2. Methode
2.1 Afbakenen van de infrastructuur
Er bestaat, nationaal en internationaal, (nog) geen formele afbakening van de ‘infrastructuur in economische zin’. Het CBS heeft in 2017 en 2019 samen met NGinfra en verschillende deskundigen onderzocht hoe de infrastructuur in economische zin kan worden afgebakend. Traditioneel wordt bij infrastructuur vaak gedacht aan kapitaalintensieve onroerende goederen, zoals bijvoorbeeld spoorlijnen, wegen en elektriciteitsnetwerken. Als enkel deze onroerende voorzieningen in de definitie worden opgenomen, dan is die betekenisloos voor de economie en samenleving. Namelijk, aan een spoorlijn als zodanig heeft de samenleving niet veel, tenzij er daadwerkelijk treinen rijden die personen of goederen kunnen verplaatsen volgens een dienstregeling en met een verkeersleiding. Op dezelfde manier is een drinkwaterleidingnet nutteloos als het niet gebruikt wordt om daadwerkelijk schoon drinkwater te leveren aan consumenten en ander gebruikers. Daarom is destijds de volgende afbakening van de infrastructuur opgesteld: het geheel van onroerende en roerende voorzieningen en activiteiten die nodig zijn om de primaire diensten te verlenen die aan de basis staan van de economie en samenleving.
Onder de primaire diensten wordt verstaan:
- overstromingsveiligheid en waterpeilbeheer;
- energievoorziening in de vorm van elektriciteit, gas, brandstoffen (voor transport en ruimteverwarming) en warmte;
- informatie- en telecommunicatie (zowel analoog als digitaal; zowel via vaste lijnen als mobiel);
- transport van personen en goederen over de weg, water, spoor en door de lucht;
- drinkwatervoorziening;
- afval(water)verwijdering en -verwerking.
De selectie van deze primaire diensten was destijds gebaseerd op het National Infrastructure Delivery Plan 2016-2021 van het Verenigd Koninkrijk en de essentiële diensten waar iedere Europese burger – volgens de Europese Commissie (EC) - toegang tot zou moeten hebben (met uitzondering van financiële diensten). Op dit moment werkt een werkgroep van de United Nations Economic Commission for Europe (UNECE) aan een internationale definitie voor het meten van een duurzame en veerkrachtige infrastructuur. In een eerste verkenning worden dezelfde zes primaire diensten genoemd.
Omdat de eerder opgestelde afbakening van de Nederlandse infrastructuur nog goed aansluit bij de definities van de EC en UNECE, kiezen we in het huidige onderzoek voor dezelfde afbakening. In de gekozen definitie is infrastructuur dus de keten van bovengenoemde basisvoorzieningen, ofwel; het hele systeem van productie tot en met de levering van de primaire infrastructurele dienst.
Vertaling naar bedrijfstakken
Om de economische waarde van de infrastructuur te bepalen is vervolgens een selectie gemaakt van bedrijfstakken die onderdeel zijn van de productie- en leveringsketens van bovengenoemde primaire diensten. Voor het opstellen van statistieken over bedrijven gebruikt het CBS een (internationale) indeling naar bedrijfstakken, de zogenaamde Standaard Bedrijfsindeling (SBI). Bedrijven worden op basis van hun hoofdactiviteit geclassificeerd in een specifieke bedrijfstak. Meestal bestaat een primaire dienst uit meerdere bedrijfstakken, maar omgekeerd bevatten bedrijfstakken ook activiteiten die niet toegerekend kunnen worden aan de infrastructuur. In dit onderzoek is de infrastructuur geconstrueerd uit dertien bedrijfstakken. Tabel 2.1.1 geeft deze bedrijfstakken en een korte toelichting weer.
| Bedrijfstak | Toelichting |
|---|---|
| Delfstoffenwinning | Deze activiteit wordt meegenomen omdat het gewonnen gas en de gewonnen olie verder in de primaire waardeketen van energievoor- ziening gebruikt worden voor de productie van brandstoffen, warmte en elektriciteit. In deze bedrijfstak wordt daarnaast ook zand, grind en klei gewonnen. Deze materialen zijn een belangrijke input verderop in de keten, bijvoorbeeld voor de aanleg van wegen en dijken. |
| Aardolie-industrie | In deze bedrijfstak worden aardolieproducten geconverteerd in brandstoffen (met name transportbrandstoffen) en grondstoffen voor de petrochemische industrie. De transportsector kan niet functioneren zonder brandstoffenvoorziening. |
| Energiebedrijven | De productie en distributie van energie (elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht) worden gezien als primaire diensten die aan de basis staan van de economie en de samenleving. Zonder energie infrastructuur kan de economie niet draaien. De energievoorziening steunt op de winning (en import) van primaire energiedragers, op de conversie daarvan in andere energie(dragers), gevolgd door transport naar en daadwerkelijke levering aan de gebruikers. |
| Waterbedrijven | De winning, zuivering en distributie van water wordt gezien als een basale dienst die aan de basis staat van de economie en de samenleving. |
| Afvalbeheer | Deze bedrijfstak verleent primaire diensten, zoals het inzamelen, reduceren, verwerken en afvoeren van schadelijke stoffen naar en van het milieu. |
| Verkoop van brandstoffen | Omdat de hele energietoeleveringsketen in kaart wordt gebracht, van productie naar distributie en levering, moet ook de verkoop van brandstoffen worden meegenomen. De bedrijfstakken ‘vervoer over land, water en door de lucht’ kunnen niet functioneren zonder brandstoffen. |
| Vervoer over land, vervoer over water en vervoer door de lucht | Deze drie bedrijfstakken leveren de vervoerdiensten die nodig zijn om personen en goederen daadwerkelijk te verplaatsen. |
| Opslag en dienst- verlening voor vervoer | In deze bedrijfstak zijn onder andere de basale diensten van luchthavens (overslag van goederen en transfer van passagiers) en havens (overslag van goederen) opgenomen. |
| Telecommunicatie | Dit omvat de exploitatie, het onderhoud en het bieden van toegang tot het overbrengen van gesproken woord, data, tekst, geluid en beeld. Dit kan via draadgebonden of draadloze telecommunicatie-infrastructuur. |
| Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten | Dit betreft de levering van de infrastructuur voor gegevensverwerking, datacentra, (web)hosting, en aanverwante activiteiten, zoals het beheer van domeinnamen. |
| Openbaar bestuur en overheids- diensten | Publieke infrastructuur, zoals wegen, dijken en overige waterinfra- structuur, die worden aangelegd en beheerd door de overheid. De diensten die hier mee gemoeid zijn (zoals waterveiligheid of het snel van A naar B kunnen) worden door Nederlanders collectief geconsumeerd. |
Onderscheid exploitatie- en non-exploitatiefase
De economie en de samenleving maken gebruik van bestaande infrastructuur, maar er wordt ook jaarlijks nieuwe infrastructuur toegevoegd. In dit onderzoek is onderscheid gemaakt tussen de toegevoegde waarde, werkgelegenheid en milieu-impact die ontstaat door het exploiteren van de bestaande infrastructuur en de toegevoegde waarde, werkgelegenheid en milieu-impact die ontstaat door investeringen in nieuwe infrastructuur.
