Auteur: Sabrina de Regt, Coen van Duin en Lenny Stoeldraijer

Bevolkingsprognose 2020-2070: Veronderstellingen over immigratie

Over deze publicatie

Volgens de Bevolkingsprognose 2020–2070 groeit de Nederlandse bevolking tot 20,4 miljoen inwoners in 2070. Internationale migratie speelt een belangrijke rol bij de toekomstige bevolkingsgroei.

Dit artikel beschrijft de gebruikte veronderstellingen voor de internationale immigratie in de Bevolkingsprognose 2020-2070. Ten opzichte van de Bevolkingsprognose 2017-2060 is de aanpak vernieuwd en verbeterd, met meer recentere cijfers en uitgebreidere modellen.

Op korte termijn is een dip in de immigratie zichtbaar als gevolg van de coronapandemie. Op de lange termijn worden ruim 290 duizend immigranten per jaar verwacht.

1 Inleiding

In december 2020 heeft het CBS de Bevolkingsprognose 2020-2070 gepubliceerd. De bevolkingsprognose heeft als doel om de meest waarschijnlijke toekomstige ontwikkeling van de bevolking te beschrijven. Op korte termijn zal de bevolkingsgroei vanwege de coronapandemie relatief laag zijn. Daarna zal de bevolkingsgroei naar verwachting weer aantrekken. Volgens de Bevolkingsprognose 2020–2070 groeit de Nederlandse bevolking naar meer dan 20 miljoen inwoners in 2070. Internationale migratie speelt een belangrijke rol bij de toekomstige bevolkingsgroei.

Het CBS gebruikt voor de Bevolkingsprognose een simulatiemodel waarin op onderzoek gebaseerde veronderstellingen over geboorte, sterfte, immigratie en emigratie als basis dienen. In het artikel van Stoeldraijer, de Regt, van Duin, Huisman en te Riele (2020) zijn de verwachtingen en de veronderstellingen voor geboorte, sterfte, immigratie en emigratie op hoofdlijnen beschreven.

In de Bevolkingsprognose 2020-2070 zijn de immigratieveronderstellingen aangepast ten opzichte van de editie uit 2017. In dit artikel wordt in detail ingegaan op de vernieuwde en verbeterde aanpak die gebruikt is bij de totstandkoming van de immigratieveronderstellingen die ten grondslag liggen aan de prognose van december 2020.

1.1 Opzet Bevolkingsprognose 2020-2070

In de vorige Bevolkingsprognose (2017-2060; Van Duin, Stoeldraijer en Nicolaas (2018)) waren de verschillende migratiemotieven (arbeid, asiel, gezin, studie) leidend bij het opstellen van de veronderstellingen over immigratie. Eerst werden veronderstellingen afgeleid voor het totale aantal arbeidsmigranten, asielmigranten, gezinsmigranten en studiemigranten (en mensen met een ander migratiemotief). Vervolgens werden de aantallen immigranten per migratiemotief verder uitgesplitst naar migratieachtergrondgroepen.

Voor de Bevolkingsprognose 2020-2070 is deze werkwijze alleen voor asielimmigratie gevolgd. Voor niet-asielimmigratie worden direct veronderstellingen naar migratieachtergrondgroep gemaakt. De reden voor deze andere aanpak is dat informatie over migratiemotieven enkel op jaarbasis beschikbaar komt terwijl immigratiestatistieken naar migratieachtergrond per maand beschikbaar komen. Hierdoor kan meer actuele informatie gebruikt worden bij het opstellen van de prognose. Bovendien is de informatie over migratieachtergrond completer dan de informatie over migratiemotieven. Zo is het officiële migratiemotief van personen binnen de EU en van personen met de Nederlandse nationaliteit voor een belangrijk deel onbekend aangezien zij geen verblijfsvergunning nodig hebben waarop het migratiemotief ingevuld wordt.

Voor de migratieachtergrondgroepen wordt een classificatie gebruikt die aansluit op de indeling uit het onderzoek Bevolking 2050 in beeld. Drukker, diverser en dubbelgrijs, dat is uitgevoerd door het NIDI en het CBS (NIDI en CBS, 2020). Bij het opstellen van deze indeling zijn de migratiemotieven van immigranten uit deze landen leidend geweest. De indeling bestaat uit 3 overkoepelende categorieën:

  1. Arbeids- en studiemigratielanden. Voor deze groep wordt onderscheid gemaakt tussen EU-landen en landen die geen lid van de EU zijn. Dit gebeurt omdat personen uit de EU vrij zijn om zich in Nederland voor werk of studie te vestigen in tegenstelling tot personen die niet uit EU-landen komen. Niet-EU-landen volgens deze indeling zijn: overige Europese landen, Oost-Aziatische landen en Amerikaanse landen plus Oceanië.
  2. Asiellanden. Hier zijn twee grote blokken landen te onderscheiden: Afrikaanse landen en landen in het Midden-Oosten.
  3. Klassieke migratielanden. In deze categorie vallen gastarbeiderslanden (Marokko en Turkije) en landen waarmee Nederland door haar koloniale verleden een band heeft (Nederlandse Antillen, Indonesië en Suriname).

Op het meest gedetailleerde niveau bestaat de classificatie uit 9 migratieachtergrondgroepen die ook in eerdere CBS-prognoses werden gebruikt, plus 4 prognosegroepen die ontstaan door het splitsen van de groepen Azië en EU. Deze zijn gesplitst aangezien bij deze landengroepen verschillende migratiemotieven een rol spelen. De classificatie naar migratieachtergrond voor de Bevolkingsprognose 2020-2070 is hierdoor iets gedetailleerder dan die van de vorige prognose (13 in plaats van 11 prognosegroepen):

  • EU-landen
    - West-Europese landen in de EU (lidstaten van voor 2004, inclusief het Verenigd Koninkrijk) [prognosegroep 1]
    - Midden- en Oost-Europese landen in de EU (lidstaten toegetreden in 2004, 2007 en 2013) [2]
  • Overig Europa (Europese niet-EU-landen, exclusief Turkije) [3]
  • De klassieke immigratielanden
    - Marokko [4]
    - Turkije [5]
    - Antillen (voormalige Nederlandse Antillen en Aruba, inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, die de status van speciale Nederlandse gemeente hebben) [6]
    - Indonesië [7]
    - Suriname [8]
  • Afrika (exclusief Marokko) [9]
  • Azië (exclusief Japan en Indonesië)
    - Aziatisch Midden-Oosten [10]
    - Oostelijk Azië [11]
  • Latijns-Amerika (exclusief Antillen en Suriname) [12]
  • Overig buiten Europa (Noord-Amerika, Japan en Oceanië) [13].

Deze groepen hebben betrekking op eerste generatie immigranten, dat wil zeggen immigranten die niet in Nederland geboren zijn. Immigranten die wel in Nederland geboren zijn, zijn eerder als emigrant uit Nederland vertrokken. Voor deze groep werkt de prognose met veronderstellingen over het aandeel van de emigranten dat weer terug zal keren (zie paragraaf 4.8).

1.2 Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk, hoofdstuk 2, wordt kort informatie gegeven over immigratiepatronen in het verleden. In hoofdstuk 3 worden de globale veronderstellingen en methodiek die ten grondslag liggen aan de immigratieprognose beschreven. Zo wordt toegelicht hoe het aantal asielimmigranten geschat wordt en wat de aanpak is om het toekomstige aantal niet-asielimmigranten te schatten. Tot slot wordt in dit hoofdstuk uitgelegd wat de veronderstellingen zijn met betrekking tot de coronapandemie. In hoofdstuk 4 worden de veronderstellingen per prognosegroep weergegeven. Ook bevat dit hoofdstuk de totale prognose voor immigratie (voor alle prognosegroepen samen). In hoofdstuk 5 volgt een korte reflectie op het maken van prognoses en de daarmee samenhangende onzekerheid. Afgesloten wordt met de conclusie in hoofdstuk 6.

2 Immigratie in het verleden

Het immigratiepatroon van personen die zich in Nederland vestigen kent een grillig verloop.

2.1 Immigratie
JaarImmigranten (x 1 000)
194529,1
1946107,4
194754,4
194846,3
194936,3
195070,6
195158,0
195233,7
195335,4
195442,4
195552,1
195651,8
195750,1
195868,0
195937,2
196045,4
196155,1
196266,0
196355,1
196467,1
196576,6
196681,8
196755,8
196864,5
196976,4
197090,8
197197,1
197283,3
197386,7
197495,8
1975119,3
197683,0
197783,9
197889,2
1979104,6
1980112,5
198180,2
198270,7
198366,8
198466,9
198579,4
198687,4
198795,9
198891,2
198998,9
1990117,4
1991120,2
1992116,9
1993119,2
199499,3
199596,1
1996108,7
1997109,9
1998122,4
1999119,2
2000132,9
2001133,4
2002121,3
2003104,5
200494,0
200592,3
2006101,2
2007116,8
2008143,5
2009146,4
2010154,4
2011163,0
2012158,4
2013164,8
2014182,9
2015204,6
2016230,7
2017235,0
2018243,7
2019269,1

Uiteenlopende politieke en economische gebeurtenissen zorgden voor golfbewegingen in de internationale migratie. Belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen die een grote invloed hadden op het aantal immigranten zijn:

  • de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949;
  • de immigratie uit de zogenoemde wervingslanden (bijvoorbeeld Marokko, Spanje en Turkije) in de jaren zestig en vroege jaren zeventig;
  • toenemende immigratie vanuit Suriname na de onafhankelijkheid in 1975;
  • gezinshereniging en gezinsvorming in de jaren tachtig met name onder Turken en Marokkanen;
  • een stijging van het aantal asielzoekers in de jaren negentig door bijvoorbeeld het oorlogsgeweld in voormalig Joegoslavië en Somalië;
  • kort na de eeuwwisseling een daling van de immigratie door strengere regels op het gebied van de toelating van asielzoekers, strengere eisen aan gezinsherenigers en gezinsvormers en slechtere economische omstandigheden;
  • een toename van het aantal Europese immigranten door uitbreidingen van de EU in 2004, 2007 en 2013 met Midden- en Centraal-Europese landen;
  • en meer recent (met name tussen 2015 en 2017): een stijging in het aantal immigranten vanwege asielimmigratie als gevolg van de oorlog in Syrië.

Voor meer informatie over de geschiedenis van immigratie in Nederland zie Nicolaas en Sprangers (2006) en voor informatie over het migratiebeleid in Nederland door de tijd heen zie WRR (2020).

De laatste jaren is een grote stijging te zien van het aantal immigranten dat naar Nederland is gekomen. Waar het aantal immigranten in 2005 minder dan 100 duizend was, is dit in 2019 bijna verdrievoudigd (bijna 270 duizend).

De meeste immigranten hebben een eerste generatie migratieachtergrond (in het buitenland geboren). Het aantal immigranten met een eerste generatie migratieachtergrond is door de jaren duidelijk toegenomen. Het aantal immigranten dat in Nederland geboren is (immigranten met een Nederlandse achtergrond en immigranten met een tweede generatie migratieachtergrond) is relatief stabiel gebleven.

2.2 Immigratie naar migratieachtergrond en generatie
JaarNederlandse achtergrond (x 1 000)2e generatie migratieachtergrond (x 1 000)1e generatie migratieachtergrond (x 1 000)
199920,76,292,3
200019,66,2107,1
200119,05,8108,6
200217,95,298,2
200316,84,783,0
200416,44,473,2
200517,04,670,7
200619,65,476,2
200720,56,190,2
200821,96,9114,7
200922,77,4116,3
201023,07,7123,7
201122,97,9132,2
201222,27,7128,5
201321,78,1135,0
201422,58,5152,0
201523,58,6172,5
201624,69,4196,7
201725,49,8199,7
201825,49,8208,6
201925,69,9233,5

Niet alleen het aantal immigranten dat naar Nederland komt is door de tijd heen veranderd. Ook de migratieachtergronden van deze immigranten zijn veranderd.

2.3 Immigratie naar migratieachtergrond
 EU (x 1 000)Overig Europa (x 1 000)Klassieke migratielanden (x 1 000)Azië (x 1 000)Afrika (x 1 000)Latijns-Amerika (x 1 000)Overig buiten Europa (x 1 000)
199923,27,923,018,310,13,66,4
200025,511,625,321,013,24,26,7
200125,910,124,921,615,54,36,6
200224,17,322,517,616,14,56,3
200322,35,520,814,99,94,35,6
200425,74,315,511,97,03,95,2
200526,83,811,612,56,84,15,4
200631,13,811,013,66,54,26,1
200742,14,211,115,47,24,16,4
200853,55,013,720,89,85,17,1
200951,65,314,221,013,35,26,4
201057,46,114,620,911,75,76,8
201165,46,614,422,99,95,67,3
201266,66,512,921,87,65,67,4
201368,46,612,623,710,16,27,2
201475,97,412,330,511,56,57,7
201576,27,712,245,913,77,39,1
201682,08,614,160,414,37,39,7
201791,29,516,748,913,48,910,7
201899,811,019,240,914,711,111,5
2019111,712,821,746,616,112,211,9

De laatste tijd komen vooral veel immigranten uit EU-landen naar Nederland: waar in 1999 ongeveer een kwart van de immigranten uit EU-lidstaten kwam, is dit inmiddels bijna de helft. Ook het aandeel immigranten uit Aziatische landen is gestegen. Het aandeel van immigranten uit de klassieke immigratielanden (Antillen, Indonesië, Marokko, Turkije en Suriname) neemt daarentegen af. In 1999 kwam nog ongeveer een kwart van de immigranten uit deze landen. In 2019 was dit minder dan 10 procent.

