Afgestudeerden in het hoger onderwijs

2. Afgestudeerden in het hoger onderwijs in studiejaar 2021/’22

In studiejaar 2021/’22 studeerden 169 duizend studenten af in het hoger onderwijs. Een groot deel van deze afgestudeerden (39 procent) behaalde hun hbo-bachelor, een kleiner deel een universitaire master (30 procent) of bachelor (25 procent). Het aandeel dat een associate degree of een master in het hbo heeft afgerond, is klein: beide 3 procent.

Ruim 3 op de 10 (31 procent) van de afgestudeerden gaf aan een beperking te hebben. Het gaat hierbij om degenen die de vraag of men een of meer fysieke of psychische aandoening(en) of ziekte(s) heeft positief beantwoordden. ADHD, ADD of concentratieproblemen worden het meest genoemd, gevolgd door chronische aandoeningen of ziektes.

Van degenen die aangaven een fysieke of psychische aandoening of ziekte te hebben, hadden bijna 9 op de 10 (88 procent) een vastgestelde diagnose. Dat een diagnose is vastgesteld, komt het vaakst voor onder degenen die aangeven dat ze een chronische aandoening of ziekte hebben, gevolgd door degenen die aangeven dat ze dyslexie, dyscalculie of een taalontwikkelingsstoornis hebben. 

2.1 Aandoeningen of ziektes, afgestudeerden hoger onderwijs, studiejaar 2021/'22
 Gediagnosticeerd (%)Niet gediagnosticeerd (%)Diagnose onbekend (%)
ADHD, ADD of concentratieproblemen6,32,50,2
Chronische aandoening of ziekte7,90,30,1
Psychische aandoening6,60,90,4
Dyslexie, dyscalculie of een taalontwikkelingsstoornis6,80,70,1
Autisme spectrum stoornis (ASS)2,40,60,1
Andere aandoening1,80,20,1
Beperking in zien, horen, bewegen of spreken1,20,20,1
 

Bij een kwart van de afgestudeerden met een aandoening of ziekte belemmerde deze hen redelijk veel of heel veel in hun dagelijkse bezigheden. Dit geldt vooral voor mensen met een psychische aandoening. Van hen gaf 46 procent aan dat het hen belemmert in hun dagelijkse bezigheden. Onder degenen met ADHD, ADD of concentratieproblemen was dat 37 procent. Het aandeel dat zich belemmerd voelt in hun dagelijkse bezigheden was met 11 procent het kleinst onder degenen die aangeven dyslexie, dyscalculie of een taalontwikkelingsstoornis te hebben. 

Bijna een derde (32 procent) van de afgestudeerden met een ziekte of aandoening gaf aan dat deze aandoening of ziekte hen redelijk veel of heel veel belemmerde bij hun studie. Dit geldt voor de helft van de afgestudeerden met een psychische aandoening (51 procent) en de helft van degenen met ADHD, ADD of concentratieproblemen (51 procent). Onder de afgestudeerden met een belemmering die werk hadden, gaf 16 procent aan dat hun beperking hen (redelijk of heel) veel hinderde bij het uitvoeren van hun werk. 

2.2 Belemmeringen door aandoeningen of ziektes, afgestudeerden hoger onderwijs, studiejaar 2021/'22
 Dagelijkse bezigheden (% van afgestudeerden met aandoening of ziekte¹⁾)Studie (% van afgestudeerden met aandoening of ziekte¹⁾)Werk (% van afgestudeerden met aandoening of ziekte¹⁾)
Totaal25,232,315,8
Psychische aandoening46,450,526,7
ADHD, ADD of concentratieproblemen37,35124,2
Autisme spectrum stoornis (ASS)27,132,415,7
Chronische aandoening of ziekte22,826,512,4
Beperking in zien, horen, bewegen of spreken192312,7
Dyslexie, dyscalculie of een taalontwikkelingsstoornis11,126,810
Andere aandoening35,934,827,4
¹⁾ Belemmeringen in het werk betreffen uitsluitend afgestudeerden met een betaalde baan.

