3. Resultaten toegevoegde waarde
Dit hoofdstuk bespreekt de omvang en de ontwikkeling van de toegevoegde waarde van de infrastructuur in Nederland. De toegevoegde waarde is de totale waarde van de geproduceerde goederen en diensten minus de waarde van wat er bij de productie is verbruikt. Eerst wordt de ontwikkeling van de toegevoegde waarde van de infrastructuur over tijd bekeken en vergeleken met de totale toegevoegde waarde van Nederland tussen 1995 en 2024. Vervolgens wordt de toegevoegde waarde uitgesplitst in de exploitatiefase en de non-exploitatiefase. De toegevoegde waarde per infrastructuur-gerelateerde bedrijfstak loopt uiteen en verandert ook over tijd. Tot slot wordt de waarde vanuit de inkomensopbouw bekeken. De cijfers zijn niet voor prijsveranderingen gecorrigeerd.
3.1 Infrastructuur in macro-economisch perspectief
In 2024 bedroeg de bruto toegevoegde waarde door de infrastructuur aan de Nederlandse economie 116 miljard euro. Op het laatste meetpunt uit de vorige publicatie (2016) was dit 73 miljard euro, en in 1995 was dit nog 39 miljard euro. De bijdrage is in de afgelopen 30 jaar dus met (afgerond) 78 miljard euro gegroeid, dit is inclusief prijsveranderingen door de tijd.
| Jaar | Infrastructuur (mld euro) | Nederlandse economie (mld euro) |
|---|---|---|
| 1995 | 38,7 | 299,7 |
| 1996 | 40,5 | 312,0 |
| 1997 | 42,6 | 333,5 |
| 1998 | 45,2 | 355,9 |
| 1999 | 45,6 | 376,5 |
| 2000 | 51,1 | 406,0 |
| 2001 | 55,7 | 430,5 |
| 2002 | 57,7 | 449,1 |
| 2003 | 60,4 | 459,6 |
| 2004 | 61,0 | 473,6 |
| 2005 | 64,9 | 492,2 |
| 2006 | 71,2 | 522,1 |
| 2007 | 73,3 | 554,7 |
| 2008 | 80,8 | 580,2 |
| 2009 | 74,2 | 564,2 |
| 2010 | 76,2 | 575,7 |
| 2011 | 79,3 | 589,2 |
| 2012 | 81,8 | 593,1 |
| 2013 | 82,6 | 598,3 |
| 2014 | 77,0 | 609,3 |
| 2015 | 76,5 | 627,6 |
| 2016 | 73,2 | 644,3 |
| 2017 | 75,2 | 671,9 |
| 2018 | 77,1 | 703,6 |
| 2019 | 82,2 | 739,5 |
| 2020 | 74,9 | 726,1 |
| 2021 | 85,5 | 791,7 |
| 2022 | 117,3 | 888,2 |
| 2023 | 113,8 | 944,8 |
| 2024 | 116,3 | 1000,0 |
Gemiddeld groeide de toegevoegde waarde van de infrastructuur jaarlijks 4,2 procent in de periode 1995 tot en met 2024. Dit is nagenoeg gelijk aan de gemiddelde jaarlijkse groei van de toegevoegde waarde van de totale Nederlandse economie, namelijk 4,3 procent. In de laatste vijf jaar zijn verschillende ontwikkelingen te zien. Ten eerste is er een dip in de toegevoegde waarde in 2020 als gevolg van de coronacrisis. In 2021 en 2022 is daarna een sterke stijging van de toegevoegde waarde te zien. Door het snelle herstel na de coronacrisis in 2021 en de invasie van Rusland in Oekraïne in 2022 stegen de energieprijzen hard. Dit zorgde voor hogere prijzen, met name voor energie. De jaarlijkse groei van de toegevoegde waarde voor de infrastructuur ligt in deze jaren hoger dan voor de totale Nederlandse economie, omdat toegevoegde waarde in de bedrijfstakken delfstoffenwinning, energiebedrijven en aardolie-industrie sterk werd beïnvloed door de hogere energieprijzen. Met name de bedrijfstak energiebedrijven heeft een relatief groot aandeel in de infrastructuur (zie paragraaf 3.3).
