Economische waarde van de infrastructuur in Nederland, 1995-2024

4. Resultaten werkgelegenheid

Dit hoofdstuk gaat in op de werkgelegenheid binnen de infrastructuur en vergelijkt dit met de hele Nederlandse economie. Eerst wordt het aantal werkzame personen in de infrastructuur door de tijd bekeken. Ook wordt dit afgezet tegen het aantal werkenden in de hele Nederlandse economie. Vervolgens wordt in de tweede paragraaf een uitsplitsing gemaakt naar werknemers en zelfstandigen. Ook hier wordt de ontwikkeling in kaart gebracht. Vervolgens gaan we verder in op de arbeidsjaren, om af te sluiten met de verhouding tussen arbeidsjaren en werkzame personen. 

4.1 Ontwikkeling van werkzame personen 

Het aantal werkzame personen in de infrastructuur is toegenomen in de loop der tijd. Figuur 4.1.1 toont dat, waar er in 1995 nog 524 duizend mensen werkzaam waren in de infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken, dit toegenomen is tot 681 duizend in 2024. Dit is een gemiddelde stijging van 0,9 procent per jaar. Ook voor de totale Nederlandse economie geldt dat het aantal werkzame personen is gestegen, namelijk van 7,3 miljoen in 1995 naar 10,3 miljoen in 2024. Daar is zelfs sprake van een gemiddelde toename van 1,2 procent per jaar. 

4.1.1 Werkzame personen
JarenInfrastructuur (x 1 000)Nederlandse economie (x 1 000)
19955247281
19965347434
19975377661
19985607840
19995808066
20006078214
20016248377
20026208436
20036118388
20045968293
20055938346
20065958527
20076048777
20086028919
20095928840
20105868779
20115978850
20125888827
20135878719
20145828706
20155858776
20165778909
20175829116
20185919361
20196139573
20206129524
20216289690
202264510000
202366710166
202468110266

Het aantal werkzame personen in de totale Nederlandse economie is dus harder gegroeid dan in de infrastructuur. Dat blijkt ook uit figuur 4.1.2, waar het aandeel werkzame personen in de infrastructuur is afgezet tegen het aantal werkzame personen in de totale economie. In 1995 ging het om 7,2 procent van het totaal. Dit aandeel nam eerst toe tot een piek in 2001 (7,5 procent), vervolgens daalde dit gestaag naar het laagste aandeel in 2018 (6,3 procent). De afgelopen jaren is dit weer licht gestegen naar 6,6 procent in 2024. Dus hoewel het aantal werkzame personen in infrastructuur door de jaren heen is gestegen, is het aandeel ten opzichte van 1995 gezakt, omdat het aantal werkzame personen in andere bedrijfstakken, zoals met name de zorg, zakelijke dienstverlening en handel, harder zijn gestegen.

4.1.2 Aandeel werkzame personen
JarenInfrastructuur t.o.v. Nederlandse economie (%)
19957,2
19967,2
19977,0
19987,1
19997,2
20007,4
20017,5
20027,3
20037,3
20047,2
20057,1
20067,0
20076,9
20086,7
20096,7
20106,7
20116,7
20126,7
20136,7
20146,7
20156,7
20166,5
20176,4
20186,3
20196,4
20206,4
20216,5
20226,4
20236,6
20246,6

Tot en met 2009 werkte gemiddeld zo’n 89 procent van alle werkzame personen in de infrastructuur aan de exploitatie van de bestaande infrastructuur (exploitatiefase) en gemiddeld rond de 11 procent aan de bouw van de nieuwe infrastructuur (non-exploitatiefase). Tussen 2010 en 2015 steeg het aandeel van de non-exploitatie naar ongeveer 13 procent. Vanaf 2016 daalde dit weer naar 10 tot 11 procent. 

