Auteur: Moniek Coumans

Uitsluiting in sociaaleconomisch perspectief

Over deze publicatie

In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is een onderzoek uitgevoerd naar de sociaaleconomische situatie in de voorgeschiedenis van sociaal uitgesloten mensen vergeleken met die van niet uitgeslotenen. Ook is gekeken naar ontwikkelingen op sociaaleconomisch gebied bij sociaal uitgesloten versus niet uitgesloten mensen. Gegevens zijn gebaseerd op de enquête European Union-Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), editie 2010 en 2018. Om de sociaaleconomische situatie vast te stellen zijn de enquêtedata verrijkt met registerdata. De resultaten wijzen uit dat de sociaaleconomische situatie van uitgesloten mensen zich vijf en tien jaar voor enquêtering in 2018 kenmerkt door een relatief hoog armoederisico en een sociaaleconomisch kwetsbare positie. Vijf en tien jaar na enquêtering in 2010 is dat ook het geval. Wel is er een verschil tussen uitgesloten 16 tot 30-jarigen en 30-plussers. Van de jongere uitgesloten groep heeft, ondanks de aanvankelijke situatie van sociale uitsluiting, een groter aandeel zich na tien jaar ontworsteld aan de kwetsbare sociaaleconomische situatie.

1. Inleiding

Nederland wordt al jaren gekenmerkt door een relatief sterke sociale cohesie. Dit blijkt uit vele statistieken die het meedoen met en het vertrouwen in de samenleving meten. Vergeleken met andere Europese landen hebben Nederlanders veel vertrouwen in de medemens, publieke instituties en de politiek (Schmeets, 2022; StatLine, 2022a). Ook loopt Nederland in Europa voorop in het doen van vrijwilligerswerk: bijna de helft van de 15-plussers zet zich onbezoldigd in voor een vereniging of organisatie (Arends, 2021) en heeft een grote meerderheid wekelijks contact met vrienden en met hun buren (CBS, StatLine 2022b; Coumans en Schmeets, 2019). En, zeker bij nationale verkiezingen, wordt er massaal naar de stemlokalen gegaan. Ondanks de opkomst van de Coronapandemie in 2020 is er bovendien geen aanwijzing dat er een sterke daling plaatsvindt in de indicatoren die het cement van onze samenleving vormen. Voor het vertrouwen in instituties en de medemens bleek zelfs het tegendeel; zowel in 2020 en 2021 was er in de meeste vormen van vertrouwen een stijging te zien (Schmeets en Exel, 2022). Kwartaalcijfers voor 2020 over sociale contacten met vrienden en familie, lidmaatschappen en deelname aan verenigingen en politieke betrokkenheid gaven evenmin duidelijke indicaties van een sterke daling op deze fronten (Schmeets en Excel, 2022; Schmeets, Exel, Westenend, ten en Martens, 2022a; 2022b). En hoewel in die jaren de percentages met wekelijks burencontact, vrijwilligers en actieve deelnemers aan het verenigingsleven afnam, bleek Nederland internationaal nog steeds koploper op deze gebieden (CBS, 2022). 

Echter, omdat dergelijke statistieken zich richten op gemiddelden kan het zicht enigszins verloren raken op de groep die sociaal minder goed mee kan, de mensen in de marge. Zo bleek uit eerder CBS-onderzoek bleek een ruime verdubbeling van het aantal dakloze mensen in Nederland tussen 2009 en 2018 van bijna 18 duizend tot bijna 40 duizend (CBS StatLine, 2020; CBS, 2019). In 2020 en 2021 kwam deze stijging weliswaar ten einde, maar met respectievelijk 36 duizend en 32 duizend was het aantal nog steeds substantieel en aanmerkelijk hoger dan in 2009. 

Maar ook mensen die wel een dak boven hun hoofd hebben, kunnen sociaal aan de kant staan. Van de Nederlanders van 15 jaar of ouder leefde 7 procent tussen 2012 en 2018 sociaal in de marge; deze mensen doen relatief weinig mee in de samenleving en hebben bovendien een laag vertrouwen in de medemens en instanties (Coumans, 2018). Een andere manier waarop de groep die sociaal aan de kant staat geclassificeerd kan worden is door de sociaal uitgesloten mensen te onderscheiden; degenen die sociaal, op gebied van toegang tot instituties en grondrechten en in materieel opzicht niet mee kunnen doen in de samenleving.

Deze groep werd door het CBS voor de jaren 2010 en 2018 in kaart gebracht (Coumans en Schmeets, 2012; Coumans en Schmeets, 2020). Sociaal uitgesloten personen worden omschreven als mensen die op meerdere gebieden een achterstand of tekort laten zien. Dit kan zowel op het gebied van participatie, financiële kwesties, toegang tot sociale grondrechten en instituties, als normatieve integratie zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen die heel weinig sociaal contact hebben en niet gaan stemmen, maar ook om mensen die geen professionele hulpverlening krijgen, terwijl ze dat wel nodig hebben. Het gaat ook om mensen die betaalachterstanden hebben, of die niet genoeg geld om eens in de twee dagen een warme maaltijd te bereiden, en sociaal onwenselijk gedrag, zoals het op straat gooien van afval, relatief acceptabel vinden. Van de bevolking van 16 jaar of ouder werd in 2010 4,2 procent als sociaal uitgesloten geclassificeerd. In 2018 was dat 4 procent (Coumans en Schmeets, 2012; Coumans en Schmeets, 2020). Uit het onderzoek in 2018 bleek dat sociale uitsluiting sterk samenhangt met minder kwaliteit van leven. Mensen die sociaal uitgesloten zijn, ervaren hun algemene gezondheid minder vaak als (zeer) goed en zijn vaker psychisch ongezond. Ook zijn zij minder vaak tevreden met hun leven. 

Dit onderzoek richt zich op de vraag hoe het er voorstaat met deze mensen aan de onderkant van de samenleving; uit welke sociaaleconomische situatie komen zij vergeleken met mensen die zich niet in de marge bevinden? En hoe vergaat het hen in vergelijking met de niet uitgesloten mensen over de jaren, nadat ze in het enquêtejaar als sociaal uitgesloten werden aangemerkt?

Vergelijkbare exercities werden eerder uitgevoerd voor de (feitelijk) dakloze mensen die bij het CBS in de registraties werden aangetroffen over de jaren 2009 tot en met 2016 (Coumans, Arts, Reep en Schmeets, 2018) en de jaren 2017 en 2018 (Coumans, Arts en Schmeets, 2019). Uit beide onderzoeken bleek dat het overgrote merendeel van de daklozen uit een kwetsbare situatie van relatieve armoede kwam. Dit riep de vraag op hoe dat is voor de sociaal uitgeslotenen. Is hun sociaaleconomische situatie en relatieve inkomenspositie in het verleden ook relatief laag en vormden zij daarmee ook al langer een in sociaaleconomisch perspectief gezien kwetsbare groep? 

De gegevens zijn gebaseerd op gegevens uit het onderzoek European Union-Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), editie 2010 en 2018, waarin sociale uitsluiting in een speciale ad-hoc module werd bevraagd. Met de gegevens is een index samengesteld (zie verder paragraaf 2.2). 
De terugblik en vooruitblik hebben betrekking op verschillende populaties. De bevolking in 2018 wordt in retrospectief bezien op haar sociaaleconomische positie in 2013 en 2008, terwijl omgekeerd de bevolking in 2010 prospectief wordt gevolgd op haar sociaaleconomische positie in 2015 en 2020. 

Deze rapportage is als volgt opgebouwd. In Hoofdstuk 2 wordt de aanpak en de achtergrond van de index beknopt uitgelegd. Hoofdstuk 3 behandelt de bevindingen en in hoofdstuk 4 worden conclusies getrokken en waar mogelijk een vergelijking gemaakt met de resultaten uit het eerdere onderzoek naar de sociaaleconomische achtergrond van daklozen.

2. Methode

2.1 Onderzoeksopzet

Om de onderzoeksvragen te beantwoorden is gekozen voor een tweeledige aanpak. Om na te gaan uit welke sociaaleconomische situatie de uitgesloten personen kwamen is allereerst voor alle geënquêteerden in EU-SILC 2018 een aantal sociaaleconomische indicatoren vanuit de registers aangekoppeld. Dit werd gedaan voor twee tijdstippen, namelijk vijf en tien jaar voor het enquêtejaar (2008 en 2013). Vervolgens werden degenen die volgens de Index voor sociale uitsluiting (zie ook paragraaf 2.2.) als sociaal uitgesloten werden beschouwd, vergeleken met de groep die volgens die index niet uitgesloten was.

Om antwoord te krijgen op de vraag hoe het de sociaal uitgesloten mensen verging nadat zij in 2010 als zodanig werden aangemerkt in het CBS-onderzoek (Coumans & Schmeets, 2012), is wederom een aantal sociaaleconomische indicatoren uit de registers gekoppeld aan de data van geënquêteerden in EU-SILC 2010. Voor de (in 2010) uitgesloten personen zijn de scores op een aantal sociaaleconomische indicatoren vergeleken met de scores van niet uitgesloten mensen. Bij deze groep werd dat gedaan vijf en tien jaar na het enquêtejaar (in 2015 en 2020).

In Tabel 2.1.1 staan de indicatoren weergegeven waarmee de enquêtedata mee verrijkt zijn, en waar de groepen sociaal uitgesloten en niet uitgesloten mensen op vergeleken zijn in het desbetreffend enquêtejaar (2010 of 2018) en vijf of tien jaar daarvoor (bij enquêtejaar 2018) of vijf en tien jaar na enquêtedatum (2010). Zie voor nadere uitleg van de begrippen de begrippenlijst.

2.1.1 Sociaaleconomische indicatoren en bijbehorende variabelen
IndicatorenVariabelen en categorieën
HuishoudenssamenstellingSamenstelling huishouden (eenpersoonshuishouden,
meerpersoonshuishouden of eenoudergezin)
Burgerlijke staat (gehuwd, gescheiden, verweduwd of nooit
gehuwd)
InkomensverdelingInkomenskwintielgroepen gestandaardiseerd huishoudens-
inkomen
Huishoudensinkomen boven/onder lage-inkomensgrens
Sociaaleconomische
categorie persoon
Voornaamste inkomensbron van een persoon in de eerste maand
van desbetreffend jaar. Onderscheiden worden hier de volgende
categorieën: werkzaam, uitkering sociale voorziening, werkloos-
heids (WW)-, ziekte- of arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO-
uitkering), pensioenuitkering, schoolgaand en 'Overig zonder
inkomen'.
Voornaamste inkomensbron
van het huishouden
Indeling van huishoudens naar het inkomensbestanddeel met
het hoogste bedrag. Onderscheiden worden hier: loon/winst
eigen onderneming, uitkering sociale voorziening/arbeids-
ongeschiktheids (WAO)- en werkloosheidsuitkering
(WW-uitkering), pensioenuitkering en 'overig'.
 

