities (niet samenwonend met een partner) die weigerden antwoord te geven op de vraag over een vaste relatie worden geclassificeerd als onbekend. Bij deze groep moet wel worden bedacht dat hun relatiestatus zonder partner / single of LAT-relatie zal zijn, omdat zij wel aangaven niet met een partner samen te wonen. Ruim 1 procent van het totale aantal respondenten en 4 procent van degenen zonder samenwoonpartner weigerde de vraag over een vaste relatie te beantwoorden.

Relatiestatus in 2024

Respondenten die deelnamen aan de enquête van 2024, kregen andere vragen over hun huishouden voorgelegd. Aan hen werd niet gevraagd zelf de huishoudenssamenstelling te rapporteren, zoals gebeurde in 2014, 2018 en 2021, maar werd de vraag Alleen gesteld: Woont u alleen of samen met anderen?  De antwoordcategorieën bij die vraag zijn “Alleen” en “Samen met anderen”. Met deze vraag is niet met zekerheid af te leiden of de respondent samenwoont met een partner, omdat de respondent ook uitsluitend kan samenwonen met personen die niet de partner zijn. Daarnaast werd, net als in de eerdere jaren, de vraag Partner gesteld: Heeft u op dit moment een vaste relatie? Aangezien de vragenlijst geen uitsluitsel biedt over de vraag of de respondent met een partner samenwoont, is de Partner-vraag in 2024 aan alle respondenten gesteld.

Ruim 1 procent van de respondenten weigerde om de vraag Partner te beantwoorden. Hun relatiestatus blijft onbekend. In 2014, 2018 en 2021 konden de respondenten met een onbekende relatiestatus in werkelijkheid enkel single of een LAT-relatie hebben. Doordat de Partner-vraag in 2024 aan iedereen is gesteld, kunnen de respondenten met een onbekende relatiestatus in dat jaar in werkelijkheid ook samenwonend met een partner zijn.

Voor de respondenten die wel hebben geantwoord, zijn vier antwoordcombinaties mogelijk bij de vragen Alleen en Partner:

  1. Er zijn respondenten die aangaven alleen te wonen en geen vaste relatie te hebben. Zij zijn als zonder partner / single geclassificeerd. 
  2. Er zijn respondenten die rapporteerden samen met anderen te wonen en geen vaste relatie te hebben. Ook zij zijn als zonder partner / single geclassificeerd. 
  3. Er zijn respondenten die aangaven alleen te wonen en een vaste relatie te hebben. Zij zijn als mensen met een LAT-relatie geclassificeerd. 
  4. Er zijn respondenten die rapporteerden met anderen samen te wonen en een vaste relatie te hebben. Van hen is niet met zekerheid vast te stellen of zij een partner binnen of buiten het huishouden hebben, omdat onbekend is of de vaste partner deel uitmaakt van de “anderen” met wie de respondent aangeeft samen te wonen. Met andere woorden: van deze respondenten is het onduidelijk of zij met een partner samenwonen of een LAT-relatie hebben.

Om dit onderscheid beter te kunnen maken wordt gebruik gemaakt van de variabele Plaats in het huishouden uit de huishoudensstatistiek (CBS, z.d.-a). Deze variabele verschilt van de variabele zoals gebruikt in 2014, 2018 en 2021 in de zin dat de plaats in het huishouden niet door de respondent zelf is gerapporteerd, maar is afgeleid uit geregistreerde gegevens over adresbewoning, huwelijken, partnerschappen en ouder-kind-relaties (BRP), bijstand (gemeenten) en fiscale partnerschappen en toeslagpartnerschappen (Belastingdienst). Op adressen waar de huishoudenssamenstelling niet eenduidig is af te leiden op basis van registerwaarnemingen, wordt deze geïmputeerd op basis van logistische regressiemodellen, gebaseerd op de Enquête Beroepsbevolking (EBB). 

Alle respondenten die vanuit de huishoudensstatistiek als partner in een paar zijn geclassificeerd, worden geïdentificeerd als samenwonend met een partner. Het is een optelling van de categorieën “partner in niet-gehuwd paar zonder kinderen”, “partner in gehuwd paar zonder kinderen”, “partner in niet-gehuwd paar met kinderen” en “partner in gehuwd paar met kinderen”. Samen betreft dit bijna 91 procent van alle respondenten die aangaven met anderen te wonen en een vaste partner te hebben. 

Daarnaast zijn er thuiswonende kinderen: 5 procent van degenen die met anderen wonen en een vaste relatie hebben. Van hen wordt aangenomen dat zij niet met hun partner bij hun ouders wonen en daarom worden zij als personen met een LAT-relatie geclassificeerd. Ruim 2 procent is volgens de huishoudensstatistiek alleenstaand, wat tegenstrijdig is aan de zelf-rapportage over de woonsituatie (met anderen). Van deze kleine groep is onduidelijk wat de huishoudenspositie is en daarom worden deze respondenten geclassificeerd als hebbende een onbekende relatiestatus. 

Ruim 1 procent van de respondenten die aangaven met anderen te wonen en een vaste partner te hebben is volgens de huishoudensstatistiek een ouder in een eenouderhuishouden. Bij deze groep respondenten wordt aangenomen dat zij op hun kinderen doelen als zij aangeven met anderen te wonen en dat zij zonder partner wonen. Daarom worden zij geclassificeerd als personen met een LAT-relatie. 