4.2 Aandeel zelfstandigen

Bij werkzame personen kan onderscheid gemaakt worden tussen werknemers en zelfstandigen. Werknemers werken in loondienst voor een bedrijf en zelfstandigen verrichten arbeid voor eigen rekening en/of risico. Zowel het aantal werknemers als het aantal zelfstandigen werkzaam in de infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken is toegenomen over tijd. Echter, de groep zelfstandigen is iets harder gegroeid: in 1995 waren zij nog 8,8 procent van het totaal aantal werkzame personen in de infrastructuur, in 2024 gaat het om 9,7 procent (zie figuur 4.2.1). Voor de hele Nederlandse economie geldt dat het aandeel zelfstandigen over de hele periode bezien ongeveer twee keer zo hoog ligt. Gemiddeld is daar het aandeel zelfstandigen 16,3 procent, bij de infrastructuur is dat 8,3 procent. In de infrastructuur werken dus relatief veel personen in loondienst. De bulk van de zelfstandigen zijn werkzaam in de landbouw, bouw, zakelijke dienstverlening en cultuur- en recreatiesector. Alleen de bouw is bij de infrastructuur betrokken, als producent van de GWW.

4.2.1 Aandeel zelfstandigen
JarenInfrastructuur (%)Nederlandse economie (%)
19958,818,1
19969,217,9
19978,817,7
19988,416,8
19997,916,1
20007,915,4
20017,415
20027,415
20037,514,9
20047,615,3
20057,815,4
20068,415,7
20078,315,7
20087,615,6
20097,415,7
20107,515,8
20117,916
2012816,3
20138,316,5
20148,416,9
20158,516,9
20168,516,8
20178,216,7
20188,316,5
20198,616,5
20208,716,7
20218,916,9
20228,916,6
20239,316,9
20249,717,1

Het aandeel zelfstandigen ligt hoger bij de bouw van de nieuwe infrastructuur (non-exploitatiefase) dan het aandeel van de exploitatiefase, omdat er relatief veel zelfstandigen werkzaam zijn in de bouwsector. In 1995 was het aandeel zelfstandigen in de non-exploitatiefase 15,5 procent. Dit steeg over de jaren heen naar 20 procent in 2011 en naar 27 procent in 2023 en 2024. Het aandeel zelfstandigen in de exploitatiefase ligt gedurende hele periode tussen 6 en 8 procent. 

4.3 Arbeidsjaren versus werkzame personen

Niet alle werknemers werken in voltijd. Daardoor kan het aantal werkzame personen een vertekend beeld geven, wanneer bijvoorbeeld het aantal werkenden is toegenomen maar zij gemiddeld wel minder uren per week werken. De maatstaf arbeidsjaren corrigeert hiervoor. Deze wordt berekend door alle banen (voltijd en deeltijd) om te rekenen naar voltijdbanen, ook wel voltijdequivalenten (vte) genoemd. 

Omdat niet iedereen in voltijd werkt ligt het aantal arbeidsjaren in de infrastructuur lager dan het aantal werkzame personen (zie figuur 4.3.1). In 2024 was het aantal arbeidsjaren in de infrastructuur 623 duizend en het aantal werkzame personen 681 duizend. De verhouding tussen het aantal arbeidsjaren en het aantal personen werkzaam in de infrastructuur ligt daarmee op 0,91. Deze verhouding blijft redelijk constant over de jaren heen.  

4.3.1 Arbeidsjaren en werkzame personen in infrastructuur
JarenAantal arbeidsjaren (x 1 000)Aantal werkzame personen (x 1 000)
1995479524
1996487534
1997490537
1998511560
1999526580
2000548607
2001571624
2002563620
2003552611
2004535596
2005533593
2006533595
2007541604
2008541602
2009532592
2010529586
2011536597
2012528588
2013530587
2014526582
2015531585
2016526577
2017531582
2018539591
2019560613
2020553612
2021570628
2022590645
2023610667
2024623681

Deze verhouding ligt hoger in de infrastructuur dan in de totale Nederlandse economie (zie figuur 4.3.2). Gemiddeld is dit bijna 11 procentpunt hoger in de periode 1995-2024. Er wordt dus minder in deeltijd gewerkt in de infrastructuur in vergelijking met de hele Nederlandse economie.  

4.3.2 Verhouding arbeidsjaren en werkzame personen
JarenInfrastructuurNederlandse economie
19950,910,82
19960,910,82
19970,910,82
19980,910,82
19990,910,82
20000,900,82
20010,920,81
20020,910,81
20030,900,80
20040,900,81
20050,900,80
20060,900,80
20070,900,80
20080,900,80
20090,900,80
20100,900,80
20110,900,80
20120,900,80
20130,900,80
20140,900,80
20150,910,80
20160,910,80
20170,910,80
20180,910,81
20190,910,81
20200,900,80
20210,910,81
20220,910,82
20230,910,82
20240,910,82