Auteur(s): Niels Kooiman en Pleun Lagerberg
LAT-relaties bij 60-plussers

2. Data en methode

In dit artikel worden schattingen van het aandeel LAT-relaties gebaseerd op de enquête Sociale Samenhang en Welzijn (SSW) (CBS, z.d.-b), een vragenlijstonderzoek waaraan ook personen van 60 jaar en ouder meedoen en dat ook de mogelijkheid biedt om in kaart te brengen of mensen een vaste partner buiten het huishouden (LAT-relatie) hebben. SSW is opgezet om inzicht te bieden in de sociale, maatschappelijke en politieke participatie van de Nederlandse bevolking en in het vertrouwen dat mensen hebben in anderen en in instellingen. Het biedt geen aanvullende informatie over beweegredenen van mensen om te kiezen voor een LAT-relatie en over intenties om in de toekomst te gaan samenwonen. Aan de enquête doen jaarlijks ongeveer 7 500 mensen van 15 jaar of ouder mee, onder wie circa 1 800 60- tot 75-jarigen en 700 75-plussers. In dit onderzoek zijn de gegevens van 2014, 2018, 2021 en 2024 gebruikt. Er is een weging toegepast om te corrigeren voor verschillen tussen de totale bevolking en de samenstelling van de steekproef.

2.1 Afleiding relatiestatus

Het doel is om de relatiestatus van mensen te bepalen aan de hand van drie categorieën: 

  1. Zonder partner/single, 
  2. Samenwonend met partner en 
  3. LAT-relatie met partner. 

De relatiestatus kan worden afgeleid op basis van de enquête Sociale Samenhang en Welzijn (SOCSAM), die het CBS vanaf 2012 jaarlijks uitvoert. De wijze waarop de huishoudenssituatie wordt uitgevraagd, is echter door de jaren heen veranderd: in 2022 en in 2024 weer. Daarom is besloten om in dit onderzoek alleen de jaren 2014, 2018, 2021 en 2024 te gebruiken, zodat slechts twee verschillende uitvraagmethodes hoeven te worden samengevoegd.

Relatiestatus in de jaren 2012-2021

Tot en met 2021 werd de huishoudenssituatie uitgevraagd aan respondenten. Hiermee kan worden afgeleid of de respondent een partner in het huishouden heeft. De volgende mogelijke posities worden onderscheiden: 

  1. Alleenstaande, 
  2. Lid van een paar zonder kinderen, 
  3. Lid van een paar met kinderen, 
  4. Alleenstaande ouder, 
  5. Thuiswonend kind of 
  6. Overig. 

Ongeveer twee derde van de respondenten uit de jaren 2014, 2018 en 2021 gaf aan met een partner samen te wonen: zij waren lid van een paar zonder of met kinderen. Van de overige respondenten kan worden aangenomen dat zij niet met een partner samenwoonden. Aan hen werd vervolgens de vraag Partner gesteld: Heeft u op dit moment een vaste relatie? De mogelijke antwoorden hierbij waren “Ja”, “Nee” en “Weigert”. 

De relatiestatus is bepaald aan de hand van de combinatie van de huishoudenspositie en de partnerstatus. De respondenten die rapporteerden lid van een paar met of zonder kinderen te zijn, worden geclassificeerd als samenwonend met een partner. Respondenten met overige huishoudensposities (niet samenwonend met partner) die aangaven geen vaste relatie te hebben, worden geclassificeerd als zonder partner / single en degenen die aangaven wel een vaste relatie te hebben worden geclassificeerd als hebbende een LAT-relatie. Respondenten met overige huishoudensposities (niet samenwonend met een partner) die weigerden antwoord te geven op de vraag over een vaste relatie worden geclassificeerd als onbekend. Bij deze groep moet wel worden bedacht dat hun relatiestatus zonder partner / single of LAT-relatie zal zijn, omdat zij wel aangaven niet met een partner samen te wonen. Ruim 1 procent van het totale aantal respondenten en 4 procent van degenen zonder samenwoonpartner weigerde de vraag over een vaste relatie te beantwoorden.

Relatiestatus in 2024

Respondenten die deelnamen aan de enquête van 2024, kregen andere vragen over hun huishouden voorgelegd. Aan hen werd niet gevraagd zelf de huishoudenssamenstelling te rapporteren, zoals gebeurde in 2014, 2018 en 2021, maar werd de vraag Alleen gesteld: Woont u alleen of samen met anderen?  De antwoordcategorieën bij die vraag zijn “Alleen” en “Samen met anderen”. Met deze vraag is niet met zekerheid af te leiden of de respondent samenwoont met een partner, omdat de respondent ook uitsluitend kan samenwonen met personen die niet de partner zijn. Daarnaast werd, net als in de eerdere jaren, de vraag Partner gesteld: Heeft u op dit moment een vaste relatie? Aangezien de vragenlijst geen uitsluitsel biedt over de vraag of de respondent met een partner samenwoont, is de Partner-vraag in 2024 aan alle respondenten gesteld.

Ruim 1 procent van de respondenten weigerde om de vraag Partner te beantwoorden. Hun relatiestatus blijft onbekend. In 2014, 2018 en 2021 konden de respondenten met een onbekende relatiestatus in werkelijkheid enkel single of een LAT-relatie hebben. Doordat de Partner-vraag in 2024 aan iedereen is gesteld, kunnen de respondenten met een onbekende relatiestatus in dat jaar in werkelijkheid ook samenwonend met een partner zijn.

