Pilot-onderzoek naar het opzetten van een afzetregister voor biociden in Nederland
Over deze publicatie
Het CBS heeft in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een pilot-onderzoek uitgevoerd naar het opzetten van een afzetregister biociden in Nederland. Dit is een vervolg op een eerdere dataverkenning die het CBS in 2023/2024 heeft uitgevoerd (https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistische-diensten/2024/het-opzetten-van-een-nieuw-register-over-de-afzet-van-biociden-in-nederland). De belangrijkste conclusie uit het pilot-onderzoek is dat het mogelijk is om een afzetregister voor biociden in Nederland op te zetten. Daarnaast benoemt het rapport de bevindingen die van belang zijn bij het opzetten van het afzetregister.
1. Samenvatting
Het is onbekend hoeveel biociden in Nederland worden gebruikt om ongewenste organismen te bestrijden. Dit bemoeilijkt het inschatten van de risico’s voor onze leefomgeving en gezondheid. Het is daardoor lastig om beleidsinspanningen te prioriteren. Ook voor toezicht en handhaving is meer kennis nodig over de hoeveelheden biociden die in Nederland rondgaan.
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft daarom aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de opdracht gegeven om een pilot-onderzoek uit te voeren over het mogelijk opzetten van een afzetregister biociden. Dit is een vervolg op een eerdere dataverkenning die het CBS in 2023/2024 heeft uitgevoerd.
In dit rapport wordt eerst een algemene ontwerpschets van het statistisch proces achter een afzetregister gegeven, waarna de uitgangspunten van het pilot-onderzoek en de resultaten aan bod komen. Het onderzoek levert bevindingen over:
- Eigenschappen van de registerhouder
- Implementatie van een register
- Beheer van het populatiekader
- De uit te vragen variabelen
- De data-uitvraag
- Bruikbare respons
- Openbaarmaking registergegevens
In het pilot-onderzoek werd waardevolle kennis opgedaan over het proces van de data-uitvraag. Het aanleveren van afzetgegevens was op vrijwillige basis. Mede daardoor was de bruikbare respons dusdanig laag, dat er geen statistisch relevante uitspraken gedaan konden worden over de afzet van biociden in Nederland. Een verplichting tot het aanleveren van informatie lijkt noodzakelijk. Een gelijktijdig project vanuit ILT, waarbij het aanleveren van informatie verplicht was, benadrukt deze conclusie.
De data-uitvraag horend bij het afzetregister biociden volgt een standaard statistisch proces. De uitvoering daarvan vraagt om gespecialiseerde kennis en een nauwgezette aanpak. Naast de in de pilot uitgevoerde data-uitvraag worden in het rapport ook de eigenschappen van een geschikte registerhouder beschreven.
Het pilot-onderzoek biedt inzicht en context voor de belangrijke beleidsvragen die voorliggen. Het gaat om keuzes over:
- Wel of geen register op te zetten
- Geschikte registerhouder
- Vorm van het afzetregister (bijv. minimalisatie administratieve lastendruk)
- Welke biociden wel/niet in de data-uitvraag
- Frequentie van de data-uitvraag
- Wijze van openbaarmaking (bijv. niet direct herleidbaar naar individuele bedrijven)
2. Inleiding
2.1 Aanleiding
Dagelijks worden in Nederland biociden gebruikt, zoals lok- en afweermiddelen, insecticiden en houtconserveringsmiddelen. Met biociden worden plaagdieren, bacteriën, schimmels en andere ongewenste organismen bestreden.
In 2023 heeft het RIVM een onderzoek gedaan naar de risicofactoren horend bij het gebruik van biociden (RIVM, 2023). Dit geeft een goed overzicht van allerlei aspecten die samenhangen met de risico’s van biociden voor onze gezondheid en leefomgeving (water en natuur). Een belangrijke bevinding uit het RIVM-rapport is dat het “niet bekend is in welke hoeveelheden biociden in Nederland worden gebruikt”. In het RIVM-rapport staan meerdere aanbevelingen om het ontbreken van informatie aan te pakken. Een daarvan is:
“Zorg voor meer zicht op de hoeveelheden biociden die in Nederland worden verkocht, vooral van biociden met relatief ernstige gevaarseigenschappen.”
Deze aanbeveling is in lijn met de acties in het Zero Pollution Action Plan van de Europese Unie (EU, Geraadpleegd december 2025), waarmee beoogd wordt de blootstelling aan schadelijke stoffen tot een verwaarloosbaar niveau te brengen. Voor beleid, toezicht en handhaving is kennis nodig over hoeveelheden biociden in de keten ‘productie - afzet - gebruik - verspreiding - belasting mens en milieu’. Het opzetten van een Nederlands afzetregister biociden is een belangrijke stap om een beter beeld te krijgen van het begin van deze keten.