2.2 De index voor sociale uitsluiting

De index voor sociale uitsluiting is ontwikkeld in 2012 en was gebaseerd op gegevens uit 2010 (Coumans, 2012; Coumans en Schmeets, 2015) die verzameld zijn in het Europese onderzoek EU-SILC onder meer dan 10 duizend personen van 16 jaar of ouder. In 2018 werd het onderzoek naar uitsluiting herhaald. Omdat de vragenlijst voor die editie werd geactualiseerd, wijkt het aantal items per dimensie wat af van het aantal items dat in 2010 is gebruikt. De gegevens voor beide edities komen uit EU-SILC, waarin sociale uitsluiting net als in 2010 in een speciale ad-hoc module werd opgenomen. In 2018 is de opzet van EU-SILC iets aangepast. In plaats van een vervolgonderzoek op basis van de deelnemers aan de Enquête Beroepsbevolking werd EU-SILC een op zichzelf staand steekproefonderzoek. Dit bracht met zich mee dat de respondenten niet alleen telefonisch (CATI) zijn benaderd zoals in 2010, maar ook door middel van internet enquêtering (CAWI). Daarnaast zijn in de vragenlijst van 2018 ook vragen over welzijn, eenzaamheid, psychische gezondheid en zich buitengesloten voelen opgenomen. Vanwege deze wijzigingen moet het vergelijken van de uitkomsten van beide jaren dus met voorzichtigheid worden gedaan. 

In beide jaren is voor het samenstellen van de index dezelfde stapsgewijze benadering toegepast, waarbij de volgende vijf stappen worden onderscheiden: 
Stap 1: Keuze van de dimensies, subdimensies en itemselectie. 
Stap 2: Constructie van somscores per dimensie. 
Stap 3: Constructie van een overall somscore en toepassen van het afkappunt voor sociale uitsluiting. Stap 4: Onderzoeken van de samenhang met van achtergrondvariabelen, zoals geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond. 
Stap 5: In een laatste validerende stap wordt de score op sociale uitsluiting gerelateerd aan relevante variabelen, zoals de ervaren gezondheid, welzijn en het zich al dan niet buitengesloten voelen uit de maatschappij. In de technische toelichting worden deze stappen verder toegelicht. In de tabellenbijlage (Tabel 1 tot en met 4) worden de items en de verdelingen daarvan per dimensie voor 2010 en 2018 weergegeven. In figuur 2.1 is het conceptueel model gevisualiseerd. 

2.2.1 Conceptueel model sociale uitsluiting

Conceptueel model sociale uitsluiting

1) Met reflectief wordt bedoeld dat de scores op de afzonderlijke items een weergave zijn van het onderliggende fenomeen. Met formatief wordt bedoeld dat, in dit geval, zowel de dimensies als subdimensies worden beschouwd als indicatoren van sociale uitsluiting. Dit onderscheid wordt in de literatuur beschreven als formatief versus reflectief modeleren (Edwards & Bagozzi 2000; Jarvis, Mackenzie & Podakoff 2003).

2.3 Analyses

Om de samenhang te beschrijven tussen sociale uitsluiting en sociaaleconomische indicatoren zijn bivariate analyses toegepast. Verschillen tussen sociaal uitgesloten en niet uitgesloten mensen op de (gedichotomiseerde) indicatoren zijn getoetst met Chi-kwadraattoetsen op kruistabellen en Odds Ratio’s (door middel van enkelvoudige logistische regressieanalyses). 

In 2010 was de omvang van de onderzoeksgroep groter (bijna 10 duizend respondenten) dan in 2018 (bijna 4 duizend respondenten), waardoor het voor dat jaar mogelijk was om de analyses apart voor de jongere groep (16 tot 30 jaar) en de oudere groep (30 jaar of ouder) uit te voeren. Er was speciale interesse van de opdrachtgever in verschillen tussen oudere en jongere mensen. De verwachting was dat jongere mensen weliswaar tijdelijk uitgesloten zijn en zich dan ook een minder goede sociaaleconomische situatie bevinden, maar daar nog uit kunnen groeien, terwijl die kans bij eenmaal uitgesloten oudere mensen kleiner is. Bij de oudere groep is de verwachting dat de minder goede sociaaleconomische situatie langer aanhoudt. Bovendien was de verwachting dat de verschillen tussen jongere sociaal uitgesloten en niet-uitgesloten mensen kleiner zijn dan tussen wat oudere uitgesloten versus niet uitgesloten mensen. Voor de genoemde leeftijdsindeling is gekozen om in elke groep voldoende waarnemingen te waarborgen voor de analyses.

Bij de analyses naar achtergrondkenmerken is gekeken naar indeling in leeftijdsgroepen (7 categorieën), geslacht en onderwijsniveau in het jaar van de enquête (2010 of 2018). Het onderwijs in 2018 betreft laag, middelbaar en hoog. Vanwege de beschikbaarheid van data over het onderwijsniveau in 2010 is voor die editie het onderwijsniveau in 4 categorieën ingedeeld (basisonderwijs, vmbo/mavo, havo/vwo/mbo en hbo/universiteit). 

3. Resultaten

3.1 Inleiding

Dit hoofdstuk gaat in op een terugblik van de sociaaleconomische situatie van de 2018-steekproef en een sociaaleconomische follow-up van de 2010-steekproef. Als uitgangspunt wordt eerst de situatie in het jaar van de enquête beschreven.

3.2 Blik op het verleden; de sociaaleconomische situatie vijf en tien jaar voor enquêtejaar 2018

3.2.1 Leeftijd, geslacht en opleiding in enquête jaar

In enquêtejaar 2018 bestond de geënquêteerde steekproefpopulatie uit ruim 3,7 duizend mensen, waarvan er 155 met de index als uitgesloten werden geclassificeerd. Deze groep bestond met 59 procent voor een relatief groter deel uit mannen, dan de niet uitgesloten groep (49 procent). Ook is de leeftijdsgroep tussen 45 en 55 jaar oververtegenwoordigd bij de uitgesloten mensen. Ten slotte blijkt dat er bij de uitgesloten groep een relatief hoger aandeel middelbare opleiding heeft genoten. Bij hen is dat 53 procent tegenover 39 procent van de niet uitgesloten mensen.

Apart voor de vier dimensies is te zien dat mensen die maatschappelijk minder participeerden relatief vaker man zijn, zich in de leeftijdsgroepen vanaf 55 jaar bevinden en laag of middelbaar opgeleid zijn, vergeleken met de mensen die meer deelnamen aan het sociaal en maatschappelijk leven. Bij de gedepriveerden op gebied van grondrechten, zijn juist alle leeftijdsgroepen tot 55 jaar oververtegenwoordigd en de middelbaar opgeleiden. Er is geen verschil in het aandeel hoogopgeleiden. De materieel meest gedepriveerden onderscheiden zich van de meer materieel gefortuneerden door een hoger aandeel vrouwen, wat minder mensen in de leeftijd van 65 tot 75 jaar en relatief vaak een middelbaar onderwijsniveau. De groep met het minste normbesef kenmerkt zich door een hoger aandeel mannen, mensen in de leeftijd tot 35 jaar en hoogopgeleiden. (Zie ook de tabellenbijlage, Tabel 5 en 6).

3.3.2 Samenstelling huishouden en burgerlijke staat 

In 2018 zijn uitgesloten personen met 40 procent relatief minder vaak gehuwd dan niet uitgesloten mensen (50 procent). Zij zijn juist wat vaker gescheiden of nooit gehuwd. In lijn daarmee maken uitgesloten mensen juist vaker deel uit van een eenpersoonshuishouden en ook het aandeel in een eenoudergezin is relatief hoog, met 16 tegenover 6 procent bij de niet uitgesloten mensen. 

Teruggekeken in de tijd blijkt dit patroon voor gehuwden en nooit gehuwden, met weliswaar iets kleinere verschillen, gelijk. Het verschil naar aandeel gescheiden mensen is in het jaar van de enquête het grootst. Verder blijkt vijf en tien jaar geleden het aandeel dat deel uitmaakt van een meerpersoonshuishouden bij de sociaal uitgesloten groep nog steeds relatief laag en het aandeel dat deel uitmaakt van een eenoudergezin naar verhouding hoog.

3.3.2.1 Samenstelling huishouden naar sociale uitsluiting, 2008, 2013 en 2018
jaar  Eenpersoonshuishouden (% personen van 16 jaar of ouder)Meerpersoonshuishouden (% personen van 16 jaar of ouder)Eenoudergezin (% personen van 16 jaar of ouder)
2008Niet uitgesloten14,7796,2
2008Uitgesloten17,764,218,1
2013Niet uitgesloten16,676,96,5
2013Uitgesloten17,768,114,2
2018Niet uitgesloten19,475,25,5
2018Uitgesloten24,559,915,6

3.3.3 Inkomensverdeling naar sociale uitsluiting

Op gebied van inkomen blijkt dat de huishoudens van de mensen die als sociaal uitgesloten werden aangemerkt in het jaar van de enquête aanmerkelijk zich vaker in de twee laagste inkomensgroepen bevonden dan de niet sociaal uitgesloten mensen. Bij de uitgeslotenen ging het om 60 procent, tegenover 28 procent bij de niet uitgesloten 16-plussers. 

Terugkijkend blijkt dat dit patroon zowel vijf als tien jaar voor het enquêtejaar vergelijkbaar is. In 2013 bevond van de uitgesloten mensen 55 procent zich in de laagste twee inkomenskwintielgroepen en 58 in 2008. Van de niet uitgesloten mensen ging het in die jaren respectievelijk om 28 en 29 procent. 
De gemiddelde percentielscore van de gestandaardiseerde inkomens is in 2018 voor de uitgesloten mensen bijna 39 procent, wat wil zeggen dat deze groep gemiddeld gezien behoren tot de laagste 38 procent inkomens van de bevolking van Nederland. Bij de niet uitgeslotenen ligt dat op zo'n 57 procent. In 2013 en 2008 was dat beeld nagenoeg identiek. 

Ook als naar het aandeel wordt gekeken wat onder de lage-inkomensgrens leeft, dan valt op dat dat bij de uitgeslotenen in alle drie de gemeten jaren hoger was als bij de niet uitgesloten mensen. In 2018 was dat voor de uitgesloten mensen een tiende en zowel in 2013 als 2008 ongeveer 14 procent. Bij de niet sociaal uitgesloten groep lag dat in alle drie de jaargangen rond de 5 procent.

3.3.3.1 Inkomenskwintielgroep naar sociale uitsluiting, 2008, 2013 en 2018
jaar  1e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 jaar of ouder)2e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 jaar of ouder)3e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 jaar of ouder)4e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 jaar of ouder)5e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 jaar of ouder)
2008Niet uitgesloten12,016,621,026,224,1
2008Uitgesloten31,825,921,413,17,9
2013Niet uitgesloten12,615,621,624,126
2013Uitgesloten3123,622,211,411,8
2018Niet uitgesloten12,216,220,723,527,3
2018Uitgesloten25,434,619,715,54,8

3.3.4 Sociaaleconomische categorie en belangrijkste inkomensbron

Kijkend naar de sociaaleconomische categorie van de sociaal uitgesloten mensen, dan valt op dat in januari 2018, het jaar van de enquête, een relatief hoog aandeel van hen als belangrijkste inkomensbron een bijstandsuitkering of een andere uitkering ontving. Het ging in dat jaar om ruim een vijfde, waarvan bijna de helft een bijstandsuitkering of sociale voorziening ontving en ruim de helft een WAO- of WW-uitkering. Bij de niet uitgesloten mensen ging het in 2018 om ruim 7 procent met een dergelijke uitkering, terwijl zij juist relatief vaker een pensioenuitkering ontvingen of werkzaam waren (in loondienst of zelfstandig). 