3 Veronderstellingen toekomstige immigratie

Voor het opstellen van de immigratieprognose worden drie algemene groepen immigranten onderscheiden. Ten eerste zijn er immigranten die niet in Nederland geboren zijn en vanwege asiel naar Nederland komen. Ten tweede zijn er immigranten die niet in Nederland geboren zijn en om andere redenen naar Nederland komen. Als derde groep zijn er immigranten die in Nederland geboren zijn.

Voor iedere groep worden aparte modellen en veronderstellingen opgesteld. Daarvoor is eerst het aantal immigranten geschat dat naar Nederland zou komen indien er geen coronapandemie geweest zou zijn. Vervolgens is dit aantal, vooral op korte termijn, gecorrigeerd voor de invloed die de pandemie heeft op het aantal immigranten. Onderstaande figuur geeft dit proces voor het opstellen van de immigratieprognose systematisch weer.

Schema van hoe vanuit de waarneming van de immigratie in het verleden wordt gekomen tot een prognose van de toekomstige immigratie. Daarbij wordt ook een correctie voor de corona-epidemie toegepast.Prognosegroepen zijn: asielimmigranten, niet-asielimmigranten en immigranten met een Nederlandse of tweede generatie migratieachtergrond.

In dit hoofdstuk staan de algemene veronderstellingen voor asielimmigratie en niet-asielimmigratie, alsmede de invloed van de coronapandemie op immigratie centraal. De veronderstellingen voor de afzonderlijke prognosegroepen komen in hoofdstuk 4 aan de orde.

3.1 Veronderstellingen asielimmigratie

Gemiddeld zijn in de periode 1999-2019 ongeveer 15 duizend asielmigranten per jaar naar Nederland gekomen. De jaarlijkse fluctuaties in het aantal asielimmigranten zijn groot.

3.1.1 Asielimmigratie
JaarAsielimmigranten (x 1 000)
'0029,3
'0127,1
'0219,2
'038,2
'042,5
'053,2
'063,3
'074,8
'088,1
'099,4
'107,9
'116,8
'126,0
'139,4
'1417,1
'1532,3
'1643,0
'1724,4
'1812,8
'19*12,7

De grote fluctuaties in de aantallen asielmigranten hangen samen met internationale conflicten. Zo kwamen in de jaren ’90 (relatief) veel asielimmigranten naar Nederland vanwege de conflicten in voormalig Joegoslavië en rond 2015-2017 was er een piek in asielimmigratie als gevolg van de oorlog in Syrië. Dergelijke internationale conflicten laten zich uiteraard niet voorspellen door modellen zoals verder weergegeven in dit artikel. Voor de prognose wordt het aantal asielimmigranten daarom constant gehouden op een verwacht gemiddeld niveau.

Om dat toekomstige niveau te schatten wordt niet alleen gekeken naar het gemiddeld aantal asielverzoeken in Nederland, maar ook naar het gemiddeld aantal asielverzoeken in andere Europese landen. Dit vanwege het zogenaamde “waterbed-effect”: de aanname is dat wanneer een land de immigratiewetten strenger maakt, asielzoekers mogelijk eerder geneigd zullen zijn asiel aan te vragen in een buurland. Vervolgens kunnen deze landen de immigratiewetten weer strenger maken waardoor er weer een verschuiving tussen Europese landen plaats kan vinden. In verband met dit waterbed-effect is het beter om voor de prognose uit te gaan van de aantallen asielverzoeken in de, qua geografische ligging en qua economie vergelijkbare, Noord-West-Europese landen in plaats van alleen vanuit de Nederlandse situatie te extrapoleren (CBS StatLine, 2020a).

Op basis van deze gegevens wordt voor de toekomst van jaarlijks 19 duizend eerste asielverzoeken in Nederland uitgegaan. Op basis van de aantallen asielverzoeken en asielmigranten tot op heden wordt verondersteld dat 63 procent van de aanvragen uiteindelijk wordt toegekend en dat per toegekende aanvraag er gemiddeld nog 0,5 nareiziger naar Nederland komt. Immigranten die van de nareizigersregeling gebruik maken worden ook bij de asielimmigratie gerekend. In totaal geeft dit in de Bevolkingsprognose 2020-2070 een verwacht aantal jaarlijkse asielmigranten van ongeveer 18 duizend per jaar. Dit is meer dan in de vorige bevolkingsprognose werd verwacht (14 duizend). Hiervoor zijn twee verklaringen. Ten eerste ligt het verwachte aantal eerste asielverzoeken per jaar duizend hoger als gevolg van het feit dat cijfers over 2017 tot en met 2019 in de nieuwe schatting zijn verwerkt. Ten tweede zijn de verwachtingen voor de toekenningspercentages van het aantal asielverzoeken verhoogd van 50 naar 63 procent. Dat laatste komt vooral doordat de afleiding van de asielcijfers in de Statistiek Migratiemotieven is herzien, waardoor de cijfers voor asielimmigratie waarop de veronderstellingen voor de prognose zijn gebaseerd zijn veranderd. Sommige immigranten die eerder werden aangemerkt als gezinsimmigrant zijn daardoor nu ingedeeld bij asielimmigranten. Dit heeft geen invloed op het totale aantal immigranten in de Bevolkingsprognose, aangezien het immers om verschuivingen van aantallen tussen beide categorieën (binnen het totaal) gaat.

Voor de verdeling van het aantal asielimmigranten per prognosegroep op de korte termijn (de komende 5 jaar) wordt aangesloten bij de geobserveerde verdeling van het afgelopen jaar. Voor de langere termijn (na 5 jaar) wordt dezelfde verdeling van het aantal asielimmigranten per prognosegroep aangehouden zoals geobserveerd in de afgelopen 20 jaar. In hoofdstuk 4 waar de veronderstellingen per prognosegroep aan de orde komen, is beschreven hoeveel asielimmigranten per groep in de toekomst verwacht worden.

3.2 Veronderstellingen niet-asielimmigratie

Voor het opstellen van de veronderstellingen voor de niet-asielimmigratie wordt eerst per prognosegroep gekeken naar het aantal immigranten (met een ander motief dan asiel) dat in het verleden naar Nederland is gekomen. Vervolgens wordt bezien welke factoren deze aantallen immigranten kunnen verklaren. Daarbij is gekeken naar de periode 1999-2019, omdat voor deze periode data over alle verklarende factoren beschikbaar zijn.

Om het aantal immigranten dat naar Nederland komt te kunnen verklaren, wordt gebruik gemaakt van meervoudige regressiemodellen die gebaseerd zijn op aantallen immigranten die in het verleden naar ons land kwamen. In deze regressiemodellen zijn inhoudelijke factoren voor de verklaring van immigratie opgenomen. De keuze om een factor al dan niet op te nemen wordt bepaald door een drietal afwegingen: 1) een theoretisch/inhoudelijke afweging: verwachten we dat een bepaalde factor invloed kan hebben op de immigratiepatronen?, 2) een beschikbaarheidsafweging: is er data beschikbaar om de factor goed te kunnen meten? en 3) een statistische afweging: wordt de verklaarkracht van de modellen beter wanneer we factoren opnemen? Twee factoren komen in bijna alle modellen terug: de economie in Nederland en een algemene trendvariabele.

De economische factor

De economische situatie in Nederland is een belangrijke factor die het aantal immigranten dat naar Nederland komt verklaart. Als indicator hiervoor wordt het aantal openstaande vacatures (CBS StatLine 2020b) minus de werkloze beroepsbevolking (CBS StatLine 2020c) gebruikt. De vacatures in Nederland zijn een indicator voor de binnenlandse arbeidsvraag en het aantal werkloze personen in Nederland een indicator voor het binnenlands arbeidsaanbod. Veranderingen in dit verschil geven daarom een indicatie van de ontwikkeling van de potentiële vraag naar buitenlandse arbeid. Het aantal vacatures en het aantal werklozen hangen duidelijk samen: de correlatie is -,67. Op het moment dat er weinig vacatures zijn is het aantal werklozen hoog en andersom. De combinatie van deze twee factoren blijkt een betere verklarende waarde te hebben wat betreft immigratieaantallen dan beide factoren afzonderlijk en/of andere economische indicatoren zoals economische groei.

In het regressiemodel dat gebruikt wordt om het aantal immigranten te verklaren, toont de regressiecoëfficiënt van de economische situatie in Nederland aan hoeveel immigranten per jaar per duizend openstaande vacatures (die niet opgevuld kunnen worden door binnenlands arbeidspotentieel) naar Nederland komen. Deze informatie kan gebruikt worden om te voorspellen hoeveel personen er in de toekomst per prognosegroep naar Nederland zullen komen als gevolg van de economische situatie in Nederland. Om deze voorspelling te maken zijn prognoses nodig van de economische situatie in de toekomst. Hiervoor wordt gebruikt gemaakt van de prognoses van het Centraal Planbureau (CPB). Meer specifiek is voor de Bevolkingsprognose 2020-2070 gebruik gemaakt van de Macro Economische Verkenning van september 2020 (CPB, 2020a). Het CPB publiceert wel over het aantal te verwachten werklozen, maar niet over het aantal vacatures in de toekomst. Het aantal vacatures is geschat op basis van de relatie tussen vacatures en het aantal werklozen in het verleden. Dit wordt geschat aan de hand van een regressiemodel waarin het tijdsverloop van het aantal vacatures en werklozen in de afgelopen 15 jaar bestudeerd wordt.

Figuur 3.2.1 toont ter illustratie de jaar-op-jaar mutatie in de vraag naar buitenlandse arbeid (dus het aantal vacatures minus het aantal werklozen).

Deze figuur laat zien dat de vraag naar buitenlandse arbeid, uitgedrukt als het aantal vacatures minus het aantal werklozen,  in 2003, 2009 en 2013 fors gedaald is, terwijl deze in 2006 en in 2016-2018 sterk steeg. Voor 2020 en 2021 wordt een flinke daling van de vraag naar buitenlandse arbeid voorzien, gevolgd door herstel in de jaren erna.

De dalen in de figuur geven aan dat de potentiële vraag naar buitenlandse arbeid afgenomen is ten opzichte van het jaar ervoor. Een piek toont een verhoogde potentiële vraag naar buitenlandse arbeid. Een voorbeeld: stel dat uit de meervoudige regressieanalyse naar voren komt dat per duizend openstaande vacatures 10 immigranten extra naar Nederland komen, dan betekent dit dat in 2019 698 extra immigranten naar Nederland zijn gekomen als gevolg van de economie (namelijk 10 maal 69,8: de vraag naar buitenlandse arbeid in 2019). Voor de toekomst wordt verwacht dat op korte termijn de vraag naar buitenlandse arbeid daalt als gevolg van de coronapandemie (zie bovenstaande figuur). Dit betekent dat daardoor minder immigranten naar Nederland komen als gevolg van de economie.

Bij het opstellen van de prognose wordt alleen de economische situatie in Nederland meegenomen in de modellen. De economische situatie in herkomstlanden zou ook een belangrijke rol kunnen spelen. Er is voor gekozen om deze niet mee te nemen in de huidige modellen. Dit omdat er sprake is van mondiale economische conjunctuurbewegingen waarbij de economische situatie in Nederland deels dezelfde bewegingen zal maken als de economische situatie in andere regio’s. Het opnemen van deze factor heeft in dat geval een beperkte toegevoegde waarde in het model. De modellen tonen ook aan dat de verklaarde variantie van de immigratiepatronen in het verleden met enkel de Nederlandse economie reeds heel hoog was (zie hoofdstuk 4).

De algemene trendfactor

Door middel van een trendvariabele kan in regressiemodellen een algemene stijging of daling van het aantal immigranten in kaart gebracht worden. In hoofdstuk 2 is duidelijk te zien dat de immigratie naar Nederland de afgelopen jaren is toegenomen. De trendvariabele in de gebruikte modellen voor de Bevolkingsprognose 2020-2070 is dan ook zonder uitzondering voor alle prognosegroepen positief, wat aangeeft dat het aantal immigranten voor elke prognosegroep jaarlijks stijgt als gevolg van de trend. De regressiecoëfficiënt geeft aan hoeveel immigranten er jaarlijks extra naar Nederland komen als gevolg van de trend. Deze informatie wordt gebruikt om het aantal immigranten in de toekomst te voorspellen. Een voorbeeld: stel er kwamen jaarlijks 10 duizend immigranten naar Nederland en de regressiecoëfficiënt voor de trend is 250. Dit betekent dat er als gevolg van de trend volgend jaar 10 250 immigranten naar Nederland komen, het jaar daarna 10 500 immigranten etc.

Trends beginnen en eindigen ook weer. Om een goede schatting te maken van de regressiecoëfficiënt van de trendvariabele, dus om te schatten hoeveel immigranten jaarlijks naar Nederland komen als gevolg van de trend, moeten het startjaar en het eindjaar van de trend bepaald worden. Hiervoor wordt gekeken naar de “economievrije reeks”. Deze reflecteert het aantal immigranten dat naar Nederland komt nadat de schommelingen in dit aantal als gevolg van de economie zijn geëlimineerd. Dit geeft een duidelijker beeld van eventuele trends, rekening houdend met de economische situatie. Aangezien het startpunt en eindpunt van de trend per prognosegroep anders kunnen zijn, worden deze per prognosegroep bepaald.

Twee trends zijn het meest voorkomend. Ten eerste een trend voor de hele waarneemperiode 1999-2019. Een tweede trend die vaak zichtbaar is, is een trend vanaf 2007/2008. Een mogelijke oorzaak van deze laatste trend is de uitbreiding van de Europese Unie. Nadat in 2004 tien landen, waaronder Polen, lid zijn geworden van EU, hebben inwoners van deze landen medio 2007 rechten gekregen om zich vrij te vestigen in Nederland. Dit heeft geleid tot een toename van (met name arbeids-)immigranten uit deze landen. Het is mogelijk dat het bedrijfsleven in Nederland door deze ontwikkelingen meer ingespeeld raakte op buitenlandse werknemers en dat daardoor ook meer buitenlands arbeidspotentieel van buiten de EU aangetrokken werd. Uiteraard kunnen specifieke omstandigheden voor een bepaalde prognosegroep ook zorgen voor andere trends dan deze twee.

