1906 Overzicht van de arbeidsmarkt en de bedrijfstoestand
In de negentiende eeuw zorgt de industriële revolutie voor een enorme sociale en economische verandering. Handwerk maakt plaats voor grootschalige fabrieksmatige productie die sneller en goedkoper is. Hierdoor worden producten voor consumenten betaalbaarder. Tegelijkertijd zorgen bezit van kapitaal, bevolkingsgroei en een arbeidsoverschot voor een grotere sociale ongelijkheid tussen ondernemers en arbeiders. Kinderarbeid, lage lonen, lange werkdagen, slechte woon- en werkomstandigheden en werkloosheid — samengevat als ‘de sociale kwestie’ — beheersen daarom het maatschappelijke debat vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw.
Kamers van Arbeid
Omdat de politiek vindt dat de overheid een taak heeft om bepaalde sociale vraagstukken op te lossen, komt er sociale wetgeving (zie ook de Tijdlijn Sociale zekerheid). In 1897 is de wet tot oprichting van de Kamers van Arbeid daar een van. De Kamers van Arbeid waren lokale overlegorganen om binnen een bedrijf of bedrijfstak de belangen van en samenwerking tussen werkgevers en werknemers te verbeteren. Werkgevers en werknemers kozen de leden van een Kamer en beide groepen waren in gelijke mate in een Kamer vertegenwoordigd. De Kamers hadden de taak om de lokale arbeidsomstandigheden te onderzoeken, daarover advies te geven aan de overheid en te bemiddelen bij arbeidsconflicten (Staatscourant, 1897).
Oorsprong in de arbeidsstatistiek
Vanaf 1901 moeten de Kamers van Arbeid voor de arbeidsstatistiek gegevens verzamelen bij werkgevers en werknemers. De gegevens gaan over lonen, arbeidsduur en allerlei andere thema’s die te maken hebben met de arbeidsverhoudingen. Het dan jonge CBS (zie ook Onze historie) ordent en publiceert die gegevens (CBS, 1902).
De rol in de statistiek is voor de Kamers niet makkelijk, want het kost ze veel tijd. Ook zijn de gegevens die ze ontvangen en opsturen niet altijd volledig, op tijd of volgens de juiste indeling (Zanten, 1902a). Verder zijn de publicaties van het CBS niet frequent en niet actueel genoeg om voor het werk van de Kamers erg nuttig te zijn (Zanten, 1902b). Mede om tegemoet te komen aan deze bezwaren, komt de overheid in 1906 met nieuwe regels voor de Kamers.
De Kamers hoeven na invoer van de nieuwe regels minder gegevens te verzamelen. Ervoor in de plaats moeten de Kamers het CBS elke maand een beschrijving geven over de toestand in het bedrijf en de stand van de arbeidsmarkt (Zanten, 1906; CBS, 1906a). Vanaf september 1906 schrijft het CBS hierover in het ‘Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek’ (CBS, 1906b). Het overzicht geeft een rijk beeld van de stemming in verschillende bedrijfstakken. Het gaat er bijvoorbeeld over of er meer of minder vraag is, wat de oorzaken daarvan zijn en de gevolgen voor de arbeidsmarkt. Deze beschrijving is te zien als een voorloper van de huidige conjunctuurenquête. Het eerste overzicht gaat over juli 1906.
‘Normale bedrijvigheid’
In de meeste bedrijfstakken heerst in juli 1906 tevredenheid en is er gewone periodieke bedrijvigheid, maar verschillen zijn er wel. Zo is er in de drie grootste steden minder vraag in de bouw en een te groot arbeidsaanbod. Dit laatste komt ook doordat arbeiders van het platteland naar de steden trekken. De houtbewerking, metaalindustrie, scheepsbouw, grafische vakken, textielnijverheid, bierbrouwerijen en mineraalwaterfabrieken melden normale of levendige bedrijvigheid. De tabaksindustrie kampt in die tijd met werkloosheid, maar ziet wel enige ‘verlevendiging’. De diamantindustrie beleeft een periode van grote bloei en het zomerseizoen brengt voor de kleermakerij, slagers en bakkers in sommige steden ‘slapte’. De bloembollenteelt en het logement- en koffiehuishoudersbedrijf ervaren juist seizoensdrukte. Ook was- en strijkinrichtingen hebben het dan overwegend druk (CBS, 1906b).