De huishoudens waar de sociaal uitgesloten groep deel van uitmaakten hadden eveneens relatief vaak als belangrijkste inkomensbron een bijstandsuitkering, sociale voorziening of overige uitkering. Daarnaast is een relatief groot deel van de uitgesloten groep schoolgaand.

Vijf jaar voor het enquêtejaar, in januari 2013, zijn de verschillen tussen de uitgesloten en niet uitgesloten mensen wat kleiner, maar nog duidelijk aanwezig voor met name de uitkeringen. Dit geldt ook als er tien jaar terug wordt gekeken vanaf het enquêtejaar. In dat jaar waren er bij de uitgesloten groep wel aanmerkelijk meer schoolgaande mensen, maar dat is logisch gezien het hogere aandeel in de jongste leeftijdsgroepen in de groep sociaal uitgeslotenen. 

3.3.4.1 Belangrijkste inkomensbron huishouden naar sociale uitsluiting, 2008, 2013 en 2018
Jaar  Loon winst eigen onderneming (% personen van 16 jaar of ouder)Uitkering sociale voorziening (% personen van 16 jaar of ouder)Andere uitkering (% personen van 16 jaar of ouder)Pensioenuitkering (% personen van 16 jaar of ouder)Schoolgaand (% personen van 16 jaar of ouder)Overig (% personen van 16 jaar of ouder)
2008Niet uitgesloten53,31,63,311,423,66,7
2008Uitgesloten43,18,46,76,730,54,6
2013Niet uitgesloten54,424,416,8175,4
2013Uitgesloten51,88,87,59,118,24,6
2018Niet uitgesloten57,334,222,39,73,5
2018Uitgesloten47,19,611,312,713,85,5

3.3.5 Sociaaleconomische categorie naar de vier dimensies van sociale uitsluiting

In aanvulling op de achtergrond van degenen die uitgesloten zijn, is ook gekeken naar de situatie op gebied van inkomen en sociaaleconomische categorie voor degenen die het minst meedoen per dimensie. Uit de resultaten blijkt dat met name de patronen voor de dimensies materiele deprivatie en participatie het meest lijken op het algemene beeld voor sociale uitsluiting in totaal. Voor grondrechten was dit vooral het geval op gebied van inkomen. Gekeken naar het ontvangen van een bijstands-, WW- of WAO-uitkering gold dat het sterkst in het jaar van de enquête en vijf jaar daarvoor. Op gebied van normbesef waren de verschillen tussen degenen met meer en minder normbesef beperkter. Voor een uitgebreidere beschrijving van sociaaleconomische achtergronden naar de vier dimensies wordt verwezen naar Bijlage 1.

3.4 Blik op de toekomst; de sociaaleconomische situatie vijf en tien jaar na enquêtejaar 2010

3.4.1 Samenstelling van de groep sociaal uitgesloten versus niet uitgesloten mensen

In enquêtejaar 2010 bestond de respons uit ruim 9,3 duizend mensen, waarvan er bijna 400 volgens de index tot de groep sociaal uitgeslotenen behoorden. In dit jaar week de samenstelling van de groep uitgesloten mensen wat af van die in 2018. Het aandeel mannen verschilde in 2010 niet tussen de sociaal uitgesloten en niet uitgesloten groep en er waren bij de uitgeslotenen relatief meer jongeren van 16 tot 25 jaar. Wel waren er, net als in 2018, relatief meer mensen tussen 45 en 55 jaar en een ondervertegenwoordiging van hoger opgeleiden in de sociaal uitgesloten groep. Echter, deze verschillen naar achtergrondkenmerken tussen de uitgesloten en niet uitgesloten groep waren in 2010 beperkter dan in 2018 (zie ook tabellenbijlage).

Apart voor de dimensies, blijkt dat er bij de minst participerende groep relatief veel ouderen, van 55 tot 75 jaar, maar vooral 75-plus en mensen met lager opleidingsniveau (basisonderwijs en vmbo/mavo) zitten in vergelijking tot de mensen die meer participeren. 
Bij de dimensie grondrechten zijn er bij de meest gedepriveerden juist relatief minder 65-plussers en meer mensen tussen 16 en 35 jaar vergeleken bij degenen die als niet gedepriveerd worden beschouwd. Ook zijn er wat meer mensen die als hoogst afgerond opleiding vmbo/mavo hebben en iets minder mensen hebben basisonderwijs. 
Bij de materieel gedepriveerden zijn er relatief meer mannen, wat minder jongeren tussen 16 en 25 jaar en iets meer ouderen tussen 65 en 75 jaar dan bij de niet materieel gedepriveerden. Ook hebben relatief meer mensen in die groep een van de twee laagste onderwijsniveaus afgerond en minder mensen zijn HBO- of universitair opgeleid. 
Bij de normatieve dimensie ten slotte, valt op dat zich in de groep die het minst normatief geïntegreerd is, meer mannen, meer jongeren tussen 16 en 35 jaar, en wat meer mensen met havo, vwo of mbo als hoogst afgeronde opleiding bevinden dan in de meer geïntegreerde groep op gebied van normen en waarden.

3.4.2 Samenstelling huishouden en burgerlijke staat

In 2010 zijn er relatief grote verschillen in de burgerlijke staat tussen uitgesloten versus niet uitgesloten mensen. Terwijl er in de groep sociaal uitgesloten mensen 58 procent gehuwd was, was dat in de niet uitgesloten groep 37 procent. In de sociaal uitgesloten groep was met 17 procent juist een hoger percentage gescheiden dan in de niet sociaal uitgesloten groep (7 procent). 

Omdat de groep uitgesloten mensen wat jonger was dan de andere groep, is de burgerlijke staat ook apart bekeken voor 16 tot 30 jarigen en 30-plussers. Daaruit blijkt dat er in 2010 in de jongere groep nauwelijks verschillen zijn naar burgerlijke staat tussen beide groepen, terwijl die verschillen er in de oudere groep wel duidelijk zijn. 

3.4.2.1 Samenstelling huishouden naar sociale uitsluiting, 2010, 2015 en 2020
Jaar  GehuwdGescheidenVerweduwdNooit gehuwd
2010Niet uitgesloten58,47,44,729,5
2010Uitgesloten37,217,01,943,9
2015Niet uitgesloten59,58,55,726,3
2015Uitgesloten33,818,04,344,0
2020Niet uitgesloten59,79,87,423,1
2020Uitgesloten38,621,64,535,3

In lijn met de burgerlijke staat, was in het enquêtejaar bij degenen die als sociaal uitgesloten werden beschouwd, het aandeel zonder partner hoger dan bij de niet uitgesloten groep. Het aandeel mensen dat deel uitmaakt van eenoudergezinnen is ook hoger bij de uitgesloten dan bij de niet uitgesloten groep. Dit beeld is in 2015 en 2020 vergelijkbaar. 

3.4.3 Inkomensverdeling naar sociale uitsluiting

In 2010, bevindt net als in 2018 van de sociaal uitgesloten met ruim tweederde een aanmerkelijk hoger aandeel zich in de laagste twee inkomenskwintielgroepen dan bij niet uitgesloten groep (31 procent). Vijf jaar later is het aandeel in de laagste twee inkomensgroepen (laagste 40 procent inkomens) met 68 procent nog steeds veel hoger bij de uitgesloten populatie dan bij de rest van de 16-plussers. Tien jaar na dato is het aandeel met 60 procent in de twee laagste inkomensgroepen wel wat lager, maar nog steeds aanmerkelijk hoger dan bij niet uitgesloten personen (26 procent). 

3.4.3.1 Inkomensverdeling naar sociale uitsluiting, 2010, 2015 en 2020
Jaar  1e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 jaar of ouder)2e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 jaar of ouder)3e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 jaar of ouder)4e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 jaar of ouder)5e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 jaar of ouder)
2010Niet uitgesloten13,218,220,023,525,1
2010Uitgesloten38,328,815,611,85,4
2015Niet uitgesloten10,316,920,225,527,1
2015Uitgesloten33,435,516,112,62,5
2020Niet uitgesloten8,817,321,125,027,8
2020Uitgesloten33,926,114,621,04,4
 

Naast de vraag hoe het met de inkomenssituatie van de uitgesloten versus de niet uitgesloten mensen gaat na vijf en tien jaar, kwam de vraag op naar hoe zich dit binnen de groep uitgesloten ontwikkelt. Hoe gaat het verder met de uitgesloten groep, die zich in 2015 in de laagste inkomensgroepen bevindt. Hoe groot is het aandeel binnen deze groep dat zich in 2020 in de twee laagste inkomensgroepen bevindt? Nadere analyses wijzen uit dat van de sociaal uitgesloten groep die zich na vijf jaar in een van laagste twee inkomensgroepen bevond, ruim driekwart in 2020 tot een van de laagste twee inkomenskwintielgroepen behoort. Bij de groep die in 2015 een inkomen in de hogere kwintielgroepen had was dat een vijfde. Echter, van de niet uitgesloten mensen, die zich in 2015 in de laagste inkomensgroepen bevonden, was dat aandeel in 2020 met 70 procent niet heel veel lager. 

Uitgesplitst naar leeftijd blijken binnen de leeftijdsgroep tot 30 jaar mensen die uitgesloten waren in 2010 met 58 procent relatief vaak tot de laagste twee inkomensgroepen te behoren (laagste 40 procent inkomens), tegenover 34 procent niet sociaal uitgesloten mensen. Maar bij 30-plussers is dat aandeel met 70 procent relatief nog hoger. Dit verschil zit met name in de laagste 20 procent inkomens. Van de sociaal uitgesloten 30-plussers bevindt 42 procent zich in die groep, ten opzichte van 28 procent in de jongere uitgesloten groep. 

Vijf jaar later is het beeld omgekeerd en behoren de 30-plussers relatief wat minder vaak tot de 20% laagste inkomens, terwijl dat bij de jongste groep juist vaker is. Beide leeftijdsgroepen behoren echter nog steeds aanmerkelijk vaker dan de niet uitgesloten mensen tot de laagste 2 inkomensgroepen. 
Na tien jaar hoort van de jongere uitgesloten personen 42 procent nog tot de twee laagste inkomensgroepen, terwijl dat bij de 30-plussers 68 procent is. Opvallend is dat een relatief hoog aandeel (40 procent) van de jongere in 2010 uitgesloten personen zich tien jaar na dato in de een na hoogste inkomensgroep bevindt. Bij de niet uitgesloten groep is dat met 29 procent lager.