Met een afzetregister biociden kunnen de trends (ontwikkelingen in de tijd) in de verkoophoeveelheden in kaart worden gebracht. Voor beleidsmakers geven de trends informatie over de invloed van het gevoerde beleid op het Nederlandse gebruik van biociden, terwijl de grootteorden van de afzet helpt om beleidsinspanningen te prioriteren; zowel binnen het biocidenbeleid als in relatie tot het beleid op andere schadelijke stoffen, zoals gewasbeschermingsmiddelen. Voor de inspectiediensten zijn trends en grootteorden nodig voor risico-inschattingen en hun handhavingsbeleid. Het ontwikkelen van beleid gericht op het verkrijgen van meer inzicht in het gebruik van en de blootstelling aan biociden (naast verkoopinformatie) is onderdeel van het Strategisch Kader Biociden (Rijksoverheid, 2023).
Op 12 juni 2024 heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een rapport gepubliceerd met als titel ‘Het opzetten van een nieuw register over de afzet van biociden in Nederland’ (CBS, 2024a). Dit oriënterende onderzoek op de verkoop van biociden werd door het CBS uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), als onderdeel van het Impulsprogramma Chemische Stoffen 2023-2026 (IenW, 2022).
In dit oriënterende onderzoek van het CBS wordt geadviseerd om een pilot op te zetten, alvorens over te gaan op het daadwerkelijk opzetten van een volledig afzetregister. Het opzetten van een afzetregister voor biociden is namelijk complex. Er zitten praktische haken en ogen aan, die zich niet met een puur theoretische voorbereiding laten vangen.
Een pilot, waarin geleerd en geëxperimenteerd kan worden, is een laagdrempelige en een effectieve manier om te bepalen of ontwikkelde ideeën ook echt zullen werken in de praktijk. Een pilot helpt om bepaalde alternatieven tegen elkaar af te wegen en om keuzes te onderbouwen. Hierin wordt achtereenvolgens het ontwerp van de data-uitvraag, het opvragen van de data en de verwerking van de gegevens uitgevoerd. Het leren staat daarbij centraal. Het gaat nog niet om het betrouwbaar schatten van de hoeveelheden biociden die verkocht worden. Dat komt aan de orde als er besloten wordt om daadwerkelijk een Nederlands afzetregister biociden te implementeren.
2.2 Internationale context
Ook in andere landen bestaat de wens om een beter beeld van de afzet van biociden te krijgen. Meerdere Europese landen willen het verplicht beschikbaar stellen van de afzetgegevens beter verankeren in de Europese wetgeving. Deze landen geven een belangrijk signaal dat de Europese Biocidenverordening (EU, 2012) in hun ogen tekortschiet om het aanleveren van afzetgegevens volledig af te dwingen. Zo werd in de CBS-dataverkenning (CBS, 2024a) beschreven dat België en Duitsland extra nationale wetgeving hebben ingevoerd om dit in hun eigen land te realiseren.
Het Duits Milieu Agentschap heeft in september 2025 een notitie (UmweltBundesamt, 2025) naar buiten gebracht om de Europese wetgeving inzake biociden naar een hoger niveau te tillen. Op pagina 35-36 van deze notitie wordt voorgesteld om binnen Europa de jaarlijkse inzameling van afzetgegevens beter afdwingbaar te maken. Elk land doet het nu op een eigen manier, terwijl een geharmoniseerde aanpak gewenst is. In een andere notitie van het Duits Milieu Agentschap (UmweltBundesamt, 2024) wordt de data-inwinning van negen Europese landen op een rij gezet (zie pagina’s 17 en 35-37: België, Duitsland, Denemarken, Finland, Frankrijk, Kroatië, Letland, Zweden en Zwitserland).
De kosten voor het opzetten van een nationaal afzetregister biociden, en het onderhouden ervan, hangen af van de situatie in het land. Dit geldt vooral voor de inrichtingskosten, omdat deze afhankelijk zijn van het beoogde doel en gebruik van het afzetregister in het desbetreffende land. Het nu voorliggende rapport vergemakkelijkt deze zoektocht in Nederland, mede omdat de daarin beschreven pilot praktische informatie geeft over het benodigde databeheer.