De relatieve bijdrage van de infrastructuur aan de totale toegevoegde waarde van Nederland fluctueert tot aan 2014 rond de 13 procent. Dat komt neer op een aandeel van ongeveer 10,5 procent in het bruto binnenlands product. Het aandeel in de totale toegevoegde waarde van Nederland is de afgelopen tien jaar afgenomen naar 11,6 procent in 2024 doordat de delfstoffenwinning minder toegevoegde waarde genereerde. Dit komt doordat er vanaf 2014, na de aardbeving in Huizinge (2012), productieplafonds zijn ingevoerd voor de Groningse gaswinning. In 2018 besloot het kabinet om de gasproductie zo snel mogelijk te beëindigen. In 2024 is dit besluit ook wettelijk vastgelegd. Wanneer deze bedrijfstak buiten beschouwing wordt gelaten stabiliseert het aandeel infrastructuur rond de 10,5 procent. In 2022 is een piek te zien in de relatieve bijdrage van de infrastructuur. Dit komt door sterke groei van de energieprijzen (zie hierboven), waardoor de toegevoegde waarde van de infrastructuur sneller groeide dan die van de totale economie.
| Jaar | Infrastructuur (%) | Infrastructuur zonder delfstoffenwinning (%) |
|---|---|---|
| 1995 | 12,9 | 10,8 |
| 1996 | 13,0 | 10,6 |
| 1997 | 12,8 | 10,7 |
| 1998 | 12,7 | 11,0 |
| 1999 | 12,1 | 10,7 |
| 2000 | 12,6 | 10,6 |
| 2001 | 12,9 | 10,5 |
| 2002 | 12,8 | 10,8 |
| 2003 | 13,2 | 11,1 |
| 2004 | 12,9 | 10,7 |
| 2005 | 13,2 | 10,9 |
| 2006 | 13,6 | 10,8 |
| 2007 | 13,2 | 10,6 |
| 2008 | 13,9 | 10,4 |
| 2009 | 13,1 | 10,6 |
| 2010 | 13,2 | 10,5 |
| 2011 | 13,5 | 10,6 |
| 2012 | 13,8 | 10,6 |
| 2013 | 13,8 | 10,5 |
| 2014 | 12,6 | 10,4 |
| 2015 | 12,2 | 10,8 |
| 2016 | 11,4 | 10,5 |
| 2017 | 11,2 | 10,3 |
| 2018 | 11,0 | 10,1 |
| 2019 | 11,1 | 10,5 |
| 2020 | 10,3 | 10,0 |
| 2021 | 10,8 | 10,1 |
| 2022 | 13,2 | 11,5 |
| 2023 | 12,0 | 11,6 |
| 2024 | 11,6 | 11,1 |
3.2 Exploitatiefase versus non-exploitatiefase
De toegevoegde waarde van de infrastructuur kan opgedeeld worden in een exploitatiefase en een non-exploitatiefase. In de exploitatiefase gaat het om activiteiten waarbij direct gebruik wordt gemaakt van reeds bestaande infrastructuur door exploitanten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de toegevoegde waarde die een netwerkbedrijf genereert door energie te transporteren over een reeds bestaand energienet.
De non-exploitatiefase gaat over investeringen in nieuwe infrastructuur en het (groot) onderhoud van bestaande infrastructuur. Een voorbeeld is de toegevoegde waarde die ontstaat tijdens het aanleggen van elektriciteitsleidingen. Daarbij gaat het alleen om de toegevoegde waarde die wordt gegenereerd door de producent van de investering, dit is vooral de bouwsector.
