Economische waarde van de infrastructuur in Nederland, 1995-2024
Over deze publicatie
Op verzoek van NGinfra heeft het CBS onderzoek gedaan naar de economische waarde van de infrastructuur. De tijdreeks voor de toegevoegde waarde, die in eerder onderzoek liep van 1995 tot 2016, is uitgebreid tot en met 2024. Daarnaast zijn voor de eerste keer ook de werkgelegenheid, milieu-impact en indirecte toegevoegde waarde in kaart gebracht voor de infrastructuur.
Samenvatting
Op verzoek van NGinfra heeft het CBS onderzoek gedaan naar de economische waarde van de infrastructuur. Als kennisplatform wil NGinfra weten wat het belang van de infrastructuur is voor de Nederlandse economie. Het onderzoek bouwt voort op eerdere onderzoeken in 2017 en 2019, ook op verzoek van NGinfra.
In dit onderzoek is infrastructuur afgebakend als het geheel van onroerende en roerende voorzieningen en activiteiten die nodig zijn om de primaire diensten te verlenen die aan de basis staan van de economie en samenleving. Onder de primaire diensten wordt verstaan: overstromingsveiligheid en waterpeilbeheer, energievoorziening, informatie- en telecommunicatie, transport van personen en goederen over weg, water, spoor en door de lucht, drinkwatervoorziening en afvalbeheer. Om de economische waarde van infrastructuur te bepalen is een selectie gemaakt van dertien bedrijfstakken die onderdeel zijn van de productie- en leveringsketens van bovengenoemde primaire diensten. Sommige bedrijfstakken zijn geheel meegenomen, en andere deels, al naar gelang hun activiteiten gerelateerd zijn aan infrastructuur.
De tijdreeks voor de toegevoegde waarde, die in eerder onderzoek liep van 1995 tot en met 2016, is uitgebreid tot en met 2024. Daarnaast zijn voor de eerste keer ook de werkgelegenheid, milieu-impact en indirecte toegevoegde waarde in kaart gebracht voor de infrastructuur.
Resultaten
Toegevoegde waarde
Tussen 1995 en 2024 groeide de bruto toegevoegde waarde van de infrastructuur van 39 naar 116 miljard euro. In dertig jaar is de waarde bijna verdrievoudigd. Hierbij is niet gecorrigeerd voor inflatie. De groei van de infrastructuur bleef iets achter bij de groei van de Nederlandse economie als geheel. Het aandeel in de totale toegevoegde waarde daalde daarom na 2014 van ongeveer 13 procent naar 11,6 procent. In de afgelopen vijf jaar maakte de infrastructuur wel weer een inhaalslag omdat de bedrijfstakken delfstoffenwinning, energiebedrijven en aardolie-industrie sterker groeiden vanwege de hogere energieprijzen.
De grootste bijdrage aan de toegevoegde waarde van de infrastructuur kwam van energiebedrijven (19 procent), infrastructuur-gerelateerde activiteiten van openbaar bestuur en overheidsdiensten (17 procent), bedrijven voor opslag en dienstverlening voor vervoer (16 procent) en vervoersbedrijven over land (14 procent). De negen andere bedrijfstakken die deel uitmaken van de infrastructuur leverden samen ongeveer een derde van de toegevoegde waarde.
De belangrijkste verschuiving over de tijd in de samenstelling van de toegevoegde waarde van de infrastructuur was de krimp van de delfstoffenwinning. Deze was in 1995 nog verantwoordelijk voor 16 procent van de toegevoegde waarde, maar in 2024 nog maar voor 5 procent. Dit is een gevolg van de afbouw van de aardgaswinning sinds 2014. Daartegenover staat de relatieve stijging van de toegevoegde waarde van de energiebedrijven van 12 naar 19 procent.
Het onderzoek maakt onderscheid tussen de toegevoegde waarde die gerealiseerd wordt door de exploitatie van bestaande infrastructuur (exploitatiefase) en door investeringen in nieuwe infrastructuur (non-exploitatiefase). In de afgelopen drie decennia maakte de exploitatiefase tussen de 93 en 95 procent van de totale toegevoegde waarde uit, en de non-exploitatiefase de rest. Investeringen en exploitatie houden ongeveer gelijke tred.
Werkgelegenheid
Het aantal werkzame personen in de infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken steeg tussen 1995 en 2024 van 524 duizend tot 681 duizend. Dit is een toename van 30 procent. In dezelfde periode groeide het aantal werkzame personen in de totale Nederlandse economie met 41 procent. Het aandeel werkzame personen in de infrastructuur ten opzichte van de totale economie is daardoor gedaald.
In de infrastructuur werken relatief weinig zelfstandigen. Wel steeg hun aandeel van 8,8 procent van het totaal aantal werkzame personen in de infrastructuur in 1995 naar 9,7 procent in 2024. Voor de hele Nederlandse economie geldt dat het aandeel zelfstandigen ongeveer twee keer zo hoog ligt. De verhouding tussen arbeidsjaren (omgerekend naar voltijdbanen) en werkzame personen laat zien dat deze relatief hoog ligt in de infrastructuur. Er werken relatief veel mensen in voltijd.
Milieu-indicatoren
De infrastructuur stoot naar verhouding veel broeikasgassen en fijnstof uit en verbruikt relatief veel energie. Ook betalen de bedrijven in de infrastructuur relatief veel milieubelasting- en heffingen. Deze relatief hoge waarden zijn vooral gerelateerd aan de energieproductie en transport. Daarnaast worden er relatief veel mineralen verbruikt. Dit vindt vooral plaats bij de andere activiteiten die vallen onder onze afbakening van de infrastructuur. Het verbruik van drinkwater, metalen en biomassa en het aangeboden afval zijn daarentegen in verhouding of minder dan het aandeel in de toegevoegde waarde.
Het overgrote deel van de milieu-impact vindt plaats in de exploitatiefase. Metalen en mineralen worden echter ook veel gebruikt bij de bouw van nieuwe infrastructuur (non-exploitatiefase). Ook een derde van het infrastructuur-gerelateerd afval wordt in die bouwfase aangeboden.
Tegelijkertijd is de milieu-impact van de meeste indicatoren (fijnstofemissies, broeikasgasemissies, afvalaanbod, netto energieverbruik) over de tijd gedaald. De uitstoot van fijnstof was in 1995 nog drie keer zo hoog als in 2024 en broeikasgasemissies daalden met meer dan een kwart sinds 2015. Het verbruik van materialen en water bleef gelijk of er waren te weinig verslagjaren beschikbaar om een duidelijke trend te bepalen.
Dat betekent dat voor bijna alle genoemde indicatoren het verbruik of uitstoot per euro toegevoegde waarde is gedaald. Naast de daling of stilstand van de milieu-impact verdrievoudigde de toegevoegde waarde immers in de periode 1995-2024. Alleen de milieubelastingen en -heffingen zijn grofweg gelijk gestegen met de toegevoegde waarde.
Indirecte toegevoegde waarde
De indirecte toegevoegde waarde is geschat aan de hand van de toegevoegde waarde bij de toeleveranciers, de toeleveranciers van de toeleveranciers enzovoorts, van de infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken. De indirecte effecten van de infrastructuur op de totale Nederlandse economie beliepen 31 miljard euro in de exploitatiefase in 2023, en 6 miljard in de non-exploitatiefase. De toegevoegde waarde van de indirecte effecten bedroegen respectievelijk 29 en 91 procent van de directe effecten.
1. Inleiding
Infrastructuur bestaat uit allerlei voorzieningen en activiteiten die nodig zijn om primaire diensten te verlenen aan de economie en de samenleving. Naast het vervoeren van personen en goederen omvat infrastructuur ook energievoorziening (waardoor huizen verwarmd kunnen worden en bedrijven kunnen produceren), drinkwatervoorziening (waardoor Nederlanders iedere dag schoon drinkwater tot hun beschikking hebben) en afvalverwerking. Bovendien maakt infrastructuur het ook mogelijk dat men met elkaar kan communiceren, zowel analoog als digitaal, en dat bedrijven kunnen digitaliseren en automatiseren. Tot slot zorgt infrastructuur voor waterveiligheid met betrekking tot overstromingsrisico’s.
Infrastructuur is dus een breed begrip en raakt veel facetten van de samenleving. Dat infrastructuur van belang is voor het goed functioneren van een samenleving en economie staat daardoor buiten kijf. Hoeveel de infrastructuur dan precies bijdraagt en wat de waarde is van de Nederlandse infrastructuur kan op verschillende manieren in kaart worden gebracht. Er kan bijvoorbeeld gekeken worden naar facetten van de ‘maatschappelijke waarde’, de ‘emotionele waarde’ of de ‘gebruikswaarde’ van de onderliggende diensten van de infrastructuur.
In de Factsheet brede welvaart, die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) jaarlijks samenstelt voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, wordt een breed scala aan indicatoren op het thema ‘Infrastructuur en Waterstaat’ samengebracht. Uit deze cijfers blijkt dat de gemiddelde Nederlander in 2024 bijvoorbeeld 8 146 reizigerskilometers in de auto maakte, 1 111 kilometers op de fiets zat en 1 522 kilometers in het openbaar vervoer doorbracht. De gemiddelde Nederlander had 5,63 uur tijdsverlies door files en vertraging op de weg. Dit zijn allemaal gemiddelden. Personen verschillen echter in grote mate waarin ze gebruikmaken van auto, fiets, en het openbaar vervoer. Er werd in 2024 minder gemeentelijk afval per inwoner opgehaald dan in eerdere jaren en het aandeel wat gerecycled wordt neemt toe. Ook blijkt uit de Factsheet dat de meeste mensen zich veilig voelen in het OV en tevreden zijn over het drinkwater.
De waarde van infrastructuur kan echter ook in economische termen (‘de economische waarde’) worden uitgedrukt, namelijk door te bepalen hoeveel waarde de infrastructuur toevoegt aan de Nederlandse economie. In dit voorliggende onderzoek heeft het CBS, op verzoek van Next Generation Infrastructures (NGinfra), deze economische toegevoegde waarde van de infrastructuur in kaart gebracht voor een periode van 30 jaar (1995-2024). NGinfra is het kennisplatform van zes infrabeheerders: Alliander, Havenbedrijf Rotterdam, ProRail, Rijkswaterstaat, Schiphol en Vitens.
Dit onderzoek bouwt voort op twee eerdere onderzoeken, uit 2017 en 2019, die het CBS eveneens op verzoek van NGinfra heeft uitgevoerd. In deze onderzoeken werd uitvoerig stilgestaan bij de afbakening van de infrastructuur. Aangezien deze afbakening nog steeds relevant en toepasbaar is, hanteert het huidige onderzoek dezelfde definitie. Deze afbakening heeft betrekking op ‘de verzameling van activiteiten binnen bepaalde bedrijfstakken die gerelateerd zijn aan infrastructuur’. In dit rapport korten we dit af naar ‘de infrastructuur’. De reeks cijfers over toegevoegde waarde uit de eerdere onderzoeken liep van 1995 tot 2016, deze is nu uitgebreid tot en met 2024. Ook hebben er op een aantal kleine punten herzieningen plaatsgevonden doordat er nu meer informatie beschikbaar is dan acht jaar geleden. Net als in de eerdere onderzoeken zijn de Nationale rekeningen de belangrijkste bron om de economische waarde te bepalen. De toegevoegde waarde wordt gegeven in werkelijke prijzen, dit betekent dat deze waarde niet gecorrigeerd is voor inflatie.
Naast de toegevoegde waarde zijn nu bovendien een aantal aanvullende indicatoren in kaart gebracht die samenhangen met de economische waarde. Omdat deze indicatoren voor de eerste keer in beeld zijn gebracht heeft dit deel van het onderzoek een experimenteel karakter:
- Op basis van de Arbeidsrekeningen zijn gegevens over werkgelegenheid samengesteld. Voor de totale periode (1995-2024) is het aantal werkzame personen en arbeidsjaren geschat, zowel voor werknemers als zelfstandigen.
- Op basis van de Milieurekeningen zijn negen milieu-indicatoren toegevoegd die samenhangen met de economische productie van de infrastructuur. Dit zijn: directe broeikasgasemissies, fijnstofemissies, energieverbruik, waterverbruik, materiaalverbruik (biomassa, metalen en mineralen), afvalaanbod en milieubelastingen.
- Voor het jaar 2023 is een experimentele analyse uitgevoerd om de indirecte economische toegevoegde waarde te schatten. Dit is de toegevoegde waarde die gecreëerd is bij de Nederlandse toeleveranciers van de infrastructuur en bij de toeleveranciers van de toeleveranciers enzovoorts.
Dit rapport is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 staat een toelichting op de gebruikte methode. Er wordt stilgestaan bij de afbakening van de infrastructuur en de berekening van de (directe en indirecte) toegevoegde waarde, de werkgelegenheidsindicatoren en de milieu-economische indicatoren. Daarna volgt een beschrijving van de belangrijkste resultaten in hoofdstuk 3 (toegevoegde waarde), 4 (werkgelegenheid), 5 (milieu-economische indicatoren) en 6 (indirecte toegevoegde waarde). Hier wordt onder andere ingegaan op de trends over de tijd en de bijdrage van de verschillende onderdelen van de infrastructuur aan het geheel. Bij dit rapport hoort ook een tabellenset waarin alle achterliggende cijfers zijn opgenomen.
2. Methode
2.1 Afbakenen van de infrastructuur
Er bestaat, nationaal en internationaal, (nog) geen formele afbakening van de ‘infrastructuur in economische zin’. Het CBS heeft in 2017 en 2019 samen met NGinfra en verschillende deskundigen onderzocht hoe de infrastructuur in economische zin kan worden afgebakend. Traditioneel wordt bij infrastructuur vaak gedacht aan kapitaalintensieve onroerende goederen, zoals bijvoorbeeld spoorlijnen, wegen en elektriciteitsnetwerken. Als enkel deze onroerende voorzieningen in de definitie worden opgenomen, dan is die betekenisloos voor de economie en samenleving. Namelijk, aan een spoorlijn als zodanig heeft de samenleving niet veel, tenzij er daadwerkelijk treinen rijden die personen of goederen kunnen verplaatsen volgens een dienstregeling en met een verkeersleiding. Op dezelfde manier is een drinkwaterleidingnet nutteloos als het niet gebruikt wordt om daadwerkelijk schoon drinkwater te leveren aan consumenten en ander gebruikers. Daarom is destijds de volgende afbakening van de infrastructuur opgesteld: het geheel van onroerende en roerende voorzieningen en activiteiten die nodig zijn om de primaire diensten te verlenen die aan de basis staan van de economie en samenleving.
Onder de primaire diensten wordt verstaan:
- overstromingsveiligheid en waterpeilbeheer;
- energievoorziening in de vorm van elektriciteit, gas, brandstoffen (voor transport en ruimteverwarming) en warmte;
- informatie- en telecommunicatie (zowel analoog als digitaal; zowel via vaste lijnen als mobiel);
- transport van personen en goederen over de weg, water, spoor en door de lucht;
- drinkwatervoorziening;
- afval(water)verwijdering en -verwerking.
De selectie van deze primaire diensten was destijds gebaseerd op het National Infrastructure Delivery Plan 2016-2021 van het Verenigd Koninkrijk en de essentiële diensten waar iedere Europese burger – volgens de Europese Commissie (EC) - toegang tot zou moeten hebben (met uitzondering van financiële diensten). Op dit moment werkt een werkgroep van de United Nations Economic Commission for Europe (UNECE) aan een internationale definitie voor het meten van een duurzame en veerkrachtige infrastructuur. In een eerste verkenning worden dezelfde zes primaire diensten genoemd.
Omdat de eerder opgestelde afbakening van de Nederlandse infrastructuur nog goed aansluit bij de definities van de EC en UNECE, kiezen we in het huidige onderzoek voor dezelfde afbakening. In de gekozen definitie is infrastructuur dus de keten van bovengenoemde basisvoorzieningen, ofwel; het hele systeem van productie tot en met de levering van de primaire infrastructurele dienst.
