Auteur(s): Niels Kooiman en Pleun Lagerberg
LAT-relaties bij 60-plussers

3. Resultaten

3.1 Relatiestatus van 60-plussers

De relatiestatus van zestigers (60 tot 70 jaar) lijkt betrekkelijk veel op die vijftigers (50 tot 60 jaar). In 2024 woonde 70 procent van de zestigers samen met een partner. Dat is bijna net zo veel als bij vijftigers. Mannen van 60 tot 70 jaar wonen wat vaker (73 procent) samen met een partner dan vrouwen (68 procent). Hierbij speelt mee dat vrouwen op die leeftijd al wat vaker verweduwd zijn dan mannen. Daarnaast is uit eerder onderzoek bekend dat single vrouwen van 50 jaar of ouder minder vaak dan mannen een relatie zouden willen (CBS, 2015). Ruim 5 procent van de zestigers heeft een vaste partner buiten het huishouden, oftewel een LAT-relatie. 

Er bestaat wel een verschil tussen mannen en vrouwen. Van de vrouwen van 60 tot 70 jaar gaf 4 procent aan een LAT-relatie te hebben, van de mannen 6 procent. Binnen de groep die zonder partner woont, is het verschil in LAT-relaties tussen vrouwen en mannen nog groter. Van de alleenstaande vrouwen van 60 tot 70 jaar gaf 13 procent aan een vaste partner buitenshuis te hebben, en van de mannen was dit 23 procent.

3.1.1. Relatiestatus, 2024
   Single (%)LAT-relatie (%)Woont samen met partner (%)
Totaal50 tot 60 jaar23,85,570,7
Totaal60 tot 70 jaar24,45,270,4
Totaal70 tot 80 jaar31366
Vrouwen50 tot 60 jaar265,568,5
Vrouwen60 tot 70 jaar28,24,367,5
Vrouwen70 tot 80 jaar40,32,357,4
Mannen50 tot 60 jaar21,65,572,8
Mannen60 tot 70 jaar20,66,173,4
Mannen70 tot 80 jaar20,83,775,5

Bij mensen van 70 tot 80 jaar komt verweduwing aanzienlijk meer voor en dit treft vrouwen vaker dan mannen. Hierdoor wonen vrouwen van 70 tot 80 jaar minder vaak samen met een partner (57 procent) dan mannen van die leeftijd (76 procent). Zeventigers hebben ook minder vaak een LAT-relatie dan zestigers. Van de vrouwen van 70 tot 80 jaar gaf ruim 2 procent aan een vaste partner buitenshuis te hebben, en 40 procent had geen vaste partner. Bij mannen van die leeftijd gaf bijna 4 procent aan een LAT-relatie te hebben, terwijl 21 procent geen vaste partner had. Ook bij zeventigers geldt dus dat alleenstaande mannen (15 procent) aanzienlijk vaker dan alleenstaande vrouwen (5 procent) aangeven wel een vaste partner buiten het huishouden te hebben.

Het verschil tussen mannen en vrouwen kan voortkomen uit het leeftijdsverschil tussen partners. Bij stellen van een man en een vrouw is de man gemiddeld enkele jaren ouder dan de vrouw (CBS Statline, 2026). Met de gebruikte data is het niet mogelijk om dit vast te stellen, omdat informatie over de partner ontbreekt. 

3.2 Burgerlijke staat van 60-plussers met een LAT-relatie

Van degenen die niet samenwonen met hun partner, is onderzocht wat hun burgerlijke staat was ten tijde van de enquête. Hieruit komt naar voren dat deze sterk afhangt van de leeftijd. Mensen uit de oudste onderscheiden groep zijn relatief vaak verweduwd. Dit geldt voor ruim een derde van de mensen van 70 tot 80 jaar die een partner buiten het huishouden hebben. Van de zestigers met een LAT-relatie is 13 procent verweduwd, van de vijftigers 5 procent. Vijftigers met een LAT-relatie zijn daarentegen relatief vaak gescheiden of nooit gehuwd geweest.  

Opvallend is dat ruim een kwart van de zestigers en zeventigers met een LAT-relatie getrouwd was ten tijde van de enquête. Verreweg de meesten van hen waren al tien jaar of langer getrouwd. Van de zestigers was 22 procent van degenen die niet met hun partner samenwoonden, al minstens tien jaar getrouwd. Van de zeventigers was dit 26 procent. 