In de zogenaamde exploitatiefase gaat het om activiteiten waarbij direct gebruik wordt gemaakt van bestaande infrastructurele activa door exploitanten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de toegevoegde waarde die een netwerkbedrijf genereert door energie te transporteren over een reeds bestaand energienet. Of de toegevoegde waarde die ontstaat doordat afval wordt verwerkt in een bestaande afvalcentrale.
In de non-exploitatiefase wordt de waarde gekoppeld aan de realisatie van investeringen in nieuwe infrastructuur en het groot onderhoud van de infrastructuur. Het gaat in deze fase om de bouw van de activa zelf. Een voorbeeld is de toegevoegde waarde die ontstaat tijdens het aanleggen van elektriciteitsleidingen of de bouw van een nieuwe brug. Daarbij gaat het om de toegevoegde waarde die wordt gegenereerd door de producent van de kapitaalgoederen, de bouwsector. Daarbij worden alleen de investeringen in infrastructurele projecten meegenomen die worden gedaan door bovenstaande dertien bedrijfstakken.
2.2 Toegevoegde waarde
De economische waarde van de infrastructuur wordt in dit onderzoek benaderd via de toegevoegde waarde in basisprijzen. In het CBS-onderzoek uit 2019 is een reeks van cijfers over de toegevoegde waarde gemaakt voor de jaren 1995-2016. Deze is nu uitgebreid naar de periode 1995-2024.
De basisprijs van een product is het bedrag dat de producent daadwerkelijk ontvangt. Deze prijs wordt verkregen door de verkoopprijs te verminderen met de handels- en vervoersmarges en de productgebonden belastingen en door de productgebonden subsidies erbij op te tellen. De basisprijzen zijn niet gecorrigeerd voor inflatie.
De toegevoegde waarde is de totale waarde van de geproduceerde goederen en diensten (productie), minus de waarde van wat er bij de productie is verbruikt (intermediair verbruik). Het verbruik bij de productie bestaat uit goederen zoals grondstoffen en halffabricaten (bijvoorbeeld grind, zand, betonplaten), maar ook uit diensten zoals ingekocht automatiseringswerk en ingehuurd (uitzend)personeel. Dit is de toegevoegde waarde bepaald vanuit de productie.
De toegevoegde waarde kan ook bepaald worden vanuit de inkomensvorming, deze is gelijk aan de toegevoegde waarde vanuit productie. De toegevoegde waarde vanuit de inkomensvorming is opgebouwd uit drie componenten:
- beloning van werknemers: de totale vergoeding, in geld of in natura, die door een werkgever aan een werknemer verschuldigd is door de arbeid die deze tijdens een verslagperiode heeft verricht. De beloning van werknemers is gelijk aan het totaal van lonen en sociale premies ten laste van werkgevers.
- saldo van niet-productgebonden belastingen en subsidies: belastingen en subsidies die niet direct relateerbaar zijn aan de waarde of de hoeveelheid van geproduceerde en verkochte producten. Voorbeeld van niet-productgebonden belastingen zijn de onroerendezaakbelasting, reinigingsrechten en rioolrechten betaald door producenten en consumenten. Voor de niet-productgebonden subsidies betreft het bijvoorbeeld loonsubsidies.
- bruto exploitatieoverschot: dit is het saldo dat resteert nadat de toegevoegde waarde tegen basisprijzen is verminderd met de beloning van werknemers en het saldo van niet-productgebonden belastingen en subsidies. Dit kan gezien worden als een vergoeding voor kapitaal en het loon dat zelfstandigen zichzelf uitkeren.
In dit onderzoek is naast de schatting van de totale toegevoegde waarde ook een uitsplitsing gemaakt naar deze drie componenten. Deze uitsplitsing kan gebruikt worden om meer duiding te geven aan de totaalcijfers.
De toegevoegde waarde is geschat voor alle dertien bedrijfstakken (zie paragaaf 2.1) die onder onze afbakening van infrastructuur vallen. De optelsom betreft dan een benadering van de toegevoegde waarde van de totale Nederlandse infrastructuur. In paragraaf 2.3 en 2.4 wordt op meer detailniveau ingegaan op de berekening van de toegevoegde waarde in de exploitatie en non-exploitatiefase.