Internationaal is het bij prognoses gebruikelijk om voor de lange termijn uit te gaan van constante immigratieaantallen of –frequenties (CPC, 2015). Ook in de CBS prognose wordt aangenomen dat de trend in de immigratie op de middellange termijn stopt. De prognose hanteert als uitgangspunt dat recent ingezette en/of onzekere trends in de immigratie maximaal vijf jaar doorgetrokken worden en trends die al langer bezig zijn maximaal tien jaar. Op de langere termijn is de ontwikkeling van de immigratie zo onzeker dat een daling in het aantal immigranten even waarschijnlijk is als een stijging. Bepaalde ontwikkelingen zijn nu eenmaal niet te voorspellen. Zo zullen er weinig mensen zijn die enkele jaren geleden zaken als de Brexit of de coronapandemie hebben voorzien. Op basis van inzichten in recente ontwikkelingen wordt per prognosegroep een inschatting gemaakt hoe lang trends doorgetrokken moeten worden. De trends worden geleidelijk naar het einde toe afgevlakt.

Voor de meeste prognosegroepen verklaren de economische situatie en de algemene trendmatige ontwikkeling het grootste deel van de variatie in de immigratie naar Nederland. Dit betekent echter niet dat deze twee factoren voor alle afzonderlijke prognosegroepen de enige verklaringen zijn voor de ontwikkeling van de immigratie. Ook andere, meer specifieke factoren kunnen van invloed zijn zoals het toetreden van een land tot de Europese Unie. In hoofdstuk 4 wordt per prognosegroep weergegeven welke factoren de immigratie verklaren.

3.3 Veronderstellingen corona

In de paragrafen 3.1 en 3.2 is beschreven hoe de ontwikkeling van respectievelijk het aantal asielimmigranten en het aantal niet-asielimmigranten geschat wordt. Voor de Bevolkingsprognose 2020-2070 zijn deze aantallen gecorrigeerd voor de invloed van de coronapandemie die eind 2019/begin 2020 haar intrede deed. Deze paragraaf beschrijft hoe dit is gebeurd. Hierbij moet uitdrukkelijk worden opgemerkt dat deze beschrijving gebaseerd is op de kennis die beschikbaar was in het najaar van 2020, toen de Bevolkingsprognose 2020-2070 werd opgesteld. Door de snelle ontwikkelingen rond corona zal een deel van deze informatie bij het lezen van dit artikel mogelijk niet meer actueel zijn.

Het CBS heeft per maand cijfers over het aantal immigranten en de landen waar ze vandaan komen. Met deze cijfers is het mogelijk om te schatten wat het effect van corona op het aantal immigranten is geweest. Onderstaande figuren geven het aantal immigranten per maand weer voor 2019 en 2020 (voor zover bekend op het moment van het opstellen van de prognose) voor zowel EU-landen (figuur 3.3.1) als voor niet-EU-landen (figuur 3.3.2). De cijfers hebben betrekking op zowel immigratie in periodes waarin er relatief veel coronabesmettingen waren (het voorjaar en het najaar van 2020) als op immigratie in periodes waarin het aantal besmettingen relatief laag was (de zomermaanden van 2020).

Het aantal immigranten uit de EU was in de maanden maart tot en met mei 2020 beduidend lager dan in dezelfde periode in 2019. Daarna steeg het aantal EU-immigranten weer om vervolgens tijdens de tweede coronagolf (het najaar van 2020) weer te dalen. Het aantal immigranten van buiten de EU daalde in 2020 sterker dan het aantal immigranten van binnen de EU.

3.3.1 Immigratie per maand vanuit EU-landen1)
Maand2019 (x 1 000)2020* (x 1 000)
Jan8,78,7
Feb9,49,4
Ma8,26,9
Apr7,24,3
Mei7,34,8
Jun6,46,5
Jul8,17,6
Aug14,712,3
Sep17,615,5
Okt11,49,2
Nov8,1
Dec5,7
* Voorlopig cijfer. 1) Het Verenigd Koninkrijk wordt bij de EU-landen ingedeeld aangezien de uitzondering op het inreisverbod (i.v.m. corona) naast personen met de nationaliteit van een EU-land of Schengenland ook gold voor personen met de Britse nationaliteit.

3.3.2 Immigratie per maand vanuit niet-EU-landen
Maand2019 (x 1 000)2020* (x 1 000)
Jan9,610,5
Feb9,79,9
Ma8,06,1
Apr7,82,6
Mei7,62,2
Jun7,93,6
Jul10,26,1
Aug17,29,3
Sep15,312,1
Okt12,09,3
Nov8,3
Dec7,1
* Voorlopig cijfer.

Coronafactor

Op basis van deze cijfers is geschat hoe sterk het effect van corona op de immigratieaantallen in 2020 is geweest. Dit is gebeurd door te kijken naar het verschil in immigratieaantallen in een bepaalde maand in 2020 ten opzichte van dezelfde maand een jaar eerder. Natuurlijk kunnen de aantallen immigranten tussen 2019 en 2020 sowieso (dus los van corona) verschillen, bijvoorbeeld door algemene trends in immigratiepatronen. Bij het berekenen van de coronafactor wordt voor deze algemene trend gecorrigeerd door rekening te houden met de verschillen tussen 2019 en 2020 in de maanden januari en februari (de maanden voor het uitbreken van de pandemie in Nederland). Ook wordt bij het opstellen van de coronafactor gecorrigeerd voor economische factoren (dezelfde als beschreven in paragraaf 3.2). Op deze manier ontstaat een schatting van het ‘directe’ corona-effect in een bepaalde maand. Een factorscore van 1 betekent dat het aantal immigranten in een bepaalde maand cijfermatig niet direct door de coronapandemie is beïnvloed. Een score lager dan 1 betekent dat er minder immigranten naar Nederland zijn gekomen als gevolg van de pandemie.

Figuur 3.3.3 geeft ter illustratie de coronafactor per maand weer voor immigranten (met een eerste generatie migratieachtergrond) uit EU-landen en niet-EU-landen. In bijlage 1 is de gemiddelde coronafactor per prognosegroep opgenomen.

De coronafactor voor de EU-landen was het laagst in april, met een waarde van 0,62. Dit betekent dat in april 2020 iets meer dan 60 procent van de immigratie die normaal verwacht kan worden gerealiseerd was. Voor landen buiten de EU was het corona-effect nog sterker. In mei 2020 was de coronafactor voor deze landen 0,29. Tijdens de tweede golf was het corona-effect beduidend minder sterk dan tijdens de eerste golf. Er wordt daarom aangenomen dat het effect van de coronapandemie na 2020 niet meer zo groot zal zijn als in de eerste golf. Daarom wordt het meest recent gemeten corona-effect toen de Bevolkingsprogniose 2020-2070 werd opgesteld, dat van oktober 2020, in de modellen als uitgangspunt genomen voor het toekomstige corona-effect.

3.3.3 Coronafactor voor immigratie, 2020
MaandEU-landen Niet-EU-landen
Ma0,870,75
Apr0,620,34
Mei0,690,29
Jun1,080,46
Jul0,990,61
Aug0,880,56
Sep0,920,81
Okt0,850,79

De vraag is in hoeverre corona ook in de toekomst de immigratie zal beïnvloeden. Met andere woorden: hoe lang en hoe sterk moet dit corona-effect in de prognose doorgetrokken worden? Op het moment dat de Bevolkingsprognose 2020-2070 opgesteld is, is het coronavirus een relatief nieuwe ontwikkeling. De daarmee samenhangende onzekerheid maakt het moeilijk om voorspellingen te doen over de impact van dit virus op de toekomstige immigratie.Duidelijk is in elk geval dat de maatschappelijke impact van het coronavirus in Nederland (CBS, 2020a) en de rest van de wereld (OECD, 2020) groot is. Daarom zetten de wetenschap, de farmaceutische industrie en de politiek zich in om het virus onder controle te krijgen. Vooral een vaccin tegen corona wordt vaak als een mogelijke oplossing gezien. Inmiddels zijn de eerste coronavaccins door het Europees Medicijnagentschap toegelaten op de Europese markt (CBG, 6 januari 2021). Eind 2020 was het streven om iedereen in Nederland in 2021 een vaccin aan te bieden (Rijksoverheid, 2021). Het ligt in de lijn der verwachting dat het in sommige delen van de wereld langer zal duren voordat mensen ingeënt zijn, waardoor de immigratie vanuit deze gebieden nog langer door corona beïnvloed zou kunnen worden (voor de voortgang van de inentingen wereldwijd zie Our World in Data (2021)). Ook zit er altijd enige tijd tussen het besluit om te immigreren en de daadwerkelijke immigratie. Met andere woorden: er zal enige tijd overheen gaan voordat de immigratie normaliseert. Hiermee rekening houdend is de verwachting dat over ongeveer anderhalf jaar (zomer 2022) de directe beperkende impact van corona op de immigratie als gevolg van vaccinatie geheel verdwenen zal zijn. In de bevolkingsprognose 2020-2070 is dit het gunstige scenario.

Het is echter nog niet volledig duidelijk in welke mate en hoe snel een dergelijk vaccin kan helpen met het controleren van het coronavirus. Ten eerste, kan niet de gehele bevolking in Nederland en in de rest van de wereld tegelijkertijd ingeënt worden. Hoe snel dat kan, hangt onder andere af van het moment waarop vaccins beschikbaar komen, de hoeveelheid vaccins die beschikbaar is, en van keuzes die gemaakt worden over welke groepen eerst ingeënt worden. Bovendien is het de vraag of voldoende mensen zich (willen) laten inenten (Ipsos, 6 januari 2021). Verder is nog niet duidelijk hoelang deze vaccins bescherming bieden, en is het ook de vraag in hoeverre ze effectief zullen zijn bij toekomstige mutaties van het virus. Met andere woorden, er is nog veel onzeker over de inzet van vaccins voor het controleren van het coronavirus.

In verband met deze onzekerheden over de effectiviteit van de vaccinatie voor het controleren van het coronavirus is bij het opstellen van de Bevolkingsprognose 2020-2070 ook een ongunstig scenario ontwikkeld. In lijn met de scenario’s van de Macro Economische Verkenning van het CPB is er een ongunstig scenario opgesteld waarin het tot 2025 duurt voordat het virus onder controle is. Bij het opstellen van de Bevolkingsprognose 2020-2070 werd het gunstige scenario waarschijnlijker geacht dan het ongunstige. Zo was op dat moment duidelijk dat er op korte termijn begonnen zou worden met het inenten van de Nederlandse bevolking. Daarom is in de prognose aan het gunstige scenario meer gewicht toegekend dan aan het ongunstige (75 tegen 25 procent).

Naast vaccinatie zijn er ook andere ontwikkelingen waardoor te verwachten is dat de impact van het coronavirus op de immigratie zal afnemen. Zo wordt de inzet van zogenaamde sneltesten veelbelovend geacht. Door deze testen is snel en eenvoudiger vast te stellen of iemand besmet is met het coronavirus. Op dit moment zijn wetenschappers positief gestemd over de betrouwbaarheid van dit soort testen (Bonten, 2020). Op het moment dat de Bevolkingsprognose opgesteld werd, waren er meerdere landen die een negatieve test eisten als voorwaarde om naar dat land toe te reizen. Veel, snelle en betrouwbare testen zouden het vrij(er) reizen, en dus ook immigreren, kunnen bevorderen. Verder is te verwachten dat overheden vanwege hun ervaringen tot nu toe in de toekomst minder snel beslissingen zoals het sluiten van grenzen zullen nemen en eerder zullen kiezen voor maatwerk.

Ook op individueel niveau kan aangenomen worden dat de invloed van corona op het besluit om te immigreren geleidelijk afneemt. De beslissing om naar een ander land te verhuizen en zich daar te vestigen heeft doorgaans een grote impact op iemands leven en dit zal dan ook vaak een weloverwogen beslissing zijn. In het begin van de coronacrisis was niet duidelijk hoe lang deze crisis zou duren en hoe ze zich zou ontwikkelen. Het is daarom aannemelijk dat personen de beslissing om te immigreren even uitgesteld hebben. Nu echter duidelijk is dat het coronavirus voor langere tijd aanwezig zal zijn, is het aannemelijk dat personen die graag zouden willen immigreren dit, ondanks het virus, alsnog doen. Met andere woorden: hoe langer het virus aanwezig is, hoe groter de kans is dat er gewenning ontstaat en dat overheden en personen zo veel en zo snel mogelijk het ‘gewone’ leven oppakken. Daarom is het aannemelijk dat de impact van corona op immigratie, ook zonder vaccin, verder af zal nemen (zie ook figuren 3.3.1 en 3.3.2). In de prognose wordt daarom in zowel het gunstige als in het ongunstige scenario aangenomen dat de directe impact van corona op de immigratie in de tweede helft van 2021 gehalveerd is. In het ongunstige scenario dat uitgaat van een corona-effect tot 2025, wordt tot dan voor elk jaar een halvering aangenomen.

Na de eerste golf van de pandemie heeft de immigratie naar Nederland uit Europese landen (inclusief Turkije) en de Nederlandse Antillen zich sneller hersteld dan die uit bestemmingen buiten Europa. Voor de prognose wordt daarom aangenomen dat het directe effect van de coronapandemie op de immigratie uit bestemmingen buiten Europa een half jaar langer aanhoudt dan het effect op de immigratie uit Europese bestemmingen (inclusief Turkije en de Nederlandse Antillen).