Vertaling naar bedrijfstakken
Om de economische waarde van de infrastructuur te bepalen is vervolgens een selectie gemaakt van bedrijfstakken die onderdeel zijn van de productie- en leveringsketens van bovengenoemde primaire diensten. Voor het opstellen van statistieken over bedrijven gebruikt het CBS een (internationale) indeling naar bedrijfstakken, de zogenaamde Standaard Bedrijfsindeling (SBI). Bedrijven worden op basis van hun hoofdactiviteit geclassificeerd in een specifieke bedrijfstak. Meestal bestaat een primaire dienst uit meerdere bedrijfstakken, maar omgekeerd bevatten bedrijfstakken ook activiteiten die niet toegerekend kunnen worden aan de infrastructuur. In dit onderzoek is de infrastructuur geconstrueerd uit dertien bedrijfstakken. Tabel 2.1.1 geeft deze bedrijfstakken en een korte toelichting weer.
| Bedrijfstak | Toelichting |
|---|---|
| Delfstoffenwinning | Deze activiteit wordt meegenomen omdat het gewonnen gas en de gewonnen olie verder in de primaire waardeketen van energievoor- ziening gebruikt worden voor de productie van brandstoffen, warmte en elektriciteit. In deze bedrijfstak wordt daarnaast ook zand, grind en klei gewonnen. Deze materialen zijn een belangrijke input verderop in de keten, bijvoorbeeld voor de aanleg van wegen en dijken. |
| Aardolie-industrie | In deze bedrijfstak worden aardolieproducten geconverteerd in brandstoffen (met name transportbrandstoffen) en grondstoffen voor de petrochemische industrie. De transportsector kan niet functioneren zonder brandstoffenvoorziening. |
| Energiebedrijven | De productie en distributie van energie (elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht) worden gezien als primaire diensten die aan de basis staan van de economie en de samenleving. Zonder energie infrastructuur kan de economie niet draaien. De energievoorziening steunt op de winning (en import) van primaire energiedragers, op de conversie daarvan in andere energie(dragers), gevolgd door transport naar en daadwerkelijke levering aan de gebruikers. |
| Waterbedrijven | De winning, zuivering en distributie van water wordt gezien als een basale dienst die aan de basis staat van de economie en de samenleving. |
| Afvalbeheer | Deze bedrijfstak verleent primaire diensten, zoals het inzamelen, reduceren, verwerken en afvoeren van schadelijke stoffen naar en van het milieu. |
| Verkoop van brandstoffen | Omdat de hele energietoeleveringsketen in kaart wordt gebracht, van productie naar distributie en levering, moet ook de verkoop van brandstoffen worden meegenomen. De bedrijfstakken ‘vervoer over land, water en door de lucht’ kunnen niet functioneren zonder brandstoffen. |
| Vervoer over land, vervoer over water en vervoer door de lucht | Deze drie bedrijfstakken leveren de vervoerdiensten die nodig zijn om personen en goederen daadwerkelijk te verplaatsen. |
| Opslag en dienst- verlening voor vervoer | In deze bedrijfstak zijn onder andere de basale diensten van luchthavens (overslag van goederen en transfer van passagiers) en havens (overslag van goederen) opgenomen. |
| Telecommunicatie | Dit omvat de exploitatie, het onderhoud en het bieden van toegang tot het overbrengen van gesproken woord, data, tekst, geluid en beeld. Dit kan via draadgebonden of draadloze telecommunicatie-infrastructuur. |
| Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten | Dit betreft de levering van de infrastructuur voor gegevensverwerking, datacentra, (web)hosting, en aanverwante activiteiten, zoals het beheer van domeinnamen. |
| Openbaar bestuur en overheids- diensten | Publieke infrastructuur, zoals wegen, dijken en overige waterinfra- structuur, die worden aangelegd en beheerd door de overheid. De diensten die hier mee gemoeid zijn (zoals waterveiligheid of het snel van A naar B kunnen) worden door Nederlanders collectief geconsumeerd. |
Onderscheid exploitatie- en non-exploitatiefase
De economie en de samenleving maken gebruik van bestaande infrastructuur, maar er wordt ook jaarlijks nieuwe infrastructuur toegevoegd. In dit onderzoek is onderscheid gemaakt tussen de toegevoegde waarde, werkgelegenheid en milieu-impact die ontstaat door het exploiteren van de bestaande infrastructuur en de toegevoegde waarde, werkgelegenheid en milieu-impact die ontstaat door investeringen in nieuwe infrastructuur.
In de zogenaamde exploitatiefase gaat het om activiteiten waarbij direct gebruik wordt gemaakt van bestaande infrastructurele activa door exploitanten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de toegevoegde waarde die een netwerkbedrijf genereert door energie te transporteren over een reeds bestaand energienet. Of de toegevoegde waarde die ontstaat doordat afval wordt verwerkt in een bestaande afvalcentrale.
In de non-exploitatiefase wordt de waarde gekoppeld aan de realisatie van investeringen in nieuwe infrastructuur en het groot onderhoud van de infrastructuur. Het gaat in deze fase om de bouw van de activa zelf. Een voorbeeld is de toegevoegde waarde die ontstaat tijdens het aanleggen van elektriciteitsleidingen of de bouw van een nieuwe brug. Daarbij gaat het om de toegevoegde waarde die wordt gegenereerd door de producent van de kapitaalgoederen, de bouwsector. Daarbij worden alleen de investeringen in infrastructurele projecten meegenomen die worden gedaan door bovenstaande dertien bedrijfstakken.
2.2 Toegevoegde waarde
De economische waarde van de infrastructuur wordt in dit onderzoek benaderd via de toegevoegde waarde in basisprijzen. In het CBS-onderzoek uit 2019 is een reeks van cijfers over de toegevoegde waarde gemaakt voor de jaren 1995-2016. Deze is nu uitgebreid naar de periode 1995-2024.
De basisprijs van een product is het bedrag dat de producent daadwerkelijk ontvangt. Deze prijs wordt verkregen door de verkoopprijs te verminderen met de handels- en vervoersmarges en de productgebonden belastingen en door de productgebonden subsidies erbij op te tellen. De basisprijzen zijn niet gecorrigeerd voor inflatie.
De toegevoegde waarde is de totale waarde van de geproduceerde goederen en diensten (productie), minus de waarde van wat er bij de productie is verbruikt (intermediair verbruik). Het verbruik bij de productie bestaat uit goederen zoals grondstoffen en halffabricaten (bijvoorbeeld grind, zand, betonplaten), maar ook uit diensten zoals ingekocht automatiseringswerk en ingehuurd (uitzend)personeel. Dit is de toegevoegde waarde bepaald vanuit de productie.
De toegevoegde waarde kan ook bepaald worden vanuit de inkomensvorming, deze is gelijk aan de toegevoegde waarde vanuit productie. De toegevoegde waarde vanuit de inkomensvorming is opgebouwd uit drie componenten:
- beloning van werknemers: de totale vergoeding, in geld of in natura, die door een werkgever aan een werknemer verschuldigd is door de arbeid die deze tijdens een verslagperiode heeft verricht. De beloning van werknemers is gelijk aan het totaal van lonen en sociale premies ten laste van werkgevers.
- saldo van niet-productgebonden belastingen en subsidies: belastingen en subsidies die niet direct relateerbaar zijn aan de waarde of de hoeveelheid van geproduceerde en verkochte producten. Voorbeeld van niet-productgebonden belastingen zijn de onroerendezaakbelasting, reinigingsrechten en rioolrechten betaald door producenten en consumenten. Voor de niet-productgebonden subsidies betreft het bijvoorbeeld loonsubsidies.
- bruto exploitatieoverschot: dit is het saldo dat resteert nadat de toegevoegde waarde tegen basisprijzen is verminderd met de beloning van werknemers en het saldo van niet-productgebonden belastingen en subsidies. Dit kan gezien worden als een vergoeding voor kapitaal en het loon dat zelfstandigen zichzelf uitkeren.
In dit onderzoek is naast de schatting van de totale toegevoegde waarde ook een uitsplitsing gemaakt naar deze drie componenten. Deze uitsplitsing kan gebruikt worden om meer duiding te geven aan de totaalcijfers.
De toegevoegde waarde is geschat voor alle dertien bedrijfstakken (zie paragaaf 2.1) die onder onze afbakening van infrastructuur vallen. De optelsom betreft dan een benadering van de toegevoegde waarde van de totale Nederlandse infrastructuur. In paragraaf 2.3 en 2.4 wordt op meer detailniveau ingegaan op de berekening van de toegevoegde waarde in de exploitatie en non-exploitatiefase.
De primaire bron om de toegevoegde waarde te berekenen zijn de Nationale rekeningen (NR). De NR vormen de officiële overzichtsstatistiek van de nationale economie (zie bijlage 1 voor meer informatie over de NR). Binnen de NR worden onder andere de aanbod- en gebruiktabellen (AGT) opgesteld. In de AGT worden productie, verbruik en toegevoegde waarde per bedrijfstak beschreven en uitsplitst naar goederengroep.
Gemiddeld vindt eens in de vijf jaar een revisie van de NR plaats. Bij een revisie worden veranderingen in concepten, classificaties, methoden en bronnen in één keer doorgevoerd. Om breuken in de tijdsreeksen te voorkomen worden ook de voorafgaande definitieve jaren herzien. De meest recente revisie van de NR heeft plaatsgevonden in 2021. In dit onderzoek is deze meest recente formatie uit de NR toegepast om een nieuwe consistente tijdreeks te construeren die loopt van 1995 tot en met 2024. Dit betekent dat de cijfers over de eerdere gepubliceerde jaren (1995-2016) ook opnieuw geschat zijn. In de meeste gevallen is de verandering echter beperkt.
Omdat de berekende toegevoegde waarde voor de infrastructuur consistent is met de NR kan een vergelijking gemaakt worden met de totale toegevoegde waarde van alle institutionele sectoren en bedrijfstakken in Nederland. Er is één verschil met het bruto binnenlands product (bbp): daar wordt ook het saldo van productgebonden belastingen en subsidies (die niet aan sectoren en bedrijfstakken worden toegerekend) bij meegenomen.
2.3 Toegevoegde waarde exploitatiefase
De aanbod- en gebruiktabellen in de Nationale rekeningen zijn gebruikt om de toegevoegde waarde van de exploitatiefase te bepalen. Het gaat hier om de toegevoegde waarde die gegenereerd wordt in een bepaald jaar door de exploitatie van de bestaande infrastructuur.
Voor acht bedrijfstakken die vallen onder de afbakening van de infrastructuur kan de toegevoegde waarde in zijn geheel worden overgenomen uit de NR en zijn geen extra berekeningen nodig (zie tabel 2.3.1). Voor de resterende vijf bedrijfstakken zijn wel aanvullende berekeningen nodig. Deze worden in de opvolgende paragrafen verder toegelicht.
| Bedrijfstak | SBI-code | Extra berekening nodig? |
|---|---|---|
| Delfstoffenwinning | 05 tot en met 09 | Ja |
| Aardolie-industrie | 19 | Ja |
| Energiebedrijven | 35 | Nee |
| Waterleidingbedrijven | 36 | Nee |
| Riolering, afvalbeheer en sanering | 37 tot en met 39 | Nee |
| Verkoop van brandstoffen | 46.71 en 47.3 | Ja |
| Vervoer over land | 49 | Nee |
| Vervoer over water | 50 | Nee |
| Vervoer door de lucht | 51 | Nee |
| Opslag en dienstverlening voor vervoer | 52 | Nee |
| Telecommunicatie | 61 | Nee |
| Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten | 63.11 | Ja |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 84 | Ja |
Delfstoffenwinning
Een bedrijfstak produceert in de Nationale rekeningen in de meeste gevallen meerdere goederengroepen. Voor de delfstoffenwinning geldt dat het onder andere de goederengroep ‘exploratie voor delfstoffenwinning’ produceert. In dit onderzoek is ervoor gekozen om deze mee te nemen in de non-exploitatiefase, omdat exploratie wordt geregistreerd als een investering.
Voor deze goederengroep ‘exploratie’ zijn geen aparte cijfers over de toegevoegde waarde beschikbaar. De onderliggende productiecijfers zijn wel beschikbaar. De cijfers zijn op dit detailniveau niet standaard ‘herzien’ voor de hele tijdreeks in de NR. Voor dit project hebben we deze reeks daarom zelf teruggelegd, zodat deze consistent is met de schatting van de productiecijfers van de gehele bedrijfstak delfstoffenwinning (zie ook het kader ‘Terugleggen n.a.v. herziening’).
Op basis van de (teruggelegde) productiecijfers is het aandeel van de goederengroep ‘exploratie’ in de totale bedrijfstak delfstoffenwinning berekend. Aan de hand daarvan is de toegevoegde waarde van de delfstoffenwinning exclusief ‘exploratie’ berekend door de toegevoegde waarde van de bedrijfstak delfstoffenwinning te vermenigvuldigen met (1-aandeel).
Aardolie-industrie
Voor de infrastructuur zijn alleen de goederengroepen die te maken hebben met de productie van brandstoffen relevant voor dit onderzoek. Het gaat hierbij om de goederengroepen benzine, jetfuel, diesel en stookolie. De andere goederengroepen worden uitgesloten. Net als bij de delfstoffenwinning (zie voorgaande paragraaf) is de toegevoegde waarde niet beschikbaar voor onderliggende goederengroepen. Er is daarom een vergelijkbare berekening toegepast.
Voor de goederengroepen die wél worden meegenomen is een tijdreeks van de productiecijfers teruggelegd. Op basis van de (teruggelegde) productiecijfers berekenen we het aandeel van deze goederengroepen in de totale bedrijfstak aardolie-industrie. Tot slot is de toegevoegde waarde van de bedrijfstak aardolie-industrie vermenigvuldigd met dit aandeel.
Verkoop van brandstoffen
Voor de verkoop van brandstoffen kijken we naar de detail- en groothandel in brandstoffen. Dit is onderdeel van SBI-code 46.71 (groothandel in brandstoffen en overige minerale olieproducten) en SBI-code 47.3 (benzinestations). Voor deze SBI-codes worden geen cijfers gepubliceerd in de NR. Wel is onderliggende data in de NR beschikbaar om schattingen te maken voor 46.71 (2015-2024) en voor 47.3 (1995-2024). Ook hier hebben we zelf de tijdreeks teruggelegd.
Voor SBI-code 46.71 (groothandel) ontbreken gegevens vóór 2015 in de NR. Voor de jaar-op-jaarveranderingen die nodig zijn om de gehele tijdreeks terug te leggen hebben we voor de periode 1995-2014 gebruik gemaakt van jaar-op-jaarveranderingen in de toegevoegde waarde voor deze SBI-code in de productiestatistieken.
Voor SBI-code 47.3 (benzinestations) is de toegevoegde waarde beschikbaar in de NR, maar is de reeks niet volledig teruggelegd. Dit hebben we zelf gedaan volgens de eerder beschreven methode. Echter worden bij benzinestations niet alleen brandstoffen verkocht, maar ook producten zoals voedsel en drankjes. We willen deze extra shopverkopen bij benzinestations niet meenemen in onze berekening. Op basis van informatie in de productiestatistieken concluderen we dat ongeveer twee derde van de verkopen is gerelateerd aan brandstoffen. Dit aandeel is vervolgens vermenigvuldigd met de totale toegevoegde waarde in SBI-code 47.3.
Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten
SBI-code 63.11 bevat bedrijven die zich, als hoofdactiviteit, bezighouden met gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten. De NR publiceert geen gegevens op dit detailniveau en er is ook geen onderliggende data beschikbaar. Data over de toegevoegde waarde is wel beschikbaar voor SBI-code 63.
Op basis van gegevens in de productiestatistieken over het aantal werkzame personen (in vte) is het aandeel van SBI-code 63.11 in de toegevoegde waarde van SBI-code 63 bepaald. De onderliggende aanname is dat de verhouding tussen werkzame personen en toegevoegde waarde hetzelfde is voor SBI-code 63.11 en voor SBI-code 63. De toegevoegde waarde in SBI-code 63.11 is vervolgens berekend door dit aandeel te vermenigvuldigen met de totale toegevoegde waarde in SBI-code 63. Idealiter zou men dit aandeel berekenen op basis van de verhouding in toegevoegde waarde of productie, maar helaas is deze informatie op dit detailniveau op dit moment (nog) niet beschikbaar.
Openbaar bestuur en overheidsdiensten
Voor deze bedrijfstak is de toegevoegde waarde berekend uit twee delen:
- De beloning van werknemers in deze bedrijfstak die zich bezighouden met werkzaamheden die gerelateerd zijn aan publieke infrastructuur.
- De afschrijvingen op de investeringen in grond-, weg- en wegenbouw (GWW) door deze bedrijfstak. Dit als proxy voor de verbruikswaarde van publieke voorzieningen.
Voor de beloning van werknemers is gekeken naar werkzaamheden die gerelateerd zijn aan publieke infrastructuur, zoals afvalbeheer, wegonderhoud en watermanagent. Hiervoor is informatie over de overheidsuitgaven en -bestedingen gebruikt, volgens internationale classificatie van overheidsfuncties (COFOG). Gebaseerd op de primaire diensten in paragraaf 2.1 zijn de volgende overheidsfuncties geselecteerd:
- 4.3 brandstoffen en energie
- 4.5 vervoer
- 4.6 communicatie
- 4.7 andere bedrijfstakken
- 5.1 afvalbeheer
- 5.2 afvalwaterbeheer
- 6.3 watervoorziening
- 6.4 straatverlichting
COFOG 4.7 (andere bedrijfstakken) is ook meegenomen, omdat deze bedrijfstak in Nederland vooral bestaat uit watermanagement, zoals waterkeringen.
De COFOG-gegevens gaan over de hele sector overheid en betreffen niet alleen de bedrijfstak overheid. De sector overheid bestaat deels uit de bedrijfstak overheid, maar ook uit entiteiten die actief zijn in andere bedrijfstakken, zoals afvalbeheer. De beloning voor deze overheidsgerelateerde entiteiten die actief zijn in andere bedrijfstakken is verwijderd om dubbeltellingen te voorkomen.
De toegevoegde waarde die gegenereerd wordt door het gebruik van publieke voorzieningen (zoals wegen, waterkering en watermanagement) wordt benaderd door de afschrijvingen op de investeringen in GWW in eigendom van de overheid te nemen. De gegevens over de afschrijvingen komen uit de kapitaalgoederenvoorraad, welke onderdeel zijn van de NR. Deze toegevoegde waarde is in de cijfers opgenomen onder de post ‘bruto exploitatieoverschot’.