De primaire bron om de toegevoegde waarde te berekenen zijn de Nationale rekeningen (NR). De NR vormen de officiële overzichtsstatistiek van de nationale economie (zie bijlage 1 voor meer informatie over de NR). Binnen de NR worden onder andere de aanbod- en gebruiktabellen (AGT) opgesteld. In de AGT worden productie, verbruik en toegevoegde waarde per bedrijfstak beschreven en uitsplitst naar goederengroep.
Gemiddeld vindt eens in de vijf jaar een revisie van de NR plaats. Bij een revisie worden veranderingen in concepten, classificaties, methoden en bronnen in één keer doorgevoerd. Om breuken in de tijdsreeksen te voorkomen worden ook de voorafgaande definitieve jaren herzien. De meest recente revisie van de NR heeft plaatsgevonden in 2021. In dit onderzoek is deze meest recente formatie uit de NR toegepast om een nieuwe consistente tijdreeks te construeren die loopt van 1995 tot en met 2024. Dit betekent dat de cijfers over de eerdere gepubliceerde jaren (1995-2016) ook opnieuw geschat zijn. In de meeste gevallen is de verandering echter beperkt.
Omdat de berekende toegevoegde waarde voor de infrastructuur consistent is met de NR kan een vergelijking gemaakt worden met de totale toegevoegde waarde van alle institutionele sectoren en bedrijfstakken in Nederland. Er is één verschil met het bruto binnenlands product (bbp): daar wordt ook het saldo van productgebonden belastingen en subsidies (die niet aan sectoren en bedrijfstakken worden toegerekend) bij meegenomen.
2.3 Toegevoegde waarde exploitatiefase
De aanbod- en gebruiktabellen in de Nationale rekeningen zijn gebruikt om de toegevoegde waarde van de exploitatiefase te bepalen. Het gaat hier om de toegevoegde waarde die gegenereerd wordt in een bepaald jaar door de exploitatie van de bestaande infrastructuur.
Voor acht bedrijfstakken die vallen onder de afbakening van de infrastructuur kan de toegevoegde waarde in zijn geheel worden overgenomen uit de NR en zijn geen extra berekeningen nodig (zie tabel 2.3.1). Voor de resterende vijf bedrijfstakken zijn wel aanvullende berekeningen nodig. Deze worden in de opvolgende paragrafen verder toegelicht.
| Bedrijfstak | SBI-code | Extra berekening nodig? |
|---|---|---|
| Delfstoffenwinning | 05 tot en met 09 | Ja |
| Aardolie-industrie | 19 | Ja |
| Energiebedrijven | 35 | Nee |
| Waterleidingbedrijven | 36 | Nee |
| Riolering, afvalbeheer en sanering | 37 tot en met 39 | Nee |
| Verkoop van brandstoffen | 46.71 en 47.3 | Ja |
| Vervoer over land | 49 | Nee |
| Vervoer over water | 50 | Nee |
| Vervoer door de lucht | 51 | Nee |
| Opslag en dienstverlening voor vervoer | 52 | Nee |
| Telecommunicatie | 61 | Nee |
| Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten | 63.11 | Ja |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 84 | Ja |
Delfstoffenwinning
Een bedrijfstak produceert in de Nationale rekeningen in de meeste gevallen meerdere goederengroepen. Voor de delfstoffenwinning geldt dat het onder andere de goederengroep ‘exploratie voor delfstoffenwinning’ produceert. In dit onderzoek is ervoor gekozen om deze mee te nemen in de non-exploitatiefase, omdat exploratie wordt geregistreerd als een investering.
Voor deze goederengroep ‘exploratie’ zijn geen aparte cijfers over de toegevoegde waarde beschikbaar. De onderliggende productiecijfers zijn wel beschikbaar. De cijfers zijn op dit detailniveau niet standaard ‘herzien’ voor de hele tijdreeks in de NR. Voor dit project hebben we deze reeks daarom zelf teruggelegd, zodat deze consistent is met de schatting van de productiecijfers van de gehele bedrijfstak delfstoffenwinning (zie ook het kader ‘Terugleggen n.a.v. herziening’).
Op basis van de (teruggelegde) productiecijfers is het aandeel van de goederengroep ‘exploratie’ in de totale bedrijfstak delfstoffenwinning berekend. Aan de hand daarvan is de toegevoegde waarde van de delfstoffenwinning exclusief ‘exploratie’ berekend door de toegevoegde waarde van de bedrijfstak delfstoffenwinning te vermenigvuldigen met (1-aandeel).
Aardolie-industrie
Voor de infrastructuur zijn alleen de goederengroepen die te maken hebben met de productie van brandstoffen relevant voor dit onderzoek. Het gaat hierbij om de goederengroepen benzine, jetfuel, diesel en stookolie. De andere goederengroepen worden uitgesloten. Net als bij de delfstoffenwinning (zie voorgaande paragraaf) is de toegevoegde waarde niet beschikbaar voor onderliggende goederengroepen. Er is daarom een vergelijkbare berekening toegepast.
Voor de goederengroepen die wél worden meegenomen is een tijdreeks van de productiecijfers teruggelegd. Op basis van de (teruggelegde) productiecijfers berekenen we het aandeel van deze goederengroepen in de totale bedrijfstak aardolie-industrie. Tot slot is de toegevoegde waarde van de bedrijfstak aardolie-industrie vermenigvuldigd met dit aandeel.
Verkoop van brandstoffen
Voor de verkoop van brandstoffen kijken we naar de detail- en groothandel in brandstoffen. Dit is onderdeel van SBI-code 46.71 (groothandel in brandstoffen en overige minerale olieproducten) en SBI-code 47.3 (benzinestations). Voor deze SBI-codes worden geen cijfers gepubliceerd in de NR. Wel is onderliggende data in de NR beschikbaar om schattingen te maken voor 46.71 (2015-2024) en voor 47.3 (1995-2024). Ook hier hebben we zelf de tijdreeks teruggelegd.
