Hernieuwbare energie

Het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het totale energieverbruik in Nederland is toegenomen van 1,6 procent in 2000 naar 6,0 procent in 2016. Hernieuwbare energie wordt voornamelijk opgewekt uit biomassa, maar windenergie wordt steeds belangrijker.

Hernieuwbare energie (%)
 Hernieuwbare energie
20001,6
20011,7
20021,9
20031,9
20042,0
20052,5
20062,8
20073,3
20083,6
20094,3
20103,9
20114,5
20124,7
20134,8
20145,5
20155,8
20166,0

Het aandeel hernieuwbare energie is gelijk aan het percentage van het totale bruto energieverbruik uit hernieuwbare bronnen. Tot deze bronnen behoren niet alleen biomassa, wind, aardwarmte en zonne-energie, maar ook waterkracht en warmte uit de buitenlucht.

Kader

Productie van hernieuwbare energie speelt een belangrijke rol in de vergroening van de energiesector en daarmee ook in de energievoorziening van de economie. Hernieuwbare energie zorgt in combinatie met energiebesparing voor een lagere uitstoot van koolstofdioxide. Het verhoogt tevens de energiezekerheid omdat hernieuwbare energie lokaal wordt opgewekt of wordt geïmporteerd uit gebieden waar geen fossiele brandstoffen voorhanden zijn. Hernieuwbare energie is echter wel duurder dan fossiele energie en om de opwekking ervan te stimuleren, is overheidssteun nodig in de vorm van subsidies of verplichtingen.

Analyse

Tussen 2003 en 2009 steeg het aandeel hernieuwbare energie dankzij subsidies voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en de invoering van de verplichting voor brandstofleveranciers om benzine en diesel te mengen met biobrandstoffen. De groei nam af tussen 2010 en 2013, deels vanwege beperkte subsidiemogelijkheden tussen 2006 en 2008 voor nieuwe projecten. De subsidieregeling Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) die in 2008 werd ingevoerd, werd in 2016 omgevormd tot SDE+. Het budget werd nagenoeg verdrievoudigd tot 9 miljard euro en dekt de subsidiebetalingen over de gehele subsidieperiode van de projecten. Het effect van deze stijging is echter niet direct merkbaar omdat de totstandkoming van nieuwe projecten tijd vergt. Het aandeel hernieuwbare energie steeg in 2016 slechts licht van 5,8 procent naar 6,0 procent. De stijging werd ook beperkt door de toename van het energieverbruik. Volgens berekeningen van PBL en ECN in het kader van de Nationale Energieverkenning 2017 (ECN, PBL, CBS en RVO) zouden de huidige en geplande beleidsrichtlijnen die zijn opgenomen in het Energieakkoord kunnen leiden tot een aandeel hernieuwbare energie van 12 procent in 2020 en 17 procent in 2023. Dit zou betekenen dat de doelstelling uit de EU-richtlijn hernieuwbare energie, te weten een aandeel hernieuwbare energie van 14 procent in 2020, niet op tijd zal worden gehaald.

Internationale vergelijking

In Nederland is het aandeel hernieuwbare energie in het totale bruto energieverbruik relatief klein vergeleken met andere Europese landen. Van de 23 EU-landen staat Nederland op de één na laatste plaats. In Nederland wordt 6,0 procent van het totale energieverbruik geproduceerd uit hernieuwbare bronnen (2016). In Zweden is dat 54 procent. Er zijn drie oorzaken aan te wijzen voor de lage score van Nederland. Ten eerste is er weinig waterkracht als gevolg van een langzame stroming in de rivieren. Ten tweede wordt er zelden gebruikgemaakt van hout bij de verwarming van huizen omdat eenvoudigweg de meeste huishoudens zijn aangesloten op het gasnet. Ten derde is de afgelopen jaren (vóór 2016) de overheidssteun voor het gebruik van hernieuwbare energie in andere landen veel royaler geweest dan in Nederland.

Hernieuwbare energie, 2016 (%)
 Hernieuwbare energie
IJsland72,6
Noorwegen69,4
Zweden53,8
Finland38,7
Oostenrijk33,5
Denemarken32,2
Estland28,8
Portugal28,5
Slovenië21,3
Italië17,4
Spanje17,3
Frankrijk16,0
Griekenland15,2
Tsjechië14,9
Duitsland14,8
Hongarije14,2
Slowakije12,0
Polen11,3
Ierland9,5
Verenigd Koninkrijk9,3
België8,7
Nederland6,0
Luxemburg5,4
Bron: Eurostat