Eerste overzicht van den stand der arbeidsmarkt Juli 1906, 1 september 1906. Bron: CBS, 1906b.
Bezuiniging en verbetering
In 1913 vindt een wijziging in het overzicht plaats. De Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS) bepaalt dat het CBS nu om de drie maanden de informatie over de bedrijfstoestand en de stand van de arbeidsmarkt verzamelt en publiceert. Informatie over enkele bedrijfstakken die meer conjuncturele schommelingen ervaren, publiceert het CBS wel maandelijks. Ook stelt de CCS een betere bedrijfstakgroepering vast, wat tegelijkertijd een inkrimping betekent. Beschrijvingen over alleen de belangrijkste bedrijfstakken blijven behouden. De inlichtingen komen niet alleen meer van de Kamers van Arbeid, maar ook van de Kamers van Koophandel en Fabrieken en van werknemers- en vakorganisaties. Zo voldoet de CCS aan verzoeken van ministeries om op de kosten van het Maandschrift te bezuinigen en om het hoofdstuk inhoudelijk vollediger te maken (CBS, 1913).
De bedrijfstoestand tijdens de Eerste Wereldoorlog en het interbellum
Tot de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) is het economische leven volgens het overzicht best rustig. Met het uitbreken van de oorlog begint een abnormale, ongunstige periode. Hoewel Nederland tijdens de oorlog neutraal is, ervaart het wel de economische gevolgen ervan. Zo zorgt de oorlog eerst voor minder buitenlandse concurrentie, maar grondstof- en brandstoftekorten, uitvoerverboden en hoge vrachtprijzen vormen later steeds grotere belemmeringen voor de bedrijven (CBS, 1917).
Beknopt overzicht van den stand der arbeidsmarkt in de onderscheidene bedrijven, 31 oktober 1914. Bron: CBS, 1914.
Het einde van de oorlog brengt in 1919 herstel, maar dat is van korte duur. Vanaf de tweede helft van 1920 neemt de malaise volgens de bedrijven toe (CBS, 1921). Onzekerheid over het economisch klimaat, onvoldoende vraag, buitenlandse concurrentie, hogere productiekosten, niet lonende prijzen en vooral waardedalingen van buitenlands geld zorgen tot 1924 voor een voortdurende ongunstige bedrijfstoestand (CBS, 1923).
Vanaf 1924 blijft het economisch klimaat onzeker, maar de stemming wordt langzaamaan wel beter. Niet alleen neemt de binnenlandse vraag toe, ook de export wordt groter. Verschillende bedrijven beginnen de voordelen te ervaren van interne reorganisaties, massafabricage en efficiëntere en betere werkmethoden die ze in de jaren daarvoor doorvoerden (CBS, 1926).
In 1929 beginnen de afzetprijzen echter onder druk te staan (CBS, 1929). Nadat in oktober 1929 de aandelenkoersen plotseling instorten op de beurs van Wall Street, volgt een wereldwijde economische depressie. Vanaf 1930 melden de Nederlandse bedrijven dat de binnenlandse en buitenlandse afzetmogelijkheden meer en meer achteruitgaan (CBS, 1930a). De bedrijven ervaren afgenomen koopkracht, terughoudendheid bij afnemers, niet lonende prijzen, gebrek aan orders en handelsbelemmeringen door dalende koersen (CBS, 1930b). In 1933 lijkt de economie te stabiliseren, maar in 1934 valt zij verder terug. Vanaf de eerste helft van 1936 beginnen de ondernemers weer lichte tekenen van herstel te zien. De spanning tussen het binnen- en buitenlandse prijspeil wordt kleiner. Dit komt zowel door stijgende prijzen op de internationale markten, als door regeringsbeleid dat zich richt op lagere kosten. In het bijzonder dalen de lonen en de kapitaalrente. Sanering zorgt bij veel bedrijven voor een betere winstgevendheid en net als in 1925 profiteert Nederland van de economische opleving in de kolonie Nederlands-Indië (CBS, 1937).