2.4 Toegevoegde waarde non-exploitatiefase
Naast het exploiteren van de bestaande infrastructuur wordt ook toegevoegde waarde gegenereerd doordat geïnvesteerd wordt in nieuwe infrastructuur en in het (groot) onderhoud van de infrastructuur. Deze verdiensten worden meegenomen in de zogenoemde non-exploitatiefase. Het betreft investeringen in infrastructuur (grond-, water- en wegenbouw) die grotendeels worden uitgevoerd door bouwbedrijven. Met deze activiteiten voegen bouwbedrijven waarde toe aan de Nederlandse economie.
Om de toegevoegde waarde van de non-exploitatiefase te berekenen is gebruik gemaakt van gegevens in de kapitaalgoederenvoorraad, ook onderdeel van de Nationale rekeningen, over de investeringen in grond-, weg-, en waterbouw (GWW) door de bedrijfstakken die vallen onder de infrastructuur. Er is voor gekozen om alleen de investeringen in GWW mee te nemen. De aanname is dat het activumtype ‘GWW’ een compleet en relevant beeld geeft van de infrastructurele ontwikkelingen.
Alleen investeringen in GWW door de dertien infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken (zie paragraaf 2.1) worden meegenomen. Voor drie bedrijfstakken (aardolie-industrie, verkoop van brandstoffen en gegevensverwerking, zie ook paragraaf 2.3) is enkel het deel van de GWW meegenomen dat toegeschreven kan worden aan de infrastructuur.
Vervolgens is in een aantal stappen bepaald wat de toegevoegde waarde van de GWW-investeringen is:
- Eerst zijn de GWW-investeringen verdeeld over bedrijfstakken die deze activiteiten hebben uitgevoerd (dat wil zeggen waar de productie heeft plaatsgevonden).
- Er zijn volgens een aantal bedrijfstakken uitgesloten. Ten eerste zijn een aantal bedrijfstakken niet meegenomen die ook al opgenomen zijn in de exploitatiefase. Deze uitsluiting is toegepast om dubbeltellingen met de exploitatiefase te voorkomen. Dit omvat gemiddeld zo’n 15 procent van de GWW. Daarnaast sluiten we de categorie ‘invoer’ uit omdat dit geen toegevoegde waarde creëert voor de Nederlandse economie. Dit betreft gemiddeld bijna 3 procent van de GWW. De resterende bedrijfstakken (ongeveer 80 procent van de totale GWW) zijn met name bouw-gerelateerde bedrijfstakken, zoals SBI 42 (Grond-, water- en wegenbouw (geen grondverzet), SBI 43 (Gespecialiseerde werkzaamheden in de bouw), en SBI 71.1 (Architecten, ingenieurs en technisch ontwerp en advies).
- Per bouw-gerelateerde bedrijfstak is een aandeel berekend door de GWW die geproduceerd is door deze bedrijfstak te delen door de totale productie van deze bedrijfstak.
- In elke bouw-gerelateerde bedrijfstak is dit aandeel is vermenigvuldigd met de jaarlijkse toegevoegde waarde.
- Door de toegevoegde waardes van alle bouw-gerelateerde bedrijfstakken bij elkaar op te tellen komen we tot de totale toegevoegde waarde voor de non-exploitatiefase.
- Om de toegevoegde waarde te bepalen per infra-gerelateerde bedrijfstak (die de GWW-investeringen hebben gedaan) is de totale toegevoegde waarde naar rato van de GWW-investeringen per bedrijfstak verdeeld. Hierbij is aangenomen dat deze verhouding hetzelfde is voor alle bedrijfstakken die vallen onder onze afbakening van de infrastructuur.
Voor de delfstoffenwinning zijn er investeringen in exploratie aan toegevoegd (deze waren in de exploitatiefase uitgesloten, zie paragraaf 2.3). Hierbij zijn enkel binnenlandse investeringen meegenomen. De productie voor deze investeringen zijn omgezet naar toegevoegde waarde door deze te vermenigvuldigen met toegevoegde waarde per eenheid productie in de bedrijfstak delfstoffenwinning (SBI-code 05 tot en met 09).
2.5 Beperkingen toegevoegde waarde
Bij de interpretatie van de resultaten omtrent de toegevoegde waarde dient met enkele beperkingen rekening gehouden te worden.
Ten eerste is er nog (steeds) geen vaste (internationale) definitie van ‘de infrastructuur’ beschikbaar. Hier wordt wel aan gewerkt en de gebruikte afbakening in dit onderzoek lijkt hier goed op aan te sluiten. Desondanks moet het gezien worden als een benadering om de infrastructuur in kaart te brengen.
Voor verschillende bedrijfstakken is enkel een bepaald gedeelte meegenomen van de totale toegevoegde waarde. Hieraan liggen verschillende aannames ten grondslag, die we in het rapport hebben beschreven. Het is echter wel belangrijk om bewust te zijn van deze aannames.
In het huidige onderzoek hebben we ook de indirecte toegevoegde waarde van de infrastructuur in het jaar 2023 geschat (zie paragraaf 2.8). Hierbij is gekeken naar de toegevoegde waarde die is gecreëerd door toeleveranciers. Daarnaast zijn ook enkele milieu-indicatoren (voor een langere periode) in kaart gebracht (zie paragraaf 2.7). Dit geeft ook een deel van de indirecte effecten weer. Er zijn echter ook veel andere indirecte effecten, zoals effect op de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingslocatie, de volksgezondheid, maatschappelijke waarde, het gebruik van infrastructuur door andere sectoren. Deze zijn niet meegenomen in de huidige berekening.
Dit onderzoek zegt ook niets over het ‘langetermijneffect’ van veranderingen in de infrastructuur. Dit effect is lastig te kwantificeren.
Voor de non-exploitatiefase zijn nu enkel investeringen in grond-, weg- en waterbouwkundige werken meegenomen. Hierbij is aangenomen dat het activumtype ‘GWW’ een compleet en relevant beeld geeft van de infrastructurele ontwikkelingen.
De studie zegt niets over toekomstige verdiensten van de infrastructuur of over de ‘rentabiliteit’ van de aangelegde infrastructuur.
De cijfers zijn niet gecorrigeerd voor prijsveranderingen (inflatie). Een vergelijking van groei is dus een vergelijking die geen rekening houdt met deze prijsveranderingen, die soms sterk verschillen per product en bedrijfstak. Bijvoorbeeld, de prijs van energie nam de laatste jaren veel sterker toe dan de prijs van bouw.
2.6 Werkgelegenheidsindicatoren
Op basis van de Arbeidsrekeningen (zie bijlage 1 voor meer informatie) is een aantal werkgelegenheidsindicatoren in kaart gebracht, namelijk het aantal arbeidsjaren en het aantal werkzame personen in de infrastructuur. Daarbij wordt ook onderscheid gemaakt tussen werknemers en zelfstandigen.
Exploitatiefase
De infrastructuur omvat dertien verschillende bedrijfstakken. Voor een deel van de bedrijfstakken geldt dat ze volledig worden meegenomen in dit onderzoek (zie tabel 2.3.1 voor de bedrijfstakken waar geen extra bewerking nodig is). De werkgelegenheidsindicatoren worden voor deze bedrijfstakken volledig overgenomen uit de Arbeidsrekeningen. Voor de andere bedrijfstakken (SBI-code 05-09, 19, 46.71 en 47.3, 63.11 en 84) wordt enkel een deel van de werkgelegenheid meegenomen. Dit is hetzelfde aandeel als beschreven in paragraaf 2.3.
Voor de arbeidsjaren van werknemers is veel detailinformatie in de Arbeidsrekeningen beschikbaar en kunnen de arbeidsjaren van werknemers op een gedetailleerd SBI-niveau geschat worden. Voor de arbeidsjaren van zelfstandigen en voor werkzame personen (zowel werknemers als zelfstandigen) kan voor de meeste bedrijfstakken dezelfde schatting gemaakt worden. Voor enkele bedrijfstakken is er voor deze drie indicatoren echter geen detailinformatie beschikbaar in de Arbeidsrekeningen, namelijk SBI-codes 46.71, 47.3 en 63.11. De gegevens op een minder gedetailleerd SBI-niveau (46, 47 en 63) worden vermenigvuldigd met de verhouding tussen de arbeidsjaren van werknemers op het lagere SBI-niveau (46.71, 47.3, en 63.11) en de arbeidsjaren van werknemers op het hogere SBI-niveau. Op deze manier kunnen er ook voor deze SBI-codes cijfers over de arbeidsjaren van zelfstandigen en over werkzame personen (zowel werknemers als zelfstandigen) samengesteld worden.
Per werkgelegenheidsindicator worden vervolgens alle bedrijfstakken bij elkaar opgeteld om een totaalcijfer voor de hele infrastructuur in de exploitatiefase te berekenen.
Non-exploitatiefase
Voor de non-exploitatiefase kijken we naar investeringen in nieuwe infrastructuur en groot onderhoud die worden uitgevoerd door bouwbedrijven. We kijken hier daarom naar de werkgelegenheid van de bouwsectoren die onderdeel zijn van de berekening van de toegevoegde waarde van de non-exploitatiefase (SBI-codes 25.1, 41.2, 42, 43.1, 43.2, 43.9, 71.1 en 71.2, zie ook paragraaf 2.4).
Voor de arbeidsjaren van werknemers hebben we voor alle SBI-codes detailinformatie beschikbaar. We nemen per bouw-gerelateerde SBI-code enkel het deel van de toegevoegde waarde mee dat betrekking heeft op de GWW: de toegevoegde waarde van de GWW gedeeld door de totale toegevoegde waarde van deze bedrijfstak. Dit vermenigvuldigen met de arbeidsjaren van de werknemers in de hele SBI-code. Vervolgens tellen we alle bouwsectoren bij elkaar op om tot een totaalcijfer voor de hele infrastructuur in de non-exploitatiefase te komen.
Voor de arbeidsjaren van zelfstandigen en voor werkzame personen (zowel werknemers als zelfstandigen) is geen detailinformatie beschikbaar op een gedetailleerd SBI-niveau. We hanteren hiervoor dezelfde methode als bij de exploitatiefase: de gegevens op een hoger SBI-niveau (bijvoorbeeld SBI-code 25) worden vermenigvuldigd met de verhouding tussen de arbeidsjaren van werknemers op het lagere SBI-niveau (bijvoorbeeld SBI-code 25.1) en de arbeidsjaren van werknemers op het hogere SBI-niveau. Op deze manier kunnen er ook voor deze SBI-codes cijfers over de arbeidsjaren van zelfstandigen en over werkzame personen (zowel werknemers als zelfstandigen) samengesteld worden.
Per werkgelegenheidsindicator worden vervolgens alle bedrijfstakken bij elkaar opgeteld om een totaalcijfer voor de hele infrastructuur in de non-exploitatiefase te berekenen.
Beperkingen
Voor de werkgelegenheidsindicatoren zijn in dit onderzoek alleen cijfers voor de totale infrastructuur meegenomen en niet voor de onderliggende bedrijfstakken. Publiceren op een gedetailleerder niveau vraagt om een veel complexere en tijdsintensievere berekening, welke buiten de scope van dit onderzoek valt.
2.7 Milieu-economische indicatoren
Op basis van de Milieurekeningen (zie bijlage 1) zijn een negen milieu-indicatoren in kaart gebracht, die samenhangen met de economische productie van de infrastructuur. De Milieurekeningen zijn consistent met de Nationale rekeningen en kunnen daarom gerelateerd worden aan de geschatte toegevoegde waarde. De milieu-impact van de infrastructuur kan ook afgezet worden tegen de productie van alle Nederlandse bedrijven. Zo kan, per milieu-indicator, berekend worden of de infrastructuur een relatief hoge of lage impact heeft.
In tabel 2.7.1 is opgenomen om welke negen indicatoren het gaat is. Er is ook een korte beschrijving opgenomen over de indicatoren. Voor sommige indicatoren is informatie beschikbaar over de hele periode (1995-2024), voor andere indicatoren is slechts voor een kortere periode informatie beschikbaar. Welke periode is meegenomen staat beschreven in de tabel. Voor meer informatie over de onderliggende bronnen en methodes van de indicatoren, zie de weblinks in bijlage 1.
| Indicator | Beschrijving | Periode |
|---|---|---|
| Directe broeikasgas- emissies1) | De belangrijkste broeikasgassen zijn kooldioxide (CO2) en methaan (CH4). Broeikasgassen worden omgerekend naar CO2-equivalenten en bij elkaar opgeteld. Broeikasgassen houden warmte vast, wat leidt tot opwarming van de aarde. | |
| Emissies fijnstof | Stofdeeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan 10 µm. Fijnstof is schadelijk voor de gezondheid. Het dringt diep door in de longen. | 1995-2024 |
| Netto energie- verbruik | Energie die wordt verbruikt bij economische processen. Het netto verbruik energie is gelijk aan het finale energieverbruik voor energetische en niet-energetische doeleinden en daarbij opgeteld de omzettingsverliezen. | 2014-2023 |
| Waterverbruik | Gebruik van drinkwater door bedrijven. Dit is gezuiverd grond- of oppervlaktewater dat door een buizen- of waterleidingennet wordt getransporteerd. | 2003-2021 |
| Biomassaverbruik | Gebruik van producten die voor het grootste deel uit biomassa, of organisch materiaal, bestaan. | 2016-2022 (even jaren) |
| Mineralenverbruik | Gebruik van producten die voor het grootste deel uit niet- metaal mineraal bestaan. Hieronder vallen bijvoorbeeld zand, grind en stenen. | 2016-2022 (even jaren) |
| Metalenverbruik | Gebruik van producten die voor het grootste deel uit metaal bestaan. Dit kunnen grondstoffen zijn (bijvoorbeeld ijzererts), halffabricaten (bijvoorbeeld metalen platen) en finale producten (auto’s). | 2016-2022 (even jaren) |
| Afvalaanbod | Productie van afval met een commerciële waarde (afvalproducten) als ook afval zonder een commerciële waarde (afvalresiduen) voor de producent. | 2012-2022 |
| Milieubelastingen en -heffingen | Milieubelastingen en milieuheffingen zijn opbrengsten van de overheid die worden betaald via belastingen en heffingen, die als doel hebben om het milieubeleid te ondersteunen en/of te financieren. | 1995-2024 |
| 1) Het CBS beperkt zich in dit onderzoek tot het in kaart brengen van scope 1‑emissies (directe emissies door het bedrijf zelf). Het CBS schat in dit onderzoek dus geen scope 2-emissies (emissies ontstaan bij het opwekken van de energie die het bedrijf inkoopt en verbruikt) en geen scope 3-emissies (indirecte emissies in de waardeketen van een bedrijf, onderverdeeld in upstream activiteiten (zoals ingekochte grondstoffen en transport) en downstream activiteiten (zoals het gebruik van verkochte producten). | ||
Exploitatiefase
Voor elke bedrijfstak die valt onder de afbakening van de infrastructuur is bepaald welk deel van de productie gerelateerd is aan de infrastructuur. Vanuit de Milieurekeningen is per bedrijfstak bepaald wat de omvang van de verschillende milieu-indicatoren is. De indeling in de Milieurekeningen is niet altijd op hetzelfde schaalniveau als de indeling op bedrijfstakken die gebruikt is bij de schatting van de toegevoegde waarde. Daarom worden er bedrijfstakken samengevoegd om uit te komen op een bedrijfstakclassificatie die aansluit bij de classificatie van de Milieurekeningen. Per bedrijfstak wordt het aandeel vermenigvuldigd met de totale omvang van de betreffende milieu-indicator. Door vervolgens de cijfers van alle bedrijfstakken op te tellen, wordt de totale impact op het milieu van de bestaande infrastructuur bepaald.
Voor het materiaalverbruik is een iets andere methode gekozen. Materiaalverbruik is moeilijk om voor Nederland te duiden, aangezien er dubbeltellingen plaatsvinden. Een grondstof kan worden verwerkt tot een finaal product en daarmee (minstens) twee keer in de economie zitten. Om dit te voorkomen, wordt er niet gekeken naar de totalen van alle verbruikte materialen per bedrijfstak. Er wordt wel vergeleken met de hoeveel grondstoffen er in Nederland in een jaar binnen- en uitkomen. Dit wordt gedaan via de formule:
Verbruik Nederland = Winning + Recycling + Import – Export
Recycling wordt meegenomen omdat dit in feite winning is uit producten die al geproduceerd zijn.
De milieu-indicatoren worden weergegeven voor de totale infrastructuur en er wordt altijd een aparte uitsplitsing gemaakt voor de energiebedrijven (SBI-code 35). Deze bedrijfstak maakt bij de meeste milieu-indicatoren een groot deel uit van de milieu-impact. Waar mogelijk is bij sommige indicatoren ook een uitsplitsing gemaakt voor andere bedrijfstakken.
Non-exploitatiefase
Voor deze fase is gekeken naar de milieu-impact van de bouwsector. We nemen enkel de productie van de GWW-activiteiten mee. Per bouw-gerelateerde bedrijfstak is bepaald welk deel van de productie gerelateerd is aan investeringen in infrastructuur (zie ook paragraaf 2.4). Per bedrijfstak wordt het aandeel vermenigvuldigd met de totale omvang van de betreffende milieu-indicator. Hiermee is de methodiek vergelijkbaar aan de methodiek voor de exploitatiefase. Door vervolgens de cijfers van alle bedrijfstakken op te tellen, wordt de totale impact op het milieu van de nieuwe infrastructuur bepaald. Hier is het niet mogelijk om een uitsplitsing te maken naar de bedrijfstakken die de GWW-investeringen hebben gedaan.