Er zijn tijdens de coronapandemie minder immigranten naar Nederland naar Nederland gekomen dan zonder pandemie verwacht kan worden (zie figuren 3.3.1 en 3.3.2). Ook in de toekomst zal de immigratie naar verwachting tijdelijk lager zijn als gevolg van de coronapandemie. De vraag is hoeveel van de niet-gearriveerde immigranten later alsnog zullen komen. Om dit in te schatten is gekeken naar de reden waarom immigranten naar Nederland komen. Is dit vanwege gezinsvorming (zoals bij Marokko overwegend het geval is, zie bijlage 2) of vanwege arbeid- en of studiemotieven (zoals in veel Europese landen)? Personen die vanwege gezinsvormende redenen naar Nederland zouden komen, zijn waarschijnlijk eerder geneigd om alsnog naar Nederland te komen dan personen die voor een baan of studie naar Nederland zouden komen. Bij gezinsvormende immigratie is immers sprake van een vaste partner of familierelatie die in Nederland woont. Personen die een baan zoeken zullen waarschijnlijk minder lang wachten tot ze naar Nederland kunnen komen en elders een baan zoeken. De aanname is dat 80 procent van de door corona weggebleven gezinsvormende immigranten alsnog zal komen en 20 procent van de migranten met arbeid of studie als migratiemotief. Ook is de aanname dat hoe langer het duurt voordat personen kunnen immigreren, hoe minder vaak zij dit uiteindelijk ook zullen doen. Meer specifiek is de aanname dat elk jaar dat een immigratie naar Nederland uitgesteld wordt vanwege corona de kans dat ze later alsnog komen met een kwart afneemt.

Behalve de hierboven weergegeven directe corona-effecten op de buitenlandse immigratie heeft corona ook indirect, door de veranderde economische situatie in Nederland, invloed op de immigratie. In paragraaf 3.2 is beschreven hoe dit wordt meegewogen in de immigratieprognose. Vooral in 2021 wordt volgens het CPB een hogere werkloosheid als gevolg van corona verwacht. Voor sommige prognosegroepen wordt daardoor in 2021 een groter neerwaarts effect van corona op de immigratie voorzien dan in 2020.

Bij in Nederland geboren immigranten was het directe effect van corona op de immigratie in april-oktober 2020 positief: volgens de schatting keerden iets meer migranten uit het buitenland terug dan zonder de pandemie het geval zou zijn geweest. Aangezien deze extra migranten inmiddels in Nederland zijn en niet opnieuw kunnen immigreren, worden ze op de immigratie in het volgende jaar (2021) in mindering gebracht. Aangenomen is dat er in de komende jaren geen direct effect van corona op deze immigratiestroom is. Wel is er een indirect effect: de emigratie van in Nederland geboren personen is onder invloed van de pandemie sterk gedaald. Dit resulteert in een daling van de immigratie van deze groep in de jaren na 2020, omdat minder vertrek op termijn ook minder terugkeer betekent.

Voor de lange termijn is onbekend in hoeverre het coronavirus invloed zal hebben op de immigratie. Daarom worden voor de lange termijn de ontwikkelingen en verwachtingen aangehouden zoals die op basis van de modellen naar boven komen. Hierdoor sluiten de langetermijnontwikkelingen van de Bevolkingsprognose 2020–2070 aan bij de langetermijnontwikkelingen zoals ze in de Kernprognose 2019–2060 zijn opgesteld. Wanneer nieuwe gegevens beschikbaar komen en deze duiden op langdurige veranderingen in de immigratie als gevolg van corona dan zullen de langetermijnontwikkelingen worden aangepast en worden meegenomen in volgende edities van de bevolkingsprognose van het CBS.

4 Veronderstellingen naar migratieachtergrond

In dit hoofdstuk wordt per prognosegroep beschreven welke factoren de immigratie in het verleden bepaald hebben, hoe verwacht wordt dat deze factoren in de toekomst de immigratie uit deze landen zullen bepalen en hoeveel immigranten in de toekomst verwacht worden.

Voor de korte termijn sluiten de verwachtingen aan bij de recente trends en worden bijvoorbeeld ook de effecten van de coronapandemie en de economische vooruitzichten meegewogen. Voor de lange termijn wordt het aantal immigranten constant gehouden in de Bevolkingsprognose. De immigratie zal natuurlijk ook verder in de toekomst van jaar op jaar fluctueren. Die schommelingen zijn echter niet te voorspellen. Daarom moeten de immigratieaantallen na ongeveer 2030 gezien worden als een schatting van het gemiddeld niveau waar de jaarlijkse immigratie omheen zal bewegen.

4.1 Veronderstellingen EU-landen

Het aantal immigranten uit EU landen is de laatste jaren toegenomen. In 2019 kwamen ongeveer 5 keer zoveel immigranten uit Europese lidstaten naar Nederland als in 1999. Deze toename hangt voor een belangrijk deel samen met de uitbreiding van de EU:

  • Oude lidstaten: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Spanje en Zweden (en tot 2020 het Verenigd Koninkrijk).
  • Toegetreden in 2004: Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.
  • Toegetreden in 2007: Bulgarije en Roemenië.
  • Toegetreden in 2013: Kroatië.

4.1.1 Immigratie vanuit EU-lidstaten
JaarOude lidstaten (x 1 000)Verenigd Koninkrijk (x 1 000)Toegetreden in 2004 (x 1 000)Toegetreden in 2007 (x 1 000)Toegetreden in 2013 (x 1 000)
199915,504,702,170,700,03
200015,675,473,240,940,02
200115,565,433,751,070,02
200214,884,403,611,110,02
200313,933,713,331,230,01
200413,743,357,351,160,01
200513,912,888,901,000,01
200615,913,2510,571,250,00
200718,073,6213,007,250,01
200823,154,2418,247,670,01
200922,863,9418,016,520,01
201025,173,9221,466,930,00
201127,283,9826,018,100,03
201229,144,1825,807,530,02
201329,504,4927,347,070,04
201430,574,6531,209,510,09
201532,135,0630,218,890,13
201635,985,7730,489,760,17
201739,886,3132,3012,700,21
201842,636,9934,9015,210,28
201946,778,0237,3918,950,57

Aangezien het moment van toetreden tot de EU voor een belangrijk deel de immigratiepatronen bepaalt (in figuur 4.4.1 is te zien dat na toetreding meer immigranten naar Nederland kwamen en komen), worden voor het samenstellen van de bevolkingsprognose per landengroep die op een bepaald moment toegetreden zijn aparte prognosemodellen gebruikt. Deze modellen worden beschreven in de paragrafen 4.1.1 t/m 4.1.4. In de vorige bevolkingsprognose was het Verenigd Koninkrijk opgenomen in de modellen voor oude EU-lidstaten. Aangezien het Verenigd Koninkrijk in 2020 de EU verlaten heeft, wordt het aantal immigranten uit dit land in deze bevolkingsprognose apart gemodelleerd (paragraaf 4.1.5). De uiteindelijke totale prognose van de immigratie voor landen uit de EU (inclusief het Verenigd Koninkrijk) is weergegeven in paragraaf 4.1.6.

4.1.1 EU-West: oude lidstaten Europese Unie

In 2019 was bijna de helft van alle EU-immigranten afkomstig uit een oude EU-lidstaat. Er is een aantal factoren die (de stijging in) het aantal immigranten dat uit deze landen naar Nederland komt kan verklaren:

  • Algemene trend. Waar vóór 2007 het aantal immigranten uit deze landen dat naar Nederland kwam relatief stabiel was, is dit aantal vanaf 2007 duidelijk toegenomen. De (regressie)modellen schatten dat sinds 2007 de immigratie uit de oude Europese lidstaten naar Nederland jaarlijks met 2,2 duizend personen groeide als gevolg van de algemene trend.
  • Economie. Een toename van het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werklozen met duizend op jaarbasis levert naar schatting jaarlijks 9 extra immigranten uit deze landen op. Hoeveel immigranten per jaar naar Nederland komen als gevolg van de economie hangt samen met de economische situatie in Nederland in een bepaald jaar (zie voor de cijfers van de vraag naar buitenlandse arbeid paragraaf 3.2)1).

Samen verklaren deze twee factoren 85 procent van de variantie in het jaarlijkse aantal immigranten dat in het verleden uit deze landen naar Nederland kwam. De verwachting is dat de trend zich ook in de toekomst zal doorzetten. Zo werven Nederlandse instellingen voor het hoger onderwijs steeds meer studenten uit het buitenland. Dit is deels om de demografische daling van de Nederlandse instroom te compenseren, wat ook nog voor de toekomst wordt verwacht. Verder is de aanname dat ook de stijging van de arbeidsimmigratie uit deze landen voorlopig zal aanhouden. Aangenomen wordt dat deze trend over tien jaar afgelopen zal zijn. Voor de periode daarna wordt zoals eerder aangegeven vanwege de toenemende onzekerheden in de voorspellingen uitgegaan van constante aantallen immigranten (zie paragraaf 3.2).

4.1.2 EU-Oost: EU-uitbreiding 2004

In 2004 zijn tien extra landen lid geworden van de EU. Het aantal immigranten dat uit deze landen naar Nederland is gekomen is sterk toegenomen. Waar in 1999 ongeveer 2 duizend immigranten uit deze landen naar Nederland kwamen, waren dit in 2019 meer dan 37 duizend immigranten. De volgende factoren verklaren de immigratie uit deze landen in het verleden:

  • Toetreding tot EU in 2004. Het directe effect van de toetreding was naar schatting een structurele verhoging van de jaarlijkse immigratie uit deze landen naar Nederland met 4 duizend.
  • Algemene trend 2005-2014. Er is een duidelijke stijgende trend in het aantal immigranten uit deze landen van 2005 tot en met 2014. Als gevolg van deze trend groeide sinds de toetreding de immigratie jaarlijks met 2,6 duizend. De verdere toename van de immigratie uit deze landen in 2015 en 2016 (zie figuur 4.1.1) was niet structureel, maar hing samen met de toen gunstige economische conjunctuur in Nederland.
  • Vrije arbeidsmarkt vanaf 2007. Burgers van de landen die in 2004 toegetreden zijn tot de EU hebben vanaf halverwege 2007 het recht gekregen om zonder werkvergunning in Nederland te werken. Deze verandering is vanaf 2008 te zien in de immigratiecijfers. Als gevolg van deze verandering ligt de immigratie uit deze landen naar schatting structureel 2 duizend hoger.
  • Economie. Net als bij de oude lidstaten hangt ook voor de 2004-lidstaten de omvang van de immigratie samen met de economische conjunctuur. Voor de 2004-lidstaten wordt de samenhang tussen economie en immigratie uit data vanaf 2008 geschat, aangezien personen uit deze lidstaten vanaf toen in Nederland konden komen werken. Een toename van het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werklozen met duizend op jaarbasis geeft naar schatting jaarlijks 10 extra immigranten.
  • Brexit. Tot slot wordt aangenomen dat de Brexit invloed heeft op het aantal personen dat uit deze landen naar Nederland immigreert. Een deel van de immigranten uit de landen die in 2004 lid werden van de EU die zonder een Brexit naar het Verenigd Koninkrijk zou zijn gegaan, komt nu mogelijk naar Nederland (zie ook Office for National Statistics, 2017). Op basis van de regressiemodellen wordt geschat dat hierdoor na 2016 een nieuwe stijgende trend is ingezet, waardoor de immigratie uit deze landen jaarlijks met 1,2 duizend groeide.

Samen verklaren deze factoren 84 procent van de immigratiepatronen in het verleden. De eerste drie factoren (toetreding, algemene trend en toegang tot arbeidsmarkt) hangen direct of indirect samen het met lid worden van de EU. In totaal ligt de immigratie uit deze landen in 2019 structureel 32 duizend immigranten hoger als gevolg van het lid worden van de EU. De verwachting is dat een deel van deze toename tijdelijk zal zijn. Dit omdat waarschijnlijk steeds meer arbeidskrachten in de herkomstlanden zelf nodig zullen zijn aangezien de economieën in deze landen groeien en de werkloosheid er relatief laag is (zie ook ABN AMRO, 2019). De aanname is dat deze daling de komende vijf jaar nog niet plaats zal vinden en dat in de tien jaar daarna de immigratie geleidelijk met 8 duizend zal afnemen. De trend als gevolg van de Brexit wordt in vijf jaar geleidelijk afgebouwd. Aangezien deze trend er nog niet lang is, wordt voor deze prognose aangenomen dat de trend niet lang aanhoudt.

4.1.3 EU-Oost: EU-uitbreiding 2007

In 2007 zijn Bulgarije en Roemenië lid geworden van de EU. Ook vanuit deze landen is het aantal immigranten duidelijk toegenomen. Zo was het aantal immigranten uit Bulgarije en Roemenië in 1999 minder dan duizend en in 2019 bijna 19 duizend. Voor het opstellen van de immigratieprognose voor deze landen wordt vrijwel hetzelfde model gebruikt als voor de landen die in 2004 toegetreden zijn tot de EU:

  • Toetreding tot EU in 2007. De immigratie uit deze landen ligt structureel 6 duizend hoger als direct effect van hun toetreding tot de EU.
  • Vrije arbeidsmarkt 2014. Personen uit deze landen hebben in 2014 rechten gekregen om in andere EU-lidstaten te werken. Dit heeft de immigratie naar schatting structureel met nog eens 2,4 duizend verhoogd.
  • Economie. Voor Bulgarije en Roemenië is ervoor gekozen om de samenhang tussen de immigratie en de economische conjunctuur te schatten op data vanaf 2008, net als bij de toetreders uit 2004. Deze groep kon weliswaar pas vanaf 2014 zonder werkvergunning in Nederland aan de slag, maar wanneer het economie-effect op basis van data vanaf 2014 geschat zou worden, zou er te weinig data zijn voor een redelijke schatting van de mate waarin immigratie uit deze landen samenhangt met conjunctuurbewegingen van de economie. Een toename van het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werklozen met duizend op jaarbasis geeft naar schatting jaarlijks 4 extra immigranten.
  • Brexit. Tot slot is ook hier de Brexit gekoppeld aan het immigratiepatroon uit deze landen. Na 2016 is een trend ingezet waardoor de immigratie jaarlijks met naar schatting 2,6 duizend groeide.