Van alle afgestudeerden in het hoger onderwijs in studiejaar 2021/’22 had ruim een kwart (27 procent) een migratieachtergrond. De grootste groep van degenen met een migratieachtergrond bestond uit afgestudeerden met een Duitse achtergrond, hierbij gaat het voor het merendeel om mensen die in Duitsland geboren zijn (eerste generatie). Zij worden in omvang gevolgd door afgestudeerden met een Turkse of Surinaamse achtergrond, bij hen gaat het vooral om kinderen van migranten (de tweede generatie), die in Nederland zijn geboren. 

In hun onderzoek naar ervaren discriminatie heeft het Sociaal en Cultureel Planbureau specifiek aandacht besteed aan personen met een Turkse, Surinaamse, Marokkaanse, Antilliaanse en Midden- of Oost-Europese (uit de zogenoemde MOE-landen) achtergrond (SCP; 2020). Conclusie van het SCP was dat deze groepen juist vanwege hun etnisch-culturele achtergrond te maken (kunnen) hebben met discriminatie. Van de afgestudeerden in het hoger onderwijs behoorde 8 procent tot deze onderscheiden groep. 

Personen die een opleiding in het hoger onderwijs volgen en van wie beide ouders geen opleiding op dit niveau hebben afgerond, worden eerstegeneratiestudenten genoemd. In dit onderzoek gaat het alleen om de opleiding van de ouder met het hoogst behaalde onderwijsniveau. In studiejaar 2021/’22 ging het om 32 procent van de afgestudeerden. Van iets minder dan de helft, 44 procent, van de eerstegeneratiestudenten heeft de ouder een mbo-diploma. Bijna 17 procent heeft een mavo-diploma en een vergelijkbaar deel een havo- of vwo-diploma. 

Afgestudeerden in het hoger onderwijs met een beperking behaalden vaker een hbo bachelor dan degenen zonder een beperking. Ditzelfde geldt voor eerstegeneratiestudenten vergeleken met afgestudeerden waarvan de ouders zelf een diploma in het hoger onderwijs hebben behaald en voor degenen met een Nederlandse achtergrond vergeleken met degenen met een ‘overige’ migratieachtergrond. 

2.3 Afgestudeerden in het hoger onderwijs, studiejaar 2021/'22
   Associate degree (%)HBO bachelor (%)WO bachelor (%)HBO master (%)WO master (%)
Totaal3,341,624,52,727,9
BeperkingMet3,345,824,82,323,8
BeperkingZonder3,339,724,2329,8
MigratieachtergrondNederlandse achtergrond3,94522,62,725,9
MigratieachtergrondSelectie3,641,630,91,622,4
MigratieachtergrondOverig1,22928,83,237,8
Onderwijsniveau oudersLaag7,251,615,64,421,3
Onderwijsniveau oudersMiddelbaar4,151,718,43,122,7
Onderwijsniveau oudersHoog2,635,528,52,331,1

Een derde van degenen die in studiejaar 2021/’22 afstudeerden, volgde na het behalen van hun diploma opnieuw een opleiding of cursus. Dit was vooral gebruikelijk onder de afgestudeerden met een universitaire bachelor (78 procent). Onder degenen met een associate degree begon 31 procent opnieuw een opleiding. Bij de hbo bachelors en universitaire masters ging het om lagere percentages, respectievelijk 22 en 13.

Van de afgestudeerden die op het moment van bevraging geen opleiding volgden, hadden ruim 3 op de 10 (31 procent) wel plannen om in de komende twaalf maanden weer te gaan studeren. Dit gold met name voor degenen met een universitaire bachelor: 59 procent. Bijna de helft van de afgestudeerden met plannen voor een vervolgstudie wilde een studie van zes maanden of langer oppakken (47 procent), een iets kleiner deel een korte opleiding of cursus (44 procent).