Beperkingen
De set milieu-economische variabelen die meegenomen zijn in dit onderzoek is niet het totaal van de milieu-impact die wordt gemaakt door de exploitatie en non-exploitatie van de infrastructuur. Het gaat om een specifieke set van indicatoren die relatief makkelijk te combineren is met de economische waarde. Deze variabelen zijn slechts een selectie om een beeld te krijgen van de relatie tussen (monetaire) baten en (non-monetaire) lasten die gepaard gaan met de activiteiten in de exploitatiefase en non-exploitatiefase van infrastructuur. Infrastructuur wordt bijvoorbeeld ook vaak genoemd als een bron van habitatverstoring en oorzaak van het verlies van biodiversiteit, maar deze variabelen kunnen in dit onderzoek niet bepaald worden in de vorm van een directe link met het exploiteren van infrastructuur.
2.8 Indirecte toegevoegde waarde
De bovenstaande methode over toegevoegde waarde (paragrafen 2.3 en 2.4) betrof de ‘directe’ economische toegevoegde waarde van het exploiteren van de bestaande infrastructuur en de investeringen in nieuwe infrastructuur. Een input-output analyse geeft een additioneel beeld van de ‘indirecte’ economische toegevoegde waarde. Dit is de toegevoegde waarde bij de Nederlandse toeleveranciers van de infrastructuur, bij de toeleveranciers van die toeleveranciers, enzovoorts, dus bij alle bedrijven in het Nederlandse deel van de toeleveringsketen. Het is ook mogelijk om de indirecte effecten in het buitenland te schatten, maar dat valt buiten de scope van dit onderzoek.
In dit onderzoek brengen we voor één jaar (2023) de omvang van de ‘indirecte economische toegevoegde waarde’ van de infrastructuur in kaart. Dit wordt in dit onderzoek voor het eerst geschat door het CBS. Deze analyse heeft daardoor een verkennend karakter. Naast een totaalcijfer voor 2023, stellen we ook cijfers samen voor ieder van de dertien bedrijfstakken die vallen onder onze afbakening van infrastructuur. Ook maken we onderscheid tussen de exploitatie en non-exploitatiefase.
Indirecte effecten worden doorgaans modelmatig met een input-output analyse geschat. De schatting laat zien hoeveel iedere Nederlandse bedrijfstak moet produceren (de input) zodat, bijvoorbeeld, de bedrijfstak vervoer door de lucht mensen en goederen kan transporteren (de output). Het onderstaande voorbeeld van een toeleveringsketen illustreert dit. Bijvoorbeeld, de metaalproductenindustrie produceert schroeven die de bedrijfstak reparatie en installatie van machines gebruikt om reparaties te verrichten voor de bedrijfstak vervoer door de lucht.
Het basisidee achter de methode is hetzelfde als in het voorbeeld: start bij vervoer door de lucht, kijk welke bedrijfstakken aan vervoer door de lucht leveren zoals reparatie en installatie van machines, kijk welke bedrijfstakken aan die bedrijfstakken leveren, bijvoorbeeld de metaalproductenindustrie, enzovoorts.
Na het schatten van de productie in de toeleveringsketen per Nederlandse bedrijfstak schatten we de bijbehorende toegevoegde waarde in een bedrijfstak door de productie te vermenigvuldigen met de verhouding toegevoegde waarde/productie in deze bedrijfstak.
Gegevens over productie (in de exploitatiefase) en gebruik van GWW-investeringen (in de non-exploitatiefase) zijn berekend volgens de methode beschreven in paragraaf 2.3 en 2.4. De overige benodigde gegevens, namelijk een input-outputtabel en de toegevoegde waarde en productie per bedrijfstak, zijn afkomstig van de Nationale rekeningen.
Belangrijk om te noemen is dat de directe toegevoegde waarde van de bedrijfstak openbaar bestuur in de exploitatiefase bestaat uit afschrijvingen (geproduceerd in het verleden) en lonen (dus ook geen toeleveringsketen van productie in dit jaar). Daarom is er bij deze bedrijfstak geen indirecte toegevoegde waarde in de exploitatiefase.
De grootste uitdaging bij het schatten van indirecte cijfers ligt bij zogenaamde ‘dubbeltellingen’. Een dubbeltelling ontstaat doordat een onderdeel ook al ergens anders meegeteld wordt, waardoor een onderdeel twee keer (soms zelfs nog vaker) meegeteld wordt. Optredende dubbeltellingen zijn zo goed mogelijk verwijderd. Dat gebeurt op twee manieren.
Ten eerste, de verwijdering van dubbele delen in de indirecte effecten per bedrijfstak. Dat gebeurt zowel voor de exploitatiefase als de non-exploitatiefase. Bijvoorbeeld, energiebedrijven hebben toeleveringen vanuit diverse bedrijfstakken. Die bedrijfstakken hebben weer toeleveringen door energiebedrijven. De toegevoegde waarde van deze toeleveringen door energiebedrijven wordt echter al volledig meegeteld in de directe effecten van energiebedrijven in de exploitatiefase. Deze toegevoegde waarde wordt daarom verwijderd uit de indirecte effecten van de energiebedrijven.
Ten tweede, uit de totalen van de indirecte effecten van de exploitatiefase en de non-exploitatiefase van alle infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken samen. Bij de schatting van de indirecte effecten van de individuele bedrijfstakken kan ook indirecte toegevoegde waarde meegenomen worden van een toeleverancier uit een andere infra-gerelateerde bedrijfstak. Die toegevoegde waarde wordt echter al geteld bij de directe effecten in de exploitatiefase. In het totaalcijfer (per fase) worden deze dubbeltellingen daarom verwijderd.
Deze analyse richt zich enkel op de toeleveringsketens, dus wat leveren bepaalde bedrijfstakken aan elkaar. Wat dus niet meegenomen wordt in deze analyse is de toegevoegde waarde die bedrijfstakken hebben omdat ze de infrastructuur kunnen gebruiken. Omdat het de eerste keer is dat de cijfers samengesteld worden, is dit alleen voor 2023 gedaan. Het is ook mogelijk om dit voor andere jaren, met ingang van 2010, te doen. De cijfers voor 2024 kwamen net te laat beschikbaar om nog meegenomen te worden in de huidige publicatie.
3. Resultaten toegevoegde waarde
Dit hoofdstuk bespreekt de omvang en de ontwikkeling van de toegevoegde waarde van de infrastructuur in Nederland. De toegevoegde waarde is de totale waarde van de geproduceerde goederen en diensten minus de waarde van wat er bij de productie is verbruikt. Eerst wordt de ontwikkeling van de toegevoegde waarde van de infrastructuur over tijd bekeken en vergeleken met de totale toegevoegde waarde van Nederland tussen 1995 en 2024. Vervolgens wordt de toegevoegde waarde uitgesplitst in de exploitatiefase en de non-exploitatiefase. De toegevoegde waarde per infrastructuur-gerelateerde bedrijfstak loopt uiteen en verandert ook over tijd. Tot slot wordt de waarde vanuit de inkomensopbouw bekeken. De cijfers zijn niet voor prijsveranderingen gecorrigeerd.
3.1 Infrastructuur in macro-economisch perspectief
In 2024 bedroeg de bruto toegevoegde waarde door de infrastructuur aan de Nederlandse economie 116 miljard euro. Op het laatste meetpunt uit de vorige publicatie (2016) was dit 73 miljard euro, en in 1995 was dit nog 39 miljard euro. De bijdrage is in de afgelopen 30 jaar dus met (afgerond) 78 miljard euro gegroeid, dit is inclusief prijsveranderingen door de tijd.
| Jaar | Infrastructuur (mld euro) | Nederlandse economie (mld euro) |
|---|---|---|
| 1995 | 38,7 | 299,7 |
| 1996 | 40,5 | 312,0 |
| 1997 | 42,6 | 333,5 |
| 1998 | 45,2 | 355,9 |
| 1999 | 45,6 | 376,5 |
| 2000 | 51,1 | 406,0 |
| 2001 | 55,7 | 430,5 |
| 2002 | 57,7 | 449,1 |
| 2003 | 60,4 | 459,6 |
| 2004 | 61,0 | 473,6 |
| 2005 | 64,9 | 492,2 |
| 2006 | 71,2 | 522,1 |
| 2007 | 73,3 | 554,7 |
| 2008 | 80,8 | 580,2 |
| 2009 | 74,2 | 564,2 |
| 2010 | 76,2 | 575,7 |
| 2011 | 79,3 | 589,2 |
| 2012 | 81,8 | 593,1 |
| 2013 | 82,6 | 598,3 |
| 2014 | 77,0 | 609,3 |
| 2015 | 76,5 | 627,6 |
| 2016 | 73,2 | 644,3 |
| 2017 | 75,2 | 671,9 |
| 2018 | 77,1 | 703,6 |
| 2019 | 82,2 | 739,5 |
| 2020 | 74,9 | 726,1 |
| 2021 | 85,5 | 791,7 |
| 2022 | 117,3 | 888,2 |
| 2023 | 113,8 | 944,8 |
| 2024 | 116,3 | 1000,0 |
Gemiddeld groeide de toegevoegde waarde van de infrastructuur jaarlijks 4,2 procent in de periode 1995 tot en met 2024. Dit is nagenoeg gelijk aan de gemiddelde jaarlijkse groei van de toegevoegde waarde van de totale Nederlandse economie, namelijk 4,3 procent. In de laatste vijf jaar zijn verschillende ontwikkelingen te zien. Ten eerste is er een dip in de toegevoegde waarde in 2020 als gevolg van de coronacrisis. In 2021 en 2022 is daarna een sterke stijging van de toegevoegde waarde te zien. Door het snelle herstel na de coronacrisis in 2021 en de invasie van Rusland in Oekraïne in 2022 stegen de energieprijzen hard. Dit zorgde voor hogere prijzen, met name voor energie. De jaarlijkse groei van de toegevoegde waarde voor de infrastructuur ligt in deze jaren hoger dan voor de totale Nederlandse economie, omdat toegevoegde waarde in de bedrijfstakken delfstoffenwinning, energiebedrijven en aardolie-industrie sterk werd beïnvloed door de hogere energieprijzen. Met name de bedrijfstak energiebedrijven heeft een relatief groot aandeel in de infrastructuur (zie paragraaf 3.3).
De relatieve bijdrage van de infrastructuur aan de totale toegevoegde waarde van Nederland fluctueert tot aan 2014 rond de 13 procent. Dat komt neer op een aandeel van ongeveer 10,5 procent in het bruto binnenlands product. Het aandeel in de totale toegevoegde waarde van Nederland is de afgelopen tien jaar afgenomen naar 11,6 procent in 2024 doordat de delfstoffenwinning minder toegevoegde waarde genereerde. Dit komt doordat er vanaf 2014, na de aardbeving in Huizinge (2012), productieplafonds zijn ingevoerd voor de Groningse gaswinning. In 2018 besloot het kabinet om de gasproductie zo snel mogelijk te beëindigen. In 2024 is dit besluit ook wettelijk vastgelegd. Wanneer deze bedrijfstak buiten beschouwing wordt gelaten stabiliseert het aandeel infrastructuur rond de 10,5 procent. In 2022 is een piek te zien in de relatieve bijdrage van de infrastructuur. Dit komt door sterke groei van de energieprijzen (zie hierboven), waardoor de toegevoegde waarde van de infrastructuur sneller groeide dan die van de totale economie.
| Jaar | Infrastructuur (%) | Infrastructuur zonder delfstoffenwinning (%) |
|---|---|---|
| 1995 | 12,9 | 10,8 |
| 1996 | 13,0 | 10,6 |
| 1997 | 12,8 | 10,7 |
| 1998 | 12,7 | 11,0 |
| 1999 | 12,1 | 10,7 |
| 2000 | 12,6 | 10,6 |
| 2001 | 12,9 | 10,5 |
| 2002 | 12,8 | 10,8 |
| 2003 | 13,2 | 11,1 |
| 2004 | 12,9 | 10,7 |
| 2005 | 13,2 | 10,9 |
| 2006 | 13,6 | 10,8 |
| 2007 | 13,2 | 10,6 |
| 2008 | 13,9 | 10,4 |
| 2009 | 13,1 | 10,6 |
| 2010 | 13,2 | 10,5 |
| 2011 | 13,5 | 10,6 |
| 2012 | 13,8 | 10,6 |
| 2013 | 13,8 | 10,5 |
| 2014 | 12,6 | 10,4 |
| 2015 | 12,2 | 10,8 |
| 2016 | 11,4 | 10,5 |
| 2017 | 11,2 | 10,3 |
| 2018 | 11,0 | 10,1 |
| 2019 | 11,1 | 10,5 |
| 2020 | 10,3 | 10,0 |
| 2021 | 10,8 | 10,1 |
| 2022 | 13,2 | 11,5 |
| 2023 | 12,0 | 11,6 |
| 2024 | 11,6 | 11,1 |
3.2 Exploitatiefase versus non-exploitatiefase
De toegevoegde waarde van de infrastructuur kan opgedeeld worden in een exploitatiefase en een non-exploitatiefase. In de exploitatiefase gaat het om activiteiten waarbij direct gebruik wordt gemaakt van reeds bestaande infrastructuur door exploitanten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de toegevoegde waarde die een netwerkbedrijf genereert door energie te transporteren over een reeds bestaand energienet.
De non-exploitatiefase gaat over investeringen in nieuwe infrastructuur en het (groot) onderhoud van bestaande infrastructuur. Een voorbeeld is de toegevoegde waarde die ontstaat tijdens het aanleggen van elektriciteitsleidingen. Daarbij gaat het alleen om de toegevoegde waarde die wordt gegenereerd door de producent van de investering, dit is vooral de bouwsector.
| Jaar | Exploitatiefase (mld euro) | Non-exploitatiefase (mld euro) | Infrastructuur totaal (mld euro) |
|---|---|---|---|
| 1995 | 36,5 | 2,2 | 38,7 |
| 1996 | 38,2 | 2,3 | 40,5 |
| 1997 | 40,4 | 2,2 | 42,6 |
| 1998 | 42,9 | 2,3 | 45,2 |
| 1999 | 43,1 | 2,5 | 45,6 |
| 2000 | 48,2 | 2,9 | 51,1 |
| 2001 | 52,5 | 3,2 | 55,7 |
| 2002 | 54,4 | 3,3 | 57,7 |
| 2003 | 57,1 | 3,3 | 60,4 |
| 2004 | 58,0 | 3,1 | 61,0 |
| 2005 | 61,5 | 3,4 | 64,9 |
| 2006 | 67,4 | 3,8 | 71,2 |
| 2007 | 69,1 | 4,1 | 73,3 |
| 2008 | 76,3 | 4,4 | 80,8 |
| 2009 | 69,6 | 4,6 | 74,2 |
| 2010 | 71,5 | 4,8 | 76,2 |
| 2011 | 74,2 | 5,1 | 79,3 |
| 2012 | 77,2 | 4,6 | 81,8 |
| 2013 | 77,5 | 5,0 | 82,6 |
| 2014 | 72,2 | 4,8 | 77,0 |
| 2015 | 71,4 | 5,0 | 76,5 |
| 2016 | 68,6 | 4,6 | 73,2 |
| 2017 | 70,9 | 4,4 | 75,2 |
| 2018 | 72,7 | 4,4 | 77,1 |
| 2019 | 77,2 | 5,0 | 82,2 |
| 2020 | 69,7 | 5,2 | 74,9 |
| 2021 | 80,1 | 5,4 | 85,5 |
| 2022 | 111,9 | 5,4 | 117,3 |
| 2023 | 107,2 | 6,6 | 113,8 |
| 2024 | 109,0 | 7,3 | 116,3 |
De overgrote meerderheid van de toegevoegde waarde van de infrastructuur wordt gegenereerd in de exploitatiefase, namelijk 109 miljard euro in 2024. Dit is 94 procent van de totale toegevoegde waarde dat jaar. Dat de omvang van de exploitatiefase zoveel groter is dan die van de non-exploitatiefase is logisch: er is in het verleden immers al veel geïnvesteerd in de infrastructuur. Deze investeringen zorgen er onder andere voor dat er in de exploitatiefase (het gebruik van de bestaande infrastructuur) meer toegevoegde waarde gerealiseerd kan worden. Voor de hele periode geldt dat de exploitatiefase tussen de 93 en 95 procent van de totale toegevoegde waarde betrof.
De toegevoegde waarde van de infrastructuur is over de tijd toegenomen, voor zowel de exploitatiefase als de non-exploitatiefase. Gemiddeld groeide de toegevoegde waarde in de exploitatiefase jaarlijks met 4,2 procent. Voor de non-exploitatiefase lag dit percentage op 4,6 procent. Wat met name opvalt is de groei van de exploitatiefase in 2022 ten opzichte van het jaar ervoor. In de volgende paragrafen wordt verder ingegaan op de samenstelling van de infrastructuur en wordt ook zichtbaar bij welke bedrijfstakken deze groei voornamelijk speelt.