Tot slot is er een kleine groep respondenten die aangeven samen te wonen met anderen en een vaste relatie te hebben en in de huishoudensstatistiek worden geïdentificeerd als referentiepersoon in een overig huishouden, overig lid van een huishouden, lid van een institutioneel huishouden of onbekend. Van deze groep is niet duidelijk of zij met een partner wonen en dus worden deze respondenten geclassificeerd als personen met een onbekende relatiestatus.

Uit een vergelijking met andere bronnen waarmee LAT-relaties bij mensen tot 60 jaar zijn afgeleid, is gebleken dat de uitkomsten goed overeenkomen. Een beschrijving van deze vergelijking is opgenomen in de toelichting.

2.2 Logistische regressie

Om te onderzoeken welke kenmerken van alleenstaande 60-plussers samenhangen met de waarschijnlijkheid dat zij een LAT-relatie hebben, is voor vrouwen (N = 1 652) en mannen (N = 928) een apart multivariaat logistisch regressiemodel geschat met als afhankelijke variabele twee mogelijke waarden: single (0) of met een LAT-relatie (1). Hierbij is de samenhang met de volgende onafhankelijke variabelen onderzocht: 

  • het jaar van de enquête, 
  • de leeftijd in jaren, 
  • de burgerlijke staat, 
  • het opleidingsniveau, 
  • het gestandaardiseerde huishoudensinkomen, 
  • de godsdienstigheid, 
  • de ervaren algehele gezondheid en 
  • de stedelijkheid van de woongemeente. 

Respondenten van wie de burgerlijke staat “gehuwd” was, zijn buiten beschouwing gelaten, omdat voor hen een vaste partner buiten het huishouden mogelijk betekent dat zij geen LAT-relatie hebben, maar een partner die noodgedwongen in een instelling woont. Hierdoor werd 5 procent van de 60-plussers zonder samenwoonpartner uitgesloten. 

3. Resultaten

3.1 Relatiestatus van 60-plussers

De relatiestatus van zestigers (60 tot 70 jaar) lijkt betrekkelijk veel op die vijftigers (50 tot 60 jaar). In 2024 woonde 70 procent van de zestigers samen met een partner. Dat is bijna net zo veel als bij vijftigers. Mannen van 60 tot 70 jaar wonen wat vaker (73 procent) samen met een partner dan vrouwen (68 procent). Hierbij speelt mee dat vrouwen op die leeftijd al wat vaker verweduwd zijn dan mannen. Daarnaast is uit eerder onderzoek bekend dat single vrouwen van 50 jaar of ouder minder vaak dan mannen een relatie zouden willen (CBS, 2015). Ruim 5 procent van de zestigers heeft een vaste partner buiten het huishouden, oftewel een LAT-relatie. 

Er bestaat wel een verschil tussen mannen en vrouwen. Van de vrouwen van 60 tot 70 jaar gaf 4 procent aan een LAT-relatie te hebben, van de mannen 6 procent. Binnen de groep die zonder partner woont, is het verschil in LAT-relaties tussen vrouwen en mannen nog groter. Van de alleenstaande vrouwen van 60 tot 70 jaar gaf 13 procent aan een vaste partner buitenshuis te hebben, en van de mannen was dit 23 procent.

3.1.1. Relatiestatus, 2024
   Single (%)LAT-relatie (%)Woont samen met partner (%)
Totaal50 tot 60 jaar23,85,570,7
Totaal60 tot 70 jaar24,45,270,4
Totaal70 tot 80 jaar31366
Vrouwen50 tot 60 jaar265,568,5
Vrouwen60 tot 70 jaar28,24,367,5
Vrouwen70 tot 80 jaar40,32,357,4
Mannen50 tot 60 jaar21,65,572,8
Mannen60 tot 70 jaar20,66,173,4
Mannen70 tot 80 jaar20,83,775,5

Bij mensen van 70 tot 80 jaar komt verweduwing aanzienlijk meer voor en dit treft vrouwen vaker dan mannen. Hierdoor wonen vrouwen van 70 tot 80 jaar minder vaak samen met een partner (57 procent) dan mannen van die leeftijd (76 procent). Zeventigers hebben ook minder vaak een LAT-relatie dan zestigers. Van de vrouwen van 70 tot 80 jaar gaf ruim 2 procent aan een vaste partner buitenshuis te hebben, en 40 procent had geen vaste partner. Bij mannen van die leeftijd gaf bijna 4 procent aan een LAT-relatie te hebben, terwijl 21 procent geen vaste partner had. Ook bij zeventigers geldt dus dat alleenstaande mannen (15 procent) aanzienlijk vaker dan alleenstaande vrouwen (5 procent) aangeven wel een vaste partner buiten het huishouden te hebben.

Het verschil tussen mannen en vrouwen kan voortkomen uit het leeftijdsverschil tussen partners. Bij stellen van een man en een vrouw is de man gemiddeld enkele jaren ouder dan de vrouw (CBS Statline, 2026). Met de gebruikte data is het niet mogelijk om dit vast te stellen, omdat informatie over de partner ontbreekt. 