Met de gebruikte data is het niet mogelijk om te bepalen of de LAT-partner van de respondent dezelfde persoon is als degene met wie de respondent is getrouwd. Het is mogelijk dat de respondent al wel van tafel en bed gescheiden is van de huwelijkspartner, maar dat het huwelijk nog niet officieel is ontbonden en dat de persoon al wel een andere vaste partner heeft buiten het huishouden. Het is ook mogelijk dat de vaste partner buiten het huishouden dezelfde persoon is als de huwelijkspartner en dat beide huwelijkspartners ervoor gekozen hebben om niet met elkaar samen te wonen. Een derde mogelijkheid is dat de huwelijkspartner van de respondent noodgedwongen buitenshuis is gaan wonen, bijvoorbeeld in een instelling vanwege gezondheidsredenen. Het is aannemelijk dat deze laatste situatie vooral van toepassing is op de oudere leeftijdsgroepen, aangezien het aandeel instellingbewoners met de leeftijd toeneemt. Ongeveer 1 procent van de mensen van 50 tot 60 jaar en van 60 tot 70 jaar en 2 procent van de mensen van 70 tot 80 jaar woonde op 1 januari 2025 in een institutioneel huishouden (CBS StatLine, 2025c).

3.2.1. Burgerlijke staat van mensen die niet samenwonen met hun partner, 2014-2024
 Gehuwd, korter dan 10 jaar (%)Gehuwd, 10 jaar of langer (%)Gescheiden (%)Verweduwd (%)Nooit gehuwd geweest (%)
50 tot 60 jaar3,710,154,15,226,9
60 tot 70 jaar4,622,440,71319,2
70 tot 80 jaar1,326,334,134,24,2
Gehuwd is inclusief geregistreerde partnerschappen.

3.3 Aandeel LAT-relaties bij 60-plussers 

Het aandeel zestigers met een LAT-relatie is tussen 2014 en 2024 toegenomen, zowel bij mannen als bij vrouwen. Bij vrouwen van 60 tot 70 jaar steeg het van 2 naar 4 procent, bij mannen van 4 naar 6 procent. 

De ontwikkeling van het aandeel ouderen met een LAT-relatie hangt af van twee demografische en maatschappelijke veranderingen: die in het aandeel ouderen dat een partner heeft (relatievorming) en die in het aandeel ouderen met een partner dat voor een LAT-relatie kiest (Van Solinge en Mandemakers, 2025). 

Zestigers

Bij mensen van 60 tot 70 jaar is de belangrijkste verandering dat het aandeel zonder partner tussen 2014 en 2024 is toegenomen, zowel bij mannen als bij vrouwen. Bij vrouwen daalde het aandeel met een vaste partner van 75 naar 72 procent, en bij mannen van 83 naar 80 procent. Dit komt ook tot uiting in de veranderde burgerlijke staat van de huidige zestigers in vergelijking met de zestigers uit 2014: in 2024 is een groter deel van de zestigers gescheiden of nooit gehuwd geweest (zie figuur 3.3.1). Het toegenomen aandeel gescheiden zestigers houdt verband met de stijging van het aantal echtscheidingen in de afgelopen decennia (Kooiman, 2022). De daling van het aandeel verweduwden – een gevolg van de gestegen levensverwachting – dempt de afname van het aandeel zestigers met een vaste partner.

3.3.1. Burgerlijke staat van 60- tot 70-jarigen
   Ongehuwd (%)Gehuwd (%)Verweduwd (%)Gescheiden (%)
Vrouwen2014668,711,114,1
Vrouwen202411,463,57,917,3
Mannen20148,675,73,911,7
Mannen202415,267,1314,8
Bron: CBS, Bevolkingsstatistiek

Daarnaast nam het aandeel zestigers met een LAT-relatie toe, doordat degenen met een vaste partner minder vaak met deze persoon samenwoonden. In 2014 woonde 96 procent van de zestigers met een vaste partner samen, terwijl dat in 2024 voor 93 procent gold. 

3.3.2. Relatiestatus van 60- tot 70-jarigen
   Single (%)LAT-relatie (%)Woont samen met partner (%)
Vrouwen201424,8273,2
Vrouwen202428,24,367,5
Mannen201417,14,678,4
Mannen202420,66,173,4

Tot slot is het van belang te bekijken welk deel van de zestigers die niet samenwonen, wel een LAT-relatie heeft. Dit is bij vrouwen van 60 tot 70 jaar sterk toegenomen: van 8 procent in 2014 naar 13 procent in 2024. Bij mannen van die leeftijd nam dit toe van 21 naar 23 procent.