| Jaar | Exploitatiefase (mld euro) | Non-exploitatiefase (mld euro) | Infrastructuur totaal (mld euro) |
|---|---|---|---|
| 1995 | 36,5 | 2,2 | 38,7 |
| 1996 | 38,2 | 2,3 | 40,5 |
| 1997 | 40,4 | 2,2 | 42,6 |
| 1998 | 42,9 | 2,3 | 45,2 |
| 1999 | 43,1 | 2,5 | 45,6 |
| 2000 | 48,2 | 2,9 | 51,1 |
| 2001 | 52,5 | 3,2 | 55,7 |
| 2002 | 54,4 | 3,3 | 57,7 |
| 2003 | 57,1 | 3,3 | 60,4 |
| 2004 | 58,0 | 3,1 | 61,0 |
| 2005 | 61,5 | 3,4 | 64,9 |
| 2006 | 67,4 | 3,8 | 71,2 |
| 2007 | 69,1 | 4,1 | 73,3 |
| 2008 | 76,3 | 4,4 | 80,8 |
| 2009 | 69,6 | 4,6 | 74,2 |
| 2010 | 71,5 | 4,8 | 76,2 |
| 2011 | 74,2 | 5,1 | 79,3 |
| 2012 | 77,2 | 4,6 | 81,8 |
| 2013 | 77,5 | 5,0 | 82,6 |
| 2014 | 72,2 | 4,8 | 77,0 |
| 2015 | 71,4 | 5,0 | 76,5 |
| 2016 | 68,6 | 4,6 | 73,2 |
| 2017 | 70,9 | 4,4 | 75,2 |
| 2018 | 72,7 | 4,4 | 77,1 |
| 2019 | 77,2 | 5,0 | 82,2 |
| 2020 | 69,7 | 5,2 | 74,9 |
| 2021 | 80,1 | 5,4 | 85,5 |
| 2022 | 111,9 | 5,4 | 117,3 |
| 2023 | 107,2 | 6,6 | 113,8 |
| 2024 | 109,0 | 7,3 | 116,3 |
De overgrote meerderheid van de toegevoegde waarde van de infrastructuur wordt gegenereerd in de exploitatiefase, namelijk 109 miljard euro in 2024. Dit is 94 procent van de totale toegevoegde waarde dat jaar. Dat de omvang van de exploitatiefase zoveel groter is dan die van de non-exploitatiefase is logisch: er is in het verleden immers al veel geïnvesteerd in de infrastructuur. Deze investeringen zorgen er onder andere voor dat er in de exploitatiefase (het gebruik van de bestaande infrastructuur) meer toegevoegde waarde gerealiseerd kan worden. Voor de hele periode geldt dat de exploitatiefase tussen de 93 en 95 procent van de totale toegevoegde waarde betrof.
De toegevoegde waarde van de infrastructuur is over de tijd toegenomen, voor zowel de exploitatiefase als de non-exploitatiefase. Gemiddeld groeide de toegevoegde waarde in de exploitatiefase jaarlijks met 4,2 procent. Voor de non-exploitatiefase lag dit percentage op 4,6 procent. Wat met name opvalt is de groei van de exploitatiefase in 2022 ten opzichte van het jaar ervoor. In de volgende paragrafen wordt verder ingegaan op de samenstelling van de infrastructuur en wordt ook zichtbaar bij welke bedrijfstakken deze groei voornamelijk speelt.
3.3 Samenstelling van de infrastructuur
De infrastructuur is in dit onderzoek afgebakend aan de hand van de volgende primaire diensten die aan basis staan van de economie en samenleving (zie ook paragraaf 2.1):
- overstromingsveiligheid en waterpeilbeheer;
- energievoorziening in de vorm van elektriciteit, gas, brandstoffen (voor transport en ruimteverwarming) en warmte;
- informatie- en telecommunicatie (zowel analoog als digitaal; zowel via vaste lijnen als mobiel);
- transport van personen en goederen over de weg, water, spoor en door de lucht;
- drinkwatervoorziening;
- afval(water)verwijdering en -verwerking.
Om de economische waarde van infrastructuur te bepalen is een selectie gemaakt van bedrijfstakken die onderdeel zijn van de productie- en leveringsketens van bovengenoemde primaire diensten.
Het betreft (een deel van) de volgende dertien bedrijfstakken:
- delfstoffenwinning;
- aardolie-industrie;
- energiebedrijven;
- waterbedrijven;
- afvalbeheer;
- verkoop van brandstoffen;
- vervoer over land;
- vervoer over water;
- vervoer door de lucht;
- opslag en dienstverlening voor vervoer;
- telecommunicatie;
- gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten;
- openbaar bestuur en overheidsdiensten.