3.2 Burgerlijke staat van 60-plussers met een LAT-relatie

Van degenen die niet samenwonen met hun partner, is onderzocht wat hun burgerlijke staat was ten tijde van de enquête. Hieruit komt naar voren dat deze sterk afhangt van de leeftijd. Mensen uit de oudste onderscheiden groep zijn relatief vaak verweduwd. Dit geldt voor ruim een derde van de mensen van 70 tot 80 jaar die een partner buiten het huishouden hebben. Van de zestigers met een LAT-relatie is 13 procent verweduwd, van de vijftigers 5 procent. Vijftigers met een LAT-relatie zijn daarentegen relatief vaak gescheiden of nooit gehuwd geweest.  

Opvallend is dat ruim een kwart van de zestigers en zeventigers met een LAT-relatie getrouwd was ten tijde van de enquête. Verreweg de meesten van hen waren al tien jaar of langer getrouwd. Van de zestigers was 22 procent van degenen die niet met hun partner samenwoonden, al minstens tien jaar getrouwd. Van de zeventigers was dit 26 procent. 

Met de gebruikte data is het niet mogelijk om te bepalen of de LAT-partner van de respondent dezelfde persoon is als degene met wie de respondent is getrouwd. Het is mogelijk dat de respondent al wel van tafel en bed gescheiden is van de huwelijkspartner, maar dat het huwelijk nog niet officieel is ontbonden en dat de persoon al wel een andere vaste partner heeft buiten het huishouden. Het is ook mogelijk dat de vaste partner buiten het huishouden dezelfde persoon is als de huwelijkspartner en dat beide huwelijkspartners ervoor gekozen hebben om niet met elkaar samen te wonen. Een derde mogelijkheid is dat de huwelijkspartner van de respondent noodgedwongen buitenshuis is gaan wonen, bijvoorbeeld in een instelling vanwege gezondheidsredenen. Het is aannemelijk dat deze laatste situatie vooral van toepassing is op de oudere leeftijdsgroepen, aangezien het aandeel instellingbewoners met de leeftijd toeneemt. Ongeveer 1 procent van de mensen van 50 tot 60 jaar en van 60 tot 70 jaar en 2 procent van de mensen van 70 tot 80 jaar woonde op 1 januari 2025 in een institutioneel huishouden (CBS StatLine, 2025c).

3.2.1. Burgerlijke staat van mensen die niet samenwonen met hun partner, 2014-2024
 Gehuwd, korter dan 10 jaar (%)Gehuwd, 10 jaar of langer (%)Gescheiden (%)Verweduwd (%)Nooit gehuwd geweest (%)
50 tot 60 jaar3,710,154,15,226,9
60 tot 70 jaar4,622,440,71319,2
70 tot 80 jaar1,326,334,134,24,2
Gehuwd is inclusief geregistreerde partnerschappen.

3.3 Aandeel LAT-relaties bij 60-plussers 

Het aandeel zestigers met een LAT-relatie is tussen 2014 en 2024 toegenomen, zowel bij mannen als bij vrouwen. Bij vrouwen van 60 tot 70 jaar steeg het van 2 naar 4 procent, bij mannen van 4 naar 6 procent. 

De ontwikkeling van het aandeel ouderen met een LAT-relatie hangt af van twee demografische en maatschappelijke veranderingen: die in het aandeel ouderen dat een partner heeft (relatievorming) en die in het aandeel ouderen met een partner dat voor een LAT-relatie kiest (Van Solinge en Mandemakers, 2025). 

Zestigers

Bij mensen van 60 tot 70 jaar is de belangrijkste verandering dat het aandeel zonder partner tussen 2014 en 2024 is toegenomen, zowel bij mannen als bij vrouwen. Bij vrouwen daalde het aandeel met een vaste partner van 75 naar 72 procent, en bij mannen van 83 naar 80 procent. Dit komt ook tot uiting in de veranderde burgerlijke staat van de huidige zestigers in vergelijking met de zestigers uit 2014: in 2024 is een groter deel van de zestigers gescheiden of nooit gehuwd geweest (zie figuur 3.3.1). Het toegenomen aandeel gescheiden zestigers houdt verband met de stijging van het aantal echtscheidingen in de afgelopen decennia (Kooiman, 2022). De daling van het aandeel verweduwden – een gevolg van de gestegen levensverwachting – dempt de afname van het aandeel zestigers met een vaste partner.

3.3.1. Burgerlijke staat van 60- tot 70-jarigen
   Ongehuwd (%)Gehuwd (%)Verweduwd (%)Gescheiden (%)
Vrouwen2014668,711,114,1
Vrouwen202411,463,57,917,3
Mannen20148,675,73,911,7
Mannen202415,267,1314,8
Bron: CBS, Bevolkingsstatistiek

Daarnaast nam het aandeel zestigers met een LAT-relatie toe, doordat degenen met een vaste partner minder vaak met deze persoon samenwoonden. In 2014 woonde 96 procent van de zestigers met een vaste partner samen, terwijl dat in 2024 voor 93 procent gold. 

