5. Resultaten milieu-indicatoren
Dit hoofdstuk beschrijft negen indicatoren die een indruk geven van de milieu-impact van de exploitatie van de bestaande en investeringen in nieuwe infrastructuur. Het is voor het eerst dat het CBS, naast de toegevoegde waarde, ook cijfers samenstelt over de milieu-economische impact van de infrastructuur.
Het gaat daarbij om de uitstoot van broeikasgassen en fijnstof, om het verbruik van energie, water, biomassa, mineralen en metalen, om het aanbod van afval, en de betaalde milieubelastingen en -heffingen. Sommige daarvan kunnen we volgen vanaf 1995, maar de meeste voor een kortere periode van 10 tot 20 jaar. De meeste indicatoren hebben jaarlijkse informatie. Voor het afvalaanbod en het materialenverbruik worden de cijfers eens per twee jaar bijgewerkt, waardoor het moeilijker kan zijn een trend te bepalen.
Deze negen indicatoren geven geen compleet overzicht van de impact van de infrastructuur op het milieu. De milieu-indicatoren die bekeken worden vormen een specifieke set die makkelijk te combineren is met de economische waarde. Er zijn nog veel andere mogelijke effecten die niet of zeer lastig meetbaar zijn en effecten die niet goed direct toe te delen zijn aan (de toegevoegde waarde van) de infrastructuur. De indicatoren geven wel een indruk welke (non-monetaire) lasten gepaard gaan met de investeringen in en exploitatie van infrastructuur.
In dit hoofdstuk wordt de milieu-impact van de infrastructuur vergeleken met de milieu-impact van alle Nederlandse bedrijfstakken. Hieronder valt dus niet de milieu-impact van huishoudens.
5.1 Aandeel in milieu-impact van de economie
In hoofdstuk 3 is al beschreven dat in 2024 de infrastructuur 11,6 procent uitmaakte van de totale toegevoegde waarde van de Nederlandse economie. Maar de milieu-impact is, vanwege de aard van de betrokken bedrijfstakken, niet altijd evenredig.
| Exploitatie (%) | Non-exploitatie (%) | |
|---|---|---|
| Toegevoegde waarde (2024) | 10,8 | 0,7 |
| Directe broeikasgasemissies (2024) | 49,3 | 0,3 |
| Fijnstofemissies (2024) | 34,2 | 0,9 |
| Milieubelastingen en -heffingen (2024) | 27,1 | 0,7 |
| Netto energieverbruik (2023) | 37,6 | 0,2 |
| Biomassaverbruik (2022) | 12,8 | 0,2 |
| Mineralenverbruik (2022) | 16,5 | 14,6 |
| Metalenverbruik (2022) | 2,0 | 2,8 |
| Waterverbruik (2021) | 8,4 | 0,1 |
| Afvalaanbod (2022) | 8,1 | 4,2 |
| 1) Ten opzichte van totaal van alle Nederlandse bedrijfstakken. | ||
Figuur 5.1.1 laat zien dat de infrastructuur verantwoordelijk is voor de helft van alle door bedrijven uitgestoten broeikasgassen in 2024 en ruim een derde van de fijnstofemissies. De broeikasgassen komen vooral vrij bij energiebedrijven en vervoer. Het overgrote deel van de fijnstof wordt uitgestoten bij vervoer. Dit is terug te zien in figuur 5.1.2, waar voor de exploitatiefase een aantal extra uitsplitsingen zijn gemaakt.
Van alle door bedrijven netto verbruikte energie in 2023 werd 38 procent verbruikt door de infrastructuur. Vervoersbedrijven verbruikten de bijna de helft van deze energie, ruim een kwart kwam voor rekening van energiebedrijven.
