Economisch kapitaal
Economisch kapitaal omvat de machines en werktuigen, de ICT, het kenniskapitaal en de infrastructuur die nodig zijn voor het opbouwen van materiële welvaart en het genereren van economische groei. Ook wordt bij economisch kapitaal gekeken naar vermogens en schulden. Schuld wordt daarbij gezien als negatief kapitaal, waartegenover bezittingen staan.
- Het doorsnee vermogen van huishoudens stijgt trendmatig, maar is de laatste jaren niet verder gestegen.
- De schulden van huishoudens zijn hoog vergeleken met andere EU-landen en ze nemen toe.
- Investeringen om het economische kapitaal op peil te houden blijven min of meer gelijk ten opzichte van het bbp.
Economisch kapitaal
in EU
in 2024
in EU
in 2024
in EU
in 2024
| Thema | Indicator | Waarde | Trend | Positie in EU | Positie op EU-ranglijst |
|---|---|---|---|---|---|
| Economisch kapitaal | Fysieke kapitaalgoederenvoorraad | € 169 per gewerkt uur (prijzen 2021) in 2024 | 7e van 12 in 2024 | midden van de ranglijst | |
| Economisch kapitaal | Kenniskapitaalgoederenvoorraad | € 11,62 per gewerkt uur (prijzen 2021) in 2024 | 5e van 13 in 2024 | midden van de ranglijst | |
| Economisch kapitaal | Gemiddelde schuld per huishouden | € 124 157 per huishouden (lopende prijzen) in 2024 | stijgend (daling brede welvaart) | 24e van 25 in 2024 | onderste kwart van de ranglijst |
| Economisch kapitaal | Mediaan vermogen van huishoudens | € 135 500 per huishouden (prijzen 2024), op 1 januari 2024 | stijgend (stijging brede welvaart) |
Uitleg dashboard, kleuren en noten
Brede welvaart ‘later’ meet de duurzaamheid van onze kwaliteit van leven. Hier worden de hulpbronnen gemeten die de mensen die nu in Nederland leven (de huidige generatie) gebruiken om hun brede welvaart vorm te geven en die de generaties na ons nodig gaan hebben voor hun brede welvaart. Mensen zetten ‘hier en nu’ hulpbronnen in om hun leven vorm te geven. Vermogen en spaargeld worden gebruikt om een woning te kopen of te huren, een auto te kopen, lang vakantie te nemen of aanvullend pensioen op te bouwen. Indicatoren die zijn uitgedrukt in euro zijn gecorrigeerd voor inflatie. Het basisjaar waarvan het prijspeil constant wordt gehouden is niet overal gelijk.
De fysieke kapitaalgoederenvoorraad en de kenniskapitaalgoederenvoorraad per gewerkt uur meten de kapitaalintensiteit van de productie. Beide hebben een stabiele trend. Verder kijkend dan de trendperiode neemt de kapitaalintensiteit geleidelijk af. De fysieke kapitaalgoederenvoorraad groeide vanaf het begin van de tijdreeks in 1995 tot 2013 tot 177 euro per gewerkt uur, maar is sindsdien geleidelijk gedaald naar 169 euro in 2024. Tussen 1995 en 2015 nam de kenniskapitaalgoederenvoorraad nog toe van 7,14 euro naar 12,97 euro per gewerkt uur. Vanaf 2015 is deze voorraad licht afgenomen naar 11,62 euro in 2024. De totale fysieke kapitaalgoederenvoorraad en de kenniskapitaalgoederenvoorraad, gecorrigeerd voor inflatie, nemen gestaag toe maar de gewerkte uren stijgen sneller. Nederland is een van de weinige landen waar de kenniskapitaalgoederenvoorraad per gewerkt uur daalt in plaats van stijgt. Nederland stond in 2024 nog op de vijfde plaats in de EU-ranglijst met 13 andere landen, maar verliest geleidelijk haar voorsprong.
De investeringen om het economisch kapitaal op peil te houden blijven min of meer gelijk, uitgedrukt als percentage van het bbp. Uitgaven aan materiële vaste activa zijn stabiel en investeringen in ICT nemen af. De investeringen in grond-, weg- en waterbouw – noodzakelijk voor het onderhoud en de verbetering van de infrastructuur – blijven op middellange termijn op hetzelfde niveau (SDG 9.1 Infrastructuur en mobiliteit). Het aandeel van totale R&D-uitgaven en van private R&D-uitgaven in het bbp stijgt, terwijl het aandeel van publieke R&D-uitgaven stabiel blijft. (SDG 9.3 Kennis en innovatie).
Het mediane vermogen stijgt trendmatig, maar is de laatste paar jaar niet verder gestegen. De prijzen zijn in diezelfde periode wel sterk gestegen, waardoor het mediane vermogen van huishoudens na correctie voor prijsveranderingen is gedaald na 2022. De daling hangt ook samen met de instroom van Oekraïners, die nauwelijks tot geen (in Nederland geregistreerd) vermogen hadden. Op 1 januari 2024 bedroeg het mediane vermogen van huishoudens 135 500 euro.
De schulden van huishoudens zijn ten opzichte van andere EU-landen hoog (24e van de 25 landen in 2024) en ze nemen toe. In 2024 was de gemiddelde schuld van huishoudens alleen in Luxemburg hoger. Tegenover de schulden staat het spaargeld van huishoudens. Het spaargeld neemt nog steeds trendmatig toe en steeg in 2025 met 7,0 procent. De overheidsschuld daalt trendmatig maar nam in 2025 toe tot 44,4 procent van het bbp. De schuldquote ligt op het op twee na laagste niveau van de meting die begon in 1995 en ver onder de formele Europese norm van maximaal 60 procent van het bbp (SDG 10.2 Financiële houdbaarheid).