Voor SBI-code 46.71 (groothandel) ontbreken gegevens vóór 2015 in de NR. Voor de jaar-op-jaarveranderingen die nodig zijn om de gehele tijdreeks terug te leggen hebben we voor de periode 1995-2014 gebruik gemaakt van jaar-op-jaarveranderingen in de toegevoegde waarde voor deze SBI-code in de productiestatistieken.
Voor SBI-code 47.3 (benzinestations) is de toegevoegde waarde beschikbaar in de NR, maar is de reeks niet volledig teruggelegd. Dit hebben we zelf gedaan volgens de eerder beschreven methode. Echter worden bij benzinestations niet alleen brandstoffen verkocht, maar ook producten zoals voedsel en drankjes. We willen deze extra shopverkopen bij benzinestations niet meenemen in onze berekening. Op basis van informatie in de productiestatistieken concluderen we dat ongeveer twee derde van de verkopen is gerelateerd aan brandstoffen. Dit aandeel is vervolgens vermenigvuldigd met de totale toegevoegde waarde in SBI-code 47.3.
Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten
SBI-code 63.11 bevat bedrijven die zich, als hoofdactiviteit, bezighouden met gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten. De NR publiceert geen gegevens op dit detailniveau en er is ook geen onderliggende data beschikbaar. Data over de toegevoegde waarde is wel beschikbaar voor SBI-code 63.
Op basis van gegevens in de productiestatistieken over het aantal werkzame personen (in vte) is het aandeel van SBI-code 63.11 in de toegevoegde waarde van SBI-code 63 bepaald. De onderliggende aanname is dat de verhouding tussen werkzame personen en toegevoegde waarde hetzelfde is voor SBI-code 63.11 en voor SBI-code 63. De toegevoegde waarde in SBI-code 63.11 is vervolgens berekend door dit aandeel te vermenigvuldigen met de totale toegevoegde waarde in SBI-code 63. Idealiter zou men dit aandeel berekenen op basis van de verhouding in toegevoegde waarde of productie, maar helaas is deze informatie op dit detailniveau op dit moment (nog) niet beschikbaar.
Openbaar bestuur en overheidsdiensten
Voor deze bedrijfstak is de toegevoegde waarde berekend uit twee delen:
- De beloning van werknemers in deze bedrijfstak die zich bezighouden met werkzaamheden die gerelateerd zijn aan publieke infrastructuur.
- De afschrijvingen op de investeringen in grond-, weg- en wegenbouw (GWW) door deze bedrijfstak. Dit als proxy voor de verbruikswaarde van publieke voorzieningen.
Voor de beloning van werknemers is gekeken naar werkzaamheden die gerelateerd zijn aan publieke infrastructuur, zoals afvalbeheer, wegonderhoud en watermanagent. Hiervoor is informatie over de overheidsuitgaven en -bestedingen gebruikt, volgens internationale classificatie van overheidsfuncties (COFOG). Gebaseerd op de primaire diensten in paragraaf 2.1 zijn de volgende overheidsfuncties geselecteerd:
- 4.3 brandstoffen en energie
- 4.5 vervoer
- 4.6 communicatie
- 4.7 andere bedrijfstakken
- 5.1 afvalbeheer
- 5.2 afvalwaterbeheer
- 6.3 watervoorziening
- 6.4 straatverlichting
COFOG 4.7 (andere bedrijfstakken) is ook meegenomen, omdat deze bedrijfstak in Nederland vooral bestaat uit watermanagement, zoals waterkeringen.
De COFOG-gegevens gaan over de hele sector overheid en betreffen niet alleen de bedrijfstak overheid. De sector overheid bestaat deels uit de bedrijfstak overheid, maar ook uit entiteiten die actief zijn in andere bedrijfstakken, zoals afvalbeheer. De beloning voor deze overheidsgerelateerde entiteiten die actief zijn in andere bedrijfstakken is verwijderd om dubbeltellingen te voorkomen.
De toegevoegde waarde die gegenereerd wordt door het gebruik van publieke voorzieningen (zoals wegen, waterkering en watermanagement) wordt benaderd door de afschrijvingen op de investeringen in GWW in eigendom van de overheid te nemen. De gegevens over de afschrijvingen komen uit de kapitaalgoederenvoorraad, welke onderdeel zijn van de NR. Deze toegevoegde waarde is in de cijfers opgenomen onder de post ‘bruto exploitatieoverschot’.
2.4 Toegevoegde waarde non-exploitatiefase
Naast het exploiteren van de bestaande infrastructuur wordt ook toegevoegde waarde gegenereerd doordat geïnvesteerd wordt in nieuwe infrastructuur en in het (groot) onderhoud van de infrastructuur. Deze verdiensten worden meegenomen in de zogenoemde non-exploitatiefase. Het betreft investeringen in infrastructuur (grond-, water- en wegenbouw) die grotendeels worden uitgevoerd door bouwbedrijven. Met deze activiteiten voegen bouwbedrijven waarde toe aan de Nederlandse economie.
Om de toegevoegde waarde van de non-exploitatiefase te berekenen is gebruik gemaakt van gegevens in de kapitaalgoederenvoorraad, ook onderdeel van de Nationale rekeningen, over de investeringen in grond-, weg-, en waterbouw (GWW) door de bedrijfstakken die vallen onder de infrastructuur. Er is voor gekozen om alleen de investeringen in GWW mee te nemen. De aanname is dat het activumtype ‘GWW’ een compleet en relevant beeld geeft van de infrastructurele ontwikkelingen.