In 1938 ervaren de bedrijfstakken die zich vooral op het buitenland richten opnieuw achteruitgang. Dit komt door de politieke spanningen in Europa en een nieuwe conjunctuurinzinking in de Verenigde Staten (CBS, 1939a). Door de expansiepolitiek van Nazi-Duitsland en de annexatie van Albanië door Italië verwacht men een mogelijke nieuwe oorlog. Dit zorgt in de eerste helft van 1939 voor investeringen in de landverdediging en voorraadvorming. Men probeert zoveel mogelijk goederen te importeren of te produceren, omdat men prijsstijgingen en schaarste bij een oorlog verwacht (CBS, 1939b,c). Bezuinigingen op gebieden die niet voor de oorlogsvoering of de landverdediging van belang zijn, remmen in de tweede helft van 1939 echter steeds meer de economische ontwikkeling (CBS, 1940).
Bedrijfstoestand, 29 november 1930. Bron: CBS, 1930b.
Tweede Wereldoorlog
Als in 1940 de Tweede Wereldoorlog in Nederland uitbreekt, bepalen de bezetters dat vrijwel alle economische gegevens geheim zijn. Dit betekent niet dat de statistiek stopt. Het CBS blijft de beschrijving van de bedrijfstoestand maken met verslagen van bedrijven, verenigingen van fabrikanten en werknemersorganisaties, met gegevens van overheidsinstellingen en economische statistieken en met artikelen uit dag- en vakbladen. Samen met andere statistieken publiceert het CBS de beschrijvingen in geheime edities van de ‘bijlage bij het Maandschrift’ die na de oorlog (1945) alsnog publiek worden (CBS, 1945). De beschrijving over de bedrijfstoestand en de arbeidsmarkt voegt het CBS in 1941 samen met de ‘Economische en Sociale Kroniek’. En het CBS doet een proefonderzoek om meer cijfermateriaal te krijgen voor een beter inzicht in de industrie (CCS, 1942). Je kunt hierin een eerste aanzet tot een moderne conjunctuurenquête zien.
Proefenquête, 1943. Bron: Nationaal Archief.
Tijdens de bezetting verschijnt de ‘Economische en Sociale Kroniek’ in de loop van 1943 niet meer. De publicatie wacht op censuur die de afdeling Volksvoorlichting en Propaganda van het Duitse Rijkscommissariaat vanaf dat jaar wilt toepassen (CBS, 1945). Wat het proefonderzoek betreft, is de tijd niet gunstig om nieuwe statistieken te beginnen (CCS, 1943).
De bedrijfstoestand tijdens de bezetting
Uit de beschrijvingen blijkt dat de bedrijfstoestand tijdens de bezetting steeds moeilijker wordt. Een tekort aan grondstoffen vormt een groot probleem. Door de oorlog daalt de invoer sterk. Nederland is afgesneden van belangrijke overzeese grond- en hulpstoffen en afhankelijk van wat nog over land binnenkomt (CBS, 1941a). De voorraden raken na het eerste bezettingsjaar op. De toenemende schaarste van grond- en hulpstoffen leiden tot steeds scherpere rantsoenering, toepassingsverboden en uiteindelijk tot gedwongen concentratie of stopzetting van de productie (CBS, 1941b, 1942b). Ook een groeiend gebrek aan brandstoffen en elektriciteits- en gasrantsoenen leiden tot een gehele of gedeeltelijke stilstand van fabrieken (CBS,1942a).
Om met de grondstoftekorten om te gaan, proberen fabrikanten hun productieprocessen aan te passen. Ze willen andere grondstoffen gebruiken en afval hergebruiken. Door de schaarse materialen kosten deze aanpassingen tijd (CBS, 1941a). Tegelijkertijd is de aanvoer van deze alternatieve hulpstoffen ook schaars of de kwaliteit is slechter. Doordat de stoffen moeilijker te verwerken zijn, is er meer arbeid nodig en daardoor daalt de productie (CBS, 1942a). Tekorten aan geschoold personeel zorgen ook voor een lagere kwaliteit en arbeidsproductiviteitsdalingen. Die arbeidstekorten ontstaan, doordat steeds meer geschoolde arbeidskrachten in Duitsland tewerkgesteld worden (CBS, 1942c).