Zeventigers

Ook bij mensen van 70 tot 80 jaar steeg het aandeel met een LAT-relatie tussen 2014 en 2024: bij mannen wat sterker dan bij vrouwen. Deze stijgingen moeten wel met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd, omdat ze door het betrekkelijk kleine aantal waarnemingen statistisch niet significant zijn. 

De verschuivingen in de relatiestatus van zeventigers tussen 2014 en 2024 betreffen vooral het aandeel dat een partner heeft. Bij vrouwen is dit aandeel toegenomen van 56 naar 60 procent, en bij mannen juist afgenomen van 83 naar 79 procent. Mannen van 70 tot 80 jaar hebben dus nog steeds aanzienlijk vaker een partner dan vrouwen van die leeftijd, maar de verschillen zijn kleiner geworden. Dit houdt verband met ontwikkelingen in de levensverwachting. Deze is weliswaar nog steeds hoger bij vrouwen, maar het verschil met mannen is kleiner geworden doordat de levensverwachting in de afgelopen periode bij mannen sterker is gestegen (CBS StatLine, 2025b). Het gevolg hiervan is dat binnen de leeftijdsgroep van 70 tot 80 jaar vooral vrouwen hun partner door overlijden minder vaak verliezen dan tien jaar geleden (figuur 3.3.3). Bij mannen is de afgenomen verweduwing minder sterk dan de toename van het aandeel dat gescheiden is en daarom is het aandeel mannen met een partner gedaald.

3.3.3. Burgerlijke staat van 70- tot 80-jarigen
   Ongehuwd (%)Gehuwd (%)Verweduwd (%)Gescheiden (%)
Vrouwen20144,554,23110,3
Vrouwen20245,857,223,213,8
Mannen20145,376,99,78,1
Mannen20247,472,4911,1

Als we alleen kijken naar de alleenstaande zeventigers, blijkt dat het aandeel met een vaste partner buitenshuis is toegenomen tussen 2014 en 2024. Bij vrouwen nam dit toe van minder dan 4 procent naar ruim 5 procent en bij mannen van 11 naar 15 procent.

3.3.4. Relatiestatus van 70- tot 80-jarigen
   Single (%)LAT-relatie (%)Woont samen met partner (%)
Vrouwen201443,91,854,3
Vrouwen202440,32,357,4
Mannen2014172,180,9
Mannen202420,83,775,5

3.4 Welke alleenstaanden hebben een LAT-relatie?

Nu is vastgesteld welk deel van de vrouwen en mannen van 60 jaar of ouder een LAT-relatie heeft en hoe dit is veranderd tussen 2014 en 2024, wordt nader onderzocht welke kenmerken van de alleenstaande 60-plussers samenhangen met de kans dat zij een partner buiten het huishouden hebben. 

Voor de onafhankelijke variabelen die in de multivariate modellen voor vrouwen en/of mannen significant samenhangen met de kans op een LAT-relatie, wordt beschreven hoe deze samenhang eruitziet. 

Burgerlijke staat

Aansluitend bij de vorige twee paragrafen blijkt ook uit de modellen dat de kans dat alleenstaanden een LAT-relatie hebben, afneemt met de leeftijd en gedurende de onderzoeksperiode (voor vrouwen) wat groter is geworden. Als eerste valt daarnaast op dat er een verband is tussen de burgerlijke staat van alleenstaande ouderen en de kans dat zij een LAT-relatie hebben, maar dat dit verband voor vrouwen en mannen verschillend is. Bij vrouwen zijn het vooral degenen die gescheiden zijn of nooit gehuwd zijn geweest, die het vaakst een LAT-relatie hebben. Verweduwde vrouwen zijn veel vaker single. Zo had bijna 8 procent van de gescheiden vrouwen een LAT-relatie, tegenover minder dan 2 procent van de verweduwde vrouwen. 

Bovendien blijven de verschillen bestaan, als rekening wordt gehouden met de duur na de scheiding of de verweduwing. Dit wijst erop dat vrouwen van 60 jaar of ouder die alleen kwamen te staan door het overlijden van hun partner, minder graag opnieuw een vaste relatie aangingen dan vrouwen die door een scheiding alleenstaand werden. Mogelijk heeft dit er ook mee te maken dat in sommige gevallen juist de nieuwe LAT-partner de reden is geweest voor de scheiding. Zo kwam uit een onderzoek in 2008 en 2013 naar voren dat 18 procent van de vrouwen als belangrijke reden voor de scheiding aangaf dat er iemand anders in het spel was (CBS Statline, 2014).