3.3 Samenstelling van de infrastructuur
De infrastructuur is in dit onderzoek afgebakend aan de hand van de volgende primaire diensten die aan basis staan van de economie en samenleving (zie ook paragraaf 2.1):
- overstromingsveiligheid en waterpeilbeheer;
- energievoorziening in de vorm van elektriciteit, gas, brandstoffen (voor transport en ruimteverwarming) en warmte;
- informatie- en telecommunicatie (zowel analoog als digitaal; zowel via vaste lijnen als mobiel);
- transport van personen en goederen over de weg, water, spoor en door de lucht;
- drinkwatervoorziening;
- afval(water)verwijdering en -verwerking.
Om de economische waarde van infrastructuur te bepalen is een selectie gemaakt van bedrijfstakken die onderdeel zijn van de productie- en leveringsketens van bovengenoemde primaire diensten.
Het betreft (een deel van) de volgende dertien bedrijfstakken:
- delfstoffenwinning;
- aardolie-industrie;
- energiebedrijven;
- waterbedrijven;
- afvalbeheer;
- verkoop van brandstoffen;
- vervoer over land;
- vervoer over water;
- vervoer door de lucht;
- opslag en dienstverlening voor vervoer;
- telecommunicatie;
- gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten;
- openbaar bestuur en overheidsdiensten.
De toegevoegde waarde die binnen de infrastructuur wordt gegenereerd is dus een optelsom van de toegevoegde waarde van alle bedrijfstakken die gerelateerd zijn aan de exploitatie van infrastructuur en de bouw van nieuwe infrastructuur: van de winning van delfstoffen, tot het vervoer van goederen en het beheer en de distributie van bijvoorbeeld gas, water, licht en internet. Welke activiteiten uit welke bedrijfstak zijn meegenomen in de berekening van de toegevoegde waarde is te vinden in paragraaf 2.3 en 2.4.
| Bedrijfstak | Aandeel |
|---|---|
| Energiebedrijven | 19,2 |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 16,8 |
| Opslag en dienstverlening voor vervoer | 16,3 |
| Vervoer over land | 14,3 |
| Telecommunicatie | 7,3 |
| Delfstoffenwinning | 4,9 |
| Verkoop van brandstoffen | 4,8 |
| Vervoer over water | 4,3 |
| Vervoer door de lucht | 3,9 |
| Riolering, afvalbeheer en sanering | 3,7 |
| Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten | 2,3 |
| Waterleidingbedrijven | 1,2 |
| Aardolie-industrie | 0,9 |
De toegevoegde waarde van de infrastructuur loopt uiteen voor de verschillende bedrijfstakken. Zo leveren energiebedrijven, openbaar bestuur, opslag en dienstverlening voor vervoer en vervoer over land een relatief grote bijdrage. Gezamenlijk zijn zij goed voor twee derde van de totale bijdrage aan de toegevoegde waarde van de infrastructuur. De bedrijfstakken gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten, waterleidingbedrijven en aardolie-industrie leveren in 2024 procentueel de kleinste bijdrage.
Uit figuur 3.3.1 blijkt dat sommige bedrijfstakken een groot aandeel hebben in het totaal en andere bedrijfstakken juist een kleinere bijdrage leveren. Deze bedrijfstakken met een kleinere bijdrage zijn niet per definitie minder relevant. Dat huishoudens schoon drinkwater geleverd krijgen en dat afval wordt opgehaald en verwerkt is vanzelfsprekend van grote maatschappelijke waarde. Dit komt echter niet tot uitdrukking in de toegevoegde waarde van dit onderzoek omdat deze hier als economisch begrip wordt bekeken.
3.4 Ontwikkeling samenstelling infrastructuur
Het is ook interessant om te kijken naar de ontwikkeling van de toegevoegde waarde per bedrijfstak over de gehele onderzoeksperiode. Zo bleek eerder ook al uit figuur 3.3.1 dat de bedrijfstak energiebedrijven de grootste bijdrager was in 2024 (19 procent). Figuur 3.4.1 toont dat dit in 1995 nog 12 procent was van het totaal. Het aandeel van deze bedrijfstak met name in de laatste paar jaar hard gegroeid. De energie producerende bedrijfstakken (winning van aardolie en aardgas (dit een onderdeel de delfstoffenwinning), aardolie-industrie en energiebedrijven) produceren het grootste deel van de binnenlands geproduceerde energie. De stijging van de energieprijzen heeft daarom ook een groot effect op de toegevoegde waarde van deze bedrijfstakken.
Ook het aandeel van de opslag en dienstverlening voor vervoer steeg hard: van 10 procent in de beginperiode naar 16 procent in 2023 en 2024. Hieronder vallen bijvoorbeeld luchthavens, zeehavens, logistieke dienstverleners en spoorbeheerders.
| Sector | Delfstoffenwinning (%) | Verkoop van brandstoffen (%) | Energiebedrijven (%) | Openbaar bestuur en overheidsdiensten (%) | Opslag en dienstverlening voor vervoer (%) | Telecommunicatie (%) | Vervoer door de lucht (%) | Vervoer over land (%) | Overig (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1995 | 16,2 | 3,3 | 11,8 | 16,7 | 9,9 | 10,1 | 4,9 | 18,0 | 9,2 |
| 1996 | 18,1 | 3,5 | 12,2 | 16,6 | 9,8 | 9,8 | 4,3 | 16,8 | 9,0 |
| 1997 | 16,3 | 3,5 | 10,9 | 16,2 | 10,2 | 10,7 | 5,5 | 17,0 | 9,8 |
| 1998 | 13,5 | 2,9 | 11,3 | 16,2 | 10,2 | 11,7 | 5,5 | 17,9 | 10,8 |
| 1999 | 11,9 | 3,4 | 10,8 | 16,9 | 10,6 | 13,1 | 5,2 | 18,1 | 9,9 |
| 2000 | 16,0 | 3,8 | 9,3 | 16,2 | 9,9 | 13,3 | 4,9 | 16,4 | 10,1 |
| 2001 | 18,5 | 2,9 | 8,0 | 16,0 | 9,7 | 13,5 | 4,2 | 16,0 | 11,2 |
| 2002 | 16,2 | 3,3 | 8,5 | 16,4 | 9,7 | 15,5 | 4,6 | 15,5 | 10,2 |
| 2003 | 16,0 | 3,4 | 8,4 | 16,4 | 9,7 | 16,5 | 4,7 | 14,5 | 10,4 |
| 2004 | 16,8 | 2,9 | 7,7 | 16,3 | 10,1 | 16,0 | 4,9 | 14,6 | 10,8 |
| 2005 | 17,7 | 2,5 | 8,5 | 15,7 | 10,4 | 15,2 | 4,8 | 13,8 | 11,4 |
| 2006 | 20,6 | 2,6 | 8,9 | 15,1 | 10,1 | 14,0 | 4,9 | 13,5 | 10,4 |
| 2007 | 19,4 | 2,5 | 9,2 | 15,3 | 10,6 | 14,1 | 5,0 | 13,5 | 10,5 |
| 2008 | 25,3 | 2,7 | 7,6 | 14,9 | 10,6 | 12,1 | 4,2 | 12,1 | 10,4 |
| 2009 | 19,5 | 3,0 | 11,4 | 16,7 | 10,9 | 12,5 | 3,1 | 12,9 | 10,0 |
| 2010 | 20,4 | 3,7 | 10,6 | 16,6 | 11,4 | 12,3 | 3,8 | 12,5 | 8,8 |
| 2011 | 21,5 | 4,0 | 10,5 | 16,1 | 11,9 | 11,8 | 2,9 | 12,4 | 8,9 |
| 2012 | 23,2 | 3,5 | 10,7 | 15,5 | 12,1 | 11,0 | 2,9 | 12,3 | 8,7 |
| 2013 | 23,6 | 3,0 | 10,5 | 15,5 | 12,4 | 10,5 | 3,1 | 12,2 | 9,0 |
| 2014 | 17,4 | 3,7 | 10,6 | 16,7 | 14,3 | 11,0 | 3,4 | 13,5 | 9,5 |
| 2015 | 11,5 | 3,6 | 11,2 | 17,2 | 15,3 | 10,5 | 4,8 | 14,0 | 12,0 |
| 2016 | 7,8 | 4,1 | 11,6 | 17,4 | 15,6 | 10,5 | 5,6 | 15,1 | 12,2 |
| 2017 | 7,9 | 3,9 | 10,8 | 17,6 | 16,2 | 10,4 | 5,4 | 15,5 | 12,2 |
| 2018 | 7,6 | 3,7 | 11,5 | 17,8 | 16,4 | 10,1 | 5,2 | 15,5 | 12,2 |
| 2019 | 5,9 | 5,0 | 12,4 | 17,6 | 16,2 | 10,1 | 4,6 | 15,8 | 12,4 |
| 2020 | 3,0 | 4,4 | 15,2 | 19,9 | 17,2 | 11,0 | 2,2 | 14,6 | 12,5 |
| 2021 | 6,5 | 5,9 | 12,6 | 18,6 | 16,7 | 9,7 | 1,8 | 15,1 | 13,1 |
| 2022 | 13,0 | 5,5 | 15,2 | 14,5 | 15,2 | 7,2 | 3,1 | 13,2 | 13,1 |
| 2023 | 4,0 | 5,4 | 20,4 | 16,1 | 16,0 | 7,5 | 3,5 | 14,0 | 13,2 |
| 2024 | 4,9 | 4,8 | 19,2 | 16,8 | 16,3 | 7,3 | 3,9 | 14,3 | 12,4 |
De delfstoffenwinning was in 1995 nog een van de grotere bijdragers aan de totale toegevoegde waarde (16 procent) en tussen 2004 en 2014 veruit de grootste. Over de hele periode bezien is dit de grootste daler: in 2024 betrof deze bedrijfstak nog slechts 5 procent van de totale toegevoegde waarde van de infrastructuur. Zoals in paragraaf 3.1 al toegelicht is de Groningse gaswinning na de aardbeving in Huizinga in 2012 afgeschaald door het kabinet. Toch is ook bij de delfstoffenwinning een piek te zien in 2022. Deze bedrijfstak kende namelijk ook een sterke stijging in de toegevoegde waarde door de gestegen energieprijzen. Wel is te zien dat het aandeel in 2023 weer stabiliseerde. Naast de delfstoffenwinning daalde ook het aandeel van de telecommunicatie (van 10 naar 7 procent) en vervoer over land (van 18 naar 14 procent).
3.5 Opbouw van de toegevoegde waarde
De bruto toegevoegde waarde vanuit de inkomensvorming is opgebouwd uit drie componenten:
- beloning van werknemers;
- saldo van niet-productgebonden belastingen en subsidies. Deze zijn niet direct relateerbaar aan de waarde of de hoeveelheid van geproduceerde en verkochte producten;
- bruto exploitatieoverschot. Dit kan gezien worden als de vergoeding voor kapitaal en loon dat zelfstandigen zichzelf uitkeren.
Het grootste deel van de toegevoegde waarde voor de infrastructuur bestaat uit het bruto exploitatieoverschot. Het aandeel van het totale bruto exploitatieoverschot in de totale toegevoegde van de infrastructuur bedroeg in 2024 ruim 59 procent. Voor de toegevoegde waarde van heel Nederland was dit 47 procent.
De opbouw van de toegevoegde waarde verschilt tussen infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken (zie Figuur 3.5.1). De toegevoegde waarde van de energiebedrijven bestaat voor een groot deel uit het bruto exploitatieoverschot (70 procent). Dit is ook een relatief grote bedrijfstak, waardoor het zwaarder meetelt in het gemiddelde voor de gehele infrastructuur. De delfstoffenwinning en de verkoop van brandstoffen kennen zelfs nog een hoger aandeel bruto-exploitatieoverschot, namelijk boven de 80 procent.
Voor vervoer over land en vervoer door de lucht geldt het omgekeerde. Hier bestaat zo’n twee derde van de toegevoegde waarde uit de beloning van werknemers. Het aandeel beloning van werknemers is relatief hoog, omdat het ‘bruto exploitatie overschot’ in deze bedrijfstakken relatief laag is. De winstmarges zijn relatief laag in deze sectoren doordat er veel concurrentie is.
Vervoer over land heeft het grootste negatieve bedrag bij het saldo van niet-productgebonden belastingen en subsidies: dit betekent dat deze bedrijfstak relatief veel subsidies heeft ontvangen ten opzichte van belastingen. Energiebedrijven hebben daarentegen het grootste positieve saldo: de niet-productgebonden belastingen zijn hier veel hoger dan de ontvangen subsidies. De emissierechten die energiebedrijven betalen vallen bijvoorbeeld onder deze belastingen.
| Bedrijfstak | Beloning van werknemers (mld euro) | Bruto exploitatieoverschot (mld euro) | Saldo niet-productgebonden belastingen en subsidies (mld euro) |
|---|---|---|---|
| Aardolie-industrie | 0,58 | 0,42 | 0,07 |
| Delfstoffenwinning | 0,86 | 4,97 | -0,08 |
| Energiebedrijven | 5,05 | 15,56 | 1,75 |
| Waterleidingbedrijven | 0,58 | 0,87 | -0,02 |
| Riolering, afvalbeheer en sanering | 2,38 | 2,36 | -0,49 |
| Verkoop van brandstoffen | 1,07 | 4,49 | 0,01 |
| Vervoer over land | 10,96 | 7,38 | -1,66 |
| Vervoer over water | 1,29 | 3,72 | -0,06 |
| Vervoer door de lucht | 3,02 | 1,46 | 0,02 |
| Opslag en dienstverlening voor vervoer | 9,08 | 9,67 | 0,24 |
| Telecommunicatie | 2,66 | 5,92 | -0,04 |
| Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten | 1,27 | 1,47 | -0,03 |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 8,74 | 10,84 | -0,03 |
4. Resultaten werkgelegenheid
Dit hoofdstuk gaat in op de werkgelegenheid binnen de infrastructuur en vergelijkt dit met de hele Nederlandse economie. Eerst wordt het aantal werkzame personen in de infrastructuur door de tijd bekeken. Ook wordt dit afgezet tegen het aantal werkenden in de hele Nederlandse economie. Vervolgens wordt in de tweede paragraaf een uitsplitsing gemaakt naar werknemers en zelfstandigen. Ook hier wordt de ontwikkeling in kaart gebracht. Vervolgens gaan we verder in op de arbeidsjaren, om af te sluiten met de verhouding tussen arbeidsjaren en werkzame personen.
4.1 Ontwikkeling van werkzame personen
Het aantal werkzame personen in de infrastructuur is toegenomen in de loop der tijd. Figuur 4.1.1 toont dat, waar er in 1995 nog 524 duizend mensen werkzaam waren in de infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken, dit toegenomen is tot 681 duizend in 2024. Dit is een gemiddelde stijging van 0,9 procent per jaar. Ook voor de totale Nederlandse economie geldt dat het aantal werkzame personen is gestegen, namelijk van 7,3 miljoen in 1995 naar 10,3 miljoen in 2024. Daar is zelfs sprake van een gemiddelde toename van 1,2 procent per jaar.
| Jaren | Infrastructuur (x 1 000) | Nederlandse economie (x 1 000) |
|---|---|---|
| 1995 | 524 | 7281 |
| 1996 | 534 | 7434 |
| 1997 | 537 | 7661 |
| 1998 | 560 | 7840 |
| 1999 | 580 | 8066 |
| 2000 | 607 | 8214 |
| 2001 | 624 | 8377 |
| 2002 | 620 | 8436 |
| 2003 | 611 | 8388 |
| 2004 | 596 | 8293 |
| 2005 | 593 | 8346 |
| 2006 | 595 | 8527 |
| 2007 | 604 | 8777 |
| 2008 | 602 | 8919 |
| 2009 | 592 | 8840 |
| 2010 | 586 | 8779 |
| 2011 | 597 | 8850 |
| 2012 | 588 | 8827 |
| 2013 | 587 | 8719 |
| 2014 | 582 | 8706 |
| 2015 | 585 | 8776 |
| 2016 | 577 | 8909 |
| 2017 | 582 | 9116 |
| 2018 | 591 | 9361 |
| 2019 | 613 | 9573 |
| 2020 | 612 | 9524 |
| 2021 | 628 | 9690 |
| 2022 | 645 | 10000 |
| 2023 | 667 | 10166 |
| 2024 | 681 | 10266 |
Het aantal werkzame personen in de totale Nederlandse economie is dus harder gegroeid dan in de infrastructuur. Dat blijkt ook uit figuur 4.1.2, waar het aandeel werkzame personen in de infrastructuur is afgezet tegen het aantal werkzame personen in de totale economie. In 1995 ging het om 7,2 procent van het totaal. Dit aandeel nam eerst toe tot een piek in 2001 (7,5 procent), vervolgens daalde dit gestaag naar het laagste aandeel in 2018 (6,3 procent). De afgelopen jaren is dit weer licht gestegen naar 6,6 procent in 2024. Dus hoewel het aantal werkzame personen in infrastructuur door de jaren heen is gestegen, is het aandeel ten opzichte van 1995 gezakt, omdat het aantal werkzame personen in andere bedrijfstakken, zoals met name de zorg, zakelijke dienstverlening en handel, harder zijn gestegen.
| Jaren | Infrastructuur t.o.v. Nederlandse economie (%) |
|---|---|
| 1995 | 7,2 |
| 1996 | 7,2 |
| 1997 | 7,0 |
| 1998 | 7,1 |
| 1999 | 7,2 |
| 2000 | 7,4 |
| 2001 | 7,5 |
| 2002 | 7,3 |
| 2003 | 7,3 |
| 2004 | 7,2 |
| 2005 | 7,1 |
| 2006 | 7,0 |
| 2007 | 6,9 |
| 2008 | 6,7 |
| 2009 | 6,7 |
| 2010 | 6,7 |
| 2011 | 6,7 |
| 2012 | 6,7 |
| 2013 | 6,7 |
| 2014 | 6,7 |
| 2015 | 6,7 |
| 2016 | 6,5 |
| 2017 | 6,4 |
| 2018 | 6,3 |
| 2019 | 6,4 |
| 2020 | 6,4 |
| 2021 | 6,5 |
| 2022 | 6,4 |
| 2023 | 6,6 |
| 2024 | 6,6 |
Tot en met 2009 werkte gemiddeld zo’n 89 procent van alle werkzame personen in de infrastructuur aan de exploitatie van de bestaande infrastructuur (exploitatiefase) en gemiddeld rond de 11 procent aan de bouw van de nieuwe infrastructuur (non-exploitatiefase). Tussen 2010 en 2015 steeg het aandeel van de non-exploitatie naar ongeveer 13 procent. Vanaf 2016 daalde dit weer naar 10 tot 11 procent.