3.3.2. Relatiestatus van 60- tot 70-jarigen
   Single (%)LAT-relatie (%)Woont samen met partner (%)
Vrouwen201424,8273,2
Vrouwen202428,24,367,5
Mannen201417,14,678,4
Mannen202420,66,173,4

Tot slot is het van belang te bekijken welk deel van de zestigers die niet samenwonen, wel een LAT-relatie heeft. Dit is bij vrouwen van 60 tot 70 jaar sterk toegenomen: van 8 procent in 2014 naar 13 procent in 2024. Bij mannen van die leeftijd nam dit toe van 21 naar 23 procent.

Zeventigers

Ook bij mensen van 70 tot 80 jaar steeg het aandeel met een LAT-relatie tussen 2014 en 2024: bij mannen wat sterker dan bij vrouwen. Deze stijgingen moeten wel met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd, omdat ze door het betrekkelijk kleine aantal waarnemingen statistisch niet significant zijn. 

De verschuivingen in de relatiestatus van zeventigers tussen 2014 en 2024 betreffen vooral het aandeel dat een partner heeft. Bij vrouwen is dit aandeel toegenomen van 56 naar 60 procent, en bij mannen juist afgenomen van 83 naar 79 procent. Mannen van 70 tot 80 jaar hebben dus nog steeds aanzienlijk vaker een partner dan vrouwen van die leeftijd, maar de verschillen zijn kleiner geworden. Dit houdt verband met ontwikkelingen in de levensverwachting. Deze is weliswaar nog steeds hoger bij vrouwen, maar het verschil met mannen is kleiner geworden doordat de levensverwachting in de afgelopen periode bij mannen sterker is gestegen (CBS StatLine, 2025b). Het gevolg hiervan is dat binnen de leeftijdsgroep van 70 tot 80 jaar vooral vrouwen hun partner door overlijden minder vaak verliezen dan tien jaar geleden (figuur 3.3.3). Bij mannen is de afgenomen verweduwing minder sterk dan de toename van het aandeel dat gescheiden is en daarom is het aandeel mannen met een partner gedaald.

3.3.3. Burgerlijke staat van 70- tot 80-jarigen
   Ongehuwd (%)Gehuwd (%)Verweduwd (%)Gescheiden (%)
Vrouwen20144,554,23110,3
Vrouwen20245,857,223,213,8
Mannen20145,376,99,78,1
Mannen20247,472,4911,1

Als we alleen kijken naar de alleenstaande zeventigers, blijkt dat het aandeel met een vaste partner buitenshuis is toegenomen tussen 2014 en 2024. Bij vrouwen nam dit toe van minder dan 4 procent naar ruim 5 procent en bij mannen van 11 naar 15 procent.

3.3.4. Relatiestatus van 70- tot 80-jarigen
   Single (%)LAT-relatie (%)Woont samen met partner (%)
Vrouwen201443,91,854,3
Vrouwen202440,32,357,4
Mannen2014172,180,9
Mannen202420,83,775,5

3.4 Welke alleenstaanden hebben een LAT-relatie?

Nu is vastgesteld welk deel van de vrouwen en mannen van 60 jaar of ouder een LAT-relatie heeft en hoe dit is veranderd tussen 2014 en 2024, wordt nader onderzocht welke kenmerken van de alleenstaande 60-plussers samenhangen met de kans dat zij een partner buiten het huishouden hebben. 

Voor de onafhankelijke variabelen die in de multivariate modellen voor vrouwen en/of mannen significant samenhangen met de kans op een LAT-relatie, wordt beschreven hoe deze samenhang eruitziet. 

Burgerlijke staat

Aansluitend bij de vorige twee paragrafen blijkt ook uit de modellen dat de kans dat alleenstaanden een LAT-relatie hebben, afneemt met de leeftijd en gedurende de onderzoeksperiode (voor vrouwen) wat groter is geworden. Als eerste valt daarnaast op dat er een verband is tussen de burgerlijke staat van alleenstaande ouderen en de kans dat zij een LAT-relatie hebben, maar dat dit verband voor vrouwen en mannen verschillend is. Bij vrouwen zijn het vooral degenen die gescheiden zijn of nooit gehuwd zijn geweest, die het vaakst een LAT-relatie hebben. Verweduwde vrouwen zijn veel vaker single. Zo had bijna 8 procent van de gescheiden vrouwen een LAT-relatie, tegenover minder dan 2 procent van de verweduwde vrouwen. 

Bovendien blijven de verschillen bestaan, als rekening wordt gehouden met de duur na de scheiding of de verweduwing. Dit wijst erop dat vrouwen van 60 jaar of ouder die alleen kwamen te staan door het overlijden van hun partner, minder graag opnieuw een vaste relatie aangingen dan vrouwen die door een scheiding alleenstaand werden. Mogelijk heeft dit er ook mee te maken dat in sommige gevallen juist de nieuwe LAT-partner de reden is geweest voor de scheiding. Zo kwam uit een onderzoek in 2008 en 2013 naar voren dat 18 procent van de vrouwen als belangrijke reden voor de scheiding aangaf dat er iemand anders in het spel was (CBS Statline, 2014).

Bij alleenstaande mannen van 60 jaar of ouder zijn het eveneens degenen die gescheiden zijn, die het vaakst aangeven een LAT-relatie te hebben. Het verschil met vrouwen is dat verweduwde mannen ook betrekkelijk vaak een LAT-relatie hebben. Bij mannen zijn het juist degenen die nooit gehuwd zijn geweest, die het minst vaak aangeven een vaste partner buitenshuis te hebben. Dit patroon wijst erop dat het vooral de mannen zijn die ooit gehuwd waren en alleen zijn komen te staan, daarna aan een LAT-relatie beginnen en dat het daarbij niet zo veel verschil maakt of het huwelijk eindigde door een scheiding of door het overlijden van de partner.

