© Hollandse Hoogte

Milieuoverdrachten en subsidies

Milieusubsidies door de overheid stegen van 764 miljoen euro in 2005 tot bijna 1,2 miljard euro in 2010. In 2015 was het bedrag gedaald tot ruim 1,0 miljard euro. Het aandeel in de rijksuitgaven lag in de periode 2005-2015 steeds rond 0,6 procent. De milieuoverdrachten daalden van 342 miljoen euro in 2010 naar 295 miljoen euro in 2015. Tezamen beslaan de milieusubsidies en andere milieuoverdrachten tussen 0,7 procent en 0,8 procent van de uitgaven van het rijk.

Milieusubsidies en -overdrachten ( % van de totale overheidsuitgaven)
 MilieusubsidiesMilieu-overdrachten (excl. subsidies)
20050,56
20060,62
20070,55
20080,59
20090,59
20100,62
2011
2012
20130,570,2
20140,570,19
20150,550,16

Milieuoverdrachten omvatten de verschillende inkomens- en kapitaaloverdrachten. Milieusubsidies omvatten alleen de zogenaamde expliciete (of directe) subsidies voor milieubescherming en verbetering van het beheer van natuurlijke hulpbronnen. Het zijn financiële middelen die van de overheid naar bedrijven gaan, dat wil zeggen exclusief fiscale faciliteiten zoals korting op bepaalde belasting. Voor het bepalen van de totale milieuoverdrachten inclusief subsidies wordt sinds het verslagjaar 2013 een vernieuwde gegevensverzameling gebruikt waarmee de richtlijnen van Eurostat voor het opstellen van milieusubsidies en soortgelijke overdrachten worden gevolgd.

Kader

Milieusubsidies zijn belangrijke economische instrumenten van de overheid voor het bereiken van nationale beleidsdoelstellingen op het gebied van milieubescherming en het beheer van natuurlijke hulpbronnen. Milieusubsidies worden gebruikt om een breed scala aan activiteiten en productieprocessen te stimuleren die gericht zijn op het beschermen of voorkomen van schade aan het milieu, efficiënter gebruik van hulpbronnen en bescherming van natuurlijke hulpbronnen door beter beheer.

Analyse

Milieusubsidies en -overdrachten worden gerelateerd aan de verschillende milieuproblemen zoals klimaatverandering of natuurbehoud. In de periode 2013-2015 was meer dan 50 procent van de subsidies bestemd voor energiebesparing en productie van energie uit hernieuwbare bronnen. Van alle productiesectoren was de bedrijfstak die voorziet in de levering van elektriciteit, gas, stoom en airconditioning (SBI D), met een gemiddelde van 45 procent in genoemde periode, voor deze specifieke vorm van subsidie verreweg de meest begunstigde. In de totale milieuoverdrachten, vormt na energiebesparing en productie uit hernieuwbare bronnen, de bescherming van biodiversiteit en landschap, het tweede grote milieudoel in 2013 – 2015. Dit loopt via de "Natuurvisie", een instrument vooral erop gericht om andere belangrijke belanghebbenden bij hun inspanningen voor natuurbehoud te faciliteren. Dit als onderdeel van een ontwikkeling naar meer decentralisatie, voor een transitie in het beleid voor natuurbehoud. Verder om te voldoen aan afspraken die met de andere EU-lidstaten zijn gemaakt over natuurbehoud, onder andere voor de natuur op zee.

De overheid probeert energie-efficiëntie en hernieuwbare energie te promoten en draagt daarmee bij aan de inspanning voor het beperken van klimaatverandering. Grofweg 870 miljoen euro in 2015 was bestemd voor de belangrijkste subsidieregeling, de MEP-subsidie (Milieukwaliteit elektriciteitsproductie) en haar opvolgers de SDE en de SDE+ (Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie), met als doel de stimulering van duurzame energieproductie. Over het algemeen was grofweg een derde van de totale subsidie bestemd voor windenergie, datzelfde gold voor biomassa, twee procent was voor zonnepanelen en ongeveer één procent voor bodem / warmte- en koudeopslag en geothermische energie samen.

Milieu gerelateerde impliciete subsidies (gederfde belastinginkomsten van de overheid vanwege verschillende belastingkortingen) bedroegen 500 miljoen euro in 2014. Deze impliciete subsidies zijn in 2015 echter bijna gehalveerd, voornamelijk als gevolg van de verlaging van de subsidies die werden toegekend aan de invoering van hybride auto's.