1954 Begin van de conjunctuurenquête
Tot aan het begin van de 20e eeuw overheerst het uitgangspunt dat markten vanzelf stabiliseren. Overheden grepen daarom nauwelijks in bij werkloosheid of recessies. Door de instabiele economie in de jaren dertig ontstaat bij economen, zoals John Maynard Keynes, het idee dat overheidsingrijpen nodig is om de conjunctuur te sturen. In recessies moet de overheid de vraag stimuleren met uitgaven en investeringen, en in periodes van oververhitting de vraag afremmen. Zo zou de overheid onvrijwillige werkloosheid en inflatie kunnen beheersen. Na de Tweede Wereldoorlog wordt deze conjunctuurpolitiek onderdeel van het economisch beleid in veel Westerse landen. Want voor de wederopbouw is een stabiele economie nodig, zo ook in Nederland.
Industrie- en productiviteitsbeleid
In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog richt het economisch beleid zich op herstel van de productie en de goederenvoorziening naar een vooroorlogs niveau (Boogaarts, 1989). De internationale handel begint weer op te bloeien, waarbij Nederlandse bedrijven hun positie als wereldwijde handelspartners herstellen. In 1946 is het aandeel van de import al bijna op het niveau van vlak voor de oorlog (zie ook de Tijdlijn Internationale handel).
Vanaf 1949 voert de Nederlandse overheid ook een industrialisatiepolitiek of structuurpolitiek (Maas, 1991). Om de groei van de beroepsbevolking op te vangen is economische groei nodig en dat moest van de industrie en via productiviteitsverbetering komen. Met industrialisatie-, productiviteitsnota’s en regionale ontwikkelingsplannen zet de overheid het beleid uiteen (Ramakers, 1997). Mede door de hoogconjunctuur was succes verzekerd (Baalen & Ramakers, 2001). Het zorgt ook in Nederland voor de ‘Gouden Jaren’, een naoorlogse lange periode van economische groei die meerdere geïndustrialiseerde, westerse landen dan doormaken. Tot en met 1960 neemt het aandeel van de industrie in de Nederlandse economie toe, tot bijna 44 procent (CPB, 2023).
Eerste conjunctuurenquête
Het CBS start in 1954 met een maandelijkse conjunctuurenquête, een van de vormen1) van economische voorspellingen die na de Tweede Wereldoorlog opkomt. Het CBS volgt hiermee het voorbeeld van het Duitse Institut für Wirtschaftsforschung (IFO). Door sneller inzicht te krijgen in de economische ontwikkeling kan de overheid een verantwoorde conjunctuurpolitiek voeren. De Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS) juicht het onderzoek toe. De CCS denkt dat het goed is om de publicatie over de bedrijfstoestand, die in 1948 door bezuinigingen stopte, in moderne vorm opnieuw leven in te blazen (CCS, 1954).
Als proef begint het CBS het onderzoek in de schoenindustrie (CCS, 1954). Het bedrijfsleven reageert positief, want in de jaren daarna breidt het onderzoek op eigen verzoek uit naar meer dan twintig andere bedrijfstakken in de industrie en bouw (Aanhangsel Handelingen II, 1961/62; CBS, 1962a). Zo ontstaat daarover een totaalbeeld dat het CBS in 1962 voor het eerst publiceert (CCS, 1961; CBS, 1962b). Naast de resultaten valt ook de snelheid van dit nieuwe CBS-onderzoek de Nederlandse pers op. Deze komt met koppen als ‘Supersnel’, ‘Zeer snelle CBS-indicaties‘ en ‘Conjunctuurtest geeft op korte termijn inzicht in de economische situatie’ (Diverse media, 1962).
‘Stijgende orderportefeuille’
Uit het eerste totaalbeeld dat het CBS publiceert, blijkt dat de gemiddelde dagproductie in de industrie in het vierde kwartaal van 1961 per saldo iets toeneemt. De arbeidsbezetting verandert in oktober 1961 vrijwel niet, maar over het geheel genomen stijgt deze licht in november en december. De stijging komt vooral uit de grondstoffen- en halffabricatenindustrie en de consumptiegoederenindustrie. De gemiddelde arbeidswerktijd verandert in die maanden niet.
Nadat in oktober 1961 de voorraden nog bij ruim de helft van de voorraad houdende bedrijven toenemen, blijven de voorraden in november en december onveranderd. Aan het einde van december vindt 15 procent van de bedrijven de voorraden te groot voor de tijd van het jaar en eveneens 15 procent vindt ze te klein.
De orderontvangsten stijgen per saldo, wel neemt die stijging in november en december af. De stijging is vooral te danken aan meer ontvangen exportorders. De voorraad nog niet uitgevoerde orders is in december volgens 75 procent van de bedrijven normaal voor de tijd van het jaar.
Daarna laat de orderontvangst tot november 1966 vrijwel van maand tot maand een toename zien. De orderontvangst uit het buitenland neemt daarbij sterker toe dan de orderontvangst uit het binnenland. Ook de bedrijvigheid neemt tot dan toe. In de eerste helft van 1967 neemt de bedrijvigheid volgens de ondernemers af om vervolgens vanaf begin 1968 tot begin 1971 weer sterker te stijgen.
Uitkomsten conjunctuurtest 1961. De resultaten in de grafieken laten het percentage zien van het totale aantal antwoorden. Daarbij is rekening gehouden met hoe belangrijk een onderneming is. Een balk stelt het deel van de industrie voor dat een oordeel over een onderwerp uitsprak. De schuin gearceerde vlakken betekenen bij ontwikkelingen ‘stijging’ en bij beoordelingen ‘groot, te groot’. De zwarte vlakken betekenen bij ontwikkelingen ‘daling’ en bij beoordelingen ‘klein, te klein’. Het deel daartussen betekent bij ontwikkelingen ‘vrijwel onveranderd’ en bij beoordelingen ‘normaal’. Bron: CBS, 1962b:5.
Vertrouwelijke resultaten
Omdat het CBS de enquête alleen op verzoek uitvoert en voor een branche op maat maakt, moeten de betrokken brancheorganisaties de enquête na de proeffase bekostigen. Dat leidt bij hen tot enige zorgen. Zo verwachtte de secretaris van de Federatie van Nederlandse Schoenfabrikanten dat de kostenkwestie bij de leden en andere brancheorganisaties niet in goede aarde zou vallen (CCS, 1957).
Ook willen brancheorganisaties dat de resultaten van hun bedrijfstak vertrouwelijk blijven. Daarom krijgen alleen de berichtgevende ondernemingen en het secretariaat van de betreffende brancheorganisatie de resultaten (Aanhangsel Handelingen II, 1961/62; CBS, 1962a). De gepubliceerde totaalresultaten zijn niet vertrouwelijk, want de gegevens van de afzonderlijke bedrijfstakken blijken daar niet uit (CCS, 1962). Omdat een aantal brancheorganisaties het CBS geen toestemming geeft om de bedrijfstakresultaten bekend te maken, kan Nederland niet deelnemen aan het geharmoniseerde conjunctuurenquêteprogramma van de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Als medeoprichter van de EEG is Nederland hierdoor een uitzondering en dat roept in 1962 vragen op in de Tweede Kamer en de pers (CCS, 1963).