2.3 Opbouw rapport
In dit rapport staat het door het CBS uitgevoerde pilot-onderzoek centraal, dat in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) is gedaan. In Hoofdstuk 3 wordt basisinformatie gedeeld over de aard van een statistisch proces zoals dat voor het register wordt voorzien. Het beschrijft een statistisch proces dat analoog is aan dat van andere statistieken van het CBS. De uitgangspunten van het pilot-onderzoek staan beschreven in Hoofdstuk 4. De door het CBS uitgevoerde uitvraag van afzetgegevens wordt in Hoofdstuk 5 behandeld. Een opsomming van de belangrijkste resultaten en bevindingen van het pilot-onderzoek staat in paragraaf 5.7. De eisen en wensen waaraan een registerhouder moet voldoen worden in Hoofdstuk 6 beschreven. Het rapport wordt afgesloten met conclusies en aanbevelingen in Hoofdstuk 7.
3. Ontwerpschets afzetregister biociden
3.1 Standaard statistisch proces
Het Nederlands afzetregister biociden weerspiegelt een standaard statistisch proces, dat niet anders is dan dat van andere statistieken die het CBS samenstelt. In essentie: Bedrijven leveren input waarvan statistische output wordt gemaakt.
Het statistisch proces voor een afzetregister voor biociden in een notendop is als volgt (zie Figuur 3.1.1):
- Het populatiekader: de geregistreerde toelatingshouders voor biociden.
- De input: de door deze toelatingshouders geleverde jaarverkopen per toelating.
- De dataverwerking: zoals de omrekening van de producthoeveelheden naar de hoeveelheden werkzame stof, met gebruikmaking van informatie over gehalten.
- De output: de hoeveelheden werkzame stof per verslagjaar.
3.2 Het waarneemproces
Het waarneemproces, het verzamelen van de ruwe data, begint met het ontwerp van de waarneming. De gegevens van het ‘College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden’ (Ctgb) zijn onmisbaar voor dit proces. In het pilot-onderzoek wordt uitgegaan van een jaarlijkse uitvraag onder de bij het Ctgb geregistreerde toelatingshouders via een upload van een Excelbestand.
In het ontwerp van de waarneming dient meegenomen te worden wat het effect is op de verdere dataverwerking (stappen 1 t/m 4 in Figuur 3.1.1), qua te besteden tijd en de kwaliteit en kwantiteit van de uiteindelijk vrij te geven data. Een ander ontwerp zal dan ook een andere impact hebben. In de toekomst zou de upload van een Excelbestand een online in te vullen vragenlijst kunnen worden. Er kan ook een andere frequentiebehoefte ontstaan. Bijvoorbeeld, bij een zeer schadelijk middel met een seizoenafhankelijkheid.
Een Excel upload één-op-één vervangen door een online vragenlijst zal waarschijnlijk weinig effect hebben. Er wordt immers dezelfde data verkregen, maar dan volgens een ander aanleverkanaal. Flink meer effect heeft het als er bij enkele middelen maandelijks waargenomen gaat worden, terwijl de andere middelen een jaarlijkse uitvraag behouden.
Als het ontwerp van de waarneming klaar is, wordt de waarneming voorbereid en uitgevoerd. Dit bestaat onder meer uit:
- De vertaalslag van de bij het Ctgb geregistreerde toelatingshouders naar het bedrijvenregister van de registerhouder (het populatiekader);
- De uitzending van de aanschrijfbrief en rappel(s);
- De verwerking van alle binnengekomen informatie;
- De helpdesk voor de beantwoording van de vragen van de toelatingshouders.
3.3 De dataverwerking
De informatie van het Ctgb is de motor achter de dataverwerking. Deze wordt als volgt ingezet:
- Het statistisch proces begint met het bepalen van het populatiekader. Welke bedrijven ontvangen het verzoek om data te leveren? In het pilot-onderzoek is de bij het Ctgb bekende populatie aan toelatingshouders als populatiekader gebruikt.
- De binnengekomen ruwe data wordt eerst gestandaardiseerd en bewerkt (stappen 1 en 2 in Figuur 3.1.1). Daarna worden daar statistieken van gemaakt (stap 3 in Figuur 3.1.1).
- In stap 2 wordt de omrekening gedaan van producthoeveelheden (de afzetgegevens aangeleverd door de toelatingshouders) naar hoeveelheden werkzame stoffen. Dit gebeurt met Ctgb-informatie over werkzame stofgehalten in de toegelaten middelen.
In het dataverwerkingsproces gaat het om de volgende datavormen:
- Ruwe data: Alle data die door de registerhouder zijn verzameld: door eigen waarneming en/of de data die door andere organisaties worden aangeleverd.