Aansluitend bij het relatief lage inkomen van sociaal uitgesloten mensen, is 2010 het aandeel met een inkomen onder de lage-inkomensgrens met 23 procent tegenover bijna 4 procent ook aanmerkelijk hoger bij de uitgesloten dan bij de niet uitgesloten personen. Vijf en tien jaar daarna is dat aandeel weliswaar wat gedaald naar 16 procent, maar nog steeds hoger dan bij de niet uitgesloten mensen (in 2015 4 procent en in 2020 3 procent).

Apart voor de jongere en wat oudere uitgesloten mensen, blijkt dat in 2020 van de uitgesloten 30-plussers 28 procent een inkomen onder de lage-inkomensgrens heeft (tegenover ruim 4 procent van de niet uitgesloten mensen). Bij de jongere groep uitgeslotenen is dat met 9 procent nog steeds hoger dan bij de niet uitgesloten jongeren, bij wie dat 3 procent is, maar dit is een relatief minder groot verschil. 
Na vijf en tien jaar valt op dat het aandeel dat zich onder de lage-inkomensgrens bevindt onder de jongere uitgesloten mensen niet meer hoger is dan bij de niet uitgeslotenen. Bij de uitgesloten 30-plussers is na vijf en tien jaar het aandeel onder lage-inkomensgrens nog steeds veel hoger dan bij de niet uitgesloten 30-plussers.

3.4.3.2 Inkomenskwintielgroepen 16 tot 30-jarigen naar sociale uitsluiting, 2010, 2015 en 2020
Jaar  1e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 tot 30 jaar)2e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 tot 30 jaar)3e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 tot 30 jaar)4e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 tot 30 jaar)5e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen (% personen van 16 tot 30 jaar)
2010Niet uitgesloten20,613,720,325,120,3
2010Uitgesloten27,930,316,714,111,0
2015Niet uitgesloten15,710,920,026,327,1
2015Uitgesloten37,127,212,922,80,0
2020Niet uitgesloten8,112,621,029,129,1
2020Uitgesloten24,916,710,839,87,8

3.4.4 Sociaaleconomische categorie en belangrijkste inkomensbron

In 2010 waren van de uitgesloten groep, met bijna de helft, minder mensen werkzaam en meer mensen kregen een bijstandsuitkering (17 procent) of een WW- of WAO-uitkering (12 procent) dan mensen die niet uitgesloten waren in 2010. Bij hen ging het respectievelijk om 58 procent, 2 procent en 5 procent. In 2015 was dit beeld grofweg gelijk, maar waren er nog wat minder mensen werkzaam in de uitgesloten groep. Ook was bij hen het aandeel met een pensioenuitkering wat gestegen. Dat was in 2010 met 10 tegenover 21 procent lager dan bij de niet uitgesloten groep, in 2015 is dat 15 procent, maar nog steeds lager dan bij degenen die niet sociaal zijn uitgesloten (26 procent). Uiteraard heeft dit ook te maken met het gegeven dat de uitgesloten groep gemiddeld jonger is en dat de groep tussen 45 en 54 bij hen wat oververtegenwoordigd is. In 2020 is het beeld nog steeds grotendeels identiek aan de eerdere jaren, maar nu is het aandeel werkenden bij de uitgesloten populatie wel weer wat toegenomen tot iets meer dan de helft. 

3.4.4.1 Sociaaleconomische categorie naar sociale uitsluiting, 2010, 2015 en 2020
Jaar  Werkzaam (% personen van 16 jaar of ouder)Uitkering sociale voorziening (% personen van 16 jaar of ouder)Werkloosheids-, ziekte- of arbeidsongeschiktheidsuitkering (% personen van 16 jaar of ouder)Pensioenuitkering (% personen van 16 jaar of ouder)Schoolgaand (% personen van 16 jaar of ouder)Overig zonder inkomen (% personen van 16 jaar of ouder)
2010Niet uitgesloten58,02,34,621,37,16,7
2010Uitgesloten47,916,512,19,96,57,1
2015Niet uitgesloten58,42,55,426,02,35,3
2015Uitgesloten42,617,98,815,35,99,5
2020Niet uitgesloten59,42,73,929,90,23,9
2020Uitgesloten52,217,08,616,80,05,4
 

Ook hier is het weer interessant om na te gaan of er een verschil is tussen de jongere groep (16 tot 30 jaar) en de oudere groep (van 30-plus). Er blijkt wederom een verschil in de ontwikkeling van de sociaaleconomische categorie. De jongere groep die uitgesloten is wijkt aanvankelijk (in 2010) niet af in het aandeel met een uitkering. Wel zijn er in tegenstelling tot niet uitgesloten groep, en de sociaal uitgesloten 30-plussers, met 65 procent relatief méér werkzamen onder de (jongere) sociaal uitgeslotenen. Bij de niet uitgesloten (jongere) groep was dat 52 procent en bij de uitgesloten 30-plussers 42 procent. 

In 2015 is dat beeld omgedraaid en zijn de niet uitgesloten 30-minners met ruim driekwart weer vaker werkzaam dan hun uitgesloten leeftijdsgenoten (ruim de helft). Verder ligt met name het aandeel met een bijstanduitkering bij de uitgesloten groep met ruim 1 op 10 hoger dan bij de niet uitgesloten 30-minners (2 procent). Bij de 30-plussers blijft het beeld redelijk consistent met 2010 en ook met dat van de totale groep uitgeslotenen.
In 2020 zijn er onder de jonge groep uitgesloten mensen geen schoolgaanden meer, wel zijn er in deze groep relatief zowel meer werkenden (ongeveer driekwart) als meer mensen met een bijstandsuitkering dan in 2015. Bij de uitgesloten 30-plussers zijn er op wat kleine verschuivingen in het aandeel werkenden en het aandeel met een bijstandsuitkering na, geen grote veranderingen ten opzichte van 2015. Wel valt op dat het aandeel werkenden bij de uitgesloten groep van 30-plus in 2020 is blijven steken op iets meer dan 40 procent, terwijl dat bij de jongere groep met zo’n 25 procentpunt is toegenomen sinds 2015.

3.4.4.2 Sociaaleconomische categorie van 16 tot 30-jarigen naar sociale uitsluiting, 2010, 2015 en 2020
Jaar  Werkzaam (% personen van 16 tot 30 jaar)Uitkering sociale voorziening (% personen van 16 tot 30 jaar)Werkloosheids-, ziekte- of arbeidsongeschiktheidsuitkering (% personen van 16 tot 30 jaar)Schoolgaand (% personen van 16 tot 30 jaar)Overig zonder inkomen (% personen van 16 tot 30 jaar)
2010Niet uitgesloten52,22,40,741,53,3
2010Uitgesloten64,93,01,223,37,6
2015Niet uitgesloten77,43,91,813,23,7
2015Uitgesloten51,710,72,721,313,5
2020Niet uitgesloten89,74,82,01,02,6
2020Uitgesloten75,918,54,40,01,3
 

Bij de belangrijkste inkomensbron van het huishouden is in 2010 het aandeel met loon bij de uitgesloten groep lager dan bij de niet uitgeslotenen, met 59 tegenover 72 procent. Verder is weer het aandeel met als belangrijkste bron van inkomen een bijstandsuitkering en in mindere mate met een WW- of WAO-uitkering hoger onder de uitgesloten mensen. 
In 2015 is dat beeld grofweg vergelijkbaar. In 2020 valt met name het kleinere verschil in het aandeel werkzamen en het aandeel met als belangrijkste inkomensbron een WW- of WAO-uitkering tussen uitgeslotenen (59 procent loon en 5 procent ww- of aow-uitkering) en niet uitgeslotenen (respectievelijk 65 procent en 3 procent) op. Wel is in dit jaar het aandeel met een bijstandsuitkering of sociale voorziening als belangrijkste inkomensbron met 8 procent relatief hoog voor de uitgesloten groep ten opzichte van de niet uitgesloten groep (2 procent).

Kijken we hier apart naar de jongere en de oudere leeftijdsgroep, dan is het patroon vergelijkbaar met dat van de sociaaleconomische categorie; relatief meer werkenden bij de jongere uitgesloten mensen (driekwart) dan de oudere uitgeslotenen (ruim de helft) en een relatief hoog aandeel met een bijstandsuitkering bij de oudere groep uitgesloten mensen (een vijfde) wat hoger wordt na vijf jaar (een kwart). Een verschil met de bevindingen bij de sociaaleconomische positie is dat bij de belangrijkste bron van inkomsten van het huishouden bij de jongere groep het aandeel met loon ook in het jaar van de enquête bij de uitgesloten groep lager is dan bij de niet uitgesloten groep. 

3.4.5 Sociaaleconomische situatie na vijf en tien jaar naar de vier dimensies van sociale uitsluiting

Met name op gebied van materiele deprivatie, maar ook participatie en grondrechten is in het jaar van de enquête te zien dat degenen in de slechtst scorende kwartielgroep zich relatief vaker in de twee kwintielgroepen met de laagste inkomens bevinden. Voor participatie en materiele deprivatie blijft dit beeld ook na vijf en tien jaar intact. Voor normatieve integratie is er alleen een beperkt verschil te zien in de laagste inkomensgroep. Voor het aandeel werkenden is het patroon wat anders, namelijk voor de meest gedepriveerden op gebied van grondrechten en normbesef is in het jaar van de enquête een hoger aandeel werkzaam dan bij de minder gedepriveerden. Voor een meer uitgebreide beschrijving naar de vier dimensies zie Bijlage 1.

4. Conclusies en discussie

In dit rapport wordt ingegaan op een onderzoek over sociale uitsluiting. De populatie sociaal uitgesloten mensen werd zowel in 2010 als in 2018 bepaald aan de hand van een index die werd toegepast op enquêtegegevens. De steekproefgegevens werden verzameld in het Europese onderzoek EU-SILC. Bijbehorende retrospectieve en prospectieve informatie over sociaaleconomische indicatoren werd ontleend aan registers.

De belangrijkste vragen waren gericht op de sociaaleconomische situatie van sociaal uitgesloten mensen ten opzichte van niet uitgesloten mensen. Daarbij werd zowel voor enquêtejaar 2018 vijf en tien jaar teruggekeken naar de sociaaleconomische voorgeschiedenis van sociaal uitgeslotenen en niet sociaal uitgesloten mensen en voor enquête jaar 2010 werd vijf en tien jaar vooruitgekeken.
Een bijkomende vraag was of en in hoeverre de voorgeschiedenis van de sociaal uitgesloten groep overeenkomsten vertoont met de populatie daklozen in Nederland. Dit werd vooral gedaan om na te gaan om algemene patronen te herkennen die bij beide groepen vergelijkbaar zijn. Hier wordt in paragraaf 4.2 op ingegaan. 

4.1 Hoe ziet de sociaaleconomische voorgeschiedenis van sociaal uitgesloten mensen eruit ten opzichte van mensen die niet uitgesloten zijn?

De burgerlijke staat en de huishoudenssamenstelling van de groep sociaal uitgesloten mensen worden gekenmerkt door een relatief hoog aandeel gescheiden mensen en nooit gehuwden, terwijl het aandeel gehuwden bij hen juist lager ligt in vergelijking met de niet uitgesloten groep. Ook zijn uitgesloten mensen vaker alleenstaand of alleenstaand ouder. Deze verschillen waren in 2010 het sterkst, maar zowel vijf als tien jaar daarvoor al duidelijk aanwezig.