3.4.1. Alleenstaande 60-plussers met een LAT-relatie, naar burgerlijke staat, 2014-2024
 Gescheiden (%)Verweduwd (%)Nooit gehuwd geweest (%)
Vrouwen7,81,56,3
Mannen17,813,38,3

Sociaaleconomische positie

Het opleidingsniveau van alleenstaande 60-plussers houdt eveneens sterk verband met de kans dat zij een LAT-relatie hebben. Zowel voor vrouwen als voor mannen geldt dat het vooral degenen met een hbo- of wo-diploma zijn die het vaakst aangeven een LAT-relatie te hebben. Zo had bijna 11 procent van de alleenstaande vrouwen met een hbo- of wo-diploma een LAT-relatie, tegenover 2 tot 3 procent van degenen zonder een dergelijk diploma. Ook bij alleenstaande mannen zijn de verschillen naar opleidingsniveau groot: 22 procent van de mannen met een hbo- of wo-diploma gaf aan een LAT-relatie te hebben, tegenover 8 procent van degenen zonder een hbo- of wo-diploma.

3.4.2. Alleenstaande 60-plussers met een LAT-relatie, naar opleidingsniveau, 2014-2024
 Basisonderwijs, vmbo, mbo 1 (%)Mbo 2-4, havo, vwo (%)Hbo, wo (%)
Vrouwen2,32,710,5
Mannen8,114,122,2

Als rekening wordt gehouden met het opleidingsniveau en de andere in het model opgenomen kenmerken, speelt het (huishoudens)inkomen van alleenstaande mannen van 60 jaar of ouder geen rol in wie wel of geen LAT-relatie heeft. Dit staat in tegenstelling tot de waarschijnlijkheid dat mannen van die leeftijd samenwonen met een partner: die is wel groter bij degenen met hogere inkomens.

Bij alleenstaande vrouwen is er wel een significant verband tussen het (huishoudens)inkomen en de waarschijnlijkheid van een LAT-relatie. Het zijn vooral de vrouwen met hogere inkomens die een LAT-relatie hebben. Zo heeft 7 procent van de alleenstaande vrouwen met een inkomen boven de mediaan een LAT-relatie, tegenover 2 procent van de degenen met een inkomen lager dan de mediaan. Mogelijk maakt een hoger inkomen het voor  vrouwen boven de zestig beter mogelijk om apart te blijven wonen van de partner, terwijl vrouwen met lagere inkomens eerder de economische voordelen van samenwonen met een partner benutten. Dit is met de gebruikte data echter niet vast te stellen.

Gezondheid

Voor vrouwen geldt daarnaast dat het vooral degenen met een goede gezondheid zijn die een LAT-relatie hebben, en degenen met een mindere gezondheid zijn vaker zonder partner. Zo had bijna 6 procent van de alleenstaande vrouwen die hun algemene gezondheid als goed of zeer goed typeerden, een LAT-relatie, tegenover 2 procent van de vrouwen met een minder goede gezondheid. Bij mannen hebben degenen die zich gezond voelen, ook vaker een LAT-relatie, maar dit verschil is niet significant, als ook rekening wordt gehouden met de andere in het model opgenomen factoren. Voor vrouwen lijkt gezondheid daarmee een belangrijkere factor dan voor mannen als het gaat om wie single is of een LAT-relatie heeft. De gebruikte data zijn niet geschikt om mogelijke verklaringen voor dit verschil te toetsen. De gezondheid van een partner zou voor mannen belangrijker kunnen zijn dan voor vrouwen.

3.4.3. Alleenstaande 60-plussers met een LAT-relatie, naar ervaren gezondheid, 2014-2024
 (Zeer) goed (%)Minder dan goed (%)
Vrouwen5,62,1
Mannen14,712,3

4. Conclusie

In dit artikel is onderzocht hoe vaak LAT-relaties voorkomen bij mensen van 60 tot 80 jaar, afgezet tegen het aandeel dat geen vaste partner heeft en het aandeel dat met een vaste partner samenwoont. Tot dusverre had onderzoek naar LAT-relaties in Nederland zich enkel gericht op mensen tot 60 jaar, maar een nieuwe bron (de enquête Sociale Samenhang en Welzijn) geeft ook inzicht in het aandeel 60- tot 80-jarigen dat een vaste partner buiten het huishouden heeft. Er is gekeken naar de periode 2014-2024.

De relatiestatus van zestigers komt behoorlijk overeen met die van vijftigers. Zo had in 2024 5 procent van de zestigers een LAT-relatie. Meer dan twee derde van de zestigers woonde samen met een partner en bijna een kwart was alleenstaand en had ook geen partner buitenshuis. Dat betekent dus dat 18 procent van de zestigers die zonder partner woonde, wel een vaste relatie buiten het huishouden had. In die leeftijdsgroep wonen mannen vaker met een partner en geven daarnaast vaker aan een LAT-relatie te hebben. Vrouwen van deze leeftijd wonen vaker alleenstaand en zijn single. 