De toegevoegde waarde die binnen de infrastructuur wordt gegenereerd is dus een optelsom van de toegevoegde waarde van alle bedrijfstakken die gerelateerd zijn aan de exploitatie van infrastructuur en de bouw van nieuwe infrastructuur: van de winning van delfstoffen, tot het vervoer van goederen en het beheer en de distributie van bijvoorbeeld gas, water, licht en internet. Welke activiteiten uit welke bedrijfstak zijn meegenomen in de berekening van de toegevoegde waarde is te vinden in paragraaf 2.3 en 2.4.
| Bedrijfstak | Aandeel |
|---|---|
| Energiebedrijven | 19,2 |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 16,8 |
| Opslag en dienstverlening voor vervoer | 16,3 |
| Vervoer over land | 14,3 |
| Telecommunicatie | 7,3 |
| Delfstoffenwinning | 4,9 |
| Verkoop van brandstoffen | 4,8 |
| Vervoer over water | 4,3 |
| Vervoer door de lucht | 3,9 |
| Riolering, afvalbeheer en sanering | 3,7 |
| Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten | 2,3 |
| Waterleidingbedrijven | 1,2 |
| Aardolie-industrie | 0,9 |
De toegevoegde waarde van de infrastructuur loopt uiteen voor de verschillende bedrijfstakken. Zo leveren energiebedrijven, openbaar bestuur, opslag en dienstverlening voor vervoer en vervoer over land een relatief grote bijdrage. Gezamenlijk zijn zij goed voor twee derde van de totale bijdrage aan de toegevoegde waarde van de infrastructuur. De bedrijfstakken gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten, waterleidingbedrijven en aardolie-industrie leveren in 2024 procentueel de kleinste bijdrage.
Uit figuur 3.3.1 blijkt dat sommige bedrijfstakken een groot aandeel hebben in het totaal en andere bedrijfstakken juist een kleinere bijdrage leveren. Deze bedrijfstakken met een kleinere bijdrage zijn niet per definitie minder relevant. Dat huishoudens schoon drinkwater geleverd krijgen en dat afval wordt opgehaald en verwerkt is vanzelfsprekend van grote maatschappelijke waarde. Dit komt echter niet tot uitdrukking in de toegevoegde waarde van dit onderzoek omdat deze hier als economisch begrip wordt bekeken.
3.4 Ontwikkeling samenstelling infrastructuur
Het is ook interessant om te kijken naar de ontwikkeling van de toegevoegde waarde per bedrijfstak over de gehele onderzoeksperiode. Zo bleek eerder ook al uit figuur 3.3.1 dat de bedrijfstak energiebedrijven de grootste bijdrager was in 2024 (19 procent). Figuur 3.4.1 toont dat dit in 1995 nog 12 procent was van het totaal. Het aandeel van deze bedrijfstak met name in de laatste paar jaar hard gegroeid. De energie producerende bedrijfstakken (winning van aardolie en aardgas (dit een onderdeel de delfstoffenwinning), aardolie-industrie en energiebedrijven) produceren het grootste deel van de binnenlands geproduceerde energie. De stijging van de energieprijzen heeft daarom ook een groot effect op de toegevoegde waarde van deze bedrijfstakken.
Ook het aandeel van de opslag en dienstverlening voor vervoer steeg hard: van 10 procent in de beginperiode naar 16 procent in 2023 en 2024. Hieronder vallen bijvoorbeeld luchthavens, zeehavens, logistieke dienstverleners en spoorbeheerders.