Afgezien van wat kleine fluctuaties blijken sociaal uitgesloten mensen zich vijf en tien jaar voor enquêtering aanmerkelijk vaker in de laagste twee inkomens(kwintiel)groepen te bevinden. De inkomens van sociaal uitgesloten mensen blijken zowel in 2018, als in 2013 en 2008 gemiddeld tot de laagste 38 procent te behoren. Ook het aandeel mensen dat onder de lage-inkomensgrens leeft is zowel vijf als tien jaar voor het enquêtejaar met ongeveer 14 procent hoger dan bij de niet uitgesloten mensen (ongeveer 5 procent). 

Dit kan de vraag oproepen, of dit betekent dat als uitgesloten mensen zich eenmaal in laagste inkomenscategorieën bevinden, dit ook vijf en tien jaar geleden al zo was. Vanwege de kleine aantallen uitgesloten personen in de onderzoeksgroep, was helaas niet vast te stellen hoe de ontwikkeling binnen de groep uitgeslotenen met de laagste inkomens verliep. Dit was wel mogelijk voor de groep uitgesloten mensen in 2010. Daar wordt in paragraaf 4.3 op ingegaan. Echter, in onderhavig onderzoek is afgezien van analyses op individuele stroomgegevens. 

Van de sociaal uitgesloten groep ontvangt zowel in het enquêtejaar als vijf en tien jaar daarvoor een relatief hoog aandeel een bijstands-, WAO-, of WW-uitkering. Zij zijn, met name in het enquêtejaar en tien jaar daarvoor, juist relatief wat minder vaak werkzaam en ook een pensioenuitkering ontvangen zij minder vaak dan de groep niet sociaal uitgeslotenen. Dat laatste hangt samen met hun lagere leeftijd. In lijn met de sociaaleconomische positie, is de belangrijkste inkomensbron van het huishouden in het enquêtejaar, maar ook in het verleden relatief vaak een bijstandsuitkering en, in mindere mate, een werkloosheidsuitkering. 

Apart voor de dimensies van sociale uitsluiting lijkt het patroon voor degenen die het minst maatschappelijk participeren en het meest materieel gedepriveerd zijn veel op dat voor uitsluiting in totaal. Ten opzichte van degenen die meer participeerden en minder materieel gedepriveerd waren, bevond een relatief hoog aandeel zich vijf en tien jaar voor het enquêtejaar in de laagste twee inkomensgroepen en onder de lage-inkomensgrens en ook ontvingen zij relatief vaak een uitkering. Voor de meest gedepriveerden op gebied van grondrechten was het verschil met de niet gedepriveerden in het aandeel met een bijstands- werkeloosheids-, of WAO-uitkering in de voorgeschiedenis verwaarloosbaar. Ook voor de dimensie normatieve integratie, waren in 2008 en 2013 de verschillen op sociaaleconomisch gebied beperkt tussen degenen die meer of minder normatief geïntegreerd waren.

4.2 Sociaaleconomische voorgeschiedenis van uitgesloten mensen vergeleken met die van dakloze mensen

Alvorens een vergelijking te maken wordt de groep dakloze mensen eerst afzonderlijk beschreven. Het onderzoek naar de daklozen beperkte zich tot 18 tot 65-jarigen zoals met registers waargenomen. Bij de sociaal uitgesloten mensen gaat het om met enquêteonderzoek waargenomen 16-plussers van wie de gegevens zijn aangevuld met registerinformatie. De vergelijking is dan ook niet helemaal zuiver. In deze paragraaf gaat het daarom vooral om een vergelijking van patronen en het verstrekken van een algemeen beeld. 

De populatie dakloze mensen in Nederland bestond volgens de meest recente cijfers (Statline, 2021) voor 83 procent uit mannen. Het merendeel van de dakloze groep (62 procent) was tussen 27 en 50 jaar, 17 procent was tussen 18 en 27 jaar en 21 procent tussen 50 en 65 jaar. 
Uit eerdere verdiepende onderzoeken naar de achtergrond van de populatie feitelijk dakloze mensen (Coumans, Arts, Reep en Schmeets, 2018, Coumans, Arts en Schmeets, 2019) in Nederland blijkt dat een relatief hoog aandeel van deze groep een laag (afgerond) onderwijsniveau had; tussen 2010 en 2018 was dit 61 procent. In die periode was gemiddeld 34 procent middelbaar en 5 procent hoog opgeleid. Gemiddeld bijna driekwart van de dakloze groep was ongehuwd en bijna een vijfde was gescheiden.

De voorgeschiedenis van de meeste dakloze mensen op het vlak van inkomen en sociaaleconomische positie, kenmerkt zich door een toestand van lage welvaart. Zij behoorden ook vijf jaar voor hun instroom in (geregistreerde) dakloosheid al tot de huishoudens met de laagste inkomens. De dakloze populatie behoorde in de jaren 2009 tot en met 2018 gemiddeld tot de 9 procent laagste inkomens. Vijf jaar voor zij werden aangetroffen in de registers behoorden zij tot de 25 procent laagste inkomens. 
Het aandeel met een bijstandsuitkering, een sociale voorziening of een andere uitkering (in het desbetreffende jaar) was gemiddeld over de periode 2010 tot en met 2018 78 procent. Vijf jaar voor zij als dakloze in de registraties voorkwamen, was dat weliswaar lager, maar met gemiddeld 31 procent nog steeds hoog. Tien jaar voor instroom1) ontving 22 a 23 procent van de daklozen een uitkering of sociale voorziening2). Het aandeel werkenden in het jaar van de waarneming is bij de dakloze mensen in de periode 2010 tot en met 2018 gemiddeld 13 procent, vijf jaar voor het jaar van de eerste registratie was dat 27 procent en tien jaar daarvoor schommelde dat tussen 24 en 28 procent. 

Als dit beeld vergeleken wordt met het beeld van de sociaal uitgesloten groep, blijkt dat bij beide groepen zowel de actuele, waargenomen situatie als de voorgeschiedenis zich kenmerkt door een relatief hoge kans op armoede en een kwetsbare sociaaleconomische situatie. Bij beide groepen is een relatief hoog aandeel in de laagste inkomensgroepen en een hoog percentage dat een uitkering ontvangt te zien. Echter, bij de daklozen blijken, met name in het jaar van de waarneming (instroom in de registraties of het enquêtejaar), beide percentages aanmerkelijk hoger te zijn dan bij de uitgesloten groep. Van de daklozen ontvangen dan bijna 8 op de 10 een uitkering terwijl dat bij de sociaal uitgesloten groep in het enquêtejaar 2 op de 10 waren. Vijf jaar voor de waarneming was dat bij de daklozen 31 procent en bij de sociaal uitgesloten mensen 16 procent. Tien jaar voor de waarneming lijkt het verschil tussen beide groepen veel kleiner. Hierbij moet echter opgemerkt worden dat er rekening gehouden moet worden met de andere leeftijdsafbakening en de andere samenstelling van beide groepen. Zo ontving van de sociaal uitgesloten groep een deel een pensioenuitkering (13 procent in het jaar van de enquête). Bij de daklozen zijn daar door de afbakening van de groep geen gegevens over. Bij de daklozen was er ook een aandeel dat in de vijf of tien jaar voor de waarneming in de het register instroomde door immigratie of overige opvoer3). Met deze categorieën werd bij de sociaal uitgesloten personen geen rekening gehouden.

Behoudens deze kanttekeningen blijft de conclusie gerechtvaardigd dat de voorgeschiedenis van zowel de dakloze als de sociaal uitgesloten mensen relatief vaak een verleden hebben dat getekend is door een hoger armoederisico en een sociaaleconomisch kwetsbare situatie.

4.3 Hoe gaat het na vijf en tien jaar op sociaaleconomisch gebied met de uitgesloten versus de niet uitgesloten groep?

Op de vraag hoe het de sociaal uitgesloten groep vergaat over de jaren is enquêtejaar 2010 als uitgangspunt genomen en vanaf dan vijf en tien jaar vooruit gekeken. De uitgangsituatie was dat tweederde van de groep zich in een van twee laagste inkomens(kwintiel)groepen bevond. Na vijf jaar is dat nog een paar procentpunt hoger en ook na tien jaar is dat aandeel met 6 op de 10 nog steeds hoog. 
Ook het aandeel dat onder de lage-inkomensgrens leeft is bij de uitgeslotenen hoger dan bij de rest van de 16-plussers. Bij aanvang ging het om bijna een kwart en vijf en tien jaar later om 16 procent. 

Wat de sociaaleconomische situatie betreft is het beeld zowel in 2010 als vijf en tien jaar later dat er bij de uitgesloten groep relatief minder werkenden (bijna de helft) zijn en meer mensen met een bijstands-, WW- of WAO-uitkering (29 procent) dan bij de niet uitgesloten groep (58 procent werkenden en 7 procent met een uitkering). Voor de belangrijkste bron van inkomen geldt dat in 2010 het aandeel met loon werkenden met 59 procent bij de uitgesloten groep lager is dan bij de niet uitgeslotenen groep en het percentage met een bijstandsuitkering en, zij het in mindere mate, een ww- wao-uitkering hoger onder de uitgesloten mensen. Vijf jaar later is dat beeld onveranderd en tien jaar later blijken de verschillen tussen wel en niet uitgesloten mensen uit 2010 kleiner. 

Er blijkt wel een verschil tussen de 16 tot 30 jarigen en de 30–plussers. Terwijl het beeld bij de dertig-plussers grofweg lijkt op dat van de totale groep uitgesloten mensen, blijkt dat jongere mensen in 2010 zich weliswaar vaker in de laagste twee inkomensgroepen bevinden, maar met 58 procent toch minder vaak dan de oudere groep (70 procent). Na vijf jaar bevinden degenen in de jongste groep zich vaker in de laagste inkomensgroep, terwijl dat aandeel bij de oudere groep juist gedaald is. Na tien jaar zit van de jongere uitgesloten personen ruim 4 op de 10 nog de twee laagste inkomensgroepen, terwijl dat bij de 30-plussers bijna 7 op 10 is. In datzelfde jaar bevinden 4 op de 10 van de jongere uitgeslotenen zich echter in de een na hoogste inkomensgroep, tegenover ongeveer 3 op 10 bij de niet uitgesloten groep. Kennelijk is er bij de uitgesloten jongere mensen een deel wat zich na enige tijd ontworstelt aan de slechtere inkomenspositie.

Datzelfde patroon is ook te zien bij het leven onder de lage-inkomensgrens. Ook hier is de uitgangspositie (in 2010) van de jongere uitgesloten mensen minder florissant dan bij de niet uitgesloten jongere mensen. Echter, na vijf en tien jaar is het aandeel dat zich onder de lage-inkomensgrens bevindt onder de jongere uitgesloten mensen niet meer hoger dan bij de niet uitgesloten leeftijdsgenoten.