| Exploitatie: energiebedrijven (%) | Exploitatie: water en afvalbeheer (%) | Exploitatie: vervoer (%) | Exploitatie: overig (%) | Non-exploitatie (%) | |
|---|---|---|---|---|---|
| Directe broeikasgasemissies (2024) | 18,4 | 6,0 | 18,5 | 6,5 | 0,3 |
| Fijnstofemissies (2024) | 0,5 | 0,5 | 32,3 | 1,0 | 0,9 |
| Milieubelastingen en -heffingen (2024) | 11,7 | 1,5 | 10,5 | 3,4 | 0,7 |
| Netto energieverbruik (2023) | 9,9 | 2,7 | 16,2 | 8,8 | 0,2 |
| Biomassaverbruik (2022) | 7,5 | 0,0 | 1,1 | 4,2 | 0,2 |
| Mineralenverbruik (2022) | 0,8 | 0,5 | 0,0 | 15,2 | 14,6 |
| Metalenverbruik (2022) | 0,5 | 0,0 | 0,2 | 1,4 | 2,8 |
| Waterverbruik (2021) | 1,2 | 2,2 | 0,0 | 5,1 | 0,1 |
| Afvalaanbod (2022) | 1,2 | 4,3 | 0,0 | 2,6 | 4,2 |
| 1)Ten opzichte van totaal van alle Nederlandse bedrijfstakken. 2)Vervoer omvat de bedrijfstakken vervoer over land, vervoer over water, vervoer door de lucht en opslag en dienstverlening voor vervoer. | |||||
Daarnaast worden er relatief veel mineralen verbruikt door de infrastructuur (31 procent). Dit vindt vooral plaats bij de overige infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken en in de non-exploitatiefase. Zand, grind en klei zijn nodig voor de aanleg en onderhoud van (water)wegen, spoor en luchthavens, en daarmee vindt een groot deel van het verbruik plaats in de non-exploitatiefase.
De infrastructuur droeg 28 procent bij aan alle in 2024 door bedrijven betaalde milieubelastingen en -heffingen. De vervoerssector nam tot voor kort het grootste deel daarvan voor zijn rekening, zoals te zien in figuur 5.1.3, maar in het afgelopen decennium zijn de belastingen/heffingen op de productie van energie sterk toegenomen. Dit komt vooral door de hogere prijzen van de emissierechten.
| Exploitatie: energiebedrijven (%) | Exploitatie: water en afvalbeheer (%) | Exploitatie: vervoer (%) | Exploitatie: overig (%) | Non-exploitatie (%) | |
|---|---|---|---|---|---|
| 1995 | 3,5 | 3,9 | 19,5 | 1,8 | 0,5 |
| 1996 | 3,7 | 3,8 | 18,4 | 1,7 | 0,5 |
| 1997 | 3,6 | 3,6 | 18,3 | 1,8 | 0,5 |
| 1998 | 3,5 | 3,6 | 18,4 | 1,8 | 0,5 |
| 1999 | 2,8 | 3,5 | 17 | 2,1 | 0,5 |
| 2000 | 2,5 | 4,1 | 16,4 | 1,9 | 0,5 |
| 2001 | 5 | 3,6 | 15 | 1,9 | 0,5 |
| 2002 | 3,8 | 3,7 | 15,7 | 2 | 0,6 |
| 2003 | 3,8 | 3,6 | 15,1 | 2,3 | 0,6 |
| 2004 | 0,8 | 3,3 | 15,3 | 2,1 | 0,6 |
| 2005 | 0,3 | 3,4 | 14,5 | 1,8 | 0,6 |
| 2006 | 0,2 | 3,4 | 14,8 | 1,9 | 0,6 |
| 2007 | 0,3 | 3,1 | 14,5 | 1,7 | 0,7 |
| 2008 | 0,4 | 2,9 | 14,8 | 1,6 | 0,7 |
| 2009 | 0,3 | 2,7 | 16 | 2,1 | 0,8 |
| 2010 | 0,2 | 2,8 | 14,9 | 2 | 0,8 |
| 2011 | 0,5 | 2,7 | 15,8 | 2,1 | 0,8 |
| 2012 | 0,5 | 1,1 | 16,6 | 2,5 | 0,8 |
| 2013 | 2 | 1,1 | 15,9 | 2,4 | 0,9 |
| 2014 | 3,1 | 1,2 | 15 | 2,2 | 1,1 |
| 2015 | 3,7 | 1,3 | 13,5 | 2,3 | 1 |
| 2016 | 2,3 | 1,3 | 13,2 | 2,3 | 0,9 |
| 2017 | 2,2 | 1,4 | 12,5 | 2,2 | 0,8 |
| 2018 | 2,5 | 1,3 | 11,5 | 2,2 | 0,8 |
| 2019 | 4,4 | 1,6 | 10,9 | 2,4 | 0,8 |
| 2020 | 3,9 | 1,7 | 10,5 | 2,6 | 0,8 |
| 2021 | 4,1 | 1,7 | 11 | 2,8 | 0,7 |
| 2022 | 7,4 | 1,7 | 11 | 3,1 | 0,6 |
| 2023 | 8,7 | 1,6 | 10,5 | 3,1 | 0,7 |
| 2024 | 11,7 | 1,5 | 10,5 | 3,4 | 0,7 |
| 1)Ten opzichte van totaal van alle Nederlandse bedrijfstakken. 2)Vervoer omvat de bedrijfstakken vervoer over land, vervoer over water, vervoer door de lucht en opslag en dienstverlening voor vervoer | |||||
Aan de andere kant gebruikte de infrastructuur 5 procent van alle in 2022 verwerkte metalen in de Nederlandse economie, en 9 procent van al het in 2021 door Nederlandse bedrijven gebruikte drinkwater. De hoeveelheid afval die de infrastructuur in 2022 aanbood voor verwerking was 12 procent van het totaal, en de hoeveelheid gebruikte biomassa was dat jaar 13 procent. Voor deze indicatoren is het aandeel dus vergelijkbaar met of lager dan het aandeel van de infrastructuur in de totale Nederlandse toegevoegde waarde.