Alleen investeringen in GWW door de dertien infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken (zie paragraaf 2.1) worden meegenomen. Voor drie bedrijfstakken (aardolie-industrie, verkoop van brandstoffen en gegevensverwerking, zie ook paragraaf 2.3) is enkel het deel van de GWW meegenomen dat toegeschreven kan worden aan de infrastructuur.
Vervolgens is in een aantal stappen bepaald wat de toegevoegde waarde van de GWW-investeringen is:
- Eerst zijn de GWW-investeringen verdeeld over bedrijfstakken die deze activiteiten hebben uitgevoerd (dat wil zeggen waar de productie heeft plaatsgevonden).
- Er zijn volgens een aantal bedrijfstakken uitgesloten. Ten eerste zijn een aantal bedrijfstakken niet meegenomen die ook al opgenomen zijn in de exploitatiefase. Deze uitsluiting is toegepast om dubbeltellingen met de exploitatiefase te voorkomen. Dit omvat gemiddeld zo’n 15 procent van de GWW. Daarnaast sluiten we de categorie ‘invoer’ uit omdat dit geen toegevoegde waarde creëert voor de Nederlandse economie. Dit betreft gemiddeld bijna 3 procent van de GWW. De resterende bedrijfstakken (ongeveer 80 procent van de totale GWW) zijn met name bouw-gerelateerde bedrijfstakken, zoals SBI 42 (Grond-, water- en wegenbouw (geen grondverzet), SBI 43 (Gespecialiseerde werkzaamheden in de bouw), en SBI 71.1 (Architecten, ingenieurs en technisch ontwerp en advies).
- Per bouw-gerelateerde bedrijfstak is een aandeel berekend door de GWW die geproduceerd is door deze bedrijfstak te delen door de totale productie van deze bedrijfstak.
- In elke bouw-gerelateerde bedrijfstak is dit aandeel is vermenigvuldigd met de jaarlijkse toegevoegde waarde.
- Door de toegevoegde waardes van alle bouw-gerelateerde bedrijfstakken bij elkaar op te tellen komen we tot de totale toegevoegde waarde voor de non-exploitatiefase.
- Om de toegevoegde waarde te bepalen per infra-gerelateerde bedrijfstak (die de GWW-investeringen hebben gedaan) is de totale toegevoegde waarde naar rato van de GWW-investeringen per bedrijfstak verdeeld. Hierbij is aangenomen dat deze verhouding hetzelfde is voor alle bedrijfstakken die vallen onder onze afbakening van de infrastructuur.
Voor de delfstoffenwinning zijn er investeringen in exploratie aan toegevoegd (deze waren in de exploitatiefase uitgesloten, zie paragraaf 2.3). Hierbij zijn enkel binnenlandse investeringen meegenomen. De productie voor deze investeringen zijn omgezet naar toegevoegde waarde door deze te vermenigvuldigen met toegevoegde waarde per eenheid productie in de bedrijfstak delfstoffenwinning (SBI-code 05 tot en met 09).
2.5 Beperkingen toegevoegde waarde
Bij de interpretatie van de resultaten omtrent de toegevoegde waarde dient met enkele beperkingen rekening gehouden te worden.
Ten eerste is er nog (steeds) geen vaste (internationale) definitie van ‘de infrastructuur’ beschikbaar. Hier wordt wel aan gewerkt en de gebruikte afbakening in dit onderzoek lijkt hier goed op aan te sluiten. Desondanks moet het gezien worden als een benadering om de infrastructuur in kaart te brengen.
Voor verschillende bedrijfstakken is enkel een bepaald gedeelte meegenomen van de totale toegevoegde waarde. Hieraan liggen verschillende aannames ten grondslag, die we in het rapport hebben beschreven. Het is echter wel belangrijk om bewust te zijn van deze aannames.
In het huidige onderzoek hebben we ook de indirecte toegevoegde waarde van de infrastructuur in het jaar 2023 geschat (zie paragraaf 2.8). Hierbij is gekeken naar de toegevoegde waarde die is gecreëerd door toeleveranciers. Daarnaast zijn ook enkele milieu-indicatoren (voor een langere periode) in kaart gebracht (zie paragraaf 2.7). Dit geeft ook een deel van de indirecte effecten weer. Er zijn echter ook veel andere indirecte effecten, zoals effect op de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingslocatie, de volksgezondheid, maatschappelijke waarde, het gebruik van infrastructuur door andere sectoren. Deze zijn niet meegenomen in de huidige berekening.
Dit onderzoek zegt ook niets over het ‘langetermijneffect’ van veranderingen in de infrastructuur. Dit effect is lastig te kwantificeren.
Voor de non-exploitatiefase zijn nu enkel investeringen in grond-, weg- en waterbouwkundige werken meegenomen. Hierbij is aangenomen dat het activumtype ‘GWW’ een compleet en relevant beeld geeft van de infrastructurele ontwikkelingen.
De studie zegt niets over toekomstige verdiensten van de infrastructuur of over de ‘rentabiliteit’ van de aangelegde infrastructuur.
De cijfers zijn niet gecorrigeerd voor prijsveranderingen (inflatie). Een vergelijking van groei is dus een vergelijking die geen rekening houdt met deze prijsveranderingen, die soms sterk verschillen per product en bedrijfstak. Bijvoorbeeld, de prijs van energie nam de laatste jaren veel sterker toe dan de prijs van bouw.
2.6 Werkgelegenheidsindicatoren
Op basis van de Arbeidsrekeningen (zie bijlage 1 voor meer informatie) is een aantal werkgelegenheidsindicatoren in kaart gebracht, namelijk het aantal arbeidsjaren en het aantal werkzame personen in de infrastructuur. Daarbij wordt ook onderscheid gemaakt tussen werknemers en zelfstandigen.