Ook bij de ontwikkeling van de sociaaleconomische positie komt het verschil in het beeld tussen de jongere en oudere groep terug. De jongere groep die uitgesloten is wijkt aanvankelijk (in 2010) niet af van de niet uitgesloten jongere groep in het aandeel met een uitkering. Wel zijn er bij hen met 65 procent méér werkzamen dan bij de niet uitgeslotenen in deze leeftijd. In 2015 is dat beeld omgedraaid en zijn de niet uitgesloten 30-minners met ruim driekwart weer vaker werkzaam dan hun uitgesloten leeftijdsgenoten (ruim de helft). Verder ligt met name het aandeel met een bijstandsuitkering bij de uitgesloten groep met ruim 1 op 10 hoger dan bij de niet uitgesloten 30-minners (2 procent). In 2020 zijn er in de jongere uitgesloten groep relatief zowel meer werkenden (ongeveer driekwart) als meer mensen met een bijstandsuitkering dan in 2015. Bij de uitgesloten 30-plussers zijn er op wat kleine verschuivingen in het aandeel werkenden en het aandeel met een bijstandsuitkering na, geen grote veranderingen ten opzichte van 2015. Het aandeel werkenden bij de uitgesloten groep van 30-plus is in 2020 met ongeveer 4 op de 10 nagenoeg gelijk aan dat in 2015, terwijl dat bij de jongere groep met 25 procentpunt is toegenomen. Het aandeel dat werkzaam is, is wel nog steeds lager dan dat bij hun niet sociaal uitgesloten leeftijdsgenoten. 
Al met al lijkt een deel van de jongere groep ondanks de aanvankelijke situatie van sociale uitsluiting, een positieve ontwikkeling te hebben doorgemaakt. 
Nader onderzoek naar sociale uitsluiting zou meer licht kunnen werpen op de vraag waarom bepaalde groepen wel, en andere groepen niet uit de sociaaleconomisch achtergestelde situatie kunnen geraken en welke factoren, naast leeftijd, daarbij al dan niet een rol spelen. Daarbij kan het ook interessant zijn om te dieper in te gaan op de beleving van de mensen zelf. 

1) De cijfers over de sociaaleconomische categorie op jaarbasis waren beschikbaar vanaf 2004. Dus de voorgeschiedenis van dakloze mensen 10 jaar voor instroom geldt daarmee voor de periode 2014-2018. 
2) In de jaren 2017 en 2018 was het percentage met 19 en 16 procent wat lager. Echter, in diezelfde periode waren ook wat verschuivingen in andere categorieën, zoals met name het aandeel immigranten in desbetreffend jaar.
3) Onder “Overige opvoer” worden personen verstaan die in de tussenliggende periode administratief zijn opgenomen in de bevolkingsregisters van een gemeente op verzoek van de betrokkene. Deze opneming is niet het gevolg van geboorte, immigratie of vestiging van die persoon vanuit een andere gemeente in Nederland. Een administratieve opneming is meestal een hervestiging van een persoon die eerder administratief is afgevoerd en die verklaart nooit uit Nederland te zijn weggeweest. Administratieve afvoering betekent verwijdering van een persoon uit het gemeentelijk bevolkingsregister van een gemeente nadat deze heeft vastgesteld dat de verblijfplaats van deze persoon niet bekend is, deze persoon niet bereikbaar is en waarschijnlijk geen inwoner meer is van een Nederlandse gemeente.

Referenties

Arends, J. (2021). Vrijwilligerswerk 2020.

Coumans, M., Arts, K., Reep, C. en H. Schmeets (2018). Inzicht in dakloosheid. Een onderzoek naar daklozen 2009-2016. 

Coumans, M., Arts, K. en H. Schmeets (2019). Vervolgonderzoek daklozenstatistiek 2009-2018. Een verdiepende studie naar de achtergrond van en de ontwikkelingen in de populatie daklozen tussen 2009-2018. 

CBS (19 december 2018). CBS nieuwsbericht. Meeste daklozen hadden al jaren een laag inkomen (cbs.nl)

CBS (31 maart 2022). CBS nieuwsbericht geraadpleegd op 4 juli 2022 Vertrouwen in Tweede Kamer steeg in 2020 en daalde in 2021 (cbs.nl)

CBS (2022). SDG 10.1 Sociale samenhang en ongelijkheid, geraadpleegd op 4 juli 2022.

Coumans (2021). 5.1 Sociale uitsluiting. In: Otten en van de Brakel (red.), Armoede en sociale uitsluiting. Heerlen/Den Haag/Aruba: Centraal Bureau voor de Statistiek. 

Coumans en Schmeets (2020) Sociale uitsluiting in Nederland: wie staat aan de kant?

Schmeets, H. en J. Exel (2022). Vertrouwen in medemens en instituties voor en tijdens de pandemie (cbs.nl)

Schmeets, H. en J. Exel. (2022). De Heitjes en de politieke betrokkenheid in Heerlen.

Schmeets, H., Exel, J., Westenend, A. ten en Martens, D. (2022) De Heitjes en de sociale contacten in Heerlen.

Schmeets, H., Exel, J., Westenend, A. ten en Martens, D. (2022). Heitjes en het verenigingsleven in Heerlen.

Statline (2021). Geraadpleegd op 26 juli 2022. 

Begrippenlijst

Besteedbaar inkomen

Het bruto-inkomen verminderd met betaalde inkomensoverdrachten, premies inkomensverzekeringen, premies ziektekostenverzekeringen en belastingen op inkomen en vermogen. 

Toelichting
Betaalde inkomensoverdrachten bestaan uit overdrachten tussen huishoudens zoals alimentatie betaald aan de ex-echtgeno(o)t(e). Premies inkomensverzekeringen betreffen premies betaald voor sociale verzekeringen, volksverzekeringen en particuliere verzekeringen in verband met werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid en ouderdom en nabestaanden. 

Gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen 

Het gestandaardiseerd huishoudensinkomen is toegekend aan alle personen in het huishouden als een maat voor de welvaart. Het gestandaardiseerd inkomen is het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Deze correctie vindt plaats met behulp van equivalentiefactoren. In de equivalentiefactor komen de schaalvoordelen tot uitdrukking die het gevolg zijn van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Met behulp van de equivalentiefactoren worden alle inkomens herleid tot het inkomen van een eenpersoonshuishouden. Op deze wijze is het welvaartsniveau van verschillende typen huishoudens onderling vergelijkbaar gemaakt.

Inkomen onder de lage-inkomensgrens

Om te bepalen of een huishouden een laag inkomen heeft, wordt het besteedbaar inkomen van een huishouden (exclusief huurtoeslag) omgerekend tot het gestandaardiseerde inkomen. Standaardiseren houdt in dat door correctie voor verschillen in huishoudensgrootte en -type inkomens vergelijkbaar gemaakt worden. De gestandaardiseerde inkomens van de voorgaande jaren worden met behulp van het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie herleid naar het prijspeil in het desbetreffende jaar. De lage-inkomensgrens staat voor een vast koopkrachtbedrag en wordt jaarlijks gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling. In 2020 lag de grens voor een alleenstaande op netto 1 100 euro per maand. Voor een paar zonder kinderen was dat 1 550 euro, en voor een paar met twee minderjarige kinderen 2 110 euro. Voor een eenoudergezin met twee minderjarige kinderen bedroeg deze grens 1 680 euro.

Percentielgroepen

Alle huishoudens van Nederland van een bepaald jaar worden op basis van het inkomen gerangschikt van laag naar hoog en vervolgens ingedeeld in 100 gelijke groepen. De eerste percentielgroep bestaat dan uit de 1 procent huishoudens met de laagste inkomens; de honderdste percentielgroep bestaat dan uit de 1 procent huishoudens met de hoogste inkomens.

Voornaamste inkomensbron van het huishouden

Indeling van huishoudens naar het inkomensbestanddeel met het hoogste bedrag, waarin de inkomensbestanddelen van alle leden van het huishouden worden samengeteld.

Sociaaleconomische categorie

Om de sociaaleconomische categorie te bepalen wordt gekeken wat de voornaamste inkomensbron van een persoon is in een periode (jaar of maand). Scholieren/studenten die geen inkomsten hebben of minder inkomsten hebben dan de lage-inkomensgrens voor een alleenstaande, worden als schoolgaand getypeerd. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen: werkzaam, (werknemer, ondernemer), ontvanger uitkering sociale voorziening (bijstandsuitkering, uitkering overige sociale voorzieningen), ontvanger overige uitkering (o.a. uitkeringen werknemersverzekeringen), schoolgaand (scholier/student) en overig zonder inkomen.

Bijlage 1 Terugblik en vooruitblik per dimensie van sociale uitsluiting

De sociaaleconomische achtergrond van de meest uitgesloten mensen vijf en tien jaar geleden per dimensie

Achtereenvolgens is gekeken naar participatie, grondrechten, deelname aan instituties en normatieve integratie. Er is nagegaan of er een vergelijkbaar patroon is te herkennen als bij uitsluiting bij degenen die op een van de dimensies tot het minst scorende kwartiel behoren. Dit is gedaan voor inkomen, de sociaaleconomische positie van de persoon en de belangrijkste bron van inkomsten van het huishouden. 

Voor participatie lijkt het beeld op dat voor uitsluiting in totaal. Zowel in 2018, als vijf en tien jaar daarvoor, bevinden van de minst participerende mensen zich relatief veel mensen in de laagste twee inkomenskwintielgroepen. In 2018 was dat de helft van de mensen die weinig participeerden, in 2013 44 en in 2008 43 procent, tegenover 26 a 27 procent van de mensen die meer deelnamen aan sociale en maatschappelijke activiteiten. Van de mensen die het minste deelnamen bevond zich in alle drie de jaren 22 procent zelfs in de laagste inkomenskwartielgroep (tegenover 11 à 12 procent van degenen die meer participeerden. Ook bleken mensen die zich in de minst participerende kwartielgroep bevonden, in alle drie de onderzochte jaren vaker een uitkering te ontvangen. Ging het bij hen om respectievelijk 16, 14 en 11 procent in 2018, 2013 en 2008, bij de mensen die meer participeerden was dat respectievelijk 6, 6 en 5 procent. Vooral het aandeel met een pensioenuitkering was bij de minst participerende hoog met 31, 26 en 20 procent, tegenover 20, 15 en 11 procent bij degenen die meer participeerden. 

De mensen die het minst gemakkelijk toegang hebben tot instituties of grondrechten, bevinden zich zowel in het enquêtejaar als vijf en tien jaar daarvoor met bijna een kwart aanmerkelijk vaker in de laagste inkomenskwintielgroep dan degenen die gemakkelijker toegang hebben tot allerlei instituties (12 procent voor alle drie de jaren). Voor het aandeel dat een uitkering of sociale voorziening ontvangt valt daarentegen op dit in 2018 voor de meest gedepriveerden op gebied van grondrechten met 17 procent het meest afwijkt van de niet gedepriveerde groep (7 procent). Dat verschil is in 2013 met respectievelijk 14 en 6 procent kleiner en in 2008 was er een verschil van 3 procentpunt tussen degenen die tien jaar later al dan niet gedepriveerd waren op gebied van grondrechten. 