Deze factoren verklaren 94 procent van de variantie in het aantal immigranten dat in het verleden naar Nederland kwam. Net als bij de toetreders in 2004 is er vanuit Bulgarije en Roemenië een structurele stijging geweest in de immigratie als gevolg van het lid worden van de EU (het toetreden en het recht om in alle lidstaten te kunnen werken). Ook bij deze groep is de aanname dat een deel van deze stijging (een kwart) tijdelijk zal zijn en dat de immigratie uit deze landen daardoor op termijn weer zal gaan dalen. Aangezien Bulgarije en Roemenië zeven jaar later vrije toegang hebben gekregen tot de Nederlandse arbeidsmarkt dan de groep landen die in 2004 toegetreden zijn, wordt verondersteld dat de daling ook zeven jaar later begint dan bij de toetreders uit 2004. Ook de Brexit-trend wordt een aantal jaar doorgetrokken.

4.1.4 EU-Oost: Kroatië (EU-uitbreiding 2013)

In (juli) 2013 is Kroatië lid geworden van de EU. Het aantal personen dat uit Kroatië naar Nederland immigreerde was voorafgaand aan het lidmaatschap van de EU zeer beperkt. Na toetreding tot de EU is dit aantal duidelijk toegenomen.

4.1.4.1 Immigratie vanuit Kroatië
JaarTotaalKroatiëKroatisch voormalig Joegoslavië
199940230372
200038523362
200124615231
200218616170
20031415136
200498791
20051115106
20061234119
20071137106
200814310133
20091469137
20101744170
201119929170
201221622194
201333041289
201441588327
2015405134271
2016424171253
2017505207298
2018606282324
20191012570442

Kroatië is een soevereine staat sinds het in 1991 de onafhankelijkheid uitriep en zich hiermee los maakte van het voormalige Joegoslavië. In de CBS-statistieken wordt voor het afleiden van de migratieachtergrond gebruik gemaakt van het land waarin iemand geboren is. Wanneer naar de immigratiecijfers van Kroatië gekeken wordt, bevatten deze alleen personen die na 1991 geboren zijn (want zij zijn in het land Kroatië geboren, zie donkerblauwe lijn). Een deel van de overige immigranten die nu in Kroatië wonen heeft in deze statistieken als geboorteland voormalig Joegoslavië. Op basis van in welke regio in voormalig Joegoslavië personen geboren zijn, kan een schatting gemaakt worden van het aantal personen dat in “Kroatisch voormalig Joegoslavië” geboren is (de groene lijn). Samen geeft dit een schatting van het totale aantal Kroaten dat in het verleden naar Nederland is gekomen (de lichtblauwe lijn).

Eind jaren ’90 waren de immigranten uit Kroatië voornamelijk personen die als asielimmigrant naar Nederland zijn gekomen vanwege het conflict in voormalig Joegoslavië. Om een betrouwbare prognose te krijgen voor toekomstige ontwikkelingen wordt voor de Bevolkingsprognose 2020-2070 alleen gekeken naar het aantal personen dat vanaf 2005 (na de periode van asielimmigratie als gevolg van dit conflict) vanuit Kroatië naar Nederland is gekomen. Kroatië is in 2013 lid geworden van de EU en vanaf 2018 kunnen Kroatische burgers zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland komen werken (IND, 2018). Deze gebeurtenissen zijn echter te recent om de effecten hiervan op de immigratie goed in kaart te kunnen brengen, te meer deze deels samenvallen met de Brexit (die in andere toetredende landen een rol lijkt te spelen). Daarom wordt voor Kroatië een eenvoudiger model gebruikt om het aantal immigranten te schatten op basis van de trend in de immigratie sinds 2005. De trend wordt geschat op een jaarlijkse groei van de immigratie met ongeveer 50 personen. Vanwege het toetreden tot de EU, het recht hebben om te werken in Nederland en mogelijk vanwege de Brexit, is de verwachting dat deze stijging nog een tijd zal aanhouden. De trend wordt daarom tien jaar doorgetrokken en in deze periode geleidelijk afgebouwd.

4.1.5 EU-West: Verenigd Koninkrijk (uitgetreden in 2020)

In 2016 stemde in het Verenigd Koninkrijk een meerderheid van de kiezers voor een vertrek uit de EU en in 2020 verliet dit land officieel de EU. Deze Brexit heeft op verschillende manieren invloed op het aantal immigranten dat naar Nederland komt. Ten eerste zijn er personen van elders die zonder een Brexit naar het Verenigd Koninkrijk zouden gaan, maar die nu naar Nederland komen. Zoals eerder aangegeven is hier bij het schatten van het aantal immigranten uit verschillende Europese landen ook rekening mee gehouden. Ten tweede kan de Brexit invloed hebben op het aantal personen dat uit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland komt. Tot nog toe is dit niet zichtbaar: de immigratie uit het Verenigd Koninkrijk heeft zich sinds 2017 op dezelfde manier ontwikkeld als de immigratie uit de andere oude EU-lidstaten. Dezelfde factoren als voor de oude Europese lidstaten blijken een goede verklaring voor het immigratiepatroon uit het Verenigd Koninkrijk:

  • Trend. Jaarlijks groeit de immigratie naar schatting met 200 als gevolg van een trend die inzette vanaf 2006.
  • Economie. Een toename van het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werklozen met duizend op jaarbasis geeft naar schatting jaarlijks 4 extra immigranten uit het Verenigd Koninkrijk.

De trend en de economie verklaren 79 procent van de variantie van het aantal immigranten dat vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland kwam. De trend wordt in vijf jaar tijd geleidelijk afgebouwd. De reden dat deze trend niet langer doorgetrokken wordt is dat de Brexit – in prognosetermen – een relatief nieuw proces is. Daarom is het op dit moment nog niet zeker op welke manier de Brexit het aantal immigranten vanuit het Verenigd Koninkrijk in de verdere toekomst gaat beïnvloeden.

4.1.6 EU-totaal

Figuur 4.1.6.1 geeft de immigratieprognose uit de EU-landen inclusief het Verenigd Koninkrijk weer rekening houdend met corona. Voor de toekomst worden geen asielimmigranten uit deze landen verwacht. Na de daling in 2020 als gevolg van corona neemt de immigratie vanaf 2021 weer toe. Op lange termijn wordt verwacht dat ongeveer 120 duizend personen per jaar uit deze landen naar Nederland zullen komen.

Deze figuur laat zien dat het aantal immigranten dat jaarlijks vanuit de Europese Unie, inclusief het Verenigd Koninkrijk, naar Nederland komt tussen 1999 en 2019 is vervijfvoudigd tot 112 duizend personen.  Na een dip in 2020 en 2021 door corona zal de immigratie vanuit de EU naar verwachting in de jaren daarna weer verder stijgen om op termijn uit te komen op ruim 120 duizend per jaar. 

4.2 Veronderstellingen overig Europa

Een aantal Europese landen is geen lid van de EU (geweest). Denk hierbij aan landen zoals enkele Balkanlanden (bijvoorbeeld Bosnië-Herzegovina, Montenegro en Servië), IJsland, Noorwegen, Oekraïne, Rusland en Zwitserland.

Voor deze prognosegroep was er eind jaren ’90 een flinke stijging van het totale aantal immigranten. Dit werd veroorzaakt door de conflicten in (voormalig) Joegoslavië. Het aantal asielimmigranten wordt voor de Bevolkingsprognose apart berekend. Daarom wordt ook voor de overige Europese landen het aantal immigranten gemodelleerd en geschat minus het aantal asielimmigranten. Ook hier zijn de twee standaardvariabelen (trend en economie) een goede verklaring voor deze immigratiestroom:

  • Trend. Het aantal immigranten dat uit deze landen naar Nederland komt stijgt sinds 2008. Een mogelijke oorzaak voor deze trend is indirect de uitbereiding van de EU. Zoals eerder aangegeven hebben de landen die in 2004 toegetreden zijn tot de EU halverwege 2007 rechten gekregen om zich vrij te vestigen in Nederland. Dit geldt niet voor landen buiten de EU. Het is echter mogelijk dat het bedrijfsleven in Nederland vanwege deze toetreding meer ingespeeld raakte op buitenlandse werknemers en dat daarom ook buitenlands arbeidspotentieel van buiten de EU aangetrokken werd. Jaarlijks groeit de immigratie uit deze landen naar schatting met 600 door deze trend.
  • Economie. Een toename van het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werklozen met duizend op jaarbasis geeft jaarlijks naar schatting 3 extra immigranten uit overig Europa.

Samen verklaren deze twee factoren 98 procent van het aantal immigranten uit overig Europa. Aangezien de trend al langer bestaat en de komende jaren mogelijk nog verstrekt wordt door de Brexit, wordt verwacht dat ook de komende tien jaar de immigratie uit deze landen verder zal stijgen.

Figuur 4.2.1 geeft de prognose voor deze prognosegroep weer inclusief asielimmigratie en rekening houdend met corona. Op de lange termijn worden ongeveer 2 duizend asielimmigranten uit deze landen verwacht. Door corona was er een daling van het aantal immigranten uit deze landen. Op lange termijn wordt aangenomen dat jaarlijks ongeveer 17 duizend personen uit de overige Europese landen naar Nederland komen.

Deze figuur laat zien dat het aantal immigranten dat jaarlijks vanuit Europse niet-EU-landen naar Nederland komt tussen 2004 en 2019 is verdrievoudigd tot 12 duizend personen.  Na een dip in 2020 en 2021 door corona zal de immigratie vanuit de Europese niet-EU-landen naar verwachting in de jaren daarna weer verder stijgen om op termijn uit te komen op ruim 17 duizend per jaar.  

4.3 Veronderstellingen klassieke immigratielanden

4.3.1 Marokko en Turkije

De laatste 15 jaar zijn er jaarlijks gemiddeld ongeveer 2,4 duizend mensen uit Marokko naar Nederland geïmmigreerd en gemiddeld bijna 4 duizend uit Turkije. De aard van de immigratie uit deze landen kent een bijzonder patroon. Zo speelt gezinsimmigratie een belangrijke rol voor deze landen. Bij Marokkanen had meer dan 70 procent van de immigratie in de periode 1999-2018 gezin als motief, waarbij het zowel om gezinsvormende migratie kon gaan als om immigranten die meereisden met een gezinslid dat met een ander motief migreerde. Bij Turken was dit iets minder dan de helft; bij hen was arbeid ook een relatief veel voorkomend migratiemotief (zie ook bijlage 2). Vanwege dit bijzondere patroon worden voor deze twee landen andere modellen gebruikt om de aantallen immigranten in de toekomst te schatten.

Als indicatie voor gezinsimmigratie wordt gekeken naar cijfers over migratiehuwelijken. Een migratiehuwelijk is een huwelijk met een persoon van de eerste generatie die in hetzelfde kalenderjaar immigreert en trouwt met iemand van dezelfde achtergrond die al in Nederland woont (CBS StatLine 2020d). De figuren 4.3.1.1. en 4.3.1.2 geven voor respectievelijk Marokko en Turkije het aantal migratiehuwelijken (donkerblauwe lijnen), het aantal niet-asielimmigranten zonder migratiehuwelijk (de groene lijnen) en het totale aantal niet-asielimmigranten (lichtblauwe lijn) weer.

4.3.1.1 Niet-asielimmigratie1) vanuit Marokko
JaarTotaal (x 1 000)Migratiehuwelijk (x 1 000)Zonder migratiehuwelijk (x 1 000)
19994,60
20004,32
20015,191,823,37
20025,161,793,37
20034,871,453,42
20043,631,042,59
20052,340,821,52
20062,060,601,46
20071,710,471,24
20082,100,511,59
20092,380,591,79
20102,331,101,23
20112,660,921,74
20122,250,871,38
20132,290,911,38
20142,340,891,45
20151,920,751,17
20162,220,721,50
20172,490,791,70
20183,280,842,44
20193,580,962,62
1) Cijfers over migratiehuwelijken zijn vanaf 2001 beschikbaar.

4.3.1.2 Niet-asielimmigratie1) vanuit Turkije
JaarTotaal (x 1 000)Migratiehuwelijk (x 1 000)Zonder migratiehuwelijk (x 1 000)
19994,38
20004,52
20015,182,183,00
20025,782,413,37
20036,501,854,65
20044,491,483,01
20053,320,942,38
20063,100,762,34
20072,760,642,12
20083,880,663,22
20094,010,853,16
20104,301,273,03
20113,951,002,95
20123,791,002,79
20133,700,982,72
20143,460,792,67
20153,560,812,75
20164,120,763,36
20175,160,774,39
20186,020,725,30
20196,350,845,51
1) Cijfers over migratiehuwelijken zijn vanaf 2001 beschikbaar.

Voor Marokko en Turkije worden de migratiehuwelijken en de overige immigratie apart geschat voor de Bevolkingsprognose 2020-2070. Het aantal migratiehuwelijken is in het verleden onder meer beïnvloed door veranderingen in de wetgeving rond het naar Nederland halen van een partner uit het buitenland. Zoals uit de figuren 4.3.1.1 en 4.3.1.2 blijkt is het aantal migratiehuwelijken uit beide landen in de laatste tien jaar relatief stabiel gebleven. Daarom wordt het gemiddelde aantal migratiehuwelijken in deze periode als schatting voor de toekomst genomen. Voor beide landen is dit ongeveer 900 immigranten per jaar.

