Prijs van arbeid

Als de samenstelling van het personeelsbestand verandert, beïnvloedt dit de gemiddelde loonkostenstijging. Naarmate er meer ouderen en hoger opgeleiden deel uitmaken van het personeelsbestand, nemen de gemiddelde loonkosten toe, omdat deze groepen in de regel meer betaald krijgen. Gecorrigeerd voor deze veranderingen in de werknemerspopulatie, kwam de zuivere prijsstijging in 2017 uit op 1,8 procent. Dat is de zogeheten prijs van arbeid. Het verschil tussen de ontwikkeling van de loonkosten per gewerkt uur en de prijs van arbeid is het structuureffect. Dit bedroeg -0,5 procent in 2017. Het was voor het derde opeenvolgende jaar dat veranderingen in de personeelssamenstelling hebben geleid tot een daling van de gemiddelde loonkosten. Dit negatieve structuureffect duidt erop dat er naar verhouding veel nieuwe werknemers zijn aangenomen met relatief lage loonkosten. Dit is in overeenstemming met de banengroei in 2015, 2016 en 2017. Direct na het begin van de financiële crisis in 2008 liepen de loonstijgingen terug en nam het aantal banen van werknemers af. Het structuureffect was in die periode groot, omdat toen betrekkelijk weinig nieuwe werknemers werden aangenomen.

Stijging loonkosten per gewerkt uur naar bedrijfstak tussen 2007 en 2017 (%)
BedrijfstakPrijs van arbeidStructuureffect
Onderwijs26,6-0,2
Industrie17,28
Zorg21,63,5
Openbaar bestuur18,95,7
Financiële dienstverlening10,910,9
Handel13,67,9
Landbouw en visserij12,87,9
Vervoer en opslag15,84,6
Cultuur, recreatie, overige diensten17,23,2
Bouwnijverheid98,5
Informatie en communicatie12,94,2
Verhuur en handel van onroerend goed8,55,9
Zakelijke dienstverlening8,82
Horeca8,41,3
 

Gemeten over de afgelopen tien jaar zijn de loonkosten per gewerkt uur van werknemers met bijna 19 procent gestegen. De stijging was het grootst in het onderwijs (ruim 26 procent). De stijging in de horeca bleef steken op 9,7 procent. Gecorrigeerd voor de veranderingen in de werknemerspopulatie, kwam de zuivere prijsstijging tussen 2007 en 2017 uit op 15 procent. Dit betekent dat de loonkostenstijging van 19 procent voor bijna 4 procent is toe te schrijven aan de toename van het aandeel oudere werknemers en hoogopgeleiden. De consumentenprijzen zijn in dezelfde periode met bijna 17 procent gestegen.

Cijfers op StatLine: Prijs van arbeid volgens Nationale Rekeningen