Exploitatiefase
De infrastructuur omvat dertien verschillende bedrijfstakken. Voor een deel van de bedrijfstakken geldt dat ze volledig worden meegenomen in dit onderzoek (zie tabel 2.3.1 voor de bedrijfstakken waar geen extra bewerking nodig is). De werkgelegenheidsindicatoren worden voor deze bedrijfstakken volledig overgenomen uit de Arbeidsrekeningen. Voor de andere bedrijfstakken (SBI-code 05-09, 19, 46.71 en 47.3, 63.11 en 84) wordt enkel een deel van de werkgelegenheid meegenomen. Dit is hetzelfde aandeel als beschreven in paragraaf 2.3.
Voor de arbeidsjaren van werknemers is veel detailinformatie in de Arbeidsrekeningen beschikbaar en kunnen de arbeidsjaren van werknemers op een gedetailleerd SBI-niveau geschat worden. Voor de arbeidsjaren van zelfstandigen en voor werkzame personen (zowel werknemers als zelfstandigen) kan voor de meeste bedrijfstakken dezelfde schatting gemaakt worden. Voor enkele bedrijfstakken is er voor deze drie indicatoren echter geen detailinformatie beschikbaar in de Arbeidsrekeningen, namelijk SBI-codes 46.71, 47.3 en 63.11. De gegevens op een minder gedetailleerd SBI-niveau (46, 47 en 63) worden vermenigvuldigd met de verhouding tussen de arbeidsjaren van werknemers op het lagere SBI-niveau (46.71, 47.3, en 63.11) en de arbeidsjaren van werknemers op het hogere SBI-niveau. Op deze manier kunnen er ook voor deze SBI-codes cijfers over de arbeidsjaren van zelfstandigen en over werkzame personen (zowel werknemers als zelfstandigen) samengesteld worden.
Per werkgelegenheidsindicator worden vervolgens alle bedrijfstakken bij elkaar opgeteld om een totaalcijfer voor de hele infrastructuur in de exploitatiefase te berekenen.
Non-exploitatiefase
Voor de non-exploitatiefase kijken we naar investeringen in nieuwe infrastructuur en groot onderhoud die worden uitgevoerd door bouwbedrijven. We kijken hier daarom naar de werkgelegenheid van de bouwsectoren die onderdeel zijn van de berekening van de toegevoegde waarde van de non-exploitatiefase (SBI-codes 25.1, 41.2, 42, 43.1, 43.2, 43.9, 71.1 en 71.2, zie ook paragraaf 2.4).
Voor de arbeidsjaren van werknemers hebben we voor alle SBI-codes detailinformatie beschikbaar. We nemen per bouw-gerelateerde SBI-code enkel het deel van de toegevoegde waarde mee dat betrekking heeft op de GWW: de toegevoegde waarde van de GWW gedeeld door de totale toegevoegde waarde van deze bedrijfstak. Dit vermenigvuldigen met de arbeidsjaren van de werknemers in de hele SBI-code. Vervolgens tellen we alle bouwsectoren bij elkaar op om tot een totaalcijfer voor de hele infrastructuur in de non-exploitatiefase te komen.
Voor de arbeidsjaren van zelfstandigen en voor werkzame personen (zowel werknemers als zelfstandigen) is geen detailinformatie beschikbaar op een gedetailleerd SBI-niveau. We hanteren hiervoor dezelfde methode als bij de exploitatiefase: de gegevens op een hoger SBI-niveau (bijvoorbeeld SBI-code 25) worden vermenigvuldigd met de verhouding tussen de arbeidsjaren van werknemers op het lagere SBI-niveau (bijvoorbeeld SBI-code 25.1) en de arbeidsjaren van werknemers op het hogere SBI-niveau. Op deze manier kunnen er ook voor deze SBI-codes cijfers over de arbeidsjaren van zelfstandigen en over werkzame personen (zowel werknemers als zelfstandigen) samengesteld worden.
Per werkgelegenheidsindicator worden vervolgens alle bedrijfstakken bij elkaar opgeteld om een totaalcijfer voor de hele infrastructuur in de non-exploitatiefase te berekenen.
Beperkingen
Voor de werkgelegenheidsindicatoren zijn in dit onderzoek alleen cijfers voor de totale infrastructuur meegenomen en niet voor de onderliggende bedrijfstakken. Publiceren op een gedetailleerder niveau vraagt om een veel complexere en tijdsintensievere berekening, welke buiten de scope van dit onderzoek valt.
2.7 Milieu-economische indicatoren
Op basis van de Milieurekeningen (zie bijlage 1) zijn een negen milieu-indicatoren in kaart gebracht, die samenhangen met de economische productie van de infrastructuur. De Milieurekeningen zijn consistent met de Nationale rekeningen en kunnen daarom gerelateerd worden aan de geschatte toegevoegde waarde. De milieu-impact van de infrastructuur kan ook afgezet worden tegen de productie van alle Nederlandse bedrijven. Zo kan, per milieu-indicator, berekend worden of de infrastructuur een relatief hoge of lage impact heeft.
