Achtergrondkenmerken van jongeren met jeugdzorg

3. Relevante achtergrondkenmerken

Op basis van ervaring en expertise binnen het CBS, is een groslijst opgesteld van mogelijk relevante achtergrondkenmerken om te onderzoeken. Een belangrijke randvoorwaarde daarbij is uiteraard dat het CBS moet beschikken over de betreffende data. Voor het opstellen van de groslijst is ook gekeken naar eerdere relevante publicaties van het CBS (zie bijlage 2). Deze groslijst is vervolgens getoetst bij, en aangevuld door, een expert bij het Nederlands Jeugd Instituut en ook voorgelegd aan de betrokken beleidsmedewerkers van het ministerie van VWS, het ministerie van JenV en de VNG.

Op basis daarvan is de onderstaande lijst met kenmerken tot stand gekomen die zijn onderzocht, zie bijlage 1 voor een beschrijving van elk kenmerk:

Demografische kenmerken

  • Geslacht kind
  • Leeftijd kind
  • Kind in Nederland geboren (ja/nee) 
  • Aantal ouders in buitenland geboren, uitgesplitst naar enkele veel voorkomende landen
  • Stedelijkheidsgraad woongemeente van huishouden
  • Woonprovincie van het huishouden
  • Inkomensongelijkheid in buurt huishouden
  • Afstand tot voorzieningen in buurt huishouden

Huishoudenssituatie

  • Beide juridische ouders behoren tot hetzelfde huishouden
  • Huishoudtype (tweeouder, eenouder, overig)
  • Aantal verhuisbewegingen huishouden in laatste 3 jaar
  • Leeftijd moeder bij geboorte 1e kind

Onderwijs

  • Speciaal onderwijs kind
  • Voortijdig schoolverlaten kind in laatste 3 jaar
  • Opleidingsniveau kind

Financieel welbevinden

  • Huishoudinkomen
  • Vermogen van het huishouden
  • Belangrijkste inkomensbron van het huishouden 
  • Wanbetaler zorgverzekeringswet in het huishouden in laatste 3 jaar
  • Traject in het kader van Wet Schuldsanering Natuurlijk Persoon (WSNP) in het huishouden in laatste 3 jaar

Zorggebruik

  • GGZ-zorg en/of GGZ-medicatie in het huishouden in laatste 3 jaar
  • Wlz- en Wmo-gebruik in het huishouden in laatste 3 jaar
  • LVB-registratie in het huishouden

Criminaliteit

  • Halt-traject bij jongere in laatste 3 jaar
  • Registratie als verdachte in het huishouden laatste 3 jaar
  • Registratie als verdachte van geweldsmisdrijf in het huishouden in laatste 3 jaar
  • Registratie van slachtofferschap in het huishouden in laatste 3 jaar
  • Registratie van slachtofferschap van geweldsmisdrijf in het huishouden in laatste 3 jaar

Bij de start van dit onderzoek, was 2021 het meest recente jaar waarover jeugdzorg gegevens volledig beschikbaar waren. De onderzoekspopulatie bestaat daarom uit alle jongeren tot en met 22 jaar die op 31 december 2021 stonden ingeschreven op een Nederlands adres in de Basisregistratie Personen (BRP). De bovenstaande achtergrondkenmerken waren op dat moment bij het CBS niet allemaal al beschikbaar over 2021. Voor sommige bronnen was het meest recent beschikbare jaar op dat moment slechts 2019. Om die reden is gekozen om alle achtergrondkenmerken te bepalen in 2019, zo kan ook de onderlinge samenhang tussen de kenmerken het meest zuiver in kaart gebracht worden. Voor kenmerken waarbij naar de laatste 3 jaar wordt gekeken, is gekeken naar de jaren 2017 tot en met 2019.