- Gestandaardiseerde data: De data zijn hier dusdanig gestandaardiseerd, zonder inhoudelijke aanpassingen, dat deze probleemloos gebruikt kunnen worden in de verdere dataverwerkingsprocessen.
- Bewerkte data: De data hebben hier door inhoudelijke aanpassingen een dusdanige hoge kwaliteit gekregen dat de microdata geschikt zijn om er statistieken van te maken.
-Statistieken: De statistieken zijn de som van de bewerkte data (respons) en een bijschatting van de non-respons, waarbij de verkregen aggregaten nog niet statistische beveiligd zijn. - Vrijgegeven data: Hier zijn de data statistisch beveiligd ten behoeve van publicatie en extern gebruik.
In de komende paragrafen wordt elke datavorm verder toegelicht.
3.3.1 Ruwe data
De ruwe data omvat alle data dat voortkomt uit het waarneemproces, door eigen waarneming of komend van andere organisaties. Er wordt hier geen inhoudelijke toets gedaan. Naast checks op leesbaarheid, bruikbaarheid en of er geen virussen in zitten, dient vooral gecontroleerd te worden of de verkregen ruwe data voldoet aan de vooraf gemaakte afspraken over:
- Te leveren data (o.a. bestandsformat, variabelen)
- Informatie over administratieve respons en non-respons (o.a. effect van rappels)
- Welke extra informatie er nodig is (o.a. hoe verliep het waarneemproces)
De ruwe data bevat ook informatie voor niet-statistische doeleinden. Denk hierbij aan de contactinformatie met dataleveranciers (o.a. mails, telefoontjes). Vanwege het vertrouwelijke karakter daarvan mag de ruwe data alleen in bezit komen van geautoriseerde gebruikers in het waarneemproces.
3.3.2 Gestandaardiseerde data
Bij gestandaardiseerde data gaat het om ruwe data, die dusdanig technisch aangepast is dat het onder bepaalde voorwaarden hergebruikt kan worden door anderen én dat het ook geschikt is om probleemloos te gebruiken in dataverwerkingssystemen. Vertrouwelijke contactinformatie is verwijderd, omdat dit alleen voor het waarneemproces nodig is en geen waarde toevoegt aan de herbruikbaarheid.
De middelste datavormen in Figuur 3.1.1 (gestandaardiseerde data, bewerkte data, statistieken) mogen alleen binnen de organisatie van de registerhouder hergebruikt worden als er aan bepaalde voorwaarden voldaan wordt, zoals doelbinding, zie beschrijving daarvan in De AVG in het kort (AP, Geraadpleegd december 2025). Er wordt aangenomen dat de registerhouder de gestandaardiseerde data alleen voor het doel Nederlands afzetregister biociden gaat gebruiken (zonder hergebruik voor andere doelen).
De zelf verzamelde data wordt door de registerhouder zelf gestandaardiseerd. Bij de data van externe partijen hangt het van de gemaakte afspraken af in welke mate standaardisatie nog nodig is. Ook worden er technische controles gedaan. Er is een check op de leveringsvorm en er kan gekeken worden of de levering compleet is (bijv. klopt het aantal toelatingshouders dat in het bestand zou moeten zitten). Verder gaat het om de juiste schrijfwijze van getallen (punten versus komma’s), de juiste namen voor variabelen en classificaties, de correcte metadata, de vulling van de kolommen en de juiste kolomkoppen. Als iets niet in orde is, dan kan de dataleverancier of registerhouder dat herstellen en/of er komen nieuwe leveringsafspraken.
3.3.3 Bewerkte data
Het inhoudelijk corrigeren van de data gebeurt in stap 2 (zie Figuur 3.1.1). De gestandaardiseerde data wordt dan omgezet in bewerkte data. Het gaat hier om het detecteren en corrigeren van de fouten in de geleverde respons. Het gaat ook om het afleiden van nieuwe variabelen door wat er geleverd is te verrijken met aanvullende informatie.
Bij dat laatste gaat het om de omrekening van uitgevraagde producthoeveelheden naar werkzame stof hoeveelheden door gebruik te maken van de Ctgb-informatie over werkzame stofgehalten (hiervan wordt een hulpbestand gemaakt). Bij sommige middelen wordt de hoeveelheid niet in gewicht opgegeven maar met een volumemaat, zoals aantal liters verf bij ‘antifouling’ (tegengaan van aangroei van wieren, algen en schelpen op onderzijde van boten). In dit soort gevallen moet de soortelijke massa (kg/liter) van desbetreffend middel worden gevonden om het gewicht van de werkzame stof te berekenen. De soortelijke massa is niet bij het Ctgb te vinden en dient bij de toelatingshouder uitgevraagd te worden.
