Prijs van arbeid

Als de samenstelling van het personeelsbestand verandert, beïnvloedt dit de gemiddelde loonkostenstijging. Neemt het aandeel ouderen en hoger opgeleiden toe, dan stijgen de gemiddelde loonkosten. Deze loonkosten van hoger opgeleiden en oudere werknemers zijn in de regel hoger dan die van jongeren en laagopgeleiden. Gecorrigeerd voor deze veranderingen in de werknemerspopulatie kwam de zuivere prijsstijging in 2020 uit op 1,6 procent. Dat is de zogeheten prijs van arbeid. Het verschil tussen de ontwikkeling van de loonkosten per gewerkt uur en de prijs van arbeid is het structuureffect. Dat bedroeg 1,4 procent in 2020 en is nog nooit zo hoog geweest in de reeks vanaf 2002. Dit komt doordat het aantal banen van werknemers afnam, met name van uitzendkrachten en jongeren.

Stijging loonkosten per gewerkt uur naar bedrijfstak tussen 2010 en 2020
BedrijfstakPrijs van arbeid (%)Structuureffect (%)
Openbaar bestuur19,45,7
Zorg21,83
Industrie18,36,2
Onderwijs24,9-0,6
Financiële dienstverlening13,57,8
Bouwnijverheid14,15,3
Handel13,84,4
Cultuur, recreatie, overige diensten15,32,4
Vervoer en opslag14,72
Verhuur en handel van onroerend goed10,23,8
Informatie en communicatie13,10,8
Landbouw en visserij7,95,5
Zakelijke dienstverlening8,31
Horeca3,21,1

Gemeten over de afgelopen tien jaar zijn de loonkosten per gewerkt uur van werknemers met 18,1 procent gestegen. De stijging was het grootst in het openbaar bestuur met 25,2 procent, gevolgd door de zorg met 24,8 procent. De stijging in de horeca bleef steken op 4,2 procent en de zakelijke dienstverlening op 9,3 procent. Gecorrigeerd voor de veranderingen in de werknemerspopulatie, kwam de zuivere prijsstijging tussen 2010 en 2020 uit op 15,4 procent. Dit betekent dat de loonkostenstijging van 18,1 procent voor 2,7 procent is toe te schrijven aan de toename van het aandeel oudere werknemers en hoogopgeleiden. De consumentenprijzen zijn in dezelfde periode met 17,4 procent gestegen.

Cijfers op StatLine: Prijs van arbeid volgens Nationale rekeningen