Veel van bovenstaande kenmerken zijn kenmerken van het huishouden. Voor elke jongere in 2021, moest dan ook eerst een huishouden bepaald worden waarvoor deze kenmerken in 2019 in kaart worden gebracht. Bij jeugdhulp met verblijf en jeugdbescherming komt het vaak voor dat de jongere niet bij de (juridische) ouders staat ingeschreven in de BRP. Voor dit onderzoek is het echter wel de bedoeling om te kijken naar het ‘ouderlijk’ huishouden waar de jongere vandaan komt en niet naar bijvoorbeeld het pleeggezin waar de jongere volgens de BRP woont op het moment van zorg. 
Voor elke jongere in 2021 is daarom een huishouden op 1-1-2019 bepaald volgens de volgende beslisboom:

  1. Het huishouden waar beide juridische ouders samen wonen volgens BRP
  2. Indien de juridische ouders niet meer bij elkaar wonen: het huishouden van de ouder bij wie de jongere woont volgens BRP.
  3. Indien de juridische ouders niet meer bij elkaar wonen en de jongere niet bij een van de juridische ouders woont volgens BRP: het huishouden van de moeder.
  4. Indien het huishouden van de moeder in zo’n geval onbekend is: het huishouden van de vader
  5. Als er in bovenstaande stappen geen huishouden gevonden kan worden en er is wel een huishouden bekend waar het kind volgens BRP staat ingeschreven, dan wordt dat huishouden gekozen.

Voor 4 procent van de jongeren tot 23 jaar kon op basis van bovenstaande beslisboom geen enkel huishouden gevonden worden óf een huishouden waarvan niet alle achtergrondkenmerken bekend waren (van ongeveer 1 procent van alle huishoudens in Nederland zijn geen gegevens over inkomen bekend; van deze groep huishoudens ontbreken doorgaans ook andere kenmerken op financieel-economisch gebied). Deze jongeren zijn niet meegenomen in het verdere onderzoek. 

In de rest van dit hoofdstuk worden bovenstaande kenmerken in kaart gebracht voor vijf populaties:

  • Jongeren zonder jeugdzorg in 2021
  • Jongeren met jeugdhulp zonder verblijf in 2021
  • Jongeren met jeugdhulp met verblijf in 2021
  • Jongeren met jeugdbescherming in 2021
  • Jongeren met jeugdreclassering in 2021

Jongeren die meerdere van de bovenstaande vormen van jeugdzorg hebben ontvangen in 2021, tellen mee bij elke vorm van jeugdzorg die ze hebben ontvangen. Met name de groepen jeugdhulp met verblijf en jeugdbescherming vertonen daardoor veel overlap. Iets minder dan de helft van de jongeren met jeugdbescherming krijgt ook jeugdhulp met verblijf (en andersom).

3.1 Demografische kenmerken

In tabel 3.1.1 is te zien dat jongens fors oververtegenwoordigd zijn in de jeugdreclassering, bij de andere vormen van jeugdzorg is het aandeel jongens slechts iets hoger dan in de groep jongeren zonder jeugdzorg. Jeugdhulp zonder én met verblijf is gericht op jongeren van 0 tot 18 jaar, waarbij uitloop tot 23 jaar mogelijk is. In 2018 hebben Rijk en gemeenten een bestuurlijke afspraak gemaakt dat bij sommige vormen van jeugdhulp (met name bij pleegzorg, een vorm van jeugdhulp met verblijf) de jeugdhulp in principe doorloopt tot 21 jaar, tenzij er eerder gestopt kan worden. Jeugdbescherming stopt per definitie als de jongere 18 jaar wordt en jeugdreclassering kan pas vanaf 12 jaar worden opgelegd en is gericht op jongeren tot 23 jaar, waarbij het in sommige gevallen ook mogelijk is om jeugdreclassering op te leggen aan jongeren van 23 jaar en ouder. In tabel 3.1.1 is te zien dat jeugdhulp en jeugdbescherming relatief gezien minder vaak voorkomt in de jongste leeftijdsgroep. De kleine aandelen jongeren van 18 jaar en ouder met jeugdbescherming en van jonger dan 12 jaar bij jeugdreclassering worden veroorzaakt door administratieve ruis rondom geboortedatums in de bestanden van CBS en de begin-/einddatums van de jeugdzorgtrajecten.