Voor de aantallen overige immigranten uit deze landen (het aantal niet asiel-immigranten zonder de migratiehuwelijken) blijkt de economische situatie in Nederland wederom een goede verklaring. Een toename van het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werklozen met duizend op jaarbasis geeft naar schatting jaarlijks 2 extra immigranten uit Marokko en 3 extra immigranten uit Turkije. Daarnaast is er voor Turkije nog een significante trend zichtbaar vanaf 2008, net zoals die bij overige Europese landen te zien was. Elk jaar groeit de immigratie uit Turkije daardoor met ruim 100 personen. Mogelijke reden hiervoor is dat de arbeidsmarkt in Nederland als gevolg van de uitbreiding van de EU en de daarmee samenhangende stroom aan immigranten beter ingespeeld raakt op buitenlands arbeidspotentieel. De EEG (voorloper van de EU) en Turkije hebben in 1963 een associatieovereenkomst gesloten met als doel de relatie tussen Turkije en de EU te versterken (IND, 2020). Hierdoor is het makkelijker voor Turkse burgers om in de EU te werken en te wonen. Op basis van cijfers over de migratiemotieven is ook te zien dat het aantal arbeidsimmigranten uit Turkije vanaf 2008 is toegenomen (zie bijlage 2).

Figuur 4.3.1.3 geeft het aantal immigranten weer dat in de toekomst naar verwachting uit Marokko en Turkije naar Nederland komt inclusief asielimmigratie en rekening houdend met corona. Voor de langere termijn wordt van structureel ruim 400 asielimmigranten per jaar uit Turkije uitgegaan en krap 100 uit Marokko. Ook voor deze landen is op korte termijn een daling in het aantal immigranten als gevolg van corona zichtbaar. Bij beide landen, waar veel gezinsvormende migratie plaatsvindt, is aangenomen dat een aanzienlijk deel van de immigranten die door corona wegbleven na afloop van de pandemie alsnog naar Nederland komt. Op lange termijn wordt aangenomen dat er jaarlijks 3,2 duizend immigranten uit Marokko en ongeveer 7,2 duizend personen uit Turkije naar Nederland zullen komen.

Deze figuur laat zien dat het aantal immigranten dat vanuit Turkije naar Nederland komt in de periode 1999-2020 steeds hoger is dan het aantal immigranten uit Marokko.  Zowel de immigratie vanuit Marokko als vanuit Turkije nam van 2016 tot 2019 flink toe. Verwacht wordt dat na een dip in 2020 en 2021 door corona de immigratie vanuit Turkije op termijn uit zal komen op ruim 7 duizend personen per jaar, terwijl het aantal immigranten vanuit Marokko ruim 3 duizend bedraagt. 

4.3.2 Antillen, Indonesië en Suriname

Sinds 2005 komen jaarlijks ongeveer 3,5 duizend personen naar Nederland vanuit de Antillen, ongeveer 2 duizend uit Suriname en ongeveer 1,6 duizend uit Indonesië.

Voor de Antillen en Suriname blijkt de economie in Nederland samen te hangen met het aantal immigranten dat in het verleden jaarlijks uit deze gebieden naar Nederland kwam. Een toename van het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werklozen met duizend op jaarbasis geeft naar schatting 7 extra immigranten vanuit de Antillen en 3 vanuit Suriname. Verder zijn er voor deze landen geen duidelijke trends zichtbaar.

De economische situatie in Nederland hangt niet significant samen met het aantal immigranten dat uit Indonesië naar Nederland komt. De migratiemotieven van deze personen zijn anders. Voor hen is de studie het meest voorkomende motief (zie ook bijlage 2), waardoor de economische situatie in Nederland voor deze groep immigranten minder van invloed op de keuze om al dan niet naar Nederland te komen. Voor Indonesië wordt het aantal immigranten constant gehouden op het gemiddelde van de afgelopen twee decennia: ongeveer 1,7 duizend immigranten per jaar.

Figuur 4.3.2.1 geeft weer hoeveel personen uit de Antillen, Indonesië en Suriname naar verwachting naar Nederland zullen komen rekening houdend met corona. Vanuit deze landen worden weinig asielimmigranten verwacht. Ook hier wordt op korte termijn een daling verwacht samenhangend met corona. De samenhang met economie is voor de immigratie vanuit de Antillen sterker dan die vanuit Indonesië en Suriname. Zoals eerder aangegeven is de economische situatie in 2021 (volgens de prognose van het CPB) slechter dan de economische situatie in 2020. Daardoor wordt er voor de Antillen ook in dat jaar nog beperkte immigratie verwacht. Op langere termijn zullen naar verwachting jaarlijks ongeveer 3,9 duizend personen uit de Antillen naar Nederland komen. Na de dip in de immigratie als gevolg van het coronavirus wordt aangenomen dat jaarlijks ongeveer 2,5 duizend immigranten uit Suriname zich in Nederland zullen vestigen. Voor Indonesië wordt verwacht dat op de lange termijn bijna 1,7 duizend immigranten jaarlijks naar Nederland zullen komen.

Deze figuur laat zien dat gedurende de hele periode 1999-2020 het aantal immigranten uit de Antillen steeds hoger was dan het aantal immigranten uit Suriname en Indonesië.  Op termijn wordt uitgegaan van jaarlijks zo'n 3900 immigranten uit de Antillen, 2500 uit Suriname en 1700 uit Indonesië.  

4.4 Veronderstellingen Afrika

In de afgelopen decennia zijn er jaarlijks gemiddeld ongeveer 10 duizend personen uit Afrikaanse landen (exclusief Marokko) naar Nederland geïmmigreerd.

4.4.1 Immigratie vanuit Afrika (exclusief Marokko)
JaarTotaal (x 1 000)Asiel (x 1 000)Niet asiel (x 1 000)
199910,14,75,4
200013,27,75,5
200115,59,26,2
200216,19,86,2
20039,93,76,2
20047,01,15,9
20056,81,55,4
20066,51,45,1
20077,21,95,4
20089,82,96,9
200913,34,68,7
201011,73,38,4
20119,92,27,7
20127,61,75,9
201310,13,96,2
201411,55,65,9
201513,78,05,7
201614,37,56,7
201713,45,57,9
201814,74,410,3
201916,13,213,0

Een aanzienlijk deel van de immigratie uit Afrikaanse landen, gemiddeld meer dan een derde, bestaat uit asielimmigratie. Daarom wordt ook voor Afrika het aantal asielimmigranten apart geschat van het aantal dat een ander migratiemotief heeft. Het basismodel (trend en economie) blijkt ook een redelijk goede verklaring te zijn van Afrikaanse niet-asielimmigratie in het verleden.

  • Trend. Hoewel het aantal Afrikaanse immigranten vrij sterk schommelde in het verleden, komt dit voor belangrijk deel door schommelingen in asielimmigratie. Zoals aangegeven worden deze immigranten apart gemodelleerd. Voor de Afrikaanse immigratie minus de asielimmigratie is een model mogelijk waarbij op basis van en korte termijn, bijvoorbeeld vanaf 2016 een sterk stijgende trend gemodelleerd wordt. Hoewel dit model een goede fit met de data heeft is er voor gekozen niet van deze korte termijn stijging uit te gaan, omdat de trend betrekkelijk kort duurt en er geen duidelijke verklaring voor te geven is (beschikbare data geven geen aanleiding om aan te nemen dat dat deze stijging het resultaat is van de Brexit). Daarom is ervoor gekozen de trend te schatten op basis van data vanaf 1999 (ook dit model had een goede fit met de data). Op grond hiervan groeit de immigratie uit Afrikaanse landen naar schatting structureel met ruim 200 per jaar.
  • Economie. Een toename van het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werklozen met duizend op jaarbasis geeft naar schatting jaarlijks 7 extra immigranten uit Afrika per jaar.

Samen verklaren deze twee factoren 67 procent van de variantie in de aantallen niet-asielimmigranten die in het verleden naar Nederland kwamen. Om het aantal immigranten in de toekomst te voorspellen wordt de trend tien jaar doorgetrokken.

Figuur 4.4.2 geeft de aantallen immigranten voor Afrika (exclusief Marokko) in de toekomst inclusief asielimmigratie en rekening houdend met corona. Op de lange termijn worden ongeveer 5 duizend asielimmigranten per jaar verwacht. Ook voor Afrika is als gevolg van het coronavirus een daling in het aantal immigranten zichtbaar. Op langere termijn wordt verwacht dat jaarlijks in totaal 18,6 duizend personen zich vanuit Afrika in Nederland zullen vestigen.

Deze figuur laat zien dat de immigratie vanuit Afrika, exclusief Marokko, in de periode 1999-2019 een grillig verloop kent. De meeste immigranten kwamen in 2002 en 2019, in beide jaren ruim 16 duizend.  Naar verwachting zal het aantal immigranten vanuit Afrika na een dip in 2020 door corona in de komende jaren stijgen om op termijn uit te komen op bijna 19 duizend per jaar. 

4.5 Veronderstellingen Azië

In de Bevolkingsprognose 2020-2070 is Azië opgesplitst in twee delen. De groep Aziatische landen die in het Midden-Oosten ligt (zoals Syrië) en de meer Oostelijke Aziatische landen (zoals China en India).

4.5.1 Aziatisch Midden-Oosten

Uit Aziatische landen die in het Midden-Oosten liggen komen relatief veel asielimmigranten naar Nederland.

4.5.1.1 Immigratie vanuit Aziatisch Midden-Oosten
JaarTotaal (x 1 000)Asiel (x 1 000)Niet asiel (x 1 000)
199911,89,72,1
200013,111,02,1
200112,09,52,5
20027,54,82,7
20035,32,43,0
20043,70,73,0
20053,80,83,0
20064,01,03,0
20074,92,02,9
20087,13,53,7
20097,73,44,3
20107,12,74,4
20117,32,94,4
20126,83,13,7
20138,34,53,8
201414,110,43,7
201527,523,14,4
201639,634,25,3
201725,117,47,6
201814,37,07,3
201916,67,09,6

Een groot deel van de totale immigratie van de totale immigratie uit de Aziatische landen in het Midden-Oosten is asielimmigratie. Rond 2016 is een piek te zien in het aantal immigranten dat uit deze landen naar Nederland kwam als gevolg van de oorlog in Syrië. De niet-asielimmigratie is de afgelopen twintig jaar geleidelijk toegenomen. In 1999 kwamen iets meer dan 2 duizend niet-asiel immigranten uit deze landen naar Nederland en in 2019 is dit opgelopen tot meer dan 9 duizend. Een combinatie van een trend en de economie geeft een goede verklaring van de ontwikkeling van deze immigrantenstroom:

  • Trend. Voor de Aziatische landen in het Midden-Oosten is er een duidelijke gestaag groeiende trend over de hele waarneemperiode van het aantal immigranten dat naar Nederland is gekomen. Op basis van deze trend groeit het aantal immigranten in de toekomst jaarlijks met krap 300.
  • Economie. Een toename van het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werklozen met duizend op jaarbasis geeft naar schatting per jaar 4 extra immigranten uit deze landen.

Samen verklaren deze twee factoren 86 procent van de aantallen immigranten in het verleden. De trend in het aantal immigranten uit de Aziatische landen in het Midden-Oosten (asielimmigratie buiten beschouwing gelaten) bestaat zoals gezegd al langere tijd. Daarom wordt voor het opstellen van de prognose voor deze landengroep de trend de komende tien jaar doorgetrokken.

Figuur 4.5.1.2 geeft de totale prognose voor de Aziatische landen uit het Midden-Oosten weer inclusief asielimmigratie en rekening houdend met corona. Voor de lange termijn wordt van structureel 9 duizend asielmigranten per jaar uit het Aziatische Midden Oosten uitgegaan. Na een afname van de immigratie in 2020 als gevolg van corona is de verwachting dat op lange(re) termijn jaarlijks ongeveer 20 duizend immigranten vanuit de Aziatisch landen in het Midden-Oosten naar Nederland zullen komen.

Deze figuur laat zien dat het aantal immigranten  vanuit Aziatisch Midden-Oosten steeg van 7 duizend in 2012 tot  40 duizend personen in 2016.  Daarna nam de immigratie weer af tot ruim 12 duizend personen in 2020. Naar verwachting zal de immigratie vanuit Aziatisch Midden-Oosten de komende jaren weer aantrekken om  op termijn uit te komen op 20 duizend personen per jaar. 

4.5.2 Oostelijk Azië

Voor de Oost-Aziatische landen (onder andere China, India, Zuid-Korea, Vietnam, de Filipijnen en Sri Lanka; uitgezonderd Japan en Indonesië) is er een duidelijk stijgende trend in het aantal immigranten vanaf 1999. Waar in 1999 iets meer dan 5 duizend immigranten uit deze landen naar Nederland kwamen, is dit in 2018 opgelopen tot meer dan 25 duizend. Er zijn twee factoren die de ontwikkeling van de immigratie uit deze landen verklaren:

  • Trend. Er is voor deze groep landen duidelijk een stijgende trend zichtbaar voor de waarneemperiode (1999-2019). Op basis van deze trend vanaf 1999 groeit de immigratie uit deze landen jaarlijks naar schatting met 1,1 duizend.
  • Economie. Een toename van het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werklozen met duizend op jaarbasis geeft naar schatting jaarlijks 12 extra immigranten uit Oostelijk Azië.

Samen verklaren deze twee factoren 95 procent van de variantie in het aantal immigranten dat in het verleden naar Nederland is gekomen. Aangezien het om een langjarige trend gaat, wordt aangenomen dat de komende tien jaar ook nog extra immigranten uit deze landen naar Nederland zullen komen. In die tien jaar wordt deze trend geleidelijk afgebouwd.