In tabel 2.7.1 is opgenomen om welke negen indicatoren het gaat is. Er is ook een korte beschrijving opgenomen over de indicatoren. Voor sommige indicatoren is informatie beschikbaar over de hele periode (1995-2024), voor andere indicatoren is slechts voor een kortere periode informatie beschikbaar. Welke periode is meegenomen staat beschreven in de tabel. Voor meer informatie over de onderliggende bronnen en methodes van de indicatoren, zie de weblinks in bijlage 1.
| Indicator | Beschrijving | Periode |
|---|---|---|
| Directe broeikasgas- emissies1) | De belangrijkste broeikasgassen zijn kooldioxide (CO2) en methaan (CH4). Broeikasgassen worden omgerekend naar CO2-equivalenten en bij elkaar opgeteld. Broeikasgassen houden warmte vast, wat leidt tot opwarming van de aarde. | |
| Emissies fijnstof | Stofdeeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan 10 µm. Fijnstof is schadelijk voor de gezondheid. Het dringt diep door in de longen. | 1995-2024 |
| Netto energie- verbruik | Energie die wordt verbruikt bij economische processen. Het netto verbruik energie is gelijk aan het finale energieverbruik voor energetische en niet-energetische doeleinden en daarbij opgeteld de omzettingsverliezen. | 2014-2023 |
| Waterverbruik | Gebruik van drinkwater door bedrijven. Dit is gezuiverd grond- of oppervlaktewater dat door een buizen- of waterleidingennet wordt getransporteerd. | 2003-2021 |
| Biomassaverbruik | Gebruik van producten die voor het grootste deel uit biomassa, of organisch materiaal, bestaan. | 2016-2022 (even jaren) |
| Mineralenverbruik | Gebruik van producten die voor het grootste deel uit niet- metaal mineraal bestaan. Hieronder vallen bijvoorbeeld zand, grind en stenen. | 2016-2022 (even jaren) |
| Metalenverbruik | Gebruik van producten die voor het grootste deel uit metaal bestaan. Dit kunnen grondstoffen zijn (bijvoorbeeld ijzererts), halffabricaten (bijvoorbeeld metalen platen) en finale producten (auto’s). | 2016-2022 (even jaren) |
| Afvalaanbod | Productie van afval met een commerciële waarde (afvalproducten) als ook afval zonder een commerciële waarde (afvalresiduen) voor de producent. | 2012-2022 |
| Milieubelastingen en -heffingen | Milieubelastingen en milieuheffingen zijn opbrengsten van de overheid die worden betaald via belastingen en heffingen, die als doel hebben om het milieubeleid te ondersteunen en/of te financieren. | 1995-2024 |
| 1) Het CBS beperkt zich in dit onderzoek tot het in kaart brengen van scope 1‑emissies (directe emissies door het bedrijf zelf). Het CBS schat in dit onderzoek dus geen scope 2-emissies (emissies ontstaan bij het opwekken van de energie die het bedrijf inkoopt en verbruikt) en geen scope 3-emissies (indirecte emissies in de waardeketen van een bedrijf, onderverdeeld in upstream activiteiten (zoals ingekochte grondstoffen en transport) en downstream activiteiten (zoals het gebruik van verkochte producten). | ||
Exploitatiefase
Voor elke bedrijfstak die valt onder de afbakening van de infrastructuur is bepaald welk deel van de productie gerelateerd is aan de infrastructuur. Vanuit de Milieurekeningen is per bedrijfstak bepaald wat de omvang van de verschillende milieu-indicatoren is. De indeling in de Milieurekeningen is niet altijd op hetzelfde schaalniveau als de indeling op bedrijfstakken die gebruikt is bij de schatting van de toegevoegde waarde. Daarom worden er bedrijfstakken samengevoegd om uit te komen op een bedrijfstakclassificatie die aansluit bij de classificatie van de Milieurekeningen. Per bedrijfstak wordt het aandeel vermenigvuldigd met de totale omvang van de betreffende milieu-indicator. Door vervolgens de cijfers van alle bedrijfstakken op te tellen, wordt de totale impact op het milieu van de bestaande infrastructuur bepaald.
Voor het materiaalverbruik is een iets andere methode gekozen. Materiaalverbruik is moeilijk om voor Nederland te duiden, aangezien er dubbeltellingen plaatsvinden. Een grondstof kan worden verwerkt tot een finaal product en daarmee (minstens) twee keer in de economie zitten. Om dit te voorkomen, wordt er niet gekeken naar de totalen van alle verbruikte materialen per bedrijfstak. Er wordt wel vergeleken met de hoeveel grondstoffen er in Nederland in een jaar binnen- en uitkomen. Dit wordt gedaan via de formule:
Verbruik Nederland = Winning + Recycling + Import – Export
Recycling wordt meegenomen omdat dit in feite winning is uit producten die al geproduceerd zijn.
De milieu-indicatoren worden weergegeven voor de totale infrastructuur en er wordt altijd een aparte uitsplitsing gemaakt voor de energiebedrijven (SBI-code 35). Deze bedrijfstak maakt bij de meeste milieu-indicatoren een groot deel uit van de milieu-impact. Waar mogelijk is bij sommige indicatoren ook een uitsplitsing gemaakt voor andere bedrijfstakken.
Non-exploitatiefase
Voor deze fase is gekeken naar de milieu-impact van de bouwsector. We nemen enkel de productie van de GWW-activiteiten mee. Per bouw-gerelateerde bedrijfstak is bepaald welk deel van de productie gerelateerd is aan investeringen in infrastructuur (zie ook paragraaf 2.4). Per bedrijfstak wordt het aandeel vermenigvuldigd met de totale omvang van de betreffende milieu-indicator. Hiermee is de methodiek vergelijkbaar aan de methodiek voor de exploitatiefase. Door vervolgens de cijfers van alle bedrijfstakken op te tellen, wordt de totale impact op het milieu van de nieuwe infrastructuur bepaald. Hier is het niet mogelijk om een uitsplitsing te maken naar de bedrijfstakken die de GWW-investeringen hebben gedaan.
Beperkingen
De set milieu-economische variabelen die meegenomen zijn in dit onderzoek is niet het totaal van de milieu-impact die wordt gemaakt door de exploitatie en non-exploitatie van de infrastructuur. Het gaat om een specifieke set van indicatoren die relatief makkelijk te combineren is met de economische waarde. Deze variabelen zijn slechts een selectie om een beeld te krijgen van de relatie tussen (monetaire) baten en (non-monetaire) lasten die gepaard gaan met de activiteiten in de exploitatiefase en non-exploitatiefase van infrastructuur. Infrastructuur wordt bijvoorbeeld ook vaak genoemd als een bron van habitatverstoring en oorzaak van het verlies van biodiversiteit, maar deze variabelen kunnen in dit onderzoek niet bepaald worden in de vorm van een directe link met het exploiteren van infrastructuur.