| Sector | Delfstoffenwinning (%) | Verkoop van brandstoffen (%) | Energiebedrijven (%) | Openbaar bestuur en overheidsdiensten (%) | Opslag en dienstverlening voor vervoer (%) | Telecommunicatie (%) | Vervoer door de lucht (%) | Vervoer over land (%) | Overig (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1995 | 16,2 | 3,3 | 11,8 | 16,7 | 9,9 | 10,1 | 4,9 | 18,0 | 9,2 |
| 1996 | 18,1 | 3,5 | 12,2 | 16,6 | 9,8 | 9,8 | 4,3 | 16,8 | 9,0 |
| 1997 | 16,3 | 3,5 | 10,9 | 16,2 | 10,2 | 10,7 | 5,5 | 17,0 | 9,8 |
| 1998 | 13,5 | 2,9 | 11,3 | 16,2 | 10,2 | 11,7 | 5,5 | 17,9 | 10,8 |
| 1999 | 11,9 | 3,4 | 10,8 | 16,9 | 10,6 | 13,1 | 5,2 | 18,1 | 9,9 |
| 2000 | 16,0 | 3,8 | 9,3 | 16,2 | 9,9 | 13,3 | 4,9 | 16,4 | 10,1 |
| 2001 | 18,5 | 2,9 | 8,0 | 16,0 | 9,7 | 13,5 | 4,2 | 16,0 | 11,2 |
| 2002 | 16,2 | 3,3 | 8,5 | 16,4 | 9,7 | 15,5 | 4,6 | 15,5 | 10,2 |
| 2003 | 16,0 | 3,4 | 8,4 | 16,4 | 9,7 | 16,5 | 4,7 | 14,5 | 10,4 |
| 2004 | 16,8 | 2,9 | 7,7 | 16,3 | 10,1 | 16,0 | 4,9 | 14,6 | 10,8 |
| 2005 | 17,7 | 2,5 | 8,5 | 15,7 | 10,4 | 15,2 | 4,8 | 13,8 | 11,4 |
| 2006 | 20,6 | 2,6 | 8,9 | 15,1 | 10,1 | 14,0 | 4,9 | 13,5 | 10,4 |
| 2007 | 19,4 | 2,5 | 9,2 | 15,3 | 10,6 | 14,1 | 5,0 | 13,5 | 10,5 |
| 2008 | 25,3 | 2,7 | 7,6 | 14,9 | 10,6 | 12,1 | 4,2 | 12,1 | 10,4 |
| 2009 | 19,5 | 3,0 | 11,4 | 16,7 | 10,9 | 12,5 | 3,1 | 12,9 | 10,0 |
| 2010 | 20,4 | 3,7 | 10,6 | 16,6 | 11,4 | 12,3 | 3,8 | 12,5 | 8,8 |
| 2011 | 21,5 | 4,0 | 10,5 | 16,1 | 11,9 | 11,8 | 2,9 | 12,4 | 8,9 |
| 2012 | 23,2 | 3,5 | 10,7 | 15,5 | 12,1 | 11,0 | 2,9 | 12,3 | 8,7 |
| 2013 | 23,6 | 3,0 | 10,5 | 15,5 | 12,4 | 10,5 | 3,1 | 12,2 | 9,0 |
| 2014 | 17,4 | 3,7 | 10,6 | 16,7 | 14,3 | 11,0 | 3,4 | 13,5 | 9,5 |
| 2015 | 11,5 | 3,6 | 11,2 | 17,2 | 15,3 | 10,5 | 4,8 | 14,0 | 12,0 |
| 2016 | 7,8 | 4,1 | 11,6 | 17,4 | 15,6 | 10,5 | 5,6 | 15,1 | 12,2 |
| 2017 | 7,9 | 3,9 | 10,8 | 17,6 | 16,2 | 10,4 | 5,4 | 15,5 | 12,2 |
| 2018 | 7,6 | 3,7 | 11,5 | 17,8 | 16,4 | 10,1 | 5,2 | 15,5 | 12,2 |
| 2019 | 5,9 | 5,0 | 12,4 | 17,6 | 16,2 | 10,1 | 4,6 | 15,8 | 12,4 |
| 2020 | 3,0 | 4,4 | 15,2 | 19,9 | 17,2 | 11,0 | 2,2 | 14,6 | 12,5 |
| 2021 | 6,5 | 5,9 | 12,6 | 18,6 | 16,7 | 9,7 | 1,8 | 15,1 | 13,1 |
| 2022 | 13,0 | 5,5 | 15,2 | 14,5 | 15,2 | 7,2 | 3,1 | 13,2 | 13,1 |
| 2023 | 4,0 | 5,4 | 20,4 | 16,1 | 16,0 | 7,5 | 3,5 | 14,0 | 13,2 |
| 2024 | 4,9 | 4,8 | 19,2 | 16,8 | 16,3 | 7,3 | 3,9 | 14,3 | 12,4 |
De delfstoffenwinning was in 1995 nog een van de grotere bijdragers aan de totale toegevoegde waarde (16 procent) en tussen 2004 en 2014 veruit de grootste. Over de hele periode bezien is dit de grootste daler: in 2024 betrof deze bedrijfstak nog slechts 5 procent van de totale toegevoegde waarde van de infrastructuur. Zoals in paragraaf 3.1 al toegelicht is de Groningse gaswinning na de aardbeving in Huizinga in 2012 afgeschaald door het kabinet. Toch is ook bij de delfstoffenwinning een piek te zien in 2022. Deze bedrijfstak kende namelijk ook een sterke stijging in de toegevoegde waarde door de gestegen energieprijzen. Wel is te zien dat het aandeel in 2023 weer stabiliseerde. Naast de delfstoffenwinning daalde ook het aandeel van de telecommunicatie (van 10 naar 7 procent) en vervoer over land (van 18 naar 14 procent).