3.1.1 Demografische kenmerken van jongeren tot 23 jaar in 2021 met en
zonder jeugdzorg
KenmerkZonder jeugdzorgJeugdhulp zonder verblijfJeugdhulp met verblijfJeugd beschermingJeugd reclassering
Aantal jongeren3 986 060413 56941 26739 4037 519
Geslacht (%)Man50,854,853,352,785,6
Geslacht (%)Vrouw49,245,246,747,314,4
Leeftijd (%)0 tot 420,06,17,511,70,0
Leeftijd (%)4 tot 1230,450,233,845,70,1
Leeftijd (%)12 tot 1824,440,749,142,259,8
Leeftijd (%)18 tot 2325,22,99,60,540,2

3.2 Herkomst

In tabel 3.2.1 is te zien dat het overgrote deel van de jongeren tot 23 jaar in Nederland is geboren. Het aandeel jongeren dat niet in Nederland is geboren is het hoogst bij jongeren met jeugdreclassering (11 procent), gevolgd door jeugdbescherming en jeugdhulp met verblijf (beiden 6 procent). Bij jongeren met jeugdhulp zonder verblijf en bij jongeren zonder enige vorm van jeugdzorg is dit 5 procent. Vervolgens is per jongere gekeken naar het aantal ouders dat in het buitenland is geboren. Als een of twee ouders in het buitenland zijn geboren, is dit verder uitgesplitst naar een aantal veel voorkomende landen (conform de nieuwe herkomstindeling van het CBS). Als beide ouders in het buitenland zijn geboren is hierbij gekeken naar het geboorteland van de moeder. Tenzij de moeder in Nederland is geboren of het geboorteland van de moeder onbekend is. In die gevallen is gekeken naar het geboorteland van de vader. 
Bij jeugdhulp zonder verblijf is er een ondervertegenwoordiging te zien van jongeren met één of twee ouders uit Turkije of twee ouders uit Marokko, Europa of uit overige delen van de wereld. Ook is er bij deze vorm van jeugdhulp een lichte oververtegenwoordiging van jongeren met één of twee ouders uit Nederlandse Cariben en van jongeren met één ouder uit Europa, Suriname of overige delen van de wereld. Bij jeugdhulp met verblijf is er een ondervertegenwoordiging van jongeren met één of twee ouders uit Turkije of twee ouders uit Marokko en een oververtegenwoordiging van jongeren met één of twee ouders uit Suriname of Nederlandse Cariben en van één ouder uit overige landen van de wereld. Bij jeugdbescherming is er een ondervertegenwoordiging van jongeren met één of twee ouders uit Turkije of twee ouders uit Marokko en een oververtegenwoordiging van de meeste andere herkomstlanden met uitzondering van Indonesië. Bij jeugdreclassering is er een oververtegenwoordiging te zien van bijna alle herkomstlanden, met uitzondering van één buitenlandse ouder uit Europa of één of twee ouders uit Indonesië.

3.2.1 Herkomst van jongeren tot 23 jaar in 2021 met en zonder
jeugdzorg
KenmerkZonder jeugdzorgJeugdhulp zonder verblijfJeugdhulp met verblijfJeugd beschermingJeugd reclassering
Aantal jongeren 3 986 060 413 569 41 267 39 403 7 519
In NL geboren (%)Ja95,295,194,494,289,4
In NL geboren (%)Nee4,84,95,65,810,6
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Nul74,376,172,067,547,5
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Eén - Europa (excl NL, Turkije)3,63,93,64,33,1
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Eén- Turkije1,20,90,71,01,8
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Eén- Marokko1,11,11,01,42,4
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Eén- Suriname0,91,11,61,82,4
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Eén-Nederlandse Cariben0,60,81,61,61,5
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Eén-Indonesië0,40,30,30,30,4
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Eén- Overig3,33,63,74,43,6
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Eén- Onbekend land0,20,40,90,70,6
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Twee - Europa (excl Turkije)2,72,22,63,33,9
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Twee- Turkije1,70,90,60,83,8
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Twee- Marokko2,61,91,21,69,4
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Twee- Suriname0,90,81,91,64,2
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Twee-Nederlandse Cariben0,50,82,21,93,9
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Twee-Indonesië0,10,10,10,00,1
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Twee- Overig6,05,16,07,811,6
Aantal ouders in buitenland geboren (%)Twee- Onbekend land0,00,00,00,00,0