Het is belangrijk dat de dataverwerking transparant, beheersbaar en reproduceerbaar is. Hier geldt als uitgangspunt dat er ‘regelgestuurd’ gewerkt dient te worden. Dat houdt in dat voor iedere mogelijke aanpassing vaste detectie- en correctieregels worden bedacht, inclusief een vaste werkwijze om nieuwe variabelen aan te maken. Dit wordt vertaald in softwareregels.
Sommige soorten fouten komen bij elke data-inzameling voor. Denk bijvoorbeeld aan verkeerd gebruik van de eenheid. Er wordt dan een getal in grammen ingevuld (bijvoorbeeld 12.000), maar het had in kilogrammen gemoeten. Na detectie van deze eenheid-fout wordt het ingevulde getal door 1.000 gedeeld (12 kg). Voor dit soort standaardfouten is een geautomatiseerde dataverwerking de norm.
Helaas zijn niet alle correcties (en detectie van fouten) in een standaardmal te gieten. In de praktijk blijven er altijd ‘handmatige correcties’ nodig. Die zijn dan te uniek om in een algemeen geldende standaardregel te gieten. In regelgestuurd werken worden de handmatige correcties nauwgezet bijgehouden, waardoor deze traceerbaar en reproduceerbaar zijn. Bovendien is kennis van handmatige correcties nodig om het dataverwerkingsproces steeds verder te optimaliseren. De beschikbare tijd is immers schaars.
Het regelgestuurd werken zorgt ervoor dat de aanpassingen in de dataverwerking voor iedereen duidelijk zijn (transparantie), dat soortgelijke gevallen iedere keer op soortgelijke wijze gecorrigeerd worden (beheersbaarheid), en dat het niet uitmaakt wie de software uitvoert (reproduceerbaarheid). In de praktijk kan het aanmaken van nieuwe variabelen vrij eenvoudig in softwareregels vertaald worden (mits deterministisch en niet modelmatig), maar zal de automatisering van de detectie en correctie van fouten niet eenvoudig zijn. Door ervaring op te doen zullen bij gebruik van een register steeds meer handmatige correcties getransformeerd worden naar standaard (software)regels voor detectie en automatische correctie.
Bij de detectie van fouten gaat het niet alleen om een plausibiliteitscheck, die bepaalt in welke mate de geleverde gegevens (on)betrouwbaar zijn. Het omvat ook een volledigheidscheck (niet elke variabele hoeft ingevuld te zijn) en of een toelatingshouder eenzelfde variabele meerdere keren heeft aangeleverd (dubbeltellingen zijn ongewenst: welke datalevering is juist?). Na de detectie van een mogelijke fout dient (automatisch) beslist te worden of correctie nodig is en, zo ja, of gegevens verwijderd, aangevuld, opgeteld, of gewijzigd dienen te worden. Om het detectie- en correctieproces te verbeteren, helpt het om ook de metagegevens over het hele aanpasproces te monitoren (o.a. hoe vaak een fout voorkomt).
3.3.4 Statistieken
Stap 3, van bewerkte data naar statistieken (zie Figuur 3.1.1), gaat over het bijschatten van de non-respons om daarmee een schatting van het totaal te krijgen. De non-respons bestaat uit de toelatingshouders die niet gerespondeerd hebben, aangevuld met de toelatingshouders die wel gerespondeerd hebben maar waarvan de respons niet bruikbaar bleek te zijn. Daarbovenop bestaat de non-respons ook uit het deel van de populatie dat überhaupt niet uitgevraagd is. Er bestaan meerdere manieren om de bijschatting te doen. Zo kan aan elk bedrijf met bruikbare respons over verkochte hoeveelheden een ophoogfactor worden toegekend, dusdanig dat de ‘bedrijvensom van ophoogfactor x kilogram’ het totaal aan kilogrammen geeft.
Het bijschatten van de non-respons valt buiten de scope van het pilot-onderzoek. De eerste indruk is, dat het lastig zal zijn om voor deze bijschatting een goede methode te ontwikkelen. Dit komt door het unieke karakter van een relatief groot deel van de populatie; d.w.z. (te) veel werkzame stoffen zijn gekoppeld aan slechts één toelatingshouder. Respondeert zo’n unieke toelatingshouder niet, dan tast je in het duister welke hoeveelheid werkzame stof daarbij hoort.