Het beeld voor materiele deprivatie lijkt erg op het algemene beeld voor sociale uitsluiting. De meest materieel gedepriveerde groep, wordt zowel in 2018 als vijf en tien jaar daarvoor het duidelijkst gekenmerkt door een sociaaleconomisch kwetsbare positie. Van hen bevindt zich 63 procent in 2018 een van laagste twee inkomenskwintielgroepen, tegenover 20 procent van degenen die minder materieel gedepriveerd zijn. Ook in 2013 en 2008 onderscheidde de materieel gedepriveerde groep zich door een laag inkomen met respectievelijk 55 en 52 procent in de laagste twee inkomensgroepen (tegenover 22 en 24 bij minder materieel gedepriveerde mensen). Het aandeel met een uitkering (bijstands-, of WW-/WAO-uitkering) is in 2018, 2013 én 2008 met 22, 18 en 14 procent, eveneens fors hoger bij degenen die materieel gedepriveerd zijn dan bij de meer gefortuneerden op materieel gebied (ruim 3 procent).

Voor degenen die doorgaans sociaal minder gewenst gedrag vaker acceptabel vonden, waren er nagenoeg geen verschillen op gebied van inkomen. Een vergelijkbaar percentage van rond de 30 procent behoorde tot de laagste inkomenskwartielgroepen. Ook waren er nauwelijks verschillen te zien op gebied van het ontvangen van een uitkering of sociale voorziening. Wel verschillen de groepen voor het aandeel dat schoolgaand was; dit lag hoger bij degenen die minder geïntegreerd waren op gebied van normen en waarden, Van hen is in 2008 38, in 2013 30 en in 2008 20 procent schoolgaand, bij de normatief beter geïntegreerde mensen was dat respectievelijk 20, 15 en 9 procent. Dit hangt samen met de lagere leeftijd van de mensen met minder normbesef.

De sociaaleconomische achtergrond van de meest uitgesloten mensen na vijf en tien jaar per dimensie

De resultaten laten zien dat met name op gebied van materiele deprivatie, maar ook participatie en grondrechten in het jaar van de enquête de meest gedepriveerden zich relatief vaker in de groep met de laagste inkomens bevinden. Voor normatieve integratie is er alleen een beperkt verschil te zien in de laagste inkomensgroep. Na vijf jaar is het beeld wat minder uitgesproken voor toegang tot instituties. Maar voor participatie en materiele deprivatie is het verschil nog bijna even groot en duidelijk. Na tien jaar is het beeld voor participatie, materiele deprivatie en grondrechten nog steeds vergelijkbaar met dat van 2015. Voor normatieve integratie echter, is het beeld in 2020 dat er nauwelijks verschillen te zien zijn tussen degenen met meer of minder normbesef. 

Ook voor een inkomen tot de lage-inkomensgrens zijn het met name de materieel gedepriveerden en degenen met de minste toegang tot instituties die het vaakst onder de lage-inkomensgrens te leven. Bij participatie en vooral bij normbesef zijn de verschillen veel beperkter. Na vijf en tien jaar is ook dit beeld vergelijkbaar.

In 2010 is een relatief hoog percentage werkzaam van de meest gedepriveerde mensen op gebied van grondrechten en voor degenen met relatief minder normbesef. Voor gedepriveerden op deze dimensies is dat met 61 en 60 procent iets hoger dan bij de niet gedepriveerden op deze gebieden (respectievelijk 55 en 56 procent). Van de minst participerende en materieel meest gedepriveerden is met achtereenvolgens 43 en 47 procent juist een relatief kleiner aandeel werkzaam dan bij degenen die minder gedepriveerd waren op deze gebieden (respectievelijk 60 en 59 procent). 
Van degenen die gedepriveerd zijn op gebied van participatie, grondrechten en materieel is in (de eerste maand van) het jaar van de enquête een relatief hoog aandeel afhankelijk van een bijstands- of WW-uitkering, of een sociale voorziening. Van degenen die het minst participeren ontving met 37 procent een relatief hoog aandeel een pensioenuitkering, tegenover 23 procent van degenen die meer participeren.
Na vijf jaar beeld is dit beeld vergelijkbaar. Wel is dan het verschil in het aandeel werkenden tussen degenen met de minste toegang tot instituties en de mensen die daar beter toegang tot krijgen wat kleiner. Het verschil tussen degenen met minder en meer normbesef is juist toegenomen; degenen die het vaakst sociaal onwenselijk gedrag acceptabel vonden waren in 2015 vaker werkzaam dan degenen die minder gedepriveerd worden.
Na tien jaar is het verschil in het aandeel werkenden naar participatie en materiële deprivatie wat kleiner. Mensen met relatief minder normbesef in 2010 laten tien jaar na dato een wat ander beeld zien; zij hebben met 70 procent juist nog vaker werk dan degenen die normatief beter geïntegreerd waren in 2010. Maar zij laten tegelijkertijd een lager aandeel zien dat een pensioenuitkering ontvangt. Beiden, vaker werk en minder vaak een pensioenuitkering, hangen samen met hun gemiddeld lagere leeftijd. 

Op huishoudensniveau (belangrijkste inkomensbron van het huishouden) zijn in 2010 de verschillen voor de vier dimensies vergelijkbaar met het beeld voor de sociaal economische categorie. Het niveau van het aandeel met werk als belangrijkste inkomstenbron ligt wel hoger. Dit is na vijf en tien jaar grofweg vergelijkbaar.

Bijlage 2 Tabellenbijlage

B.1 Items in dimensie participatie, personen van 16 jaar of ouder (%)
20102018
Contact met familie buiten het huishouden1)≥1 x pw84,380,0
Contact met familie buiten het huishouden1)2 x pm7,614,6
Contact met familie buiten het huishouden1)1 x pm4,5
Contact met familie buiten het huishouden1)<1 x pm1,93,1
Contact met familie buiten het huishouden1)Zelden/nooit1,72,3
Contact met vrienden of kennissen1) ≥1 x pw81,473,9
Contact met vrienden of kennissen1) 2 x pm9,718,6
Contact met vrienden of kennissen1) 1 x pm5,6
Contact met vrienden of kennissen1) <1 x pm1,74,1
Contact met vrienden of kennissen1) Zelden/nooit1,53,4
Kan terecht bij vrienden bij persoonlijke problemen2) Overig94,886,5
Kan terecht bij vrienden bij persoonlijke problemen2) Nooit5,213,5
Kan terecht bij vrienden bij financiële problemen Overig83,679,1
Kan terecht bij vrienden bij financiële problemen Nooit16,420,9
Vrijwilligerswerk afgelopen jaarJa41,041,0
Vrijwilligerswerk afgelopen jaarNee59,059,0
Lid van vereniging of organisatie afgelopen jaarJa56,960,2
Lid van vereniging of organisatie afgelopen jaarNee43,139,8
Gestemd bij laatste verkiezingenJa/n.v.t.86,882,5
Gestemd bij laatste verkiezingenNee13,217,5
Bezoek bioscoop e.d. afgelopen jaar3)>12 x9,3
Bezoek bioscoop e.d. afgelopen jaar3)7 t/m 12 x12,9
Bezoek bioscoop e.d. afgelopen jaar3)4 t/m 6 x21,7
Bezoek bioscoop e.d. afgelopen jaar3)1 t/m 3 x35,6
Bezoek bioscoop e.d. afgelopen jaar3)Nooit20,5
Bezoek culturele bezienswaardigheden afgelopen jaar>12 x4,3
Bezoek culturele bezienswaardigheden afgelopen jaar7 t/m 12 x6,5
Bezoek culturele bezienswaardigheden afgelopen jaar4 t/m 6 x13,0
Bezoek culturele bezienswaardigheden afgelopen jaar1 t/m 3 x29,4
Bezoek culturele bezienswaardigheden afgelopen jaarNooit46,8
Bezoek bioscoop afgelopen jaar>12 x2,7
Bezoek bioscoop afgelopen jaar7 t/m 12 x5,1
Bezoek bioscoop afgelopen jaar4 t/m 6 x11,2
Bezoek bioscoop afgelopen jaar1 t/m 3 x28,1
Bezoek bioscoop afgelopen jaarNooit52,9
Bezoek concert of voorstelling afgelopen jaar>12 x2,6
Bezoek concert of voorstelling afgelopen jaar7 t/m 12 x4,7
Bezoek concert of voorstelling afgelopen jaar4 t/m 6 x11,7
Bezoek concert of voorstelling afgelopen jaar1 t/m 3 x32,6
Bezoek concert of voorstelling afgelopen jaarNooit48,4

1) De antwoordcategorie '1 keer per maand' is in 2018 niet apart meegenomen in de vragenlijst. 
2) De items over de hulpbronnen zijn in 2018 iets anders geformuleerd. De term 'problemen' werd vervangen door 'zaken'. Verder waren er in 2018 slechts 2 antwoordmogelijkheden (ja/nee) en in 2010 3 (ja, altijd/soms wel, soms niet/nee, nooit).
3) Het betreft het bezoek aan een bioscoop, concert, optreden of museum. In 2018 zijn de afzonderlijke vragen over culturele participatie samengevoegd tot één vraag.

B.2 Items in dimensie grondrechten en kerninstituten, personen van 16 jaar of ouder (%)
20102018
Tevredenheid hulp gemeente bij vinden baan e.d.1)Overig98,6
Tevredenheid hulp gemeente bij vinden baan e.d.1)(Zeer) ontevreden1,4
Tevredenheid hulp UWV bij vinden baanOverig98,6
Tevredenheid hulp UWV bij vinden baan(Zeer) ontevreden1,4
Tevredenheid hulp UWV bij aanvraag uitkeringOverig98,9
Tevredenheid hulp UWV bij aanvraag uitkering(Zeer) ontevreden1,1
Tevredenheid hulp SVBOverig100,0
Tevredenheid hulp SVB(Zeer) ontevreden0,0
Tevredenheid maatschappelijk werkOverig99,4
Tevredenheid maatschappelijk werk(Zeer) ontevreden0,6
Tevredenheid gem. vreemdelingendienst/COA bij inburgeringOverig100,0
Tevredenheid gem. vreemdelingendienst/COA bij inburgering(Zeer) ontevreden0,0
Geen hulp tandarts, terwijl dat nodig isOverig97,799,3
Geen hulp tandarts, terwijl dat nodig isHulp nodig, niet gekregen2,30,7
Geen hulp specialist of arts, terwijl dat nodig isOverig98,998,9
Geen hulp specialist of arts, terwijl dat nodig isHulp nodig, niet gekregen1,11,1
Niet kunnen verhuizen i.v.m. overlast, terwijl men dat wel wilOverig98,198,7
Niet kunnen verhuizen i.v.m. overlast, terwijl men dat wel wilWil verhuizen, kan niet1,91,3
Lekkend dakNee96,096
Lekkend dak Ja4,04
Vochtige murenNee91,788,3
Vochtige muren Ja8,311,7
Rottende kozijnenNee94,293,9
Rottende kozijnen Ja5,86,1
Te donkerNee96,096,6
Te donker Ja4,03,4
GeluidsoverlastNee75,971,4
Geluidsoverlast Ja24,128,6
Vervuiling (rook, stof, stank e.d.)Nee85,981,8
Vervuiling (rook, stof, stank e.d.) Ja14,118,2
VandalismeNee83,679,5
VandalismeJa16,420,5
1) Het betreft hulp van de gemeente bij het vinden van een baan, aanvraag van een uitkering, maatschappelijke hulp of jeugdhulp. Door een herstructurering in de  gezondheidszorg in 2015 zijn bepaalde taken (en de financiering daarvan) gedecentraliseerd naar de gemeenten. Daarom is deze vraag in 2018 anders geformuleerd dan in 2010, toen de tevredenheid per voorziening apart werd uitgevraagd.