Een leeftijdsgroep hoger, bij mensen van 70 tot 80 jaar, woont een kleiner deel met een partner, omdat de partner al vaker is overleden (verweduwing). Ook LAT-relaties komen in die leeftijdsgroep duidelijk minder vaak voor dan bij zestigers. Van de zeventigers had 3 procent een LAT-relatie (9 procent van degenen die alleen wonen). Ook in deze leeftijdsgroep geven mannen aanzienlijk vaker dan vrouwen aan een vaste partner buiten het huishouden te hebben.

Vergeleken met 2014 hebben ouderen in 2024 vaker een LAT-relatie. Dit geldt vooral voor zestigers en in mindere mate voor zeventigers. Zestigers in 2024 wonen door het toegenomen aantal scheidingen minder vaak met een partner dan de zestigers van 2014 en daarnaast hebben degenen die zonder partner wonen, vaker een partner buiten het huishouden. Ook bij zeventigers is het aandeel dat alleen woont, maar wel een vaste partner buitenshuis heeft, wat toegenomen. Bij deze leeftijdsgroep valt daarnaast op dat vrouwen vaker dan in 2014 op die leeftijd nog samenwonen met een partner, doordat zij minder vaak alleen kwamen te staan door verweduwing.

Daarnaast is onderzocht welke 60-plussers die alleen wonen, het vaakst een partner buiten het huishouden hebben. Uit die analyse blijkt dat een LAT-relatie hebben vooral een fenomeen is onder degenen met een hbo- of wo-opleiding. Deze bevinding is in lijn met eerder onderzoek naar LAT-relaties bij mensen tot 60 jaar en bij het algemene patroon dat mensen met een hbo- of wo-opleiding vaak voorlopers zijn als het gaat om nieuw sociaal-demografisch gedrag. Daarnaast bleken LAT-relaties veel voor te komen bij 60-plussers met een goede gezondheid, al geldt dit laatste voornamelijk voor vrouwen. Dit betekent dat het vooral de alleenstaande 60-plussers in relatief slechte gezondheid zijn die ook geen partner buiten het huishouden hebben op wie zij eventueel kunnen rekenen voor hulp of steun. 

Bij alleenwonende vrouwen zijn het vooral degenen die eerder gescheiden zijn of nooit getrouwd zijn geweest, die betrekkelijk vaak een LAT-relatie hebben. Vrouwen van wie de partner is overleden, hebben aanzienlijk minder vaak een LAT-relatie. Bij mannen is dat anders: verweduwde mannen hebben net als gescheiden mannen juist betrekkelijk vaak een LAT-relatie. En mannen die nooit getrouwd zijn geweest, hebben het minst vaak een partner buiten het huishouden. Met het oog op het ontvangen van mantelzorg kan die laatste groep als kwetsbaarder worden gezien omdat zij in de meeste gevallen ook geen kinderen hebben op wie zij kunnen terugvallen.

Hoewel dit onderzoek inzicht biedt in de mate waarin alleenstaande 60-plussers LAT-relaties hebben en welke 60-plussers dit vooral zijn, geeft het geen informatie over de redenen die zij hebben om te kiezen voor een LAT-relatie en of degenen met een LAT-relatie dit vooral zien als opmaat naar eventueel samenwonen of als een gewenste relatievorm. Eerder onderzoek onder mensen tot 60 jaar met een LAT-relatie liet zien dat vooral de 50- tot 60-jarigen in de toekomst apart wilden blijven wonen, vrouwen vaker dan mannen (Otten en Te Riele, 2015). Het is aannemelijk dat dit nog sterker geldt voor 60-plussers. Toekomstig onderzoek zou dat kunnen uitwijzen en zou zich kunnen richten op de vraag wat beweegredenen zijn om apart te blijven wonen of juist te gaan samenwonen. Daarnaast zou toekomstig onderzoek meer inzicht kunnen verschaffen in hoe de praktijk van LAT-relaties bij 60-plussers er in Nederland uitziet: hoe vaak zien de partners elkaar, hoe ver wonen zij uit elkaar en hoe verhoudt de stabiliteit zich tot die van samenwoonrelaties en huwelijken?

Literatuur

CBS (2015). Relatie hoeft niet meer voor helft 50-plus vrouwen.

CBS (2024). Hoe veel mensen wonen alleen? Nederland in Cijfers.

CBS (z.d.-a), korte onderzoeksbeschrijving Huishoudensstatistiek.

CBS (z.d.-b), korte onderzoeksbeschrijving Sociale samenhang en welzijn.

CBS Statline (2014). Scheiden; belangrijke redenen, geslacht, 2008-2013

CBS Statline (2025). Huishoudens; personen naar geslacht, leeftijd en regio, 1 januari.

CBS Statline (2025b). Levensverwachting; geslacht, leeftijd (per jaar en periode van vijf jaren)

CBS Statline (2025c). Personen in huishoudens naar leeftijd en geslacht, 1 januari

CBS Statline (2026). Huwen; huwelijkssluitingen en huwende personen naar diverse kenmerken.

Jong-Gierveld, J. de (2004). Remarriage, Unmarried Cohabitation, Living Apart Together: Partner Relationships Following Bereavement or Divorce, Journal of Marriage and Family 66: 236–243.