Transportproblemen maken de situatie verder moeilijker. Brandstofschaarste en een tekort aan transportmiddelen (door invorderingen) maken het vervoer van goederen ongeregeld en traag. Spoorwegen en scheepvaart nemen steeds meer de rol van het wegvervoer over, maar hun capaciteit is beperkt. Goederen blijven lang onderweg, ook doordat zij meermaals moeten worden overgeladen. Verder klagen bedrijven over beschadiging en diefstal (CBS, 1941b). De productiekosten stijgen door al deze omstandigheden, maar bedrijven kunnen of mogen die niet volledig in prijzen doorberekenen. De bedrijven melden dan ook al snel een slechtere winstgevendheid. (CBS, 1941a).
In de eerste bezettingsjaren zijn er wel verschillen binnen de industrie. Fabrieken die binnenlandse grondstoffen verwerken of grondstoffen via het vasteland importeren, staan er over het algemeen wat beter voor. Maar vooral is de bedrijvigheid in veel fabrieken nog op een behoorlijk peil door directe en indirecte Duitse orders. De Duitse orders krijgen ook voorrang bij de verdeling van grond- en brandstoffen (CBS 1941b; CBS, 1942a).
De handel ziet de administratieve werkzaamheden veel toenemen, vooral door de complexe distributievoorschriften. Ook de emballage- en verpakkingswerkzaamheden vragen meer tijd omdat er, door rantsoenering, kleinere hoeveelheden afgeleverd moeten worden. Verder ervaart de handel lagere omzetten door de groter wordende schaarste. Met stijgende inkoopprijzen, regels rond verkoopprijzen en een verbod op hogere winstmarges zorgt dit in de handel voor een slechter wordende winstgevendheid (CBS, 1942c, 1942d).
In 1943 is de situatie dat de industrie steeds meer wordt ingezet voor de Duitse oorlogsvoering. De beperkte invoer die er is, is voor dit doel bestemd en komt vrijwel alleen uit Duitsland. Onder deze omstandigheden komt de productie voor de gewone binnenlandse markt meer en meer in het gedrang (CBS, 1945).
Stopzetting
Wanneer in 1948 de ‘Economische en sociale kroniek’ door bezuinigingen verdwijnt, stopt ook het overzicht van de bedrijfstoestand en de arbeidsmarkt (CBS, 1962a). Door het beschrijvende karakter ziet de CCS de Kroniek niet als een ‘pure’ statistische publicatie (CCS, 1950). Vanuit de oorsprong van de statistiek bekeken, is de noodzaak voor een beschrijvend overzicht na de oorlog ook kleiner, omdat de sociale kwestie dan al behoorlijk verbeterd is. En vanuit economische invalshoek zijn er inmiddels diverse statistieken die de economische ontwikkelingen wel uitdrukken in cijfers, iets wat het overzicht niet kon. Die economische en financiële statistieken ontstaan rond de Eerste Wereldoorlog uit de behoefte om handelsbeleid te voeren en zijn sindsdien uitgebreid (CBS, 1945). Zo start het CBS in 1924 met cijfermatig conjunctuuronderzoek en ontwikkelt het een economische barometer. Hiermee hoopte het signalen te vinden die waarschuwen voor omslagen in de economie. Mede onder leiding van Jan Tinbergen stelt het conjunctuurbureau van het CBS vanaf 1927 vele indicatoren samen die de economische ontwikkelingen beschrijven. Het CBS laat die indicatoren in onderling verband zien in conjunctuurlijnen: een grafische illustratie waarin de ontwikkeling van een indicator te zien is als afwijking van een meerjarige trend. Je zou hier de voorlopers van de Conjunctuurklok en het Dashboard Economie in kunnen herkennen. De verbanden tussen dit soort reeksen en indicatoren — die Tinbergen ook onderzocht — vormen later de bouwstenen voor de Nationale Rekeningen (CBS, 2025).