Economische waarde van de infrastructuur in Nederland, 1995-2024

Samenvatting

Op verzoek van NGinfra heeft het CBS onderzoek gedaan naar de economische waarde van de infrastructuur. Als kennisplatform wil NGinfra weten wat het belang van de infrastructuur is voor de Nederlandse economie. Het onderzoek bouwt voort op eerdere onderzoeken in 2017 en 2019, ook op verzoek van NGinfra.

In dit onderzoek is infrastructuur afgebakend als het geheel van onroerende en roerende voorzieningen en activiteiten die nodig zijn om de primaire diensten te verlenen die aan de basis staan van de economie en samenleving. Onder de primaire diensten wordt verstaan: overstromingsveiligheid en waterpeilbeheer, energievoorziening, informatie- en telecommunicatie, transport van personen en goederen over weg, water, spoor en door de lucht, drinkwatervoorziening en afvalbeheer. Om de economische waarde van infrastructuur te bepalen is een selectie gemaakt van dertien bedrijfstakken die onderdeel zijn van de productie- en leveringsketens van bovengenoemde primaire diensten. Sommige bedrijfstakken zijn geheel meegenomen, en andere deels, al naar gelang hun activiteiten gerelateerd zijn aan infrastructuur.

De tijdreeks voor de toegevoegde waarde, die in eerder onderzoek liep van 1995 tot en met 2016, is uitgebreid tot en met 2024. Daarnaast zijn voor de eerste keer ook de werkgelegenheid, milieu-impact en indirecte toegevoegde waarde in kaart gebracht voor de infrastructuur. 

Resultaten

Toegevoegde waarde 

Tussen 1995 en 2024 groeide de bruto toegevoegde waarde van de infrastructuur van 39 naar 116 miljard euro. In dertig jaar is de waarde bijna verdrievoudigd. Hierbij is niet gecorrigeerd voor inflatie. De groei van de infrastructuur bleef iets achter bij de groei van de Nederlandse economie als geheel. Het aandeel in de totale toegevoegde waarde daalde daarom na 2014 van ongeveer 13 procent naar 11,6 procent. In de afgelopen vijf jaar maakte de infrastructuur wel weer een inhaalslag omdat de bedrijfstakken delfstoffenwinning, energiebedrijven en aardolie-industrie sterker groeiden vanwege de hogere energieprijzen.

De grootste bijdrage aan de toegevoegde waarde van de infrastructuur kwam van energiebedrijven (19 procent), infrastructuur-gerelateerde activiteiten van openbaar bestuur en overheidsdiensten (17 procent), bedrijven voor opslag en dienstverlening voor vervoer (16 procent) en vervoersbedrijven over land (14 procent). De negen andere bedrijfstakken die deel uitmaken van de infrastructuur leverden samen ongeveer een derde van de toegevoegde waarde.

De belangrijkste verschuiving over de tijd in de samenstelling van de toegevoegde waarde van de infrastructuur was de krimp van de delfstoffenwinning. Deze was in 1995 nog verantwoordelijk voor 16 procent van de toegevoegde waarde, maar in 2024 nog maar voor 5 procent. Dit is een gevolg van de afbouw van de aardgaswinning sinds 2014. Daartegenover staat de relatieve stijging van de toegevoegde waarde van de energiebedrijven van 12 naar 19 procent.

Het onderzoek maakt onderscheid tussen de toegevoegde waarde die gerealiseerd wordt door de exploitatie van bestaande infrastructuur (exploitatiefase) en door investeringen in nieuwe infrastructuur (non-exploitatiefase). In de afgelopen drie decennia maakte de exploitatiefase tussen de 93 en 95 procent van de totale toegevoegde waarde uit, en de non-exploitatiefase de rest. Investeringen en exploitatie houden ongeveer gelijke tred.

Werkgelegenheid

Het aantal werkzame personen in de infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken steeg tussen 1995 en 2024 van 524 duizend tot 681 duizend. Dit is een toename van 30 procent. In dezelfde periode groeide het aantal werkzame personen in de totale Nederlandse economie met 41 procent. Het aandeel werkzame personen in de infrastructuur ten opzichte van de totale economie is daardoor gedaald.

In de infrastructuur werken relatief weinig zelfstandigen. Wel steeg hun aandeel van 8,8 procent van het totaal aantal werkzame personen in de infrastructuur in 1995 naar 9,7 procent in 2024. Voor de hele Nederlandse economie geldt dat het aandeel zelfstandigen ongeveer twee keer zo hoog ligt. De verhouding tussen arbeidsjaren (omgerekend naar voltijdbanen) en werkzame personen laat zien dat deze relatief hoog ligt in de infrastructuur. Er werken relatief veel mensen in voltijd.

Milieu-indicatoren

De infrastructuur stoot naar verhouding veel broeikasgassen en fijnstof uit en verbruikt relatief veel energie. Ook betalen de bedrijven in de infrastructuur relatief veel milieubelasting- en heffingen. Deze relatief hoge waarden zijn vooral gerelateerd aan de energieproductie en transport. Daarnaast worden er relatief veel mineralen verbruikt. Dit vindt vooral plaats bij de andere activiteiten die vallen onder onze afbakening van de infrastructuur. Het verbruik van drinkwater, metalen en biomassa en het aangeboden afval zijn daarentegen in verhouding of minder dan het aandeel in de toegevoegde waarde.

Het overgrote deel van de milieu-impact vindt plaats in de exploitatiefase. Metalen en mineralen worden echter ook veel gebruikt bij de bouw van nieuwe infrastructuur (non-exploitatiefase). Ook een derde van het infrastructuur-gerelateerd afval wordt in die bouwfase aangeboden. 

Tegelijkertijd is de milieu-impact van de meeste indicatoren (fijnstofemissies, broeikasgasemissies, afvalaanbod, netto energieverbruik) over de tijd gedaald. De uitstoot van fijnstof was in 1995 nog drie keer zo hoog als in 2024 en broeikasgasemissies daalden met meer dan een kwart sinds 2015. Het verbruik van materialen en water bleef gelijk of er waren te weinig verslagjaren beschikbaar om een duidelijke trend te bepalen. 

Dat betekent dat voor bijna alle genoemde indicatoren het verbruik of uitstoot per euro toegevoegde waarde is gedaald. Naast de daling of stilstand van de milieu-impact verdrievoudigde de toegevoegde waarde immers in de periode 1995-2024. Alleen de milieubelastingen en -heffingen zijn grofweg gelijk gestegen met de toegevoegde waarde.

Indirecte toegevoegde waarde

De indirecte toegevoegde waarde is geschat aan de hand van de toegevoegde waarde bij de toeleveranciers, de toeleveranciers van de toeleveranciers enzovoorts, van de infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken. De indirecte effecten van de infrastructuur op de totale Nederlandse economie beliepen 31 miljard euro in de exploitatiefase in 2023, en 6 miljard in de non-exploitatiefase. De toegevoegde waarde van de indirecte effecten bedroegen respectievelijk 29 en 91 procent van de directe effecten.