Kooiman, N. (2022). Trends in (echt)scheidingen. Statistische Trends, Centraal Bureau voor de Statistiek. 

Latten, J. (2004). Trends in samenwonen en trouwen. De schone schijn van burgerlijke staat. Bevolkingstrends, 52 (4), 46–60.

Lesthaeghe, R. (2010). The unfolding story of the Second Demographic Transition. Population and Development Review, 36(2), 211-251. 

Liefbroer, Aart C, Poortman, Anne-Rigt, & Seltzer, Judith A. (2015). Why do intimate partners live apart? Evidence on LAT relationships across Europe. Demographic Research, 32, 251-286.

Otten, K. en Riele, S. te (2015). Latrelaties in Nederland. Bevolkingstrends, 14, 1-25, Centraal Bureau voor de Statistiek.

Solinge, H. van en Mandemakers, J. (2025). “Inmiddels hebben meer dan 1 miljoen Nederlanders een LAT-relatie. Is dit een keuze, of noodzaak?”, Me Judice, 24 februari 2025.

Stoeldraijer, L., Duin, C. van, Feijten, P., Fang, C. en Kooiman, N. (2024). Huishoudensprognose 2024-2070: bijna 10 miljoen huishoudens verwacht in 2070. Statistische Trends, Centraal Bureau voor de Statistiek. 

Bijlage 1

B1. Afleiding relatiestatus: vergelijking met andere bronnen

In hoofdstuk 2.1 is beschreven hoe in dit onderzoek de relatiestatus is afgeleid. Om te achterhalen of de schattingen van LAT-relaties op basis van de enquête Sociale Samenhang en Welzijn (SOCSAM) overeenkomen met die uit eerder gebruikte vragenlijstonderzoeken zijn twee vergelijkingen gemaakt. Ten eerste is het antwoordpatroon van respondenten van SOCSAM (2014) vergeleken met dat van respondenten uit het Onderzoek Gezinsvorming (OG, 2013). In het OG is aan respondenten gevraagd of zij een vaste relatie hebben binnen of buiten het huishouden. Respondenten konden hierbij ook onderscheid maken tussen homo- en heterorelaties.

Voor een zo zuiver mogelijke vergelijking is alleen gekeken naar personen die aangaven als alleenstaande of als alleenstaande ouder te wonen. De resultaten van de vergelijking staan voor verschillende leeftijdsgroepen weergegeven in tabel B1.1. In het algemeen komen de schattingen van beide enquêtes goed overeen. De verschillen zijn voor alle vier de onderscheiden leeftijdsgroepen maximaal 3 procentpunten en de schattingen op basis van het OG vallen binnen de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van de schattingen op basis van SOCSAM. 

B1.1 Alleenstaande respondenten1) met een LAT-relatie, gewogen cijfers (% van leeftijdsgroep)
18 tot
30 jaar
30 tot
40 jaar
40 tot
50 jaar
50 tot
65 jaar
OG-201337,42625,719,7
SOCSAM-201440,624,72722,1
SOCSAM-2014: 95%-betrouwbaarheidsinterval34,3 – 47,218,7 – 31,821,9 – 32,818,2 – 26,6
1)  Alleenstaand of alleenstaande ouder.

Vervolgens zijn de schattingen van Van Solinge en Mandemakers (2025) op basis van de GGS-2022/2023 naast die van SOCSAM-2024 gelegd. Ook uit deze vergelijking komt naar voren dat de schattingen voor alle vier de onderscheiden leeftijdsgroepen goed overeenkomen. Bij de 45- tot 60-jarigen komt het percentage mensen met een LAT-relatie zelfs tot op 1 decimaal nauwkeurig overeen. Bij de 25- tot 35-jarigen en bij de 35- tot 45-jarigen is het verschil tussen beide bronnen slechts enkele tienden van een procentpunt, ruim binnen het 95%-betrouwbaarheidsinterval. Alleen bij de jongste groep (18 tot 25 jaar) is het verschil met ruim 3 procentpunt wat groter, maar ook dit valt nog net binnen het 95%-betrouwbaarheidsinterval. Kortom, de vergelijkingen van SOCSAM met zowel OG-2013 als GGS-2022/2023 geven voldoende aanleiding om erop te vertrouwen dat SOCSAM een geschikte bron is om LAT-relaties mee af te leiden.

B1.2 Respondenten1) met een LAT-relatie, gewogen cijfers (% van leeftijdsgroep)
18 tot 30 jaar30 tot
40 jaar
40 tot
50 jaar
50 tot
65 jaar
GGS-2022/202328,911,15,75,6
SOCSAM-202425,211,75,35,6
SOCSAM-2024: 95%-betrouwbaarheidsinterval21,9–28,99,7-14,04,0-7,04,5-6,9

1)  Alleenstaand of alleenstaande ouder.