B.3 Items in dimensie materiële deprivatie van het huishouden, personen van 16 jaar of ouder (%)
20102018
Rondkomen van netto inkomenZeer gemakkelijk15,413,7
Rondkomen van netto inkomenGemakkelijk46,736,6
Rondkomen van netto inkomenEerder gemakkelijk14,323,1
Rondkomen van netto inkomenEerder moeilijk11,715,7
Rondkomen van netto inkomenMoeilijk8,47,9
Rondkomen van netto inkomenZeer moeilijk3,53,0
Zwaarte woonlastenHelemaal geen last45,550,8
Zwaarte woonlastenEnigzins een last43,439,7
Zwaarte woonlastenEen zware last11,19,5
Betalingsachterstand hypotheek e.d.1)Geen achterstanden94,195,6
Betalingsachterstand hypotheek e.d.1)Achterstand5,94,4
Afbetalingen van artikelen op afbetaling of leningenGeen afbetalingen87,279,7
Afbetalingen van artikelen op afbetaling of leningenHelemaal geen last5,08,7
Afbetalingen van artikelen op afbetaling of leningenEnigzins een last5,49,0
Afbetalingen van artikelen op afbetaling of leningenEen zware last2,32,6
Voldoende geld om jaarlijks een week op vakantie gaanJa84,284,1
Voldoende geld om jaarlijks een week op vakantie gaanNee15,815,9
Voldoende geld voor om de dag warme maaltijd met vlees/vis Ja97,497,5
Voldoende geld voor om de dag warme maaltijd met vlees/vis Nee2,62,5
Voldoende geld om versleten meubels te vervangen Ja80,679,4
Voldoende geld om versleten meubels te vervangen Nee19,420,6
Voldoende geld om regelmatig nieuwe kleren te kopenJa88,586,1
Voldoende geld om regelmatig nieuwe kleren te kopenNee11,513,9
Voldoende geld voor ≥1 x pm te eten vragen familie/kennissenJa93,288,7
Voldoende geld voor ≥1 x pm te eten vragen familie/kennissenNee6,811,3
Voldoende geld voor onverwachte noodzakelijke uitgaven2)Ja78,275,4
Voldoende geld voor onverwachte noodzakelijke uitgaven2)Nee21,824,6
Voldoende geld voor het verwarmen van het huisJa97,797,3
Voldoende geld voor het verwarmen van het huisNee2,32,7
Kleurentelevisie in huishoudenJa98,196,2
Kleurentelevisie in huishoudenNee1,93,8
Personal computer in huishoudenJa91,496,3
Personal computer in huishoudenNee8,63,7
Wasmachine in huishoudenJa98,397,7
Wasmachine in huishoudenNee1,72,3
Auto in huishoudenJa84,083,6
Auto in huishoudenNee16,016,4

1) Het betreft achterstanden in de betaling van de hypotheek, huur, artikelen op afbetaling of lening. Gezien het geringe percentage respondenten dat ermee te maken heeft, zijn de oorspronkelijk vier items over betalingsachterstanden bij elkaar als één dichotoom item meegenomen.
2) In 2010 ging het om noodzakelijke uitgaven van 850 euro en in 2018 om 1100 euro.

B.4 Items in dimensie normatieve integratie, personen van 16 jaar of ouder (gemiddelde score)1)
20102018
Zonder kaartje meerijden in het openbaar vervoer acceptabel 1,902,34
Afval weggooien in het openbaar acceptabel1,401,61
Geleverde diensten zwart betalen om belasting te vermijden acceptabel3,193,30
Roken in openbare gebouwen acceptabel2)2,64
Zonder bericht wegrijden nadat je een andere geparkeerde auto hebt beschadigd acceptabel1,231,39

1) Deze items werden in 2010 uitgevraagd op een schaal van 1 tot en met 10, in 2018 was dat 0 tot en met 10. Voor de vergelijking is de schaal van 2018 getransformeerd naar de indeling van 2010.
2) Het item over roken in openbare gebouwen is in 2018 niet gevraagd omdat in de tussentijd de wet- en regelgeving is aangepast en strenger wordt gehandhaafd.

B.5 Samenstelling van de sociaal uitgesloten versus de niet uitgesloten groep totaal en per dimensie (%), 2018
UitgeslotenNiet uitgeslotenMinst participerende kwartielgroepOverigKwartielgroep met minste toegang tot instituties/ grondrechtenOverigMeest materieel gedepriveerde kwartielgroepOverigMinst normatief geïntegreerde kwartielgroepOverig
Mannen58,948,752,248,048,749,044,650,354,847,0
Vrouwen41,151,347,852,051,351,055,449,745,253,0
Leeftijd 16 tot 25 jaar15,412,46,814,314,212,513,911,821,510,3
Leeftijd 25 tot 35 jaar18,315,38,216,617,414,616,714,320,713,4
Leeftijd 35 tot 45 jaar12,614,711,214,916,413,913,914,013,914,2
Leeftijd 45 tot 55 jaar27,518,320,818,221,417,818,518,918,218,7
Leeftijd 55 tot 65 jaar12,517,221,915,917,017,317,617,112,018,6
Leeftijd 65 tot 75 jaar7,313,415,512,68,814,111,314,37,815,1
Leeftijd 75 jaar of ouder6,38,815,67,54,79,88,29,75,99,7
Laag onderwijs niveau27,225,646,421,922,627,437,323,521,228,3
Middelbaar onderwijsniveau53,438,938,839,643,039,039,339,340,439,0
Hoog onderwijsniveau19,435,514,738,534,533,623,437,238,432,7

B.6 Samenstelling van de sociaal uitgesloten versus de niet uitgesloten groep totaal en per dimensie (%), 2010
UitgeslotenNiet uitgeslotenMinst participerende kwartielgroepOverigKwartielgroep met minste toegang tot intituties/ grondrechtenOverigMeest materieel gedepriveerde kwartielgroepOverigMinst normatief geïntegreerde kwartielgroepOverig
Mannen52,348,149,147,647,548,144,049,655,246,0
Vrouwen47,751,950,952,452,551,956,050,444,854,0
Leeftijd 16 tot 25 jaar19,09,85,911,715,29,912,09,621,76,9
Leeftijd 25 tot 35 jaar13,414,88,516,622,713,714,514,718,213,6
Leeftijd 35 tot 45 jaar21,719,015,419,922,318,221,018,520,818,4
Leeftijd 45 tot 55 jaar23,820,020,619,718,619,922,319,617,220,9
Leeftijd 55 tot 65 jaar14,817,219,116,112,517,315,317,413,917,9
Leeftijd 65 tot 75 jaar4,611,712,910,76,212,07,312,35,412,9
Leeftijd 75 jaar of ouder2,67,517,55,22,59,07,67,82,89,3
Hoogst afgerond onderwijs basisonderwijs13,97,620,24,95,39,015,26,56,68,7
Hoogst afgerond onderwijs Vmbo, Mavo36,420,130,618,325,220,925,719,920,621,4
Hoogst afgerond onderwijs havo, vwo, mbo38,741,136,542,139,040,542,640,345,939,4
Hoogst afgerond onderwijs HBO, universiteit11,031,212,734,730,529,616,433,427,030,5
1) In 2010 werd het opleidingsniveau op een wat andere wijze vastgesteld dan in 2018. Het ging wel om het hoogst afgeronde opleidingsniveau, maar er werden vier in plaats van drie niveaus vastgesteld. Voor 117 mensen kon geen onderwijsniveau worden vastgesteld.

B.7 Sociaaleconomische situatie naar sociale uitsluiting, 2018 (enquêtejaar), 2013 en 2008 (%)
Situatie 2018 uitgeslotenenSituatie 2018 niet uitgeslotenenSituatie 2013 uitgeslotenenSituatie 2013 niet uitgeslotenenSituatie 2008 uitgeslotenenSituatie 2008 niet uitgeslotenen
1e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen25,412,231,012,631,812,0
2e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen34,616,223,615,625,916,6
3e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen19,720,722,221,621,421,0
4e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen15,523,511,424,113,126,2
5e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen4,827,311,826,07,924,1
Inkomen vanaf de lage-inkomensgrens of meer90,095,386,594,885,994,9
Inkomen tot de lage-inkomensgrens10,04,713,55,214,15,1
Werkzaam47,157,351,854,443,153,3
Uitkering sociale voorziening9,63,08,82,08,41,6
Overige uitkering11,34,27,54,46,73,3
pensioenuitkering12,722,39,116,86,711,4
Schoolgaand13,89,718,217,030,523,6
Overig zonder inkomen5,53,54,65,44,66,7
Loon winst eigen onderneming62,269,562,269,571,979,9
Bijstandsuitkering sociale voorziening16,33,416,33,410,72,4
Andere uitkering7,63,27,63,24,73,2
Pensioenuitkering13,123,013,123,07,712,1
Overig0,81,00,81,05,02,5

B.8 Sociaaleconomische situatie naar sociale uitsluiting, 2010 (enquêtejaar), 2015 en 2020 (%)
Situatie 2010 uitgeslotenenSituatie 2010 niet uitgeslotenenSituatie 2015 uitgeslotenenSituatie 2015 niet uitgeslotenenSituatie 2020 uitgeslotenenSituatie 2020 niet uitgeslotenen
1e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen38,313,233,410,333,98,8
2e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen28,818,235,516,926,117,3
3e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen15,620,016,120,214,621,1
4e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen11,823,512,625,521,025,0
5e 20%-groep gestandaardiseerd inkomen5,425,12,527,14,427,8
Inkomen vanaf de lage-inkomensgrens of meer76,995,983,896,483,997,1
Inkomen tot de lage-inkomensgrens23,14,116,23,616,12,9
Werkzaam47,958,042,658,452,259,4
Uitkering sociale voorziening16,52,317,92,517,02,7
Overige uitkering12,14,68,85,48,63,9
pensioenuitkering9,921,315,326,016,829,9
Schoolgaand6,57,15,92,30,00,2
Overig zonder inkomen7,16,79,55,35,43,9
Loon winst eigen onderneming58,571,555,965,758,964,7
Bijstandsuitkering sociale voorziening17,81,719,22,419,91,8
Andere uitkering8,73,66,43,94,52,7
Pensioenuitkering11,821,118,527,116,730,2
Overig3,32,20,01,00,00,7