3.3 Omgevingskenmerken

In tabel 3.3.1 is te zien dat jongeren met jeugdreclassering vaker in zeer sterk stedelijke gemeenten wonen dan jongeren zonder jeugdzorg en jongeren met jeugdhulp of jeugdbescherming. Ook komen zij vaker uit Zuid-Holland. In vergelijking met jongeren zonder jeugdzorg komen jongeren met jeugdbescherming iets vaker uit Groningen, Friesland, Overijssel en Limburg. Jongeren met jeugdhulp met verblijf komen iets vaker uit Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Limburg. Jongeren met jeugdhulp zonder verblijf komen wat vaker uit Gelderland, Utrecht en Limburg. 
De inkomensongelijkheid in een buurt wordt weergegeven in de vorm van een gini-coëfficient. De gini-coëfficiënt is een getal tussen 0 en 1. De waarde 0 komt overeen met totale gelijkheid: ieder huishouden in de buurt heeft exact hetzelfde inkomen. De waarde 1 komt overeen met totale ongelijkheid: één huishouden verdient al het inkomen in de hele buurt, alle andere huishoudens in de buurt hebben geen inkomen. In de tabel is te zien dat het huishouden van jongeren met jeugdzorg zich iets vaker bevindt in wijken waar er minder verschil is in de huishoudinkomens in de wijk. Als laatste is gekeken naar de gemiddelde afstand tot de volgende typen voorzieningen: warenhuis, cafetaria e.d., bibliotheek, zwembad, bioscoop en attractie. Hier is te zien dat deze gemiddelde afstand het kleinst is bij jongeren met jeugdreclassering, gevolgd door jongeren met jeugdhulp met verblijf of jeugdbescherming. Voor jongeren met jeugdhulp zonder verblijf wijkt deze gemiddelde afstand niet veel af van de jongeren zonder enige vorm van jeugdzorg. 

3.3.1 Omgevingskenmerken van jongeren tot 23 jaar in 2021 met en
zonder jeugdzorg
KenmerkZonder jeugdzorgJeugdhulp zonder verblijfJeugdhulp met verblijfJeugd beschermingJeugd reclassering
Aantal jongeren3 986 060413 56941 26739 4037 519
Stedelijkheidsgraad (%)Zeer sterk24,424,625,025,938,4
Stedelijkheidsgraad (%)Sterk30,632,535,235,132,9
Stedelijkheidsgraad (%)Matig15,415,414,013,911,0
Stedelijkheidsgraad (%)Weinig22,120,519,318,813,5
Stedelijkheidsgraad (%)Niet7,56,96,66,24,2
Stedelijkheidsgraad (%)Onbekend0,00,00,00,00,0
Provincie (%)Groningen3,03,54,93,94,4
Provincie (%)Friesland3,83,74,94,93,1
Provincie (%)Drenthe2,83,13,62,73,3
Provincie (%)Overijssel7,26,49,38,46,9
Provincie (%)Flevoland2,82,73,13,23,4
Provincie (%)Gelderland12,112,612,712,49,1
Provincie (%)Utrecht8,39,05,86,76,5
Provincie (%)Noord-Holland16,316,013,413,516,1
Provincie (%)Zuid-Holland21,820,420,322,127,3
Provincie (%)Zeeland2,12,32,92,52,2
Provincie (%)Noord-Brabant14,314,111,912,511,7
Provincie (%)Limburg5,36,37,37,16,0
Provincie (%)Onbekend0,00,00,00,00,0
Inkomensongelijkheid buurt (%)Ginicoëfficiënt 0 t/m 0.27,08,210,59,79,3
Inkomensongelijkheid buurt (%)Ginicoëfficiënt 0.2 t/m 0.355,256,861,161,667,6
Inkomensongelijkheid buurt (%)Ginicoëfficiënt 0.3 t/m 0.47,66,65,15,06,1
Inkomensongelijkheid buurt (%)Ginicoëfficiënt 0.4 t/m 0.51,51,20,50,50,6
Inkomensongelijkheid buurt (%)Ginicoëfficiënt groter dan 0.50,60,40,20,20,2
Inkomensongelijkheid buurt (%)Ginicoefficient onbekend28,126,922,623,016,1
Gemiddelde afstand tot voorzieningen (km)3,33,23,03,02,7