Als zo’n unieke toelatingshouder jarenlang niet respondeert, dan kan de missende hoeveelheid niet geschat worden vanuit de eerdere jaaropgave(n). Door het unieke karakter van de niet responderende toelatingshouder bestaat er ook geen vergelijkbare toelatingshouder, waarvan de respons gebruikt zou kunnen worden voor de bijschatting van de non-respons. Het is dus nodig om te streven naar honderd procent bruikbare respons.
3.3.5 Vrijgegeven data
Als laatste stap dient er goedkeuring te komen om de statistische output vrij te geven. Niet alle data mag zomaar naar buiten. In beginsel mag de data niet individueel herleidbaar zijn. Er wordt daarom statistische beveiliging toegepast. Zo geldt binnen het CBS statistische geheimhouding, zie artikel 37 in de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek (Overheid, Geraadpleegd november 2025a), zie ook hieronder:
Artikel 37 CBS Wet
- De door de directeur-generaal in het kader van de uitoefening van de taken ter uitvoering van deze wet ontvangen gegevens worden uitsluitend gebruikt voor statistische doeleinden.
- De in het eerste lid bedoelde gegevens worden niet verstrekt aan anderen dan degenen die belast zijn met de uitvoering van de taak van het CBS.
- De in het eerste lid bedoelde gegevens worden slechts zodanig openbaar gemaakt dat daaraan geen herkenbare gegevens over een afzonderlijk persoon, huishouden, onderneming of instelling kunnen worden ontleend, tenzij, ingeval het gegevens met betrekking tot een onderneming of instelling betreft, er een gegronde reden is om aan te nemen dat bij de betrokken onderneming of instelling geen bedenkingen bestaan tegen de openbaarmaking.
Dit wetsartikel impliceert dat het CBS de tijdens het statistische proces gebruikte gegevens niet mag delen met anderen en dat de gepubliceerde statistische output niet herleidbaar mag zijn naar individuele bedrijven. Zie CBS - Onze organisatie (CBS, Geraadpleegd november 2025b) en Zo waarborgt CBS beveiligde uitwisseling van gegevens (CBS, Geraadpleegd november 2025a).
De strikte toepassing van de CBS-beveiligingsregels beperkt de publicatie van de verkochte hoeveelheden aan biociden enorm, als per afzonderlijke werkzame stof de hoeveelheid gepubliceerd dient te worden. Na toepassing van CBS-beveiligingsregels mogen van ongeveer driekwart van de werkzame stoffen geen hoeveelheden gepubliceerd worden.
Als soortgelijke werkzame stoffen samengevoegd kunnen worden tot een logische groep, kan er op groepsniveau meer naar buiten gebracht. Dit brengt echter informatieverlies met zich mee, omdat op groepsniveau de informatie over de toxiciteit en toepassingsbereik verdwijnt. Er is (nog) geen geschikte classificatie beschikbaar om zo’n optelling naar stofgroepen te doen.
Voor andere organisaties dan het CBS gelden beveiligingsregels die minder strikt zijn. Er kan dan (veel) meer informatie vrijgegeven worden dan wat het CBS wettelijk mag doen. Bij openbaar beschikbare informatie gaat het om de door de registerhouder vrijgegeven data en de door het Ctgb naar buiten gebrachte informatie.
Als de registerhouder zelf aanpassingen en verrijkingen op de Ctgb-informatie doorvoert, en Ctgb heeft dat niet overgenomen, dan is het geen vanzelfsprekendheid dat het toegevoegde deel ook openbaar gemaakt mag worden. Het kan bij die toevoegingen om vertrouwelijke informatie gaan. In zekere zin geldt voor de Ctgb-informatie (populatiekader en werkzame stofgehalte) een soortgelijk standaardproces als in Figuur 3.1.1. Alleen de eerste drie datavormen spelen een rol. Ctgb-informatie komt als ruwe data binnen en wordt daarna gestandaardiseerd en bewerkt. Het dient daarna als hulpinformatie in het dataverwerkingsproces horend bij de afzetgegevens (via A, B en C in Figuur 3.1.1).
3.4 Populatiekader
De informatie van het Ctgb over de toelatingshouders en hun toelatingen is geschikt om in het pilot-onderzoek als populatiekader ingezet te worden. Zoals beschreven in paragraaf 1.1 in de eerdere CBS-dataverkenning (CBS, 2024a) is deze informatie niet compleet. Zonder in detail te treden bestaan er toelatingen die niet geregistreerd zijn bij het Ctgb in Nederland, maar wel bij de Europese tegenhanger (de toelatingendatabase van ECHA: European Chemicals Agency). Het gaat dan om de Toelatingen van de Unie en de Vereenvoudigde toelatingen, waarvoor het Ctgb niet de beoordelende autoriteit was.
