Auteur(s): Niels Kooiman en Pleun Lagerberg
LAT-relaties bij 60-plussers

Bijlage 1

B1. Afleiding relatiestatus: vergelijking met andere bronnen

In hoofdstuk 2.1 is beschreven hoe in dit onderzoek de relatiestatus is afgeleid. Om te achterhalen of de schattingen van LAT-relaties op basis van de enquête Sociale Samenhang en Welzijn (SOCSAM) overeenkomen met die uit eerder gebruikte vragenlijstonderzoeken zijn twee vergelijkingen gemaakt. Ten eerste is het antwoordpatroon van respondenten van SOCSAM (2014) vergeleken met dat van respondenten uit het Onderzoek Gezinsvorming (OG, 2013). In het OG is aan respondenten gevraagd of zij een vaste relatie hebben binnen of buiten het huishouden. Respondenten konden hierbij ook onderscheid maken tussen homo- en heterorelaties.

Voor een zo zuiver mogelijke vergelijking is alleen gekeken naar personen die aangaven als alleenstaande of als alleenstaande ouder te wonen. De resultaten van de vergelijking staan voor verschillende leeftijdsgroepen weergegeven in tabel B1.1. In het algemeen komen de schattingen van beide enquêtes goed overeen. De verschillen zijn voor alle vier de onderscheiden leeftijdsgroepen maximaal 3 procentpunten en de schattingen op basis van het OG vallen binnen de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van de schattingen op basis van SOCSAM. 

B1.1 Alleenstaande respondenten1) met een LAT-relatie, gewogen cijfers (% van leeftijdsgroep)
18 tot
30 jaar
30 tot
40 jaar
40 tot
50 jaar
50 tot
65 jaar
OG-201337,42625,719,7
SOCSAM-201440,624,72722,1
SOCSAM-2014: 95%-betrouwbaarheidsinterval34,3 – 47,218,7 – 31,821,9 – 32,818,2 – 26,6
1)  Alleenstaand of alleenstaande ouder.

Vervolgens zijn de schattingen van Van Solinge en Mandemakers (2025) op basis van de GGS-2022/2023 naast die van SOCSAM-2024 gelegd. Ook uit deze vergelijking komt naar voren dat de schattingen voor alle vier de onderscheiden leeftijdsgroepen goed overeenkomen. Bij de 45- tot 60-jarigen komt het percentage mensen met een LAT-relatie zelfs tot op 1 decimaal nauwkeurig overeen. Bij de 25- tot 35-jarigen en bij de 35- tot 45-jarigen is het verschil tussen beide bronnen slechts enkele tienden van een procentpunt, ruim binnen het 95%-betrouwbaarheidsinterval. Alleen bij de jongste groep (18 tot 25 jaar) is het verschil met ruim 3 procentpunt wat groter, maar ook dit valt nog net binnen het 95%-betrouwbaarheidsinterval. Kortom, de vergelijkingen van SOCSAM met zowel OG-2013 als GGS-2022/2023 geven voldoende aanleiding om erop te vertrouwen dat SOCSAM een geschikte bron is om LAT-relaties mee af te leiden.

B1.2 Respondenten1) met een LAT-relatie, gewogen cijfers (% van leeftijdsgroep)
18 tot 30 jaar30 tot
40 jaar
40 tot
50 jaar
50 tot
65 jaar
GGS-2022/202328,911,15,75,6
SOCSAM-202425,211,75,35,6
SOCSAM-2024: 95%-betrouwbaarheidsinterval21,9–28,99,7-14,04,0-7,04,5-6,9

1)  Alleenstaand of alleenstaande ouder.