4.2 Aandeel zelfstandigen
Bij werkzame personen kan onderscheid gemaakt worden tussen werknemers en zelfstandigen. Werknemers werken in loondienst voor een bedrijf en zelfstandigen verrichten arbeid voor eigen rekening en/of risico. Zowel het aantal werknemers als het aantal zelfstandigen werkzaam in de infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken is toegenomen over tijd. Echter, de groep zelfstandigen is iets harder gegroeid: in 1995 waren zij nog 8,8 procent van het totaal aantal werkzame personen in de infrastructuur, in 2024 gaat het om 9,7 procent (zie figuur 4.2.1). Voor de hele Nederlandse economie geldt dat het aandeel zelfstandigen over de hele periode bezien ongeveer twee keer zo hoog ligt. Gemiddeld is daar het aandeel zelfstandigen 16,3 procent, bij de infrastructuur is dat 8,3 procent. In de infrastructuur werken dus relatief veel personen in loondienst. De bulk van de zelfstandigen zijn werkzaam in de landbouw, bouw, zakelijke dienstverlening en cultuur- en recreatiesector. Alleen de bouw is bij de infrastructuur betrokken, als producent van de GWW.
| Jaren | Infrastructuur (%) | Nederlandse economie (%) |
|---|---|---|
| 1995 | 8,8 | 18,1 |
| 1996 | 9,2 | 17,9 |
| 1997 | 8,8 | 17,7 |
| 1998 | 8,4 | 16,8 |
| 1999 | 7,9 | 16,1 |
| 2000 | 7,9 | 15,4 |
| 2001 | 7,4 | 15 |
| 2002 | 7,4 | 15 |
| 2003 | 7,5 | 14,9 |
| 2004 | 7,6 | 15,3 |
| 2005 | 7,8 | 15,4 |
| 2006 | 8,4 | 15,7 |
| 2007 | 8,3 | 15,7 |
| 2008 | 7,6 | 15,6 |
| 2009 | 7,4 | 15,7 |
| 2010 | 7,5 | 15,8 |
| 2011 | 7,9 | 16 |
| 2012 | 8 | 16,3 |
| 2013 | 8,3 | 16,5 |
| 2014 | 8,4 | 16,9 |
| 2015 | 8,5 | 16,9 |
| 2016 | 8,5 | 16,8 |
| 2017 | 8,2 | 16,7 |
| 2018 | 8,3 | 16,5 |
| 2019 | 8,6 | 16,5 |
| 2020 | 8,7 | 16,7 |
| 2021 | 8,9 | 16,9 |
| 2022 | 8,9 | 16,6 |
| 2023 | 9,3 | 16,9 |
| 2024 | 9,7 | 17,1 |
Het aandeel zelfstandigen ligt hoger bij de bouw van de nieuwe infrastructuur (non-exploitatiefase) dan het aandeel van de exploitatiefase, omdat er relatief veel zelfstandigen werkzaam zijn in de bouwsector. In 1995 was het aandeel zelfstandigen in de non-exploitatiefase 15,5 procent. Dit steeg over de jaren heen naar 20 procent in 2011 en naar 27 procent in 2023 en 2024. Het aandeel zelfstandigen in de exploitatiefase ligt gedurende hele periode tussen 6 en 8 procent.
4.3 Arbeidsjaren versus werkzame personen
Niet alle werknemers werken in voltijd. Daardoor kan het aantal werkzame personen een vertekend beeld geven, wanneer bijvoorbeeld het aantal werkenden is toegenomen maar zij gemiddeld wel minder uren per week werken. De maatstaf arbeidsjaren corrigeert hiervoor. Deze wordt berekend door alle banen (voltijd en deeltijd) om te rekenen naar voltijdbanen, ook wel voltijdequivalenten (vte) genoemd.
Omdat niet iedereen in voltijd werkt ligt het aantal arbeidsjaren in de infrastructuur lager dan het aantal werkzame personen (zie figuur 4.3.1). In 2024 was het aantal arbeidsjaren in de infrastructuur 623 duizend en het aantal werkzame personen 681 duizend. De verhouding tussen het aantal arbeidsjaren en het aantal personen werkzaam in de infrastructuur ligt daarmee op 0,91. Deze verhouding blijft redelijk constant over de jaren heen.
| Jaren | Aantal arbeidsjaren (x 1 000) | Aantal werkzame personen (x 1 000) |
|---|---|---|
| 1995 | 479 | 524 |
| 1996 | 487 | 534 |
| 1997 | 490 | 537 |
| 1998 | 511 | 560 |
| 1999 | 526 | 580 |
| 2000 | 548 | 607 |
| 2001 | 571 | 624 |
| 2002 | 563 | 620 |
| 2003 | 552 | 611 |
| 2004 | 535 | 596 |
| 2005 | 533 | 593 |
| 2006 | 533 | 595 |
| 2007 | 541 | 604 |
| 2008 | 541 | 602 |
| 2009 | 532 | 592 |
| 2010 | 529 | 586 |
| 2011 | 536 | 597 |
| 2012 | 528 | 588 |
| 2013 | 530 | 587 |
| 2014 | 526 | 582 |
| 2015 | 531 | 585 |
| 2016 | 526 | 577 |
| 2017 | 531 | 582 |
| 2018 | 539 | 591 |
| 2019 | 560 | 613 |
| 2020 | 553 | 612 |
| 2021 | 570 | 628 |
| 2022 | 590 | 645 |
| 2023 | 610 | 667 |
| 2024 | 623 | 681 |
Deze verhouding ligt hoger in de infrastructuur dan in de totale Nederlandse economie (zie figuur 4.3.2). Gemiddeld is dit bijna 11 procentpunt hoger in de periode 1995-2024. Er wordt dus minder in deeltijd gewerkt in de infrastructuur in vergelijking met de hele Nederlandse economie.
| Jaren | Infrastructuur | Nederlandse economie |
|---|---|---|
| 1995 | 0,91 | 0,82 |
| 1996 | 0,91 | 0,82 |
| 1997 | 0,91 | 0,82 |
| 1998 | 0,91 | 0,82 |
| 1999 | 0,91 | 0,82 |
| 2000 | 0,90 | 0,82 |
| 2001 | 0,92 | 0,81 |
| 2002 | 0,91 | 0,81 |
| 2003 | 0,90 | 0,80 |
| 2004 | 0,90 | 0,81 |
| 2005 | 0,90 | 0,80 |
| 2006 | 0,90 | 0,80 |
| 2007 | 0,90 | 0,80 |
| 2008 | 0,90 | 0,80 |
| 2009 | 0,90 | 0,80 |
| 2010 | 0,90 | 0,80 |
| 2011 | 0,90 | 0,80 |
| 2012 | 0,90 | 0,80 |
| 2013 | 0,90 | 0,80 |
| 2014 | 0,90 | 0,80 |
| 2015 | 0,91 | 0,80 |
| 2016 | 0,91 | 0,80 |
| 2017 | 0,91 | 0,80 |
| 2018 | 0,91 | 0,81 |
| 2019 | 0,91 | 0,81 |
| 2020 | 0,90 | 0,80 |
| 2021 | 0,91 | 0,81 |
| 2022 | 0,91 | 0,82 |
| 2023 | 0,91 | 0,82 |
| 2024 | 0,91 | 0,82 |
5. Resultaten milieu-indicatoren
Dit hoofdstuk beschrijft negen indicatoren die een indruk geven van de milieu-impact van de exploitatie van de bestaande en investeringen in nieuwe infrastructuur. Het is voor het eerst dat het CBS, naast de toegevoegde waarde, ook cijfers samenstelt over de milieu-economische impact van de infrastructuur.
Het gaat daarbij om de uitstoot van broeikasgassen en fijnstof, om het verbruik van energie, water, biomassa, mineralen en metalen, om het aanbod van afval, en de betaalde milieubelastingen en -heffingen. Sommige daarvan kunnen we volgen vanaf 1995, maar de meeste voor een kortere periode van 10 tot 20 jaar. De meeste indicatoren hebben jaarlijkse informatie. Voor het afvalaanbod en het materialenverbruik worden de cijfers eens per twee jaar bijgewerkt, waardoor het moeilijker kan zijn een trend te bepalen.
Deze negen indicatoren geven geen compleet overzicht van de impact van de infrastructuur op het milieu. De milieu-indicatoren die bekeken worden vormen een specifieke set die makkelijk te combineren is met de economische waarde. Er zijn nog veel andere mogelijke effecten die niet of zeer lastig meetbaar zijn en effecten die niet goed direct toe te delen zijn aan (de toegevoegde waarde van) de infrastructuur. De indicatoren geven wel een indruk welke (non-monetaire) lasten gepaard gaan met de investeringen in en exploitatie van infrastructuur.
In dit hoofdstuk wordt de milieu-impact van de infrastructuur vergeleken met de milieu-impact van alle Nederlandse bedrijfstakken. Hieronder valt dus niet de milieu-impact van huishoudens.
5.1 Aandeel in milieu-impact van de economie
In hoofdstuk 3 is al beschreven dat in 2024 de infrastructuur 11,6 procent uitmaakte van de totale toegevoegde waarde van de Nederlandse economie. Maar de milieu-impact is, vanwege de aard van de betrokken bedrijfstakken, niet altijd evenredig.
| Exploitatie (%) | Non-exploitatie (%) | |
|---|---|---|
| Toegevoegde waarde (2024) | 10,8 | 0,7 |
| Directe broeikasgasemissies (2024) | 49,3 | 0,3 |
| Fijnstofemissies (2024) | 34,2 | 0,9 |
| Milieubelastingen en -heffingen (2024) | 27,1 | 0,7 |
| Netto energieverbruik (2023) | 37,6 | 0,2 |
| Biomassaverbruik (2022) | 12,8 | 0,2 |
| Mineralenverbruik (2022) | 16,5 | 14,6 |
| Metalenverbruik (2022) | 2,0 | 2,8 |
| Waterverbruik (2021) | 8,4 | 0,1 |
| Afvalaanbod (2022) | 8,1 | 4,2 |
| 1) Ten opzichte van totaal van alle Nederlandse bedrijfstakken. | ||
Figuur 5.1.1 laat zien dat de infrastructuur verantwoordelijk is voor de helft van alle door bedrijven uitgestoten broeikasgassen in 2024 en ruim een derde van de fijnstofemissies. De broeikasgassen komen vooral vrij bij energiebedrijven en vervoer. Het overgrote deel van de fijnstof wordt uitgestoten bij vervoer. Dit is terug te zien in figuur 5.1.2, waar voor de exploitatiefase een aantal extra uitsplitsingen zijn gemaakt.
Van alle door bedrijven netto verbruikte energie in 2023 werd 38 procent verbruikt door de infrastructuur. Vervoersbedrijven verbruikten de bijna de helft van deze energie, ruim een kwart kwam voor rekening van energiebedrijven.
| Exploitatie: energiebedrijven (%) | Exploitatie: water en afvalbeheer (%) | Exploitatie: vervoer (%) | Exploitatie: overig (%) | Non-exploitatie (%) | |
|---|---|---|---|---|---|
| Directe broeikasgasemissies (2024) | 18,4 | 6,0 | 18,5 | 6,5 | 0,3 |
| Fijnstofemissies (2024) | 0,5 | 0,5 | 32,3 | 1,0 | 0,9 |
| Milieubelastingen en -heffingen (2024) | 11,7 | 1,5 | 10,5 | 3,4 | 0,7 |
| Netto energieverbruik (2023) | 9,9 | 2,7 | 16,2 | 8,8 | 0,2 |
| Biomassaverbruik (2022) | 7,5 | 0,0 | 1,1 | 4,2 | 0,2 |
| Mineralenverbruik (2022) | 0,8 | 0,5 | 0,0 | 15,2 | 14,6 |
| Metalenverbruik (2022) | 0,5 | 0,0 | 0,2 | 1,4 | 2,8 |
| Waterverbruik (2021) | 1,2 | 2,2 | 0,0 | 5,1 | 0,1 |
| Afvalaanbod (2022) | 1,2 | 4,3 | 0,0 | 2,6 | 4,2 |
| 1)Ten opzichte van totaal van alle Nederlandse bedrijfstakken. 2)Vervoer omvat de bedrijfstakken vervoer over land, vervoer over water, vervoer door de lucht en opslag en dienstverlening voor vervoer. | |||||
Daarnaast worden er relatief veel mineralen verbruikt door de infrastructuur (31 procent). Dit vindt vooral plaats bij de overige infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken en in de non-exploitatiefase. Zand, grind en klei zijn nodig voor de aanleg en onderhoud van (water)wegen, spoor en luchthavens, en daarmee vindt een groot deel van het verbruik plaats in de non-exploitatiefase.
De infrastructuur droeg 28 procent bij aan alle in 2024 door bedrijven betaalde milieubelastingen en -heffingen. De vervoerssector nam tot voor kort het grootste deel daarvan voor zijn rekening, zoals te zien in figuur 5.1.3, maar in het afgelopen decennium zijn de belastingen/heffingen op de productie van energie sterk toegenomen. Dit komt vooral door de hogere prijzen van de emissierechten.
| Exploitatie: energiebedrijven (%) | Exploitatie: water en afvalbeheer (%) | Exploitatie: vervoer (%) | Exploitatie: overig (%) | Non-exploitatie (%) | |
|---|---|---|---|---|---|
| 1995 | 3,5 | 3,9 | 19,5 | 1,8 | 0,5 |
| 1996 | 3,7 | 3,8 | 18,4 | 1,7 | 0,5 |
| 1997 | 3,6 | 3,6 | 18,3 | 1,8 | 0,5 |
| 1998 | 3,5 | 3,6 | 18,4 | 1,8 | 0,5 |
| 1999 | 2,8 | 3,5 | 17 | 2,1 | 0,5 |
| 2000 | 2,5 | 4,1 | 16,4 | 1,9 | 0,5 |
| 2001 | 5 | 3,6 | 15 | 1,9 | 0,5 |
| 2002 | 3,8 | 3,7 | 15,7 | 2 | 0,6 |
| 2003 | 3,8 | 3,6 | 15,1 | 2,3 | 0,6 |
| 2004 | 0,8 | 3,3 | 15,3 | 2,1 | 0,6 |
| 2005 | 0,3 | 3,4 | 14,5 | 1,8 | 0,6 |
| 2006 | 0,2 | 3,4 | 14,8 | 1,9 | 0,6 |
| 2007 | 0,3 | 3,1 | 14,5 | 1,7 | 0,7 |
| 2008 | 0,4 | 2,9 | 14,8 | 1,6 | 0,7 |
| 2009 | 0,3 | 2,7 | 16 | 2,1 | 0,8 |
| 2010 | 0,2 | 2,8 | 14,9 | 2 | 0,8 |
| 2011 | 0,5 | 2,7 | 15,8 | 2,1 | 0,8 |
| 2012 | 0,5 | 1,1 | 16,6 | 2,5 | 0,8 |
| 2013 | 2 | 1,1 | 15,9 | 2,4 | 0,9 |
| 2014 | 3,1 | 1,2 | 15 | 2,2 | 1,1 |
| 2015 | 3,7 | 1,3 | 13,5 | 2,3 | 1 |
| 2016 | 2,3 | 1,3 | 13,2 | 2,3 | 0,9 |
| 2017 | 2,2 | 1,4 | 12,5 | 2,2 | 0,8 |
| 2018 | 2,5 | 1,3 | 11,5 | 2,2 | 0,8 |
| 2019 | 4,4 | 1,6 | 10,9 | 2,4 | 0,8 |
| 2020 | 3,9 | 1,7 | 10,5 | 2,6 | 0,8 |
| 2021 | 4,1 | 1,7 | 11 | 2,8 | 0,7 |
| 2022 | 7,4 | 1,7 | 11 | 3,1 | 0,6 |
| 2023 | 8,7 | 1,6 | 10,5 | 3,1 | 0,7 |
| 2024 | 11,7 | 1,5 | 10,5 | 3,4 | 0,7 |
| 1)Ten opzichte van totaal van alle Nederlandse bedrijfstakken. 2)Vervoer omvat de bedrijfstakken vervoer over land, vervoer over water, vervoer door de lucht en opslag en dienstverlening voor vervoer | |||||
Aan de andere kant gebruikte de infrastructuur 5 procent van alle in 2022 verwerkte metalen in de Nederlandse economie, en 9 procent van al het in 2021 door Nederlandse bedrijven gebruikte drinkwater. De hoeveelheid afval die de infrastructuur in 2022 aanbood voor verwerking was 12 procent van het totaal, en de hoeveelheid gebruikte biomassa was dat jaar 13 procent. Voor deze indicatoren is het aandeel dus vergelijkbaar met of lager dan het aandeel van de infrastructuur in de totale Nederlandse toegevoegde waarde.