Bij de Toelatingen van de Unie gaat het om een EU-brede toelating. Er is dan geen specifieke nationale toelating nodig om het in een EU-lidstaat op de markt te brengen. De Vereenvoudigde toelatingen zijn erop gericht om het gebruik te bevorderen van biociden die minder schadelijk zijn voor het milieu en de gezondheid van mens en dier. Deze producten voldoen aan bepaalde wettelijk vastgelegde criteria; ze bevatten bijvoorbeeld geen (zeer) zorgwekkende stoffen. Bij Vereenvoudigde toelatingen kan een vereenvoudigde toelatingsprocedure gevolgd worden in een EU-lidstaat en mag het na goedkeuring ook in de andere EU-lidstaten verkocht worden.
Het is nu geen optie om in plaats van Ctgb-informatie over te stappen naar ECHA-informatie. Het is weliswaar de bedoeling dat de ECHA-database alle nationale toelatingen van de Europese Unie gaat opnemen, maar dit is in een langdurige overgangssituatie. Het kan 10 tot 15 jaar duren voordat alle nationale toelatingen opgenomen zijn in de ECHA-database. Bovendien is er geen goede reden te bedenken om nu al over te stappen op de ECHA-database. De Ctgb-informatie is immers voldoende compleet om in de komende jaren zinvolle statistieken op te zetten over de afzet van biociden in Nederland, met name als het gaat om ‘biociden met relatief ernstige gevaarseigenschappen’, zoals gewenst in paragraaf 2.1.
De eerste jaren zal de registerhouder de Ctgb-informatie moeten inzetten als primaire input voor het populatiekader. Gaandeweg kan de registerhouder de Ctgb-informatie verrijken met ECHA-toelatingen, voor zover dat nodig is voor het in beeld brengen van de afzet van biociden in Nederland. Parallel hieraan wordt de ECHA-database steeds completer. Waarschijnlijk zal in de toekomst de primaire input voor het populatiekader grotendeels of zelfs volledig van ECHA komen in plaats van het Ctgb.
Er bestaan ook andere redenen om het populatiekader door de registerhouder aan te passen, waarbij het geen vanzelfsprekendheid is dat het Ctgb deze aanpassingen in de eigen database overneemt. Denk bijvoorbeeld aan de toelatingshouders met een buitenlands adres, die niet altijd de verkoop naar de Nederlandse markt zelf doen, maar voor deze verkopen een lokale distribiteur inschakelen. Als de registerhouder de contactgegevens van deze lokale distribiteurs toevoegt aan het populatiekader, dan is het niet vanzelfsprekend dat het Ctgb deze gegevens ook gaat registreren.
3.5 Bevindingen
Het hangt van de registerhouder (en andere keuzes) af in welke mate de in dit hoofdstuk geschetste ontwerp gevolgd wordt. Er kan rekening gehouden worden met:
1) Maak het waarneemproces niet te complex
Het inzamelen van de ruwe data begint met het ontwerp van het waarneemproces. Maak dit niet te complex. Voor het Nederlands afzetregister biociden worden daarom alleen de jaarverkopen van toelatingshouders uitgevraagd (die van het voorafgaande jaar). Dit kan via een Excel upload, die op termijn vervangen kan worden door een (online) vragenlijst. Andere aanpassingen (zoals een frequentieverhoging van jaar naar maand) zijn voorlopig niet aan te raden, omdat deze te veel effect hebben op het dataverwerkingsproces en het daarvoor te bouwen verwerkingssysteem.
2) Transparante, beheersbare en reproduceerbare dataverwerking
De ruwe data kan bestaan uit data die door de registerhouder zelf is verzameld. Het kan ook door externe partijen worden aangeleverd. Alle binnengekomen ruwe data doorlopen dezelfde datastroom. Het wordt gestandaardiseerd, bewerkt (waaronder de omrekening naar werkzame stoffen), opgehoogd naar totale populatie, en uiteindelijk vrijgegeven. De dataverwerking dient transparant, beheersbaar en reproduceerbaar te zijn. Het liefst gebeurt het hele proces met één-druk-op-de-knop, maar in de praktijk zullen handmatige acties altijd nodig zijn. Vooral bij de start van de implementatie. Er zijn dan nog weinig standaard detectie- en correctieregels bekend, die in de software verwerkt kunnen worden.
