1. Inleiding
Infrastructuur bestaat uit allerlei voorzieningen en activiteiten die nodig zijn om primaire diensten te verlenen aan de economie en de samenleving. Naast het vervoeren van personen en goederen omvat infrastructuur ook energievoorziening (waardoor huizen verwarmd kunnen worden en bedrijven kunnen produceren), drinkwatervoorziening (waardoor Nederlanders iedere dag schoon drinkwater tot hun beschikking hebben) en afvalverwerking. Bovendien maakt infrastructuur het ook mogelijk dat men met elkaar kan communiceren, zowel analoog als digitaal, en dat bedrijven kunnen digitaliseren en automatiseren. Tot slot zorgt infrastructuur voor waterveiligheid met betrekking tot overstromingsrisico’s.
Infrastructuur is dus een breed begrip en raakt veel facetten van de samenleving. Dat infrastructuur van belang is voor het goed functioneren van een samenleving en economie staat daardoor buiten kijf. Hoeveel de infrastructuur dan precies bijdraagt en wat de waarde is van de Nederlandse infrastructuur kan op verschillende manieren in kaart worden gebracht. Er kan bijvoorbeeld gekeken worden naar facetten van de ‘maatschappelijke waarde’, de ‘emotionele waarde’ of de ‘gebruikswaarde’ van de onderliggende diensten van de infrastructuur.
In de Factsheet brede welvaart, die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) jaarlijks samenstelt voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, wordt een breed scala aan indicatoren op het thema ‘Infrastructuur en Waterstaat’ samengebracht. Uit deze cijfers blijkt dat de gemiddelde Nederlander in 2024 bijvoorbeeld 8 146 reizigerskilometers in de auto maakte, 1 111 kilometers op de fiets zat en 1 522 kilometers in het openbaar vervoer doorbracht. De gemiddelde Nederlander had 5,63 uur tijdsverlies door files en vertraging op de weg. Dit zijn allemaal gemiddelden. Personen verschillen echter in grote mate waarin ze gebruikmaken van auto, fiets, en het openbaar vervoer. Er werd in 2024 minder gemeentelijk afval per inwoner opgehaald dan in eerdere jaren en het aandeel wat gerecycled wordt neemt toe. Ook blijkt uit de Factsheet dat de meeste mensen zich veilig voelen in het OV en tevreden zijn over het drinkwater.
De waarde van infrastructuur kan echter ook in economische termen (‘de economische waarde’) worden uitgedrukt, namelijk door te bepalen hoeveel waarde de infrastructuur toevoegt aan de Nederlandse economie. In dit voorliggende onderzoek heeft het CBS, op verzoek van Next Generation Infrastructures (NGinfra), deze economische toegevoegde waarde van de infrastructuur in kaart gebracht voor een periode van 30 jaar (1995-2024). NGinfra is het kennisplatform van zes infrabeheerders: Alliander, Havenbedrijf Rotterdam, ProRail, Rijkswaterstaat, Schiphol en Vitens.
Dit onderzoek bouwt voort op twee eerdere onderzoeken, uit 2017 en 2019, die het CBS eveneens op verzoek van NGinfra heeft uitgevoerd. In deze onderzoeken werd uitvoerig stilgestaan bij de afbakening van de infrastructuur. Aangezien deze afbakening nog steeds relevant en toepasbaar is, hanteert het huidige onderzoek dezelfde definitie. Deze afbakening heeft betrekking op ‘de verzameling van activiteiten binnen bepaalde bedrijfstakken die gerelateerd zijn aan infrastructuur’. In dit rapport korten we dit af naar ‘de infrastructuur’. De reeks cijfers over toegevoegde waarde uit de eerdere onderzoeken liep van 1995 tot 2016, deze is nu uitgebreid tot en met 2024. Ook hebben er op een aantal kleine punten herzieningen plaatsgevonden doordat er nu meer informatie beschikbaar is dan acht jaar geleden. Net als in de eerdere onderzoeken zijn de Nationale rekeningen de belangrijkste bron om de economische waarde te bepalen. De toegevoegde waarde wordt gegeven in werkelijke prijzen, dit betekent dat deze waarde niet gecorrigeerd is voor inflatie.
Naast de toegevoegde waarde zijn nu bovendien een aantal aanvullende indicatoren in kaart gebracht die samenhangen met de economische waarde. Omdat deze indicatoren voor de eerste keer in beeld zijn gebracht heeft dit deel van het onderzoek een experimenteel karakter:
- Op basis van de Arbeidsrekeningen zijn gegevens over werkgelegenheid samengesteld. Voor de totale periode (1995-2024) is het aantal werkzame personen en arbeidsjaren geschat, zowel voor werknemers als zelfstandigen.
- Op basis van de Milieurekeningen zijn negen milieu-indicatoren toegevoegd die samenhangen met de economische productie van de infrastructuur. Dit zijn: directe broeikasgasemissies, fijnstofemissies, energieverbruik, waterverbruik, materiaalverbruik (biomassa, metalen en mineralen), afvalaanbod en milieubelastingen.
- Voor het jaar 2023 is een experimentele analyse uitgevoerd om de indirecte economische toegevoegde waarde te schatten. Dit is de toegevoegde waarde die gecreëerd is bij de Nederlandse toeleveranciers van de infrastructuur en bij de toeleveranciers van de toeleveranciers enzovoorts.
Dit rapport is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 staat een toelichting op de gebruikte methode. Er wordt stilgestaan bij de afbakening van de infrastructuur en de berekening van de (directe en indirecte) toegevoegde waarde, de werkgelegenheidsindicatoren en de milieu-economische indicatoren. Daarna volgt een beschrijving van de belangrijkste resultaten in hoofdstuk 3 (toegevoegde waarde), 4 (werkgelegenheid), 5 (milieu-economische indicatoren) en 6 (indirecte toegevoegde waarde). Hier wordt onder andere ingegaan op de trends over de tijd en de bijdrage van de verschillende onderdelen van de infrastructuur aan het geheel. Bij dit rapport hoort ook een tabellenset waarin alle achterliggende cijfers zijn opgenomen.