In figuur 5.1.1 is ook te zien dat de non-exploitatiefase maar een klein deel aan de totale toegevoegde waarde van de infrastructuur bijdraagt. Bij milieubelastingen en -heffingen, biomassa-, drinkwater- en energieverbruik en de uitstoot van fijnstof en broeikasgassen gaat het om enkele procenten van het totaal. Bij een aantal indicatoren is dat aandeel echter groter. Vooral bij het verbruik van metalen en mineralen telt de non-exploitatiefase sterk mee, respectievelijk voor ruim de helft en bijna de helft van het verbruik. Ook bij het aanbod van afval vindt ongeveer een derde plaats in de non-exploitatiefase. De aanleg van nieuwe infrastructuur, die voornamelijk door de bouwsector wordt gerealiseerd, heeft voor deze indicatoren een aanzienlijke milieu-impact.
5.2 Ontwikkeling van de milieu-impact
Om een beter overzicht te krijgen van de ontwikkelingen van de milieu-economische indicatoren over de tijd hebben we alle waarden geïndexeerd. Dat wil zeggen dat we de jaarlijkse waarden vergeleken met hun waarde in 2022. Dit is het meest recente jaar waarvoor we voor bijna alle indicatoren gegevens hebben. Alleen voor drinkwater is het meest recent beschikbare jaar 2021 als indexjaar gebruikt. Dit heeft het voordeel dat het niet meer uitmaakt in welke eenheid (kilogrammen, petajoules, euro’s of kubieke meters) een indicator berekend is. Dit maakt de uitkomsten makkelijker vergelijkbaar.
| Jaar | Broeikasgasemissies (Index (2021/2022 = 100)) | Fijnstofemissies (Index (2021/2022 = 100)) | Milieubelastingen en -heffingen (Index (2021/2022 = 100)) | Waterverbruik (Index (2021/2022 = 100)) | Netto energieverbruik (Index (2021/2022 = 100)) | Toegevoegde waarde (Index (2021/2022 = 100)) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1995 | 104,2 | 286,1 | 43,5 | 33 | ||
| 1996 | 106,7 | 301,4 | 44,6 | 34,5 | ||
| 1997 | 108,7 | 301,4 | 46,5 | 36,3 | ||
| 1998 | 112,3 | 280,6 | 49,9 | 38,5 | ||
| 1999 | 110,1 | 315,3 | 50,7 | 38,9 | ||
| 2000 | 114,1 | 293,1 | 53,7 | 43,6 | ||
| 2001 | 118,8 | 275 | 59,9 | 47,5 | ||
| 2002 | 119 | 250 | 57,6 | 49,2 | ||
| 2003 | 120,2 | 252,8 | 58,7 | 118,3 | 51,5 | |
| 2004 | 123 | 233,3 | 52,7 | 106 | 52 | |
| 2005 | 122,2 | 234,7 | 53,1 | 101,1 | 55,4 | |
| 2006 | 115,5 | 202,8 | 58,8 | 107,1 | 60,7 | |
| 2007 | 119,3 | 211,1 | 58,3 | 107,5 | 62,4 | |
| 2008 | 120,4 | 200 | 63 | 110,1 | 68,9 | |
| 2009 | 119 | 177,8 | 63,2 | 106,7 | 63,2 | |
| 2010 | 123,3 | 159,7 | 60,2 | 123,9 | 65 | |
| 2011 | 119,5 | 130,6 | 64,2 | 120,1 | 67,6 | |
| 2012 | 116,4 | 130,6 | 58,8 | 95,5 | 69,7 | |
| 2013 | 115,1 | 131,9 | 62,7 | 86,6 | 70,4 | |
| 2014 | 118,9 | 134,7 | 65,9 | 82,5 | 113,7 | 65,7 |
| 2015 | 123,6 | 118,1 | 67,5 | 80,2 | 113,5 | 65,2 |
| 2016 | 120,5 | 97,2 | 63,7 | 79,1 | 108,9 | 62,4 |
| 2017 | 116 | 93,1 | 63,4 | 81,7 | 107,9 | 64,1 |
| 2018 | 112,3 | 94,4 | 64,5 | 87,3 | 106,2 | 65,7 |
| 2019 | 113 | 90,3 | 76,7 | 97,8 | 110,3 | 70,1 |
| 2020 | 96,9 | 86,1 | 72,1 | 94 | 94,2 | 63,9 |
| 2021 | 100,9 | 94,4 | 80,5 | 100 | 99,1 | 72,9 |
| 2022 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | |
| 2023 | 90,5 | 102,8 | 105,2 | 97,2 | 97 | |
| 2024 | 89,4 | 106,9 | 129,1 | 99,2 |
De opvallendste trend in figuur 5.2.1a is dat de uitstoot van fijnstof door de infrastructuur in 2022 nog maar een derde was van de emissies in 1995. Deze daling is vergelijkbaar met de bredere trend in de gehele economie en was het sterkst bij de energiebedrijven. De uitstoot van broeikasgassen steeg tot en met 2015 en laat sindsdien een daling zien. Sinds 2015 zijn de broeikasemissies met meer dan een kwart gedaald. Ook bij het netto energieverbruik is er sprake van een afname na 2014. Het verbruik van drinkwater in 2021 ongeveer even hoog als in 2005, maar laat vooral een schommelend patroon zien. De milieubelastingen en -heffingen zijn wel toegenomen in de onderzochte periode. Deze groei was ongeveer even groot als de groei van de toegevoegde waarde.
Voor het materialenverbruik en het afvalaanbod zijn minder verslagjaren beschikbaar, waardoor het lastiger is om een structurele trend te bepalen. In figuur 5.2.1b is te zien dat het aandeel metalen- en mineralen in de beschikbare jaren redelijk stabiel is gebleven. Het verbruik van biomassa is gestegen in 2020 en 2022. Dit komt vooral doordat energiebedrijven steeds minder elektriciteit opwekken uit fossiele grondstoffen, en meer uit hernieuwbare bronnen en biomassa. Bij de hoeveelheid aangeboden afval is er sprake van een lichte afname na 2014.
| Afvalaanbod (Index (2022 = 100)) | Biomassaverbruik (Index (2022 = 100)) | Metalenverbruik (Index (2022 = 100)) | Mineralenverbruik (Index (2022 = 100)) | Toegevoegde waarde (Index (2022 = 100)) | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2010 | 65 | ||||
| 2011 | 67,6 | ||||
| 2012 | 114,7 | 69,7 | |||
| 2013 | 70,4 | ||||
| 2014 | 129,4 | 65,7 | |||
| 2015 | 65,2 | ||||
| 2016 | 126,5 | 42,5 | 110,3 | 97,7 | 62,4 |
| 2017 | 64,1 | ||||
| 2018 | 113 | 40,3 | 102,1 | 105,7 | 65,7 |
| 2019 | 70,1 | ||||
| 2020 | 98,1 | 86,8 | 111,9 | 107,9 | 63,9 |
| 2021 | 72,9 | ||||
| 2022 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| 2023 | 97 | ||||
| 2024 | 99,2 |
De meeste indicatoren in dit hoofdstuk zijn dus over tijd afgenomen of gelijk gebleven. Tegelijkertijd hebben we in hoofdstuk 3 gezien dat de toegevoegde waarde van de infrastructuur in de afgelopen drie decennia verdrievoudigde. De hoeveelheid uitstoot of verbruik per euro toegevoegde waarde is voor bijna alle indicatoren gedaald. De milieu-impact van deze indicatoren heeft geen gelijke tred gehouden met de productie van de infrastructuur. Alleen de opbrengst van milieubelastingen en -heffingen is ongeveer evenveel gegroeid als de toegevoegde waarde.
6. Resultaten indirecte toegevoegde waarde
Naast de directe effecten van de toegevoegde waarde van de Nederlandse infrastructuur zijn er ook indirecte effecten in Nederland. Het is voor de eerste keer dat het CBS naast de cijfers over directe toegevoegde waarde ook schattingen presenteert over de indirecte toegevoegde waarde van de infrastructuur. Het betreft schattingen, want deze zijn geschat met een model. Omdat dit een experimenteel onderdeel is, zijn de cijfers alleen geschat voor het jaar 2023.
De indirecte toegevoegde waarde schatten we met de toegevoegde waarde bij de toeleveranciers, de toeleveranciers van de toeleveranciers, enzovoorts, van de infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken. Bijvoorbeeld, de bedrijfstak metaalproductenindustrie produceert schroeven die de bedrijfstak reparatie en installatie van machines vervolgens gebruikt om reparaties te verrichten voor de bedrijfstak vervoer door de lucht (zie ook paragraaf 2.8). Net als bij de directe effecten maken we bij de indirecte effecten onderscheid tussen de exploitatiefase (exploitatie van de bestaande infrastructuur) en de non-exploitatiefase (bouw van nieuwe infrastructuur).
6.1 Indirecte effecten exploitatiefase
Figuur 6.1.1 laat voor de exploitatiefase zien hoe groot de toegevoegde waarde in de toeleveringsketen (indirecte toegevoegde waarde) is ten opzichte van de toegevoegde waarde bij de infrastructuur- gerelateerde bedrijfstakken zelf (directe toegevoegde waarde). Bijvoorbeeld, in de bedrijfstak opslag en dienstverlening voor het vervoer was er 17 773 miljoen euro directe toegevoegde waarde en 7 273 miljoen euro indirecte toegevoegde waarde in 2023. In het algemeen hebben bedrijfstakken met een hogere directe toegevoegde waarde ook een hogere indirecte toegevoegde waarde. Bij meer productie is immers ook meer productie in de toeleveringsketen nodig. De grootste indirecte toegevoegde waarde is te vinden bij de eerdergenoemde bedrijfstak opslag en dienstverlening voor het vervoer, en daarna volgen de bedrijfstakken vervoer over land (6 120 miljoen euro) en energiebedrijven (3 753 miljoen euro).
Voor de opslag en dienstverlening voor het vervoer bedroeg de indirecte waarde 7 273 miljoen euro, dat is 41 procent van de directe waarde van die bedrijfstak. Oftewel, bij andere bedrijfstakken was nog 7 273 miljoen euro toegevoegde waarde dankzij toeleveringen in de keten van de bedrijfstak opslag en dienstverlening voor het vervoer. In diverse bedrijfstakken is deze verhouding fors hoger, vooral in gegevensverwerking, aardolie-industrie, afvalbeheer en vervoer door de lucht. Voor deze bedrijfstakken is de toeleveringsketen relatief groot, dus is daar ook relatief veel toegevoegde waarde. Bij de energiebedrijven is de verhouding indirect/direct juist fors lager dan in de opslag en dienstverlening voor het vervoer. Daar is het Nederlandse deel van de toeleveringsketen juist relatief klein, omdat relatief veel toeleveringen uit het buitenland komen. Bij openbaar bestuur is er geen indirecte toegevoegde waarde in de exploitatiefase. Dat komt doordat de directe waarde bij deze bedrijfstak bestaat uit afschrijvingen (geproduceerd in het verleden) en lonen (dus ook geen toeleveringsketen van productie in dit jaar).
De indirecte effecten van de exploitatiefase van de totale Nederlandse infrastructuur bedragen 31 miljard euro, oftewel 29 procent van de directe effecten van de exploitatiefase. Dat is zonder de delen die al in de directe effecten van de exploitatiefase zijn meegeteld. Zie paragraaf 2.8 voor meer details.
| Bedrijfstak | Direct (mld euro) | Indirect (mld euro) |
|---|---|---|
| Delfstoffenwinning | 4,3 | 1,8 |
| Aardolie-industrie | 2,2 | 1,8 |
| Energiebedrijven | 21,4 | 3,8 |
| Waterleidingbedrijven | 1,1 | 0,5 |
| Riolering, afvalbeheer en sanering | 4,0 | 2,8 |
| Verkoop van brandstoffen | 6,1 | 1,9 |
| Vervoer over land | 15,9 | 6,1 |
| Vervoer over water | 5,1 | 1,8 |
| Vervoer door de lucht | 4,0 | 2,7 |
| Opslag en dienstverlening voor vervoer | 17,7 | 7,3 |
| Telecommunicatie | 8,0 | 3,0 |
| Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten | 2,4 | 2,3 |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 14,9 | 0,0 |
6.2 Indirecte effecten non-exploitatiefase
De indirecte toegevoegde waarde bij de non-exploitatiefase bedroeg 6 miljard euro in 2023. Dat is 91 procent van de directe effecten van de non-exploitatiefase. Bij de non-exploitatiefase gaat het om toegevoegde waarde gerelateerd aan investeringen in nieuwe infrastructuur door de infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken. De directe toegevoegde waarde wordt gerealiseerd door bedrijfstakken die deze investeringen produceren, vooral de bedrijfstak bouw. Bij de indirecte effecten gaat het om toegevoegde waarde bij de toeleveranciers, bij de toeleveranciers van de toeleveranciers, enzovoorts. De bouw gebruikt relatief veel goederen en diensten geproduceerd door andere bedrijfstakken, zodat de indirecte effecten bij de non-exploitatiefase relatief hoger zijn dan de indirecte effecten bij de exploitatiefase.
Bijlage 1 Bronbestanden
Nationale rekeningen
De Nationale rekeningen worden opgesteld volgens de richtlijnen van het Europees Systeem van nationale en regionale Rekeningen. Centraal in de Nationale rekeningen staat een aantal belangrijke economische indicatoren zoals het binnenlands product en het nationaal inkomen. Bij de samenstelling van de Nationale rekeningen wordt gebruik gemaakt van een groot aantal bronnen op uiteenlopende terreinen als productie, finale bestedingen, inkomen, vermogen en prijzen. Voorbeelden zijn productiestatistieken, overheidsadministraties, statistieken van de buitenlandse handel, budgetonderzoeken, investeringsstatistieken en consumenten- en producentenprijzen.
De Nationale rekeningen vormen een samenhangend en geïntegreerd geheel, waarin alle variabelen op een consistente wijze met elkaar samenhangen. Dit draagt in belangrijke mate bij aan kwaliteit en gebruiksmogelijkheden. De kwaliteit wordt bevorderd doordat de definitievergelijkingen die aan het systeem ten grondslag liggen het mogelijk maken om gegevens uit verschillende statistieken aan elkaar te relateren en met elkaar te confronteren.
Productie is gedefinieerd (volgens Nationale rekeningen) als het voortbrengen van goederen en diensten onder beheer en verantwoordelijkheid van een institutionele eenheid die daarvoor arbeid, kapitaal en goederen en diensten als input gebruikt. Toegevoegde waarde is het verschil tussen de productiewaarde (basisprijzen) en het intermediair verbruik (i.e. producten verbruikt tijdens het productieproces; exclusief aftrekbare btw).
Alle EU-landen maken nationale rekeningen en leveren deze data aan bij Eurostat. Hierdoor zijn op EU-niveau vergelijkbare data beschikbaar.
Arbeidsrekeningen
De Arbeidsrekeningen worden, net zoals de Nationale rekeningen opgesteld volgens de richtlijnen van het Europees Systeem van nationale en regionale Rekeningen. De belangrijkste variabelen die in de Arbeidsrekeningen worden samengesteld zijn banen, arbeidsjaren, werkzame personen, gewerkte uren, lonen en loonkosten. Er worden uitsplitsingen gemaakt naar onder meer economische activiteit, werknemer/zelfstandige, geslacht, en voor de werknemers naar dienstverband (voltijd/deeltijd). Behalve de oorspronkelijke jaar- en kwartaalgemiddelden worden voor een aantal gegevens ook seizoengecorrigeerde cijfers samengesteld.
Net zoals de Nationale rekeningen, vormen de Arbeidsrekeningen een systeem met een integratiekader waarbinnen verschillende bronnen met elkaar worden geconfronteerd.
De belangrijkste bronnen bij de samenstelling van de Arbeidsrekeningen zijn:
- De Enquête Beroepsbevolking: een steekproefonderzoek onder personen die in Nederland wonen.
- Polisbestanden op basis van Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden van de Statistiek Werkgelegenheid en Lonen. De Polisadministratie is gebaseerd op de loonaangifte bij de Belastingdienst en omvat onder meer alle banen en inkomstenverhoudingen van werknemers bij Nederlandse werkgevers.
- De Satelliet Zelfstandige Ondernemers (SZO): De SZO is gebaseerd op een selectie van administratieve en CBS-eenheden uit het Algemeen Bedrijven Register, het zogeheten Basisregister Ondernemingen van Personen. Dit basisregister is aangevuld met registergegevens die door de Belastingdienst aan het CBS zijn verstrekt.