2.8 Indirecte toegevoegde waarde
De bovenstaande methode over toegevoegde waarde (paragrafen 2.3 en 2.4) betrof de ‘directe’ economische toegevoegde waarde van het exploiteren van de bestaande infrastructuur en de investeringen in nieuwe infrastructuur. Een input-output analyse geeft een additioneel beeld van de ‘indirecte’ economische toegevoegde waarde. Dit is de toegevoegde waarde bij de Nederlandse toeleveranciers van de infrastructuur, bij de toeleveranciers van die toeleveranciers, enzovoorts, dus bij alle bedrijven in het Nederlandse deel van de toeleveringsketen. Het is ook mogelijk om de indirecte effecten in het buitenland te schatten, maar dat valt buiten de scope van dit onderzoek.
In dit onderzoek brengen we voor één jaar (2023) de omvang van de ‘indirecte economische toegevoegde waarde’ van de infrastructuur in kaart. Dit wordt in dit onderzoek voor het eerst geschat door het CBS. Deze analyse heeft daardoor een verkennend karakter. Naast een totaalcijfer voor 2023, stellen we ook cijfers samen voor ieder van de dertien bedrijfstakken die vallen onder onze afbakening van infrastructuur. Ook maken we onderscheid tussen de exploitatie en non-exploitatiefase.
Indirecte effecten worden doorgaans modelmatig met een input-output analyse geschat. De schatting laat zien hoeveel iedere Nederlandse bedrijfstak moet produceren (de input) zodat, bijvoorbeeld, de bedrijfstak vervoer door de lucht mensen en goederen kan transporteren (de output). Het onderstaande voorbeeld van een toeleveringsketen illustreert dit. Bijvoorbeeld, de metaalproductenindustrie produceert schroeven die de bedrijfstak reparatie en installatie van machines gebruikt om reparaties te verrichten voor de bedrijfstak vervoer door de lucht.
Het basisidee achter de methode is hetzelfde als in het voorbeeld: start bij vervoer door de lucht, kijk welke bedrijfstakken aan vervoer door de lucht leveren zoals reparatie en installatie van machines, kijk welke bedrijfstakken aan die bedrijfstakken leveren, bijvoorbeeld de metaalproductenindustrie, enzovoorts.
Na het schatten van de productie in de toeleveringsketen per Nederlandse bedrijfstak schatten we de bijbehorende toegevoegde waarde in een bedrijfstak door de productie te vermenigvuldigen met de verhouding toegevoegde waarde/productie in deze bedrijfstak.
Gegevens over productie (in de exploitatiefase) en gebruik van GWW-investeringen (in de non-exploitatiefase) zijn berekend volgens de methode beschreven in paragraaf 2.3 en 2.4. De overige benodigde gegevens, namelijk een input-outputtabel en de toegevoegde waarde en productie per bedrijfstak, zijn afkomstig van de Nationale rekeningen.
Belangrijk om te noemen is dat de directe toegevoegde waarde van de bedrijfstak openbaar bestuur in de exploitatiefase bestaat uit afschrijvingen (geproduceerd in het verleden) en lonen (dus ook geen toeleveringsketen van productie in dit jaar). Daarom is er bij deze bedrijfstak geen indirecte toegevoegde waarde in de exploitatiefase.
De grootste uitdaging bij het schatten van indirecte cijfers ligt bij zogenaamde ‘dubbeltellingen’. Een dubbeltelling ontstaat doordat een onderdeel ook al ergens anders meegeteld wordt, waardoor een onderdeel twee keer (soms zelfs nog vaker) meegeteld wordt. Optredende dubbeltellingen zijn zo goed mogelijk verwijderd. Dat gebeurt op twee manieren.
Ten eerste, de verwijdering van dubbele delen in de indirecte effecten per bedrijfstak. Dat gebeurt zowel voor de exploitatiefase als de non-exploitatiefase. Bijvoorbeeld, energiebedrijven hebben toeleveringen vanuit diverse bedrijfstakken. Die bedrijfstakken hebben weer toeleveringen door energiebedrijven. De toegevoegde waarde van deze toeleveringen door energiebedrijven wordt echter al volledig meegeteld in de directe effecten van energiebedrijven in de exploitatiefase. Deze toegevoegde waarde wordt daarom verwijderd uit de indirecte effecten van de energiebedrijven.
Ten tweede, uit de totalen van de indirecte effecten van de exploitatiefase en de non-exploitatiefase van alle infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken samen. Bij de schatting van de indirecte effecten van de individuele bedrijfstakken kan ook indirecte toegevoegde waarde meegenomen worden van een toeleverancier uit een andere infra-gerelateerde bedrijfstak. Die toegevoegde waarde wordt echter al geteld bij de directe effecten in de exploitatiefase. In het totaalcijfer (per fase) worden deze dubbeltellingen daarom verwijderd.
Deze analyse richt zich enkel op de toeleveringsketens, dus wat leveren bepaalde bedrijfstakken aan elkaar. Wat dus niet meegenomen wordt in deze analyse is de toegevoegde waarde die bedrijfstakken hebben omdat ze de infrastructuur kunnen gebruiken. Omdat het de eerste keer is dat de cijfers samengesteld worden, is dit alleen voor 2023 gedaan. Het is ook mogelijk om dit voor andere jaren, met ingang van 2010, te doen. De cijfers voor 2024 kwamen net te laat beschikbaar om nog meegenomen te worden in de huidige publicatie.