Bijlage 2

B2. Uitkomsten van logistische regressie

Het hebben van een LAT-relatie is geanalyseerd met een logistisch regressiemodel. In een logistisch model wordt de kans op een binaire uitkomstvariabele gemodelleerd als een functie van een aantal verklarende variabelen. De basisvorm van het model is:

$$logit(P(LAT_{i}) = 1)) = \beta_{0} + \sum_{_{k=1}}^{K}{\beta_{k}}X_{ki}$$

Het model schat de kans dat individu i een LAT-relatie heeft als functie van een aantal achtergrondkenmerken. De afhankelijke variabele LATi neemt de waarde 1 aan wanneer een respondent een LAT-relatie heeft en 0 wanneer dat niet het geval is. De variabelen Xki representeren de onafhankelijke variabelen in het model, namelijk het interviewjaar, de leeftijd, de burgerlijke staat, de kerkelijke gezindte, het gestandaardiseerde huishoudensinkomen, het hoogst behaalde opleidingsniveau, de ervaren gezondheid en de stedelijkheid van de woongemeente. De parameters βk geven aan hoe deze kenmerken samenhangen met de log-odds van het hebben van een LAT-relatie. De modellen zijn afzonderlijk geschat voor mannen en vrouwen onder alleenstaande 60-plussers. Personen met “gehuwd” als burgerlijke staat zijn buiten beschouwing gelaten. Dat betrof 5 procent van de 60-plussers die niet met een partner woonden.

Voor vrouwen blijkt dat de waarschijnlijkheid van een LAT-relatie significant hoger is:

  • in 2021 en 2024 dan in 2014;
  • bij gescheiden vrouwen dan bij verweduwde vrouwen;
  • bij vrouwen met een hoog inkomen;
  • bij vrouwen met een goede algemene gezondheid.

B2.1 Logistische regressie van de kans dat vrouwen van 60 jaar of
ouder die zonder partner wonen, een LAT-relatie hebben1)
β-coëfficiëntStandaardfoutp-waarde
Constante1,6951,5620,278
Jaar van interview (ref = 2014)0,5020,4830,298
Jaar van interview (ref = 2014)20181,139*0,4530,012
Jaar van interview (ref = 2014)20211,058*0,4470,018
Burgerlijke staat (ref = Gescheiden)Verweduwd-1,055*0,3350,002
Burgerlijke staat (ref = Gescheiden)Nooit gehuwd geweest-0,4240,3490,224
Stedelijkheid van de woongemeente
(ref = Zeer sterk stedelijk)
Sterk stedelijk0,2470,3520,483
Stedelijkheid van de woongemeente
(ref = Zeer sterk stedelijk)
Matig stedelijk0,3510,4130,395
Stedelijkheid van de woongemeente
(ref = Zeer sterk stedelijk)
Weinig stedelijk0,2070,4210,623
Stedelijkheid van de woongemeente
(ref = Zeer sterk stedelijk)
Niet stedelijk0,2010,6200,745
Heeft een kerkelijke gezindte
(ref = Nee)
Ja-0,3960,2710,144
Gestandaardiseerd huishoudensinkomen
(ref = Laag)
Hoog0,719*0,2870,012
Hoogst behaalde opleidingsniveau
(ref = Basisonderwijs, vmbo)
Mbo, havo, vwo-0,6090,3970,124
Hoogst behaalde opleidingsniveau
(ref = Basisonderwijs, vmbo)
Hbo, wo0,5150,3240,111
Algemene gezondheid (ref = (Zeer) goed)Minder dan goed0,617*0,2980,038
1) Observaties: 1652, Pseudo-R2: 0,195
* p < 0,05

Voor mannen blijkt dat de waarschijnlijkheid van een LAT-relatie significant hoger is:

  • bij gescheiden en verweduwde mannen dan bij nooit gehuwde mannen;
  • bij mannen met een hbo- of wo-diploma.

B2.2 Logistische regressie van de kans dat mannen van 60 jaar of
ouder die zonder partner wonen een LAT-relatie hebben1)
β-coëfficiëntStandaardfoutp-waarde
Constante0,5721,0570,588
Jaar van interview (ref = 2014)2018-0,0420,3120,894
Jaar van interview (ref = 2014)20210,2490,3020,410
Jaar van interview (ref = 2014)20240,4750,2920,104
Burgerlijke staat (ref = Gescheiden)Verweduwd0,0820,2480,742
Burgerlijke staat (ref = Gescheiden)Nooit gehuwd geweest-0,944*0,2770,001
Stedelijkheid van de woongemeente
(ref = Zeer sterk stedelijk)
Sterk stedelijk0,1500,2600,565
Stedelijkheid van de woongemeente
(ref = Zeer sterk stedelijk)
Matig stedelijk-0,2600,3390,443
Stedelijkheid van de woongemeente
(ref = Zeer sterk stedelijk)
Weinig stedelijk-0,2690,3000,370
Stedelijkheid van de woongemeente
(ref = Zeer sterk stedelijk)
Niet stedelijk-0,0190,4250,964
Heeft een kerkelijke gezindte
(ref = Nee)
Ja-0,0490,2020,807
Gestandaardiseerd huishoudensinkomen
(ref = Laag)
Hoog0,1720,2130,420
Hoogst behaalde opleidingsniveau
(ref = Basisonderwijs, vmbo)
Mbo, havo, vwo0,4560,2530,071
Hoogst behaalde opleidingsniveau
(ref = Basisonderwijs, vmbo)
Hbo, wo0,970*0,2660,000
Algemene gezondheid (ref = (Zeer) goed)Minder dan goed0,0920,1980,642
1) Observaties: 928, Pseudo-R2: 0,067
* p < 0,05