3.4 Huishoudenssituatie

In tabel 3.4.1 is te zien dat de (juridische) ouders van jongeren met jeugdzorg vaker niet meer bij elkaar wonen dan bij jongeren zonder jeugdzorg. Bij 78 procent van de jongeren zonder jeugdzorg wonen de juridische ouders nog bij elkaar in hetzelfde huishouden, bij jongeren met jeugdzorg loopt dit uiteen van 65 procent bij jeugdhulp zonder verblijf tot 23 procent bij jeugdbescherming. Als de juridische ouders niet meer bij elkaar wonen, wil dat niet zeggen dat de jongere per definitie in een eenouderhuishouden woont. De jongere kan in een huishouden wonen met een van de ouders en diens nieuwe partner. 15 procent van de jongeren zonder jeugdzorg woont in een eenouderhuishouden, bij jongeren met jeugdzorg is dit percentage hoger: 25 procent bij jeugdhulp zonder verblijf, 35 procent bij jeugdhulp met verblijf, 46 procent bij jeugdbescherming en 51 procent bij jeugdreclassering. Het woord ‘wonen’ is bij jeugdhulp met verblijf en jeugdbescherming niet altijd letterlijk van toepassing. Het gaat om het huishoudtype van het ‘ouderlijk’ huishouden zoals dat met de eerder genoemde beslisboom is bepaald. Jongeren die jeugdhulp met verblijf krijgen wonen zelf op dat moment niet, of niet de gehele tijd, in dit huishouden. Het aandeel van de categorie ‘type huishouden: anders’ is vrij hoog bij jeugdhulp met verblijf en jeugdbescherming. Dit zijn onder andere gevallen waarbij de jongere in 2019 niet meer bij een van de ouders stond ingeschreven in de BRP en er ook geen andere juridische kinderen van de ouder(s) meer in het huishouden van de ouder(s) stonden ingeschreven. 
Jongeren met jeugdzorg in 2021 zijn in de periode 2017 t/m 2019 vaker verhuisd dan jongeren zonder jeugdzorg, afgaande op adreswijzigingen in de BRP van de jongere zelf. Het percentage jongeren dat 2 keer of vaker is verhuisd in deze jaren, is het hoogst voor jongeren met jeugdbescherming (20 procent), jeugdreclassering (18 procent) en jeugdhulp met verblijf (17 procent). Ook jongeren met jeugdhulp zonder verblijf zijn iets vaker 2 keer of meer verhuisd dan jongeren zonder jeugdzorg (respectievelijk 7 en 5 procent). Verder is te zien dat de moeders van jongeren met jeugdhulp met verblijf, jeugdbescherming en jeugdreclassering vaker jonger waren bij de geboorte van hun eerste kind dan moeders van kinderen met jeugdhulp zonder verblijf of zonder jeugdzorg. Bij ruim een kwart van de jongeren met jeugdhulp met verblijf, jeugdbescherming of jeugdreclassering was de moeder bij de geboorte van haar eerste kind jonger dan 20 jaar, bij jongeren zonder jeugdzorg is dit bij 7 procent het geval.