Voor de respondenten die wel hebben geantwoord, zijn vier antwoordcombinaties mogelijk bij de vragen Alleen en Partner:

  1. Er zijn respondenten die aangaven alleen te wonen en geen vaste relatie te hebben. Zij zijn als zonder partner / single geclassificeerd. 
  2. Er zijn respondenten die rapporteerden samen met anderen te wonen en geen vaste relatie te hebben. Ook zij zijn als zonder partner / single geclassificeerd. 
  3. Er zijn respondenten die aangaven alleen te wonen en een vaste relatie te hebben. Zij zijn als mensen met een LAT-relatie geclassificeerd. 
  4. Er zijn respondenten die rapporteerden met anderen samen te wonen en een vaste relatie te hebben. Van hen is niet met zekerheid vast te stellen of zij een partner binnen of buiten het huishouden hebben, omdat onbekend is of de vaste partner deel uitmaakt van de “anderen” met wie de respondent aangeeft samen te wonen. Met andere woorden: van deze respondenten is het onduidelijk of zij met een partner samenwonen of een LAT-relatie hebben.

Om dit onderscheid beter te kunnen maken wordt gebruik gemaakt van de variabele Plaats in het huishouden uit de huishoudensstatistiek (CBS, z.d.-a). Deze variabele verschilt van de variabele zoals gebruikt in 2014, 2018 en 2021 in de zin dat de plaats in het huishouden niet door de respondent zelf is gerapporteerd, maar is afgeleid uit geregistreerde gegevens over adresbewoning, huwelijken, partnerschappen en ouder-kind-relaties (BRP), bijstand (gemeenten) en fiscale partnerschappen en toeslagpartnerschappen (Belastingdienst). Op adressen waar de huishoudenssamenstelling niet eenduidig is af te leiden op basis van registerwaarnemingen, wordt deze geïmputeerd op basis van logistische regressiemodellen, gebaseerd op de Enquête Beroepsbevolking (EBB). 

Alle respondenten die vanuit de huishoudensstatistiek als partner in een paar zijn geclassificeerd, worden geïdentificeerd als samenwonend met een partner. Het is een optelling van de categorieën “partner in niet-gehuwd paar zonder kinderen”, “partner in gehuwd paar zonder kinderen”, “partner in niet-gehuwd paar met kinderen” en “partner in gehuwd paar met kinderen”. Samen betreft dit bijna 91 procent van alle respondenten die aangaven met anderen te wonen en een vaste partner te hebben. 

Daarnaast zijn er thuiswonende kinderen: 5 procent van degenen die met anderen wonen en een vaste relatie hebben. Van hen wordt aangenomen dat zij niet met hun partner bij hun ouders wonen en daarom worden zij als personen met een LAT-relatie geclassificeerd. Ruim 2 procent is volgens de huishoudensstatistiek alleenstaand, wat tegenstrijdig is aan de zelf-rapportage over de woonsituatie (met anderen). Van deze kleine groep is onduidelijk wat de huishoudenspositie is en daarom worden deze respondenten geclassificeerd als hebbende een onbekende relatiestatus. 

Ruim 1 procent van de respondenten die aangaven met anderen te wonen en een vaste partner te hebben is volgens de huishoudensstatistiek een ouder in een eenouderhuishouden. Bij deze groep respondenten wordt aangenomen dat zij op hun kinderen doelen als zij aangeven met anderen te wonen en dat zij zonder partner wonen. Daarom worden zij geclassificeerd als personen met een LAT-relatie. 

Tot slot is er een kleine groep respondenten die aangeven samen te wonen met anderen en een vaste relatie te hebben en in de huishoudensstatistiek worden geïdentificeerd als referentiepersoon in een overig huishouden, overig lid van een huishouden, lid van een institutioneel huishouden of onbekend. Van deze groep is niet duidelijk of zij met een partner wonen en dus worden deze respondenten geclassificeerd als personen met een onbekende relatiestatus.

Uit een vergelijking met andere bronnen waarmee LAT-relaties bij mensen tot 60 jaar zijn afgeleid, is gebleken dat de uitkomsten goed overeenkomen. Een beschrijving van deze vergelijking is opgenomen in de toelichting.

2.2 Logistische regressie

Om te onderzoeken welke kenmerken van alleenstaande 60-plussers samenhangen met de waarschijnlijkheid dat zij een LAT-relatie hebben, is voor vrouwen (N = 1 652) en mannen (N = 928) een apart multivariaat logistisch regressiemodel geschat met als afhankelijke variabele twee mogelijke waarden: single (0) of met een LAT-relatie (1). Hierbij is de samenhang met de volgende onafhankelijke variabelen onderzocht: 

  • het jaar van de enquête, 
  • de leeftijd in jaren, 
  • de burgerlijke staat, 
  • het opleidingsniveau, 
  • het gestandaardiseerde huishoudensinkomen, 
  • de godsdienstigheid, 
  • de ervaren algehele gezondheid en 
  • de stedelijkheid van de woongemeente. 

Respondenten van wie de burgerlijke staat “gehuwd” was, zijn buiten beschouwing gelaten, omdat voor hen een vaste partner buiten het huishouden mogelijk betekent dat zij geen LAT-relatie hebben, maar een partner die noodgedwongen in een instelling woont. Hierdoor werd 5 procent van de 60-plussers zonder samenwoonpartner uitgesloten.