Bij alleenstaande mannen van 60 jaar of ouder zijn het eveneens degenen die gescheiden zijn, die het vaakst aangeven een LAT-relatie te hebben. Het verschil met vrouwen is dat verweduwde mannen ook betrekkelijk vaak een LAT-relatie hebben. Bij mannen zijn het juist degenen die nooit gehuwd zijn geweest, die het minst vaak aangeven een vaste partner buitenshuis te hebben. Dit patroon wijst erop dat het vooral de mannen zijn die ooit gehuwd waren en alleen zijn komen te staan, daarna aan een LAT-relatie beginnen en dat het daarbij niet zo veel verschil maakt of het huwelijk eindigde door een scheiding of door het overlijden van de partner.

3.4.1. Alleenstaande 60-plussers met een LAT-relatie, naar burgerlijke staat, 2014-2024
 Gescheiden (%)Verweduwd (%)Nooit gehuwd geweest (%)
Vrouwen7,81,56,3
Mannen17,813,38,3

Sociaaleconomische positie

Het opleidingsniveau van alleenstaande 60-plussers houdt eveneens sterk verband met de kans dat zij een LAT-relatie hebben. Zowel voor vrouwen als voor mannen geldt dat het vooral degenen met een hbo- of wo-diploma zijn die het vaakst aangeven een LAT-relatie te hebben. Zo had bijna 11 procent van de alleenstaande vrouwen met een hbo- of wo-diploma een LAT-relatie, tegenover 2 tot 3 procent van degenen zonder een dergelijk diploma. Ook bij alleenstaande mannen zijn de verschillen naar opleidingsniveau groot: 22 procent van de mannen met een hbo- of wo-diploma gaf aan een LAT-relatie te hebben, tegenover 8 procent van degenen zonder een hbo- of wo-diploma.

3.4.2. Alleenstaande 60-plussers met een LAT-relatie, naar opleidingsniveau, 2014-2024
 Basisonderwijs, vmbo, mbo 1 (%)Mbo 2-4, havo, vwo (%)Hbo, wo (%)
Vrouwen2,32,710,5
Mannen8,114,122,2

Als rekening wordt gehouden met het opleidingsniveau en de andere in het model opgenomen kenmerken, speelt het (huishoudens)inkomen van alleenstaande mannen van 60 jaar of ouder geen rol in wie wel of geen LAT-relatie heeft. Dit staat in tegenstelling tot de waarschijnlijkheid dat mannen van die leeftijd samenwonen met een partner: die is wel groter bij degenen met hogere inkomens.

Bij alleenstaande vrouwen is er wel een significant verband tussen het (huishoudens)inkomen en de waarschijnlijkheid van een LAT-relatie. Het zijn vooral de vrouwen met hogere inkomens die een LAT-relatie hebben. Zo heeft 7 procent van de alleenstaande vrouwen met een inkomen boven de mediaan een LAT-relatie, tegenover 2 procent van de degenen met een inkomen lager dan de mediaan. Mogelijk maakt een hoger inkomen het voor  vrouwen boven de zestig beter mogelijk om apart te blijven wonen van de partner, terwijl vrouwen met lagere inkomens eerder de economische voordelen van samenwonen met een partner benutten. Dit is met de gebruikte data echter niet vast te stellen.

Gezondheid

Voor vrouwen geldt daarnaast dat het vooral degenen met een goede gezondheid zijn die een LAT-relatie hebben, en degenen met een mindere gezondheid zijn vaker zonder partner. Zo had bijna 6 procent van de alleenstaande vrouwen die hun algemene gezondheid als goed of zeer goed typeerden, een LAT-relatie, tegenover 2 procent van de vrouwen met een minder goede gezondheid. Bij mannen hebben degenen die zich gezond voelen, ook vaker een LAT-relatie, maar dit verschil is niet significant, als ook rekening wordt gehouden met de andere in het model opgenomen factoren. Voor vrouwen lijkt gezondheid daarmee een belangrijkere factor dan voor mannen als het gaat om wie single is of een LAT-relatie heeft. De gebruikte data zijn niet geschikt om mogelijke verklaringen voor dit verschil te toetsen. De gezondheid van een partner zou voor mannen belangrijker kunnen zijn dan voor vrouwen.

3.4.3. Alleenstaande 60-plussers met een LAT-relatie, naar ervaren gezondheid, 2014-2024
 (Zeer) goed (%)Minder dan goed (%)
Vrouwen5,62,1
Mannen14,712,3