In figuur 5.1.1 is ook te zien dat de non-exploitatiefase maar een klein deel aan de totale toegevoegde waarde van de infrastructuur bijdraagt. Bij milieubelastingen en -heffingen, biomassa-, drinkwater- en energieverbruik en de uitstoot van fijnstof en broeikasgassen gaat het om enkele procenten van het totaal. Bij een aantal indicatoren is dat aandeel echter groter. Vooral bij het verbruik van metalen en mineralen telt de non-exploitatiefase sterk mee, respectievelijk voor ruim de helft en bijna de helft van het verbruik. Ook bij het aanbod van afval vindt ongeveer een derde plaats in de non-exploitatiefase. De aanleg van nieuwe infrastructuur, die voornamelijk door de bouwsector wordt gerealiseerd, heeft voor deze indicatoren een aanzienlijke milieu-impact.
5.2 Ontwikkeling van de milieu-impact
Om een beter overzicht te krijgen van de ontwikkelingen van de milieu-economische indicatoren over de tijd hebben we alle waarden geïndexeerd. Dat wil zeggen dat we de jaarlijkse waarden vergeleken met hun waarde in 2022. Dit is het meest recente jaar waarvoor we voor bijna alle indicatoren gegevens hebben. Alleen voor drinkwater is het meest recent beschikbare jaar 2021 als indexjaar gebruikt. Dit heeft het voordeel dat het niet meer uitmaakt in welke eenheid (kilogrammen, petajoules, euro’s of kubieke meters) een indicator berekend is. Dit maakt de uitkomsten makkelijker vergelijkbaar.
| Jaar | Broeikasgasemissies (Index (2021/2022 = 100)) | Fijnstofemissies (Index (2021/2022 = 100)) | Milieubelastingen en -heffingen (Index (2021/2022 = 100)) | Waterverbruik (Index (2021/2022 = 100)) | Netto energieverbruik (Index (2021/2022 = 100)) | Toegevoegde waarde (Index (2021/2022 = 100)) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1995 | 104,2 | 286,1 | 43,5 | 33 | ||
| 1996 | 106,7 | 301,4 | 44,6 | 34,5 | ||
| 1997 | 108,7 | 301,4 | 46,5 | 36,3 | ||
| 1998 | 112,3 | 280,6 | 49,9 | 38,5 | ||
| 1999 | 110,1 | 315,3 | 50,7 | 38,9 | ||
| 2000 | 114,1 | 293,1 | 53,7 | 43,6 | ||
| 2001 | 118,8 | 275 | 59,9 | 47,5 | ||
| 2002 | 119 | 250 | 57,6 | 49,2 | ||
| 2003 | 120,2 | 252,8 | 58,7 | 118,3 | 51,5 | |
| 2004 | 123 | 233,3 | 52,7 | 106 | 52 | |
| 2005 | 122,2 | 234,7 | 53,1 | 101,1 | 55,4 | |
| 2006 | 115,5 | 202,8 | 58,8 | 107,1 | 60,7 | |
| 2007 | 119,3 | 211,1 | 58,3 | 107,5 | 62,4 | |
| 2008 | 120,4 | 200 | 63 | 110,1 | 68,9 | |
| 2009 | 119 | 177,8 | 63,2 | 106,7 | 63,2 | |
| 2010 | 123,3 | 159,7 | 60,2 | 123,9 | 65 | |
| 2011 | 119,5 | 130,6 | 64,2 | 120,1 | 67,6 | |
| 2012 | 116,4 | 130,6 | 58,8 | 95,5 | 69,7 | |
| 2013 | 115,1 | 131,9 | 62,7 | 86,6 | 70,4 | |
| 2014 | 118,9 | 134,7 | 65,9 | 82,5 | 113,7 | 65,7 |
| 2015 | 123,6 | 118,1 | 67,5 | 80,2 | 113,5 | 65,2 |
| 2016 | 120,5 | 97,2 | 63,7 | 79,1 | 108,9 | 62,4 |
| 2017 | 116 | 93,1 | 63,4 | 81,7 | 107,9 | 64,1 |
| 2018 | 112,3 | 94,4 | 64,5 | 87,3 | 106,2 | 65,7 |