Figuur 4.5.2.1 geeft de totale prognose voor de Oost-Aziatische landen weer inclusief asielimmigratie en rekening houdend met corona. Voor de lange termijn wordt van structureel 700 asielmigranten per jaar uit Oostelijk Azië uitgegaan. In 2020 is het aantal immigranten uit deze landen sterk gedaald als gevolg van het coronavirus. Verwacht wordt dat het aantal immigranten vanaf 2021 weer toe zal nemen. Op langere termijn zullen naar verwachting jaarlijks ongeveer 35 duizend personen uit Oostelijk Azië naar Nederland komen.

Deze figuur laat zien dat de immigratie vanuit Oostelijke Azië in de periode 1999-2019 is vervijfvoudigd tot 30 duizend personen.  Naar verwachting zal het aantal immigranten vanuit Oostelijke Azië na een dip in 2020 en 2021 de eerste jaren weer verder stijgen om op termijn uit te komen op ruim 35 duizend per jaar. 

4.6 Veronderstellingen Latijns-Amerika

Van 1999 tot en met 2007 lag het aantal immigranten uit Latijns-Amerika ongeveer rond de 4 duizend. Daarna was er een stijging. In 2019 kwamen er bijna 12 duizend personen uit Latijns-Amerikaanse landen naar Nederland.

  • Trend. Als gevolg van een stijgende trend vanaf 2008 groeit de immigratie uit deze landen jaarlijks met 500 personen.
  • Economie. Een toename van het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werklozen met duizend op jaarbasis geeft naar schatting jaarlijks 4 extra immigranten uit Latijns Amerika.

96 procent van de variantie in het aantal immigranten dat in het verleden uit deze landen naar Nederland kwam, wordt verklaard door deze twee factoren. Aangezien het een redelijk stabiele en consequente trend is die reeds enkele jaren duurt, wordt aangenomen dat ook de komende tien jaar nog extra personen uit deze landen naar Nederland zullen komen. De trend zal in deze tien jaar geleidelijk afgebouwd worden.

Figuur 4.6.1 geeft de totale prognose voor Latijns-Amerikaanse landen weer inclusief asielimmigratie en rekening houdend met corona. Asielimmigratie speelt geen grote rol bij immigratie uit deze regio en dat wordt ook voor de toekomst verondersteld: er wordt uitgegaan van minder dan honderd asielmigranten per jaar structureel. Na een daling in 2020 als gevolg van het coronavirus wordt verwacht dat op lange termijn jaarlijks ongeveer 14,8 duizend personen uit Latijns-Amerika zullen komen om zich in Nederland te vestigen.

Deze figuur laat zien dat het aantal immigranten vanuit Latijns-Amerika in de periode 1999-2019 verdrievoudigde tot ruim 12 duizend personen. Naar verwachting zal de immigratie vanuit Latijns-Amerika na een dip in 2020 door corona in de komende jaren verder stijgen om op termijn uit te komen op bijna 15 duizend personen. 

4.7 Veronderstellingen overig buiten Europa (Noord-Amerika, Japan en Oceanië)

Het gaat hier om landen uit Noord-Amerika, uit Oceanië en om Japan. Ook voor deze landengroep blijkt het traditionele model met een trendfactor en een factor voor de economie in Nederland een goede verklaring voor de waargenomen immigratiepatronen.

  • Trend. Als gevolg van de stijgende trend in de immigratie vanaf 2008 groeit de immigratie uit deze landen jaarlijks met naar schatting 500 personen.
  • Economie. Een toename van het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werklozen met duizend op jaarbasis geeft naar schatting jaarlijks 4 extra immigranten uit deze landen.

Samen verklaren deze twee factoren 99 procent van de variantie van de immigratie in het verleden. Aangezien het hier ook om een jarenlange trend gaat, is ook hier de aanname dat deze trend ook de komende jaren zal doorzetten. In tien jaar tijd wordt deze stijging geleidelijk afgebouwd.

Figuur 4.7.1 geeft het verwachte aantal immigranten voor deze landengroep weer, op basis van de trend, de economie en corona. Asielimmigratie uit deze landen is zeldzaam. Ook hier is de verwachting dat het aantal immigranten na de daling als gevolg van het coronavirus na 2020 weer zal toenemen. Op de langere termijn zullen jaarlijks naar verwachting ongeveer 14 duizend personen uit deze landen zich in Nederland vestigen.

Deze figuur laat zien dat het aantal immigranten uit overig buiten Europa in de periode 1999-2019 verdubbelde tot bijna 12 duizend.  Naar verwachting zal de immigratie uit overig buiten Europa na een dip in 2020 door corona weer verder stijgen en op termijn jaarlijks ruim 14 duizend personen bedragen.  

4.8 Veronderstellingen immigratie (remigratie) van in Nederland geboren personen

In de voorgaande paragrafen ging het om de immigratie van mensen met een eerste generatie migratieachtergrond, dat wil zeggen immigranten die in het buitenland geboren zijn. Er zijn echter ook personen die in Nederland geboren zijn en die, nadat zij naar het buitenland geëmigreerd zijn, naar verloop van tijd terugkomen naar Nederland. Hieronder vallen zowel personen met een Nederlandse achtergrond (beide ouders in Nederland geboren) als personen met een tweede generatie migratieachtergrond (zelf in Nederland geboren, met minimaal één ouder die niet in Nederland geboren is).

In 2019 kwamen meer dan 35 duizend in Nederland geboren personen terug naar Nederland nadat zij eerder geëmigreerd waren. Het model om het aantal immigranten dat in Nederland geboren is te kunnen schatten is gebaseerd op terugkeercijfers. Van de emigranten met een Nederlandse achtergrond keerde in het verleden ruim 70 procent uiteindelijk weer terug. Van de emigranten met een tweede generatie migratieachtergrond deed ongeveer 55 procent dit.

Het aantal in Nederland geboren immigranten voor de toekomst wordt geschat door het percentage dat terugkeert toe te passen op het aantal in Nederland geboren emigranten. De daling van het aantal in Nederland geboren personen dat emigreert door de coronapandemie geeft de komende jaren een verlaging van de immigratie van deze groep. Figuur 4.8.1 geeft de verwachte immigratieaantallen voor de toekomst weer. Voor de komende jaren wordt eerst een daling verwacht als gevolg van de coronapandemie en op termijn zal het aantal in Nederland geboren immigranten naar verwachting ongeveer 32 duizend per jaar zijn.

Deze figuur laat zien dat het aantal in Nederland geboren personen dat naar Nederland immigreert tussen 2005 en 2019 een stijgende lijn vertoont. In 2019 ging het om bijna 36 duizend personen. Naar verwachting daalt dit aantal de komende jaren om daarna weer te stijgen tot bijna 33 duizend.  

4.9 Totale prognose immigratie

Figuur 4.9.1 geeft zowel het waargenomen als het verwachte totale aantal immigranten weer, dus voor alle prognosegroepen samen. Ter vergelijking is ook het verwachte aantal immigranten van eerdere prognoses weergegeven.

Deze figuur toont de totale immigratie volgens de bevolkingsprognoses van 2017, 2019 en 2020. Voor de langere termijn zijn er weinig verschillen tussen de prognoses van 2019 en 2020, wel worden er meer immigranten verwacht dan volgens de prognose van 2017. Er wordt vanuit gegaan dat het aantal immigranten de komende decennia waarschijnlijk (67% zekerheid) tussen de 240 duizend en 360 duizend per jaar zal bedragen.
Op korte termijn wordt een stijging van de immigratie verwacht na de dip als gevolg van corona. Voor de lange termijn gaat de Bevolkingsprognose 2020-2070 uit van ruim 290 duizend immigranten per jaar. Dit zijn ongeveer 28 duizend immigranten per jaar meer dan in 2019. De immigratie zal in de toekomst van jaar op jaar fluctueren. Daarom moet dit aantal van 290 duizend immigranten per jaar gezien worden als een schatting van het structurele niveau van de immigratie over een langere periode en niet als een puntschatting per jaar. In de inschatting van dit structurele niveau zitten nog grote onzekerheden als gevolg van onder andere de economische conjunctuur en internationale conflicten. Het CBS verwacht dat het aantal immigranten de komende decennia waarschijnlijk (met 67% zekerheid) tussen de 240 duizend en 360 duizend per jaar zal liggen.

Voor de lange termijn zijn er nauwelijks verschillen tussen de Kernprognose uit 2019 (Stoeldraijer, van Duin en Huisman, 2019) en de huidige prognose. De kleine verschillen komen doordat nu actuelere immigratiecijfers beschikbaar zijn (definitieve cijfers van 2019 en voorlopige maandcijfers uit 2020) en doordat er meer gedetailleerde modellen zijn gebruikt om de aantallen immigranten in de toekomst te schatten. Wel worden er meer immigranten verwacht dan in de Bevolkingsprognose 2017-2060 (Stoeldraijer, van Duin en Huisman, 2017). Hier spelen processen zoals de Brexit een rol. Ook bleek de stijging in de Europese immigratie langer aan te houden dan eerder verondersteld.

1) In 2019 zijn bijvoorbeeld naar verwachting meer dan 600 immigranten uit deze landen naar Nederland gekomen als gevolg van de (gunstige) economische situatie in Nederland (9 extra immigranten maal 69,8: de vraag naar buitenlandse arbeid in 2019). In 2021 wordt verwacht dat er 1 251 immigranten minder uit deze landen komen aangezien de economische prognose in dat jaar slechter is (9 maal -139).

5 Onzekerheid en het maken van prognoses

In dit artikel is beschreven hoeveel immigranten in de komende jaren en komende decennia naar verwachting naar Nederland zullen komen. De immigratie heeft een grillig patroon. Daarom is de voorspelling van het aantal immigranten dat in de toekomst naar Nederland komt met veel onzekerheden omgeven, waarbij die onzekerheden toenemen naarmate er verder vooruit wordt gekeken. Of personen naar Nederland immigreren, wordt bepaald door een complexe wisselwerking van push en pull factoren op zowel individueel niveau als landenniveau (OECD, 2009). Immigratie is daardoor (nog) moeilijker te voorspellen dan geboortecijfers, sterftecijfers en emigratiecijfers.

Desondanks is het mogelijk een onderbouwde prognose te maken van het verwachte aantal immigranten, omdat wel bekend is hoeveel immigranten de laatste jaren/decennia naar Nederland zijn gekomen én uit welke landen zij gekomen zijn. Deze gegevens kunnen gebruikt worden om verwachtingen op te stellen over het aantal immigranten dat in de toekomst naar Nederland komt. Bij de totstandkoming van deze CBS-prognoses is ervoor gekozen om in eerste instantie te kijken welke (inhoudelijke) factoren de immigratiepatronen in het verleden kunnen verklaren (denk aan de economische situatie in Nederland, de toetreding van landen tot de EU en de Brexit). Op grond van de bevindingen die daaruit naar voren komen worden verwachtingen voor de toekomst geformuleerd. Door middel van zogenaamde tijdreeksmodellen zou er ook voor gekozen kunnen zijn om immigratieaantallen te voorspellen zonder deze inhoudelijke factoren op te nemen. Deze keuze is echter niet gemaakt omdat dit een minder inzichtelijke onderbouwing van de verwachtingen geeft.

De grootste uitdaging bij het maken van prognoses is het opstellen van aannames over hoe bepaalde factoren ook in de toekomst de immigratie zullen beïnvloeden. Hoe goed de modellen om immigratie in het verleden te verklaren ook zijn, de uitkomsten zijn niet zonder meer door te trekken naar de toekomst. Er moeten veronderstellingen worden opgesteld om toekomstige immigratiepatronen te kunnen voorspellen. In dit artikel is steeds per inhoudelijke factor aangegeven voor hoe lang en in welke mate verwacht wordt dat deze de immigratie in de toekomst bepaalt. Ook is aangegeven waarom dit verwacht wordt. Verder is rekening gehouden met nieuwe factoren zoals het coronavirus. Op deze manier is de prognose in dit artikel een combinatie van cijfermatige kennis (aantallen immigranten in het verleden) aangevuld met inzichten en verwachtingen over toekomstige ontwikkelingen. Vanwege de onzekerheid zullen de veronderstellingen regelmatig getoetst en waar nodig bijgesteld worden aan de waargenomen ontwikkelingen.

6 Conclusie

Op 16 december 2020 is de Bevolkingsprognose 2020-2070 gepubliceerd. Hierin zijn de immigratieveronderstellingen ten opzichte van de editie uit 2017 aangepast. In dit artikel is in detail ingegaan op de vernieuwde en verbeterde aanpak die gebruikt is bij de totstandkoming van de immigratieveronderstellingen die ten grondslag liggen aan de prognose van december 2020.

In de nieuwe aanpak is gebruik gemaakt van meer recente (maandelijkse) data van immigratie naar migratieachtergrond in plaats data naar migratiemotief die minder snel beschikbaar zijn en ook alleen op jaarbasis. Verder is het aantal prognosegroepen waarover gepubliceerd wordt uitgebreid van 11 naar 13.

De immigratie van mensen met een eerste generatie migratieachtergrond wordt opgesplitst in asielimmigratie en niet-asielimmigratie. Het aantal toekomstige asielimmigranten voor Nederland wordt bepaald op basis van asielverzoeken in West-Europese landen en verdeeld naar de 13 prognosegroepen. Het aantal toekomstige niet-asielimmigranten wordt, per prognosegroep, via regressiemodellen geschat. In deze modellen wordt rekening gehouden met een trendmatige groei in de immigratie, de economische situatie in Nederland en specifieke factoren voor bepaalde groepen zoals toetreding tot de EU en de Brexit. De immigratie van mensen met een Nederlandse achtergrond en mensen met een tweede generatie migratieachtergrond wordt geschat met behulp van emigratiecijfers en terugkeercijfers. In de Bevolkingsprognose 2020-2070 worden voor de lange termijn in totaal ruim 290 duizend immigranten per jaar verwacht.