3.4.1 Huishoudenssituatie van jongeren tot 23 jaar in 2021 met en
zonder jeugdzorg
KenmerkZonder jeugdzorgJeugdhulp zonder verblijfJeugdhulp met verblijfJeugd beschermingJeugd reclassering
Aantal jongeren 3 986 060 413 569 41 267 39 403 7 519
Ouders wonen in hetzelfde huishouden (%)Ja77,965,128,422,533,5
Ouders wonen in hetzelfde huishouden (%)Nee22,134,971,677,566,5
Type huishouden (%)Paar met kinderen78,171,337,131,943,9
Type huishouden (%)Eenouderhuishouden14,725,334,846,050,6
Type huishouden (%)Anders7,23,428,122,15,5
Aantal keer verhuisd (%)Nul79,773,157,352,063,2
Aantal keer verhuisd (%)Eén15,820,025,828,018,5
Aantal keer verhuisd (%)Twee3,65,110,612,49,1
Aantal keer verhuisd (%)Drie of meer0,91,76,37,69,3
Leeftijd moeder bij geboorte 1e kind (%)15 tot 206,79,927,928,628,7
Leeftijd moeder bij geboorte 1e kind (%)20 tot 2522,425,432,834,433,5
Leeftijd moeder bij geboorte 1e kind (%)25 tot 3040,936,222,121,721,8
Leeftijd moeder bij geboorte 1e kind (%)30 tot 3524,021,611,29,810,5
Leeftijd moeder bij geboorte 1e kind (%)35 tot 405,05,73,63,12,8
Leeftijd moeder bij geboorte 1e kind (%)40 tot 450,50,60,60,50,3
Leeftijd moeder bij geboorte 1e kind (%)45 en ouder0,50,61,91,92,4

3.5 Onderwijs

In tabel 3.5.1 is te zien dat het aandeel jongeren met speciaal onderwijs het hoogst is bij jongeren met jeugdreclassering (25 procent) en jeugdhulp met verblijf (22 procent). Ook bij jeugdbescherming (15 procent) en jeugdhulp zonder verblijf (8 procent) komt speciaal onderwijs vaker voor dan bij jongeren zonder jeugdzorg (1 procent). Bij jongeren met jeugdreclassering is het aandeel voortijdig schoolverlaters ook erg hoog (15 procent) in vergelijking met de andere groepen waar dit hooguit enkele procenten is. Hierbij moet in het achterhoofd worden gehouden dat een substantieel deel van de jongeren met jeugdreclassering vanwege schoolverzuim via de leerplichtambtenaar in aanraking komt met jeugdreclassering. Als gekeken wordt naar het hoogst gevolgde opleidingsniveau van jongeren (in de driedeling hoog-middel-laag), hangen de verschillen tussen de groepen deels samen met leeftijd. Jongeren met een hoog opleidingsniveau (te weten HBO of WO) zijn doorgaans 17 of 18 jaar oud. Jeugdbescherming stopt per definitie zodra de jongere 18 jaar wordt en ook jeugdhulp is primair gericht op jongeren tot 18 jaar. Het relatief lage aandeel jongeren met een laag opleidingsniveau (waaronder basisonderwijs) bij jeugdreclassering in vergelijking met de andere jeugdzorgvormen, komt omdat jeugdreclassering pas kan worden opgelegd bij jongeren vanaf 12 jaar. Bij jeugdhulp en jeugdbescherming is het aandeel met een laag opleidingsniveau hoger dan in de groep zonder jeugdzorg. Hierbij speelt mee dat het aandeel 0 tot 12-jarigen, die bijna allemaal nog op de basisschool zitten en daardoor per definitie een laag opleidingsniveau hebben, bij deze jeugdzorgvormen ook hoger is dan in de groep zonder jeugdzorg. 