- Overige gegevens over banen en inkomens uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden.
Milieurekeningen
De Milieurekeningen zijn consistent met de Nationale rekeningen. De Milieurekeningen koppelen milieustatistieken aan economische gegevens volgens internationale standaarden vastgelegd in het System of Environmental Economic Accounting. Hierdoor kan de relatie tussen het milieu en de economie op een consistente en verantwoorde manier geanalyseerd worden.
De Milieurekeningen omvatten zowel fysieke als monetaire gegevens. Hieronder vallen de emissierekening en de materiaalstroomrekening. In de emissierekening wordt de uitstoot van stoffen naar lucht, water en bodem door verschillende economische sectoren gemonitord. De materiaalstroomrekening, met name de Materiaalmonitor, bevat cijfers over de fysieke (kilo) stromen van natuurlijke hulpbronnen, producten en residuen binnen de economie.
De Milieurekeningen bieden inzicht in hoe economische activiteiten, zoals die uit de infrastructuur, het milieu beïnvloeden en andersom. Ze kunnen daarmee een essentieel instrument voor beleidsmakers en onderzoekers vormen bij het ontwikkelen van duurzaamheidsstrategieën en het evalueren van milieubeleid.
Voor meer informatie over de gebruikte indicatoren in dit onderzoek, zie de bijbehorende StatLine publicaties:
- Afvalaanbod: StatLine - Afvalbalans, afvalsoort naar sector; nationale rekeningen
- Biomassa-, metalen- en mineralenverbruik: Materiaalmonitor 2022 | CBS
- Fijnstofemissies: StatLine - Emissies naar lucht door de Nederlandse economie; nationale rekeningen
- Milieubelasting en -heffingen: StatLine - Milieubelastingen en -heffingen; nationale rekeningen (1995-2022)
- Netto energieverbruik: StatLine - Aanbod en gebruik energie; energiedragers, huishoudens en bedrijven (NR)
- Watergebruik: StatLine - Watergebruik binnen de Nederlandse economie; Milieurekeningen
Bijlage 2 Begrippen en afkortingen
Begrippen
Afvalaanbod
Het gaat hier zowel om de productie van afval met een commerciële waarde (afvalproducten) als om afval zonder een commerciële waarde (afvalresiduen) voor de producent.
Arbeidsjaar
Een maatstaf voor het arbeidsvolume, die wordt berekend door alle banen (voltijd en deeltijd) om te rekenen naar voltijdbanen, ook wel voltijdequivalenten (vte) genoemd. Zo leveren twee halve banen (elk 0,5 vte) samen een arbeidsvolume van één arbeidsjaar op.
Basisprijs
Het bedrag dat een producent daadwerkelijk overhoudt. Dit is de verkoopprijs van een goed of dienst exclusief de handels- en vervoersmarge en exclusief productgebonden belastingen en subsidies.
Bedrijfstak
Indeling in bedrijfstakken op basis van de Standaard Bedrijfsindeling 2008 (SBI 2008). Dit is de Nederlandse hiërarchische indeling van economische activiteiten die door het CBS wordt gebruikt om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit. Bedrijven in een bedrijfstak of branche kunnen naast deze activiteit ook andere activiteiten (nevenactiviteiten) uitoefenen. De SBI 2008 is de versie die vanaf 2008 gebruikt wordt.
Beloning van werknemers
De totale vergoeding, in geld of in natura, die door een werkgever aan een werknemer verschuldigd is voor de arbeid die deze tijdens een verslagperiode heeft verricht. De beloning van werknemers is gelijk aan het totaal van lonen en sociale premies ten laste van werkgevers.
Biomassaverbruik
Nuttig verbruik van vaste, vloeibare of gasvormige biomassa, exclusief het afgefakkelde biogas. Dit betreft stoffen die afkomstig zijn van plantaardig of dierlijk materiaal van recente oorsprong en die worden gebruikt voor de productie van energie. Voorbeelden zijn hout, mest en afval uit de voedselverwerkende industrie.
Broeikasgasemissies
Broeikasgassen houden een deel van de warmte die op aarde terecht komt door zonnestraling vast. Door de toegenomen concentratie broeikasgassen in de atmosfeer wordt meer warmte vastgehouden en neemt de temperatuur van het aardoppervlak toe. Dit noemt men het versterkte broeikaseffect. De belangrijkste broeikasgassen zijn kooldioxide (CO2), methaan (CH4), lachgas (N2O), fluorkoolwaterstoffen (HFK's), perfluorkoolstoffen (PFK's) en zwavelhexafluoride (SF6). Sommige broeikasgassen hebben een groter effect op het milieu per uitgestoten kilogram dan andere broeikasgassen. Om dit gelijk te trekken, worden broeikasgasemissies in termen van CO2-equivalenten gemeten. Zo kan de impact van het uitstoten van verschillende broeikasgassen worden vergeleken en worden opgeteld. Het CBS beperkt zich in dit onderzoek tot het in kaart brengen van scope 1‑emissies (directe emissies door het bedrijf zelf).
Bruto binnenlands product (tegen marktprijzen) (bbp)
Een maat voor de omvang van de economie. Deze wordt berekend uit de som van de waarde die door ondernemingen, huishoudens en overheden wordt toegevoegd aan de goederen en diensten die zij hebben moeten verbruiken om hun producten te kunnen maken. Deze som staat bekend als de toegevoegde waarde ‘in basisprijzen’. Om tot het bbp ‘in marktprijzen’ te komen, wordt hierbij het saldo van productgebonden belastingen en subsidies opgeteld. Vanwege het kringloopkarakter van de economie in een gebalanceerd systeem is het bruto binnenlands product gelijk aan de som van de consumptie door huishoudens, de consumptie door de overheid, de investeringen en de uitvoer, minus de invoer. Tevens is het bruto binnenlands product gelijk aan het totaal van alle inkomsten uit loonarbeid (de ‘beloning van werknemers’) en ondernemerschap (het exploitatie-overschot). Hierbij moet het saldo van belastingen en subsidies op productie en invoer worden opgeteld.
Bruto exploitatieoverschot
Het saldo dat resteert nadat de toegevoegde waarde tegen basisprijzen is verminderd met de beloning van werknemers en het saldo van belastingen en subsidies op productie en invoer. Bij zelfstandigen (die deel uitmaken van de sector huishoudens) wordt dit saldo gemengd inkomen genoemd omdat het ook de beloning voor de door hen geleverde arbeid bevat.
Bruto toegevoegde waarde basisprijzen
De waarde van alle geproduceerde goederen en diensten (de productiewaarde of output) minus de waarde van goederen en diensten die tijdens deze productie zijn opgebruikt (het intermediair verbruik). De toegevoegde waarde is daarbij uitgedrukt in basisprijzen, de prijzen die door producenten zijn ervaren. Inbegrepen is de toegevoegde waarde van alle in Nederland opererende bedrijfseenheden, dus ook degenen die in buitenlandse handen zijn. Ook overheidsinstanties en andere niet-commerciële instanties behoren hiertoe. In de Nationale rekeningen betekent 'bruto' vóór aftrek van het verbruik van vaste activa (afschrijvingen) en 'netto' na aftrek van het verbruik van vaste activa.
Exploitatiefase
Activiteiten waarbij direct gebruik wordt gemaakt van reeds aangelegde infrastructuur door de exploitanten.
Fijnstofemissies
Stofdeeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan 10 µm (PM10). De aerodynamische diameter van een stofdeeltje is gelijk aan de diameter van een bolvormig deeltje dat in de omgevingslucht hetzelfde gedrag vertoont als dat stofdeeltje. Het is schadelijk voor de gezondheid en dringt diep door in longen.
Goederengroep
Een goederengroep is een verzameling producten, die tot één goederengroepcategorie in de Nationale rekeningen behoren. Voorbeelden van goederengroepen zijn voedings- en genotsmiddelen, zand, grind en chemische producten.
Grond- weg- en waterbouwkundige werken
Onder grond-, weg- en waterbouwkundige werken vallen de aanleg van straten en riolering en het bouwrijp maken van de bouwterreinen. Inbegrepen zijn verder openbare monumenten die niet als woning of ander gebouw zijn geclassificeerd, schachten, tunnels en andere bouwwerken in verband met de ontginning van minerale en energiereserves, en de bouw van zeeweringen, dijken, stormvloedkeringen, die bedoeld zijn om nabijgelegen grond, die zelf geen deel van de werken uitmaakt, te verbeteren. Voorbeelden zijn autowegen, straten en andere wegen, spoorwegen, start- en landingsbanen op vliegvelden, bruggen, verhoogde wegen, tunnels en metrotunnels, waterwegen, havens, dammen en andere waterwerken, pijpleidingen over lange afstand, communicatielijnen en elektriciteitsleidingen, plaatselijke pijpleidingen en kabels, bijkomende werken, bouwwerken voor de mijnbouw en de industrie of voor sport en recreatie.
Indirecte toegevoegde waarde
Dit is de toegevoegde waarde die gecreëerd is bij de Nederlandse toeleveranciers van de producenten (die meegenomen zijn bij de berekening van de bruto toegevoegde waarde) en bij de toeleveranciers van de toeleveranciers, enzovoorts.
Infrastructuur
De infrastructuur is in dit onderzoek afgebakend aan de hand van de volgende primaire diensten die aan basis staan van de economie en samenleving (zie ook paragraaf 2.1):
- overstromingsveiligheid en waterpeilbeheer;
- energievoorziening in de vorm van elektriciteit, gas, brandstoffen (voor transport en ruimteverwarming) en warmte;
- informatie- en telecommunicatie (zowel analoog als digitaal; zowel via vaste lijnen als mobiel);
- transport van personen en goederen over de weg, water, spoor en door de lucht;
- drinkwatervoorziening;
- afval(water)verwijdering en -verwerking.
Om de economische waarde van infrastructuur te bepalen is een selectie gemaakt van bedrijfstakken die onderdeel zijn van de productie- en leveringsketens van bovengenoemde primaire diensten. Het betreft (een deel van) de volgende dertien bedrijfstakken:
- delfstoffenwinning;
- aardolie-industrie;
- energiebedrijven;
- waterbedrijven;
- afvalbeheer;
- verkoop van brandstoffen;
- vervoer over land;
- vervoer over water;
- vervoer door de lucht;
- opslag en dienstverlening voor vervoer;
- telecommunicatie;
- gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten;
- openbaar bestuur en overheidsdiensten.
Intermediair verbruik (exclusief aftrekbare btw)
De producten die in de verslagperiode zijn verbruikt in het productieproces, gewaardeerd tegen aankoopprijzen, exclusief aftrekbare btw. Dit kunnen al dan niet in de verslagperiode aangekochte grondstoffen, halffabricaten en brandstoffen zijn, maar ook diensten zoals communicatiediensten, schoonmaakdiensten en diensten van externe accountants. Niet tot het intermediair verbruik maar tot de afschrijvingen behoort het verbruik van vaste activa (bedrijfsgebouwen, machines, eigen vervoermiddelen e.d.). Ook aangekochte goederen door de handel die, zonder enige bewerking te ondergaan, weer zijn doorverkocht worden niet tot het intermediair verbruik gerekend. Het intermediair verbruik vormt samen met de finale bestedingen de totale bestedingen aan goederen en diensten.
Metalenverbruik
Onder metalen vallen zowel grondstoffen als halffabricaten en finale producten die hoofdzakelijk uit metaal bestaan. Het verbruik bestaat uit zowel de grondstoffen (bijvoorbeeld ijzererts) als de producten (bijvoorbeeld metalen platen) die hiervan gemaakt worden.
Milieubelastingen en -heffingen
Milieubelastingen zijn gedefinieerd als belastingen die het afremmen van milieubelastende activiteiten beogen via een verhoging van de prijs. De opbrengsten van deze belastingen gaan naar de algemene middelen van de overheid en worden dus niet speciaal gebruikt voor de financiering van milieumaatregelen. Milieuheffingen zijn heffingen die zijn ingevoerd voor de financiering van specifieke milieumaatregelen die door de overheid worden uitgevoerd. Het totaal aan milieubelastingen en –heffingen samen is meegenomen in dit onderzoek.
Mineralenverbruik
Onder mineralen vallen zowel grondstoffen als halffabricaten en finale producten die hoofdzakelijk uit mineralen bestaan. Het verbruik bestaat uit zowel de grondstoffen (bijvoorbeeld zand en grind) als de producten (bijvoorbeeld cement) die hiervan gemaakt worden.
Netto energieverbruik
Energie die wordt verbruikt bij economische processen en op korte termijn niet meer voor andere energetische doeleinden kan worden gebruikt. Netto energieverbruik is gelijk aan het finale energieverbruik voor energetische (bijvoorbeeld het gebruik van benzine voor transport) en niet-energetische doeleinden (bijvoorbeeld het gebruik van nafta voor de productie van plastics) plus de omzettingsverliezen.
Non-exploitatiefase
De toegevoegde waarde die gecreëerd wordt doordat infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken investeren in de bouw van nieuwe infrastructuur. De toegevoegde waarde wordt gegeneerd door de productie van de nieuwe infrastructuur, voornamelijk door de bouwsector.
Productie (basisprijzen)
De waarde van alle voor de verkoop bestemde goederen (ook de nog niet verkochte) en de ontvangsten voor bewezen diensten, alsmede de waarde van producten met een marktequivalent die voor eigen gebruik zijn geproduceerd zoals investeringen in eigen beheer, eigen woningdiensten en landbouwproducten voor eigen consumptie door landbouwers. De productie is gewaardeerd tegen basisprijzen. De productiewaarde van productie voor eigen gebruik wordt berekend door de geproduceerde hoeveelheid te waarderen tegen de prijs die de producent bij verkoop zou hebben ontvangen.
Saldo niet-productgebonden belastingen en subsidies
Het saldo van de niet-productgebonden belastingen en de niet-productgebonden subsidies. Niet-productgebonden belastingen zijn belastingen op productie die producenten moeten betalen, ongeacht de hoeveelheid of de waarde van de geproduceerde of verkochte producten. Voorbeelden zijn de onroerendezaakbelasting, reinigingsrechten en rioolrechten betaald door producenten.
Niet-productgebonden subsidies zijn subsidies op productie die niet direct relateerbaar zijn aan de waarde of de hoeveelheid geproduceerde en verkochte producten. Het betreft bijvoorbeeld de loonsubsidies.
Waterverbruik
Water van drinkwaterkwaliteit ontvangen en geproduceerd door de drinkwaterbedrijven. Dit is gezuiverd grond- of oppervlaktewater dat door een buizen- of waterleidingennet wordt getransporteerd.
Werknemer
Personen die op grond van een arbeidsovereenkomst betaald werk verrichten voor een bedrijf, instelling of particulier huishouden en waarvan de betaling (in geld en/of in natura) als beloning van werknemers wordt geregistreerd. Bij Arbeidsrekeningen behoren hiertoe ook de directeuren-grootaandeelhouders (dga's).
Werkzame persoon
Personen die een baan hebben bij een in Nederland gevestigd bedrijf of instelling, of bij een particulier huishouden in Nederland.
Tot de werkzame personen behoren alle personen die betaalde arbeid verrichten, ook al is het maar voor één of enkele uren per week, ook als zij:
- arbeid verrichten die op zichzelf genomen legaal is, maar waarvan de beloning aan de registratie door de fiscus of sociale zekerheidsautoriteiten wordt onttrokken ('zwarte arbeid');
- tijdelijk geen arbeid verrichten, maar wel doorbetaald krijgen (bijvoorbeeld bij ziekte of vorstverlet);
- tijdelijk onbetaald verlof hebben opgenomen.
Werkzame personen kunnen worden onderscheiden in werknemers en zelfstandigen. Ze kunnen woonachtig zijn in Nederland, maar ook in het buitenland. Het aantal werkzame personen in een bepaalde bedrijfstak geeft niet het totaal aantal personen weer dat in die bedrijfstak werkt, maar het gemiddeld aantal personen met een hoofdbaan in de desbetreffende bedrijfstak. Het aantal werkzame personen (werkzaam in Nederland) is niet gelijk aan de werkzame beroepsbevolking (woonachtig in Nederland).
Zelfstandige
Personen die arbeid verrichten voor eigen rekening en/of risico in een eigen bedrijf of praktijk, of in het bedrijf of de praktijk van een gezinslid, of in een zelfstandig uitgeoefend beroep. Hiertoe behoren onder meer ook huishoudelijke hulpen, gastouders, babysitters, krantenbezorgers en folderaars. Meewerkende gezinsleden worden tot zelfstandigen gerekend tenzij zij een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan. Directeuren-grootaandeelhouders (dga's) worden bij de Arbeidsrekeningen tot de werknemers gerekend.
Afkortingen
AGT
Aanbod- en gebruiktabellen
Bbp
Bruto binnenlands product
CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek
COFOG
Classification of the Functions of Government
EU
Europese Unie
GWW
Grond-, weg-, en waterbouwkundige werken
NGinfra
Next Generation Infrastructures
NR
Nationale rekeningen
SBI
Standaard Bedrijfsindeling
TW
Toegevoegde waarde
UNECE
United Nations Economic Commission for Europe
Vte
Voltijdequivalent