3.5 Opbouw van de toegevoegde waarde
De bruto toegevoegde waarde vanuit de inkomensvorming is opgebouwd uit drie componenten:
- beloning van werknemers;
- saldo van niet-productgebonden belastingen en subsidies. Deze zijn niet direct relateerbaar aan de waarde of de hoeveelheid van geproduceerde en verkochte producten;
- bruto exploitatieoverschot. Dit kan gezien worden als de vergoeding voor kapitaal en loon dat zelfstandigen zichzelf uitkeren.
Het grootste deel van de toegevoegde waarde voor de infrastructuur bestaat uit het bruto exploitatieoverschot. Het aandeel van het totale bruto exploitatieoverschot in de totale toegevoegde van de infrastructuur bedroeg in 2024 ruim 59 procent. Voor de toegevoegde waarde van heel Nederland was dit 47 procent.
De opbouw van de toegevoegde waarde verschilt tussen infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken (zie Figuur 3.5.1). De toegevoegde waarde van de energiebedrijven bestaat voor een groot deel uit het bruto exploitatieoverschot (70 procent). Dit is ook een relatief grote bedrijfstak, waardoor het zwaarder meetelt in het gemiddelde voor de gehele infrastructuur. De delfstoffenwinning en de verkoop van brandstoffen kennen zelfs nog een hoger aandeel bruto-exploitatieoverschot, namelijk boven de 80 procent.
Voor vervoer over land en vervoer door de lucht geldt het omgekeerde. Hier bestaat zo’n twee derde van de toegevoegde waarde uit de beloning van werknemers. Het aandeel beloning van werknemers is relatief hoog, omdat het ‘bruto exploitatie overschot’ in deze bedrijfstakken relatief laag is. De winstmarges zijn relatief laag in deze sectoren doordat er veel concurrentie is.
Vervoer over land heeft het grootste negatieve bedrag bij het saldo van niet-productgebonden belastingen en subsidies: dit betekent dat deze bedrijfstak relatief veel subsidies heeft ontvangen ten opzichte van belastingen. Energiebedrijven hebben daarentegen het grootste positieve saldo: de niet-productgebonden belastingen zijn hier veel hoger dan de ontvangen subsidies. De emissierechten die energiebedrijven betalen vallen bijvoorbeeld onder deze belastingen.
| Bedrijfstak | Beloning van werknemers (mld euro) | Bruto exploitatieoverschot (mld euro) | Saldo niet-productgebonden belastingen en subsidies (mld euro) |
|---|---|---|---|
| Aardolie-industrie | 0,58 | 0,42 | 0,07 |
| Delfstoffenwinning | 0,86 | 4,97 | -0,08 |
| Energiebedrijven | 5,05 | 15,56 | 1,75 |
| Waterleidingbedrijven | 0,58 | 0,87 | -0,02 |
| Riolering, afvalbeheer en sanering | 2,38 | 2,36 | -0,49 |
| Verkoop van brandstoffen | 1,07 | 4,49 | 0,01 |
| Vervoer over land | 10,96 | 7,38 | -1,66 |
| Vervoer over water | 1,29 | 3,72 | -0,06 |
| Vervoer door de lucht | 3,02 | 1,46 | 0,02 |
| Opslag en dienstverlening voor vervoer | 9,08 | 9,67 | 0,24 |
| Telecommunicatie | 2,66 | 5,92 | -0,04 |
| Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten | 1,27 | 1,47 | -0,03 |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 8,74 | 10,84 | -0,03 |