160 duizend minder mensen met werk in april

Oudere man zit de krant te lezen op een leeg terras
© Hollandse Hoogte / Luuk van der Lee Fotografie
Het aantal mensen met betaald werk daalde in april met 160 duizend naar 8,9 miljoen. Een terugval van die omvang in een maand tijd is niet eerder voorgekomen sinds er maandcijfers worden samengesteld (vanaf 2003). Bij jongeren was de daling met meer dan 100 duizend het grootst. Het aantal werklozen was in april 314 duizend. Dat is een toename met 41 duizend, onder wie 25 duizend jongeren. Dat meldt het CBS op basis van nieuwe cijfers.

UWV registreerde eind april 292 duizend lopende WW-uitkeringen, een toename van 42 duizend ten opzichte van een maand eerder.

De werkloosheid wordt vastgesteld aan de hand van steekproeven. Om de fluctuaties als gevolg van het steekproefkarakter zo klein mogelijk te maken, hanteert het CBS doorgaans de ontwikkeling in de afgelopen drie maanden. Omdat de recente maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan een sterke uitwerking hebben op de arbeidsmarkt, worden in dit bericht de ontwikkelingen in de afgelopen maand wel nader belicht. De cijfers zijn, anders dan gebruikelijk, voorlopig en kunnen de komende maanden nog worden bijgesteld. Voor meer informatie over de totstandkoming van werkloosheidscijfers, zie Werkloosheid en de coronacrisis: wat meet het CBS precies?

Grootste toename werkloosheidspercentage sinds 2003

In april waren er 314 duizend werklozen, dat komt neer op 3,4 procent van de beroepsbevolking. In maart was dit 2,9 procent. Dit is de grootste toename van het werkloosheidspercentage in een maand sinds 2003, het eerste jaar waarvoor maandcijfers beschikbaar zijn. Slechts een deel van de afname van het aantal werkenden leidt tot meer werkloosheid. De overige niet-werkenden behoren niet tot de beroepsbevolking omdat ze niet op zoek zijn naar werk of niet beschikbaar zijn. De niet-beroepsbevolking is in de afgelopen maand toegenomen met 124 duizend personen.

Een deel van de niet-beroepsbevolking betreft het zogeheten overig onbenut arbeidspotentieel. Het zijn degenen zonder betaald werk die wel beschikbaar zijn voor werk en niet hebben gezocht, en degenen die wel hebben gezocht en niet beschikbaar zijn. Daarmee wordt een minder strikte afbakening van het arbeidsaanbod gehanteerd om het totale onbenut potentieel onder niet-werkenden weer te geven. De grootte en samenstelling van deze groepen worden alleen per kwartaal gepubliceerd.

UWV: Grote toename WW-uitkeringen in april

Het aantal lopende WW-uitkeringen nam in april flink toe, naar 292 duizend. Dat zijn 42 duizend WW-uitkeringen meer dan in maart (+16,7 procent). Vergeleken met april 2019 nam het aantal WW-uitkeringen toe met 13,5 procent.

UWV: Fors meer nieuwe WW-uitkeringen

UWV registreerde in april bijna 74 duizend nieuwe WW-uitkeringen. Dat is fors meer dan in maart toen er 38 duizend nieuwe WW-uitkeringen bij kwamen. April telde wel één verslagweek meer dan maart. Kijkend naar het gemiddeld aantal nieuwe WW-uitkeringen per week steeg dit van 9,4 duizend per week in maart naar 14,7 duizend per week in april.

In april nam het aantal nieuwe WW-uitkeringen in alle sectoren toe. Sectoren met de grootste toename zijn de schoonmaakbranche, uitzendbedrijven, detailhandel, cultuur en horeca en catering. Daarnaast nam in april het aantal nieuwe WW-uitkeringen toe in alle leeftijdsgroepen, en was de toename het grootst bij de 15- tot 25-jarigen. Het gemiddeld aantal nieuwe WW-uitkeringen per week lag bij de 15-tot 25-jarigen in april 75 procent hoger dan een maand eerder.

Recordafname aantal werkenden door meer baanverliezers en minder baanvinders

De afname van het aantal mensen met werk en de toename van het aantal werklozen zijn een resultaat van onderliggende stromen tussen de werkzame, werkloze en niet-beroepsbevolking. Het onderstaande schema laat de wisselingen tussen de drie arbeidsposities zien. Er waren in april niet alleen meer mensen die hun baan verloren, maar ook minder mensen die startten met werken.

* voorlopige cijfers

Er gingen vooral minder mensen aan de slag die eerder niet tot de beroepsbevolking behoorden. Dit aantal is gedaald van 201 duizend in maart tot 119 duizend in april. Het gaat dan bijvoorbeeld om jongeren die in een (bij)baan startten, terwijl ze eerder niet werkloos waren. Dat wil zeggen: ze waren 3 maanden eerder nog niet op zoek naar werk. Ook het aantal baanvinders dat drie maanden eerder wel werkloos was nam af, van 94 duizend in maart naar 73 duizend in april.

Naast de daling van het aantal baanvinders is er een bijna even grote stijging van het aantal baanverliezers in april. Er was een toename van 222 duizend naar 268 duizend baanverliezers die de arbeidsmarkt verlieten. Dat wil zeggen dat ze, nadat ze geen werk meer hadden, niet op zoek waren naar werk en/of hiervoor niet beschikbaar waren. Daarnaast werden in maart nog 61 duizend mensen werkloos die drie maanden eerder nog werkzaam waren. Ook dit aantal is in april toegenomen en kwam uit op 104 duizend.

Het CBS publiceert maandelijks volgens de internationale richtlijnen over de beroepsbevolking. De bijbehorende indicatoren, de werkzame en werkloze beroepsbevolking, worden wereldwijd gebruikt om de conjuncturele ontwikkelingen op de arbeidsmarkt te beschrijven. Daarbij zijn maandcijfers essentieel. Daarnaast publiceert het UWV maandelijks over het aantal WW-uitkeringen. Deze UWV-cijfers over uitkeringen zijn niet één-op-één vergelijkbaar met de indicatoren over de beroepsbevolking.