Prijs van arbeid
Als de samenstelling van het personeelsbestand verandert, beïnvloedt dit de gemiddelde loonkostenstijging. Neemt het aandeel ouderen en mensen met een afgeronde bachelor- of masteropleiding toe, dan stijgen de gemiddelde loonkosten. Deze loonkosten van mensen met een hbo- of wo-diploma en oudere werknemers zijn in de regel hoger dan die van mensen met hoogstens een vmbo-diploma en jongeren. Gecorrigeerd voor deze veranderingen in de werknemerspopulatie kwam de zuivere prijsstijging in 2025 uit op 5,7 procent. Dat is de zogeheten prijs van arbeid. Het verschil tussen de ontwikkeling van de loonkosten per gewerkt uur en de prijs van arbeid is het structuureffect. Dit bedroeg 0,2 procent in 2025. Dit structuureffect duidt erop dat er naar verhouding meer is gewerkt door werknemers met relatief hoge loonkosten.
| Bedrijfstak | Prijs van Arbeid (% verandering t.o.v. 2015) | Structuureffect (% verandering t.o.v. 2015) |
|---|---|---|
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 45,3 | 5,3 |
| Informatie en communicatie | 48,5 | 0,7 |
| Gezondheids- en welzijnszorg | 46,7 | -2,3 |
| Industrie | 40,8 | 3,6 |
| Zakelijke dienstverlening | 39,8 | 4,6 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 36,3 | 7,1 |
| Handel | 38,8 | 3,4 |
| Horeca | 44,2 | -2,1 |
| Bouwnijverheid | 40,1 | 0 |
| Cultuur, recreatie en overige diensten | 40,8 | -1,1 |
| Financiële dienstverlening | 36,1 | 2,8 |
| Onderwijs | 41,6 | -4,2 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 32,9 | 0,1 |
| Vervoer en opslag | 34,1 | -2 |
| * voorlopige cijfers | ||
Cijfers op StatLine: Prijs van arbeid volgens Nationale rekeningen