| 2019 | 113 | 90,3 | 76,7 | 97,8 | 110,3 | 70,1 |
| 2020 | 96,9 | 86,1 | 72,1 | 94 | 94,2 | 63,9 |
| 2021 | 100,9 | 94,4 | 80,5 | 100 | 99,1 | 72,9 |
| 2022 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | |
| 2023 | 90,5 | 102,8 | 105,2 | 97,2 | 97 | |
| 2024 | 89,4 | 106,9 | 129,1 | 99,2 |
De opvallendste trend in figuur 5.2.1a is dat de uitstoot van fijnstof door de infrastructuur in 2022 nog maar een derde was van de emissies in 1995. Deze daling is vergelijkbaar met de bredere trend in de gehele economie en was het sterkst bij de energiebedrijven. De uitstoot van broeikasgassen steeg tot en met 2015 en laat sindsdien een daling zien. Sinds 2015 zijn de broeikasemissies met meer dan een kwart gedaald. Ook bij het netto energieverbruik is er sprake van een afname na 2014. Het verbruik van drinkwater in 2021 ongeveer even hoog als in 2005, maar laat vooral een schommelend patroon zien. De milieubelastingen en -heffingen zijn wel toegenomen in de onderzochte periode. Deze groei was ongeveer even groot als de groei van de toegevoegde waarde.
Voor het materialenverbruik en het afvalaanbod zijn minder verslagjaren beschikbaar, waardoor het lastiger is om een structurele trend te bepalen. In figuur 5.2.1b is te zien dat het aandeel metalen- en mineralen in de beschikbare jaren redelijk stabiel is gebleven. Het verbruik van biomassa is gestegen in 2020 en 2022. Dit komt vooral doordat energiebedrijven steeds minder elektriciteit opwekken uit fossiele grondstoffen, en meer uit hernieuwbare bronnen en biomassa. Bij de hoeveelheid aangeboden afval is er sprake van een lichte afname na 2014.
| Afvalaanbod (Index (2022 = 100)) | Biomassaverbruik (Index (2022 = 100)) | Metalenverbruik (Index (2022 = 100)) | Mineralenverbruik (Index (2022 = 100)) | Toegevoegde waarde (Index (2022 = 100)) | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2010 | 65 | ||||
| 2011 | 67,6 | ||||
| 2012 | 114,7 | 69,7 | |||
| 2013 | 70,4 | ||||
| 2014 | 129,4 | 65,7 | |||
| 2015 | 65,2 | ||||
| 2016 | 126,5 | 42,5 | 110,3 | 97,7 | 62,4 |
| 2017 | 64,1 | ||||
| 2018 | 113 | 40,3 | 102,1 | 105,7 | 65,7 |
| 2019 | 70,1 | ||||
| 2020 | 98,1 | 86,8 | 111,9 | 107,9 | 63,9 |
| 2021 | 72,9 | ||||
| 2022 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| 2023 | 97 | ||||
| 2024 | 99,2 |
De meeste indicatoren in dit hoofdstuk zijn dus over tijd afgenomen of gelijk gebleven. Tegelijkertijd hebben we in hoofdstuk 3 gezien dat de toegevoegde waarde van de infrastructuur in de afgelopen drie decennia verdrievoudigde. De hoeveelheid uitstoot of verbruik per euro toegevoegde waarde is voor bijna alle indicatoren gedaald. De milieu-impact van deze indicatoren heeft geen gelijke tred gehouden met de productie van de infrastructuur. Alleen de opbrengst van milieubelastingen en -heffingen is ongeveer evenveel gegroeid als de toegevoegde waarde.