3.5.1 Onderwijskenmerken van jongeren tot 23 jaar in 2021 met en
zonder jeugdzorg
KenmerkZonder jeugdzorgJeugdhulp zonder verblijfJeugdhulp met verblijfJeugd beschermingJeugd reclassering
Aantal jongeren3 986 060413 56941 26739 4037 519
Speciaal onderwijs (%)1,08,422,315,124,5
Voortijdig schoolverlater (%)1,70,61,70,415,5
Hoogst gevolgde opleiding (%)Laag62,692,088,294,277,6
Hoogst gevolgde opleiding (%)Middel18,86,28,51,821,4
Hoogst gevolgde opleiding (%)Hoog8,80,20,30,00,3
Hoogst gevolgde opleiding (%)Onbekend9,81,63,03,90,7

3.6 Financieel welbevinden

In tabel 3.6.1 is te zien dat jongeren met jeugdzorg vaker te maken hebben met een laag huishoudinkomen dan jongeren zonder jeugdzorg. Ruim de helft van de jongeren met jeugdbescherming en jeugdhulp met verblijf en de helft van de jongeren met jeugdreclassering heeft te maken met een huishoudinkomen dat valt in de laagste 20 procent inkomens. Bij jongeren zonder jeugdzorg is dit 17 procent. Ook bij jeugdhulp zonder verblijf is het aandeel van de laagste inkomensgroep iets hoger, 27 procent. Jongeren met jeugdzorg hebben ook vaker te maken met een negatief huishoudvermogen. Het aandeel negatieve huishoudvermogens loopt uiteen van 46 procent bij jeugdbescherming tot 25 procent bij jeugdhulp zonder verblijf. Bij jongeren zonder jeugdzorg is het aandeel negatieve huishoudvermogens 18 procent. Kijkend naar de belangrijkste inkomensbron van het huishouden is te zien dat bij jongeren met jeugdzorg de belangrijkste inkomensbron van het huishouden vaker een uitkering is en minder vaak inkomen als werknemer of uit een eigen bedrijf. Dit is met name het geval bij jeugdhulp met verblijf, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Bij 5 procent van de jongeren met jeugdhulp met verblijf en jeugdbescherming zit iemand in het huishouden in de schuldsanering. Bij jeugdreclassering is dit 4 procent, bij jeugdhulp zonder verblijf 2 procent en bij jongeren zonder jeugdzorg minder dan 1 procent. Bij 28 procent van de jongeren met jeugdbescherming is iemand in het huishouden wanbetaler voor de Zwv-zorgpremie. Bij jeugdhulp met verblijf en jeugdreclassering is dit ruim 20 procent en bij jeugdhulp zonder verblijf 8 procent. Bij jongeren zonder jeugdzorg is dit 4 procent.

3.6.1 Financieel welbevinden van huishoudens van jongeren tot 23 jaar
in 2021 met en zonder jeugdzorg
KenmerkZonder jeugdzorgJeugdhulp zonder verblijfJeugdhulp met verblijfJeugd beschermingJeugd reclassering
Aantal jongeren3 986 060413 56941 26739 4037 519
Huishoudinkomen (%)Laagste kwintiel16,627,159,066,050,3
Huishoudinkomen (%)2e kwintiel15,219,318,317,020,7
Huishoudinkomen (%)3e kwintiel22,122,011,59,214,6
Huishoudinkomen (%)4e kwintiel23,517,86,94,78,4
Huishoudinkomen (%)Hoogste kwintiel22,613,74,33,26,1
Huishoudinkomen (%)Onbekend0,00,00,00,00,0
Vermogen (%)Negatief18,224,841,446,041,5
Vermogen (%)Tussen 0 en 50.000 euro25,931,340,739,638,6
Vermogen (%)Meer dan 50.000 euro55,643,617,113,519,6
Vermogen (%)Onbekend0,20,30,80,90,3
Belangrijkste inkomensbron (%)Werknemer73,468,142,037,349,9
Belangrijkste inkomensbron (%)Eigen bedrijf16,713,55,76,39,3
Belangrijkste inkomensbron (%)WW-uitkering0,40,60,81,10,9
Belangrijkste inkomensbron (%)Bijstandsuitkering5,611,939,943,530,0
Belangrijkste inkomensbron (%)AO-uitkering2,23,97,98,16,5
Belangrijkste inkomensbron (%)Overig1,82,03,63,73,4
Schuldsanering (%)0,71,85,35,33,8
Wanbetaler Zvw (%)4,37,724,327,821,3