Sinds het begin van de coronapandemie is de immigratie naar Nederland gedaald. Daarom wordt voor de korte termijn verwacht dat de immigratie hierdoor lager zal liggen. Hiervoor zijn specifieke veronderstellingen opgesteld op basis van maandelijkse cijfers van de immigratie tot en met oktober 2020 en aannames over onder andere de duur van de pandemie, gewenning aan de situatie door immigranten en overheden en de economische effecten.

De toekomstige ontwikkeling van de internationale immigratie is erg onzeker. Het aantal immigranten kan van jaar tot jaar sterk veranderen, hetgeen onder meer samenhangt met de economische ontwikkelingen, internationale conflicten en regelgeving in Nederland en elders. De immigratie is daarom moeilijk voorspelbaar. De veronderstellingen voor de immigratie moeten dan ook gezien worden als een schatting van het structurele niveau waaromheen de migratieaantallen zullen fluctueren. Ook de inschatting van dit structurele niveau zelf kent grote onzekerheden. De veronderstellingen worden daarom regelmatig getoetst aan de waargenomen ontwikkelingen en zo nodig bijgesteld.

Referenties

ABN AMRO (2019). Oost west, thuis best. Special: Arbeidsmigratie. Economisch Bureau & Sector research. 

Bonten, J.M. (2020). Covid-19: hoe betrouwbaar zijn sneltesten? Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Nieuws, 7 oktober 2020. 

CBG (6 januari 2021). Tweede coronavaccin goedgekeurd voor Nederland en Europa

CBS (2020a). Welvaart in coronatijd

CBS (2020b). Wat zijn de economische gevolgen van corona? Dossier. 

CBS (2020c). Statistiek Migratiemotieven

CBS StatLine (2020a). Asielverzoeken; internationaal.

CBS StatLine (2020b). Vacatures; SBI 2008; naar economische activiteit en bedrijfsgrootte.

CBS StatLine (2020c). Arbeidsdeelname en werkloosheid per maand (12-uursgrens).

CBS StatLine (2020d). Huwenden; partnerkeuze van personen met migratieachtergrond.

CBS StatLine (2020e). Asielverzoeken en nareizigers; nationaliteit, geslacht en leeftijd.

CBS StatLine (2020f).Immigranten EU/EFTA; afgeleid migratiedoel, sociaaleconomische categorie.

CBS StatLine (2020g). Immigranten niet EU/EFTA; migratiemotief, sociaaleconomische categorie

CPB (2020a). Macro Economische Verkenning (MEV) 2021.

CPB (2020b). Langdurige effecten van de coronacrisis voor de arbeidsmarkt. CPB coronapublicatie, augustus 2020. 

CPB (2020c). Blijvende economische schade van de coronacrisis. CPB coronapublicatie, augustus 2020. 

CPC (2015). Evaluation of existing migration forecasting methods and models

Duin, C. van, L. Stoeldraijer en H. Nicolaas (2018). Bevolkingsprognose 2017–2060: veronderstellingen migratie. Statistische Trends, 18 oktober 2018. 

IND (2018). Kroaten per 1 juli vrij op arbeidsmarkt. Nieuwsbericht 2 juli 2018. 

IND (2020). Turkse burgers en hun gezinsleden

Ipsos (6 januari 2021). Nederlanders over de coronavaccinatie

Nicolaas, H. & Sprangers, A. (2006). Internationale migratie: Nederland in een Europese context. Mens en Maatschappij.

NIDI en CBS (2020). Bevolking 2050 in beeld. Drukker, diverser en dubbelgrijs. Deelrapport Verkenning Bevolking 2050. 7 juli 2020. 

OECD. (2009). The Future of International Migration to OECD Countries

OECD (2020). Tackling coronavirus (COVID‑19) Contributing to a global effort

Office for National Statistics (2017). Migration since the Brexit vote: what's changed in six charts

Our World in Data (2021). Coronavirus (COVID-19) Vaccinations

Rijksoverheid (2021). Vaccinatiestrategie, Flowchart

Stoeldraijer, L., C. van Duin en C. Huisman (2017). Bevolkingsprognose 2017–2060: 18,4 miljoen inwoners in 2060. Statistische Trends, 19 december 2017. 

Stoeldraijer, L., C. van Duin en C. Huisman (2019). Kernprognose 2019–2060: 19 miljoen inwoners in 2039. Statistisch Trends, 17 december 2019. 

Stoeldraijer, L., de Regt, S., van Duin, C., Huisman, C. en S. te Riele (2020). Bevolkingsprognose 2020-2070: Bevolking groeit langzamer door corona. Statistische Trends, 16 december 2020. 

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2020). Samenleven in verscheidenheid. Beleid voor de migratiesamenleving

Bijlage 1 Coronafactor per prognosegroep

Tabel B1 geeft de gemiddelde coronafactor per prognosegroep weer voor de periode april tot en met oktober 2020. Deze coronafactor wordt berekend vanaf april en niet vanaf maart aangezien de eerste lock down vanwege het corona-virus in Nederland halverwege maart ingevoerd werd. Oktober 2020 is de eindmaand van de berekening aangezien toen de meest recente immigratiecijfers beschikbaar waren voor het opstellen van de Bevolkingsprognose 2020-2070.

B.1.1 Coronafactor voor immigratie, april - oktober 2020
PrognosegroepCoronafactor
West-Europese landen EU (incl. VK)0,93
Midden- en Oost-Europese landen EU0,82
Overig Europa0,74
Marokko0,61
Turkije0,69
Antillen0,93
Indonesië0,63
Suriname0,94
Afrika0,47
Oostelijk Azië0,67
Aziatisch Midden-Oosten0,44
Latijns-Amerika0,61
Overig buiten Europa0,57

Indien de coronafactor 1 is, betekent dit dat de immigratie in 2020 exact hetzelfde was als in 2019 (rekening houdend met trendverschillen en verschillen in economische situatie). Dit zou betekenen dat corona geen (cijfermatige) invloed heeft gehad op de immigratie. Hoe lager de coronafactor hoe sterker het effect van corona op het aantal immigranten.

Gemiddeld genomen heeft corona cijfermatig het minste invloed gehad op de immigratie uit de oude EU-lidstaten (EU-West), de Nederlandse Antillen en Suriname. Uit deze landen is gemiddeld genomen minder dan 10 procent van de immigratie niet gekomen als gevolg van corona.

Het effect van corona was daarentegen het sterkst voor Afrikaanse landen en landen in het Midden-Oosten. Meer dan de helft van de immigratie die je normaal zou verwachten uit deze landen heeft niet plaatsgevonden als gevolg van de coronapandemie. Zoals in dit artikel beschreven is asielimmigratie een bepalend onderdeel van de immigratie uit deze landen. Het sterke effect van corona op de immigratie vanuit deze landen kan verklaard worden door feitelijk minder asielaanvragen en mogelijk ook door achterstanden in de verwerking van asielaanvragen als gevolg van capaciteitsproblemen bij de IND. Dit laatste is minder waarschijnlijk aangezien ook de maandelijkse data van asielaanvragen een afname van het aantal asielaanvragen in deze periode laten zien (CBS StatLine, 2020e).

Bijlage 2 Migratiemotieven

Deze bijlage bevat meer informatie over waarom immigranten zich in Nederland vestigen: voor gezin, arbeid, studie of met een overige/onbekende reden. Dit is gebaseerd op de Statistiek Migratiemotieven (CBS, 2020c). De motieven worden bekeken voor alle immigranten met een niet-Nederlandse nationaliteit. Voor deze statistiek wordt gekeken naar de nationaliteit van iemand op het moment van immigratie en niet naar het geboorteland (zoals migratieachtergrond in de rest van dit artikel gedefinieerd is). De cijfers naar migratiemotieven zijn beschikbaar tot en met 2018.

Migratiemotieven EU-/EFTA-landen

Figuur B2.1 toont de afgeleide migratiemotieven van immigranten die op het moment van immigratie de nationaliteit hadden van landen die op dat moment tot de Europese Unie (EU) of de European Free Trade Association (EFTA) behoorden (CBS StatLine, 2020f). Immigranten van binnen de EU/EFTA hebben geen verblijfsvergunning van de IND nodig. Het afgeleid migratiedoel is door het CBS bepaald op basis van activiteiten die de immigrant na immigratie in Nederland ontplooit.

B.2.1 Migratiemotieven van migranten met EU/EFTA-paspoort
JaarArbeid (x 1 000)Gezin (x 1 000)Studie (x 1 000)Nederlandse nationaliteit (x 1 000)Overig/onbekend (x 1 000)
19997,78,61,243,84,0
20008,69,01,244,44,3
20018,29,31,441,84,5
20027,18,81,537,54,6
20035,67,92,033,54,6
20046,510,43,231,96,5
20057,010,13,732,37,1
20068,811,64,336,87,3
200713,315,75,540,010,3
200817,918,47,643,813,1
200915,617,78,645,413,6
201017,318,510,744,414,4
201119,720,312,545,316,4
201219,620,913,743,316,6
201322,222,010,943,118,1
201429,023,49,544,319,7
201529,523,510,145,819,2
201632,024,711,249,120,7
201737,825,812,151,623,9
201840,024,414,853,130,7

Migratiemotieven niet-EU-/EFTA-landen

De figuren B2.2 tot en met B2.8 geven de migratiemotieven voor niet- EU-/EFTA-landen weer (CBS StatLine, 2020g). De bron voor het migratiemotief is de eerst verleende vergunning aan de immigrant. Deze informatie is afkomstig van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Bij de IND wordt per immigrant één migratiemotief vastgelegd.

B.2.2 Migratiemotieven van Marokkaanse immigranten
JaarArbeidGezinAsielStudieOverig/onbekend
19994039758028055
200055367515027565
20015044953023595
200250467525205105
2003135413020150170
200485282020120285
20054018251085135
20063514251595140
2007359701090140
20085511951580125
20095513651070155
20105013451530170
20116014151545285
20126010302040275
20136012001540135
2014551235203550
201530925353555
2016301145305075
20173012253570105
20184013851580440

B.2.3 Migratiemotieven van Turkse immigranten
JaarArbeidGezinAsielStudieOverig/onbekend
199915538002506075
2000210390555090110
20012804250330135165
20024204845155145120
2003900504085155185
2004260343550175315
2005310231535290200
2006320187545395165
2007350137580430185
20085651960135465310
2009555210555515280
2010835200060520295
2011555199065525245
2012480184545485325
2013490183550465190
201451517004552060
201552016303558565
201663018306067065
2017935231530085570
201812302500550980180

B.2.4 Migratiemotieven van Indonesische immigranten
JaarArbeidGezinAsielStudieOverig/onbekend
19991555901537060
20001356505552580
200118566010560150
2002235675062090
2003180665047075
20041504805460100
2005170450039585
2006195365044585
2007275300059585
20082353505560110
2009165340051595
2010110405061590
2011120430640120
20121153650570115
201316038569590
2014120440078555
2015130445085055
20161405505108550
2017140530086565
2018110545925120

B.2.5 Migratiemotieven van Surinaamse immigranten
JaarArbeidGezinAsielStudieOverig/onbekend
199915148530140130
20004517452516595
20018518355170105
20026019151015585
20031520655220165
2004251340580515
20051510200105180
200610675560265
200720650555295
2008356955100375
200930685085360
2010355405100340
201125585080275
2012154105120265
201310440585135
201420450510050
201510395512545
20161545014030
201710585517070
2018457505215205

B.2.6 Migratiemotieven van Afrikaanse immigranten
JaarArbeid (x 1 000)Gezin (x 1 000)Asiel (x 1 000)Studie (x 1 000)Overig/onbekend (x 1 000)
19990,366,161,130,980,43
20000,425,811,700,920,42
20010,466,781,820,970,48
20020,377,131,471,050,45
20030,536,610,590,870,56
20040,474,800,210,780,83
20050,344,220,220,860,59
20060,403,400,221,020,52
20070,482,600,241,040,60
20080,653,140,451,090,81
20090,503,730,301,191,06
20100,413,200,231,130,79
20110,543,210,190,900,95
20120,482,500,330,930,92
20130,552,901,341,000,67
20140,573,194,660,820,45
20150,642,497,310,900,46
20160,833,017,141,050,51
20170,923,485,181,140,76
20181,224,744,261,221,49

B.2.7 Migratiemotieven van Aziatische immigranten
JaarArbeid (x 1 000)Gezin (x 1 000)Asiel (x 1 000)Studie (x 1 000)Overig/bekend (x 1 000)
19991,615,012,721,340,32
20001,565,653,231,890,39
20011,815,763,153,100,54
20021,776,541,374,130,42
20031,666,820,653,980,49
20041,545,550,163,330,82
20052,195,570,193,320,81
20063,005,260,233,620,73
20074,124,460,523,730,93
20085,265,690,994,121,33
20094,336,050,754,511,32
20104,476,160,634,781,28
20115,726,340,765,071,23
20125,185,591,115,231,25
20135,196,092,075,480,97
20145,286,738,675,900,76
20156,247,2319,017,130,75
20167,288,8630,258,120,76
20178,4111,0815,739,060,90
20189,9811,006,529,711,27

B.2.8 Migratiemotieven van Amerikaanse immigranten
JaarArbeid (x 1 000)Gezin (x 1 000)Asiel (x 1 000)Studie (x 1 000)Overig/onbekend (x 1 000)
19991,574,930,160,770,49
20001,665,510,120,750,47
20011,605,530,040,850,55
20021,375,640,041,150,54
20031,215,540,031,050,55
20041,074,040,051,071,00
20051,343,850,071,200,73
20061,583,550,031,520,90
20071,713,220,021,540,95
20082,013,880,041,591,16
20091,583,640,031,681,27
20101,743,450,041,901,25
20111,863,560,032,201,06
20121,903,150,042,231,30
20132,043,180,052,630,96
20142,213,460,072,640,78
20152,513,610,093,490,88
20162,533,770,103,330,80