3.7 Zorggebruik

In tabel 3.7.1 is te zien dat bij jongeren met jeugdzorg vaker GGZ-zorg wordt gebruikt en/of GGZ-medicatie is verstrekt in het huishouden dan bij jongeren zonder jeugdzorg. Dit is in sterkere mate zo bij jeugdhulp met verblijf (71 procent) en jeugdbescherming (67 procent) dan bij jeugdreclassering (58 procent) en jeugdhulp zonder verblijf (55 procent). Bij jongeren zonder jeugdzorg is dit 33 procent. 
Ditzelfde patroon is te zien bij Wmo- en/of Wlz-zorg in het huishouden. Bij jeugdhulp met verblijf en jeugdbescherming komt Wmo en/of Wlz-zorg in het huishouden het vaakst voor (bij meer dan 40 procent), gevolgd door jeugdreclassering (ruim 20 procent) en jeugdhulp zonder verblijf (15 procent). 
Bij 7 procent van de jongeren met jeugdhulp met verblijf of jeugdbescherming heeft iemand in het huishouden een LVB-indicatie. Bij jeugdreclassering en jeugdhulp zonder verblijf ligt dit percentage rond 1,5 procent, wat ook nog hoger is dan bij jongeren zonder jeugdzorg (0,5 procent). 

3.7.1 Zorggebruik in huishoudens van jongeren tot 23 jaar in 2021 met
en zonder jeugdzorg
KenmerkZonder jeugdzorgJeugdhulp zonder verblijfJeugdhulp met verblijfJeugd beschermingJeugd reclassering
Aantal jongeren3 986 060413 56941 26739 4037 519
Gebruik GGZ (%)33,255,170,966,857,5
Gebruik Wmo en/of Wlz (%)5,714,745,643,022,9
LVB indicatie (%)0,51,47,26,91,8

3.8 Criminaliteit

In tabel 3.8.1 is te zien dat jongeren met jeugdreclassering veel vaker in aanraking komen met bureau HALT dan jongeren zonder jeugdzorg (respectievelijk 27 procent en 1 procent). Dit aandeel is bij jongeren met jeugdhulp met verblijf (4 procent) en jeugdbescherming (3 procent) ook iets hoger dan bij jongeren zonder jeugdzorg. Het aandeel jongeren dat in het huishouden te maken heeft met een verdachte van een misdrijf is het hoogst bij jongeren met jeugdreclassering, 63 procent. Ook bij jongeren met jeugdbescherming (31 procent) of jeugdhulp met verblijf (25 procent) is dit percentage veel hoger dan bij jongeren zonder jeugdzorg (6 procent). Het percentage jongeren dat in het huishouden te maken heeft met een slachtoffer van een misdrijf is het hoogst bij jongeren met jeugdreclassering (50 procent), gevolgd door jeugdbescherming (47 procent) en jeugdhulp met verblijf (39 procent). Bij jongeren met jeugdhulp zonder verblijf (29 procent) en bij jongeren zonder jeugdzorg (26 procent) is dit percentage lager.

3.8.1 Criminaliteit in huishoudens van jongeren tot 23 jaar in 2021 met
en zonder jeugdzorg
KenmerkZonder jeugdzorgJeugdhulp zonder verblijfJeugdhulp met verblijfJeugd beschermingJeugd reclassering
Aantal jongeren3 986 060413 56941 26739 4037 519
HALT (%)0,91,13,62,626,9
Verdachte misdrijf (%)6,29,025,231,262,2
Verdachte geweldsmisdrijf (%)1,83,411,516,128,3
Slachtoffer misdrijf (%)25,528,538,747,449,2
Slachtoffer geweldsmisdrijf (%)4,18,220,530,322,7