3) Verzamelde data dient alleen het statistische doel van het register
De binnengekomen ruwe data dient ontdaan te worden van vertrouwelijke gegevens die verzameld zijn voor niet-statistische doeleinden (zoals de contactinformatie met dataleveranciers). Het primaire doel van de dataverwerking is gebonden aan het statistische doel om de jaarlijkse verkochte hoeveelheden van werkzame stoffen te bepalen. Onder strikte voorwaarden, zoals doelbinding, kunnen de gestandaardiseerde data, de bewerkte data en de statistieken ook voor andere organisatiedoelen gebruikt worden. Er wordt aangenomen dat de verzamelde data alleen het statistische doel van het Nederlands afzetregister biociden dient en geen andere organisatiedoelen. Voor de andere doelen kan de vrijgegeven data worden gebruikt (zie Figuur 3.1.1).
4) Statistische beveiliging verhindert het vrijgeven van gegevens
Als het CBS de regelgeving rondom statistische beveiliging strikt toepast, dan mag van ongeveer driekwart van de werkzame stoffen geen hoeveelheid worden gepubliceerd. Het CBS mag die data ook niet delen met andere organisaties. Op bijvoorbeeld stofgroepenniveau kan meer data worden vrijgegeven. Er is niet verkend wat een geschikte classificatie is om een aggregatie naar stofgroepen uit te voeren.
5) Het streven is honderd procent bruikbare respons
Er zijn te veel werkzame stoffen waaraan slechts één toelatingshouder is gekoppeld. Mis je van deze unieke toelatingshouders de respons, dan is de bijschatting van de missende respons al snel te lastig of zelfs onmogelijk. Eigenlijk geldt voor vrijwel alle werkzame stoffen dat er maar enkele toelatingshouders aan zijn gekoppeld. In de statistische praktijk impliceert dit, dat alle toelatingshouders dienen te worden aangeschreven en dat daarbij honderd procent bruikbare respons nagestreefd moet worden.
6) Ctgb-informatie is primaire input voor het populatiekader
De informatie van het Ctgb over de toelatingshouders en toelatingen is voldoende compleet om als populatiekader te dienen voor het Nederlands afzetregister biociden. Het kan in de (verre) toekomst steeds completer gemaakt worden.
4. Uitgangspunten pilot-onderzoek
4.1 Wettelijk kader uitvraag van data
Voor de pilot wordt het statistisch proces gevolgd, zoals geschetst in het vorige hoofdstuk (zie Figuur 3.1.1). De uitvraag van data wordt in de pilot door het CBS gedaan. Voor het uiteindelijke register kan de uitvraag door andere organisatie(s) worden gedaan.
Zonder in te gaan op de juridische details is het wettelijk kader waarbinnen het CBS zich begeeft anders dan die van andere organisaties (CBS, Geraadpleegd november 2025a). Zo dient het CBS de administratieve lastendruk zo laag mogelijk te houden. Dat impliceert dat alleen informatie ingezameld mag worden die in strikte zin nodig is om de statistische output samen te stellen. Geen extra informatie. Ook geldt binnen het CBS het wettelijk toepassen van de statistische geheimhouding (zie paragraaf 3.3.5).
Voor andere organisaties gelden andere wettelijke bepalingen, qua inwinning van de gegevens, de verwerking daarvan, het delen van gegevens, en de uiteindelijke openbaarmaking. Zonder in te gaan op de juridische details mogen inspectiediensten, net als het CBS, de afzetgegevens opvragen. Daarnaast mogen de inspectiediensten bij calamiteiten extra informatie binnenhalen (zover dat nodig is en binnen hun bevoegdheden valt). Hierbij zal de (extra) informatie van de ene toelatingshouder niet worden gedeeld met de andere toelatingshouders. Wel kan de ene inspectiedienst, in voorkomende gevallen, informatie delen met andere inspectiedienst(en).
Voor Nederland geldt artikel 68 lid 1 in de Europese Biocidenverordening (EU, 2012):
Artikel 68, Registratie van gegevens en rapportage
1. Houders van een toelating houden de gegevens bij betreffende de biociden die zij in de handel brengen gedurende ten minste tien jaar na het in de handel brengen of, indien dit eerder is, tien jaar nadat de toelating is ingetrokken of de geldigheidsduur ervan verstreken is. De ter zake dienende informatie in dit gegevensbestand stellen zij op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit.
Of dit een verplichting tot leveren is, hangt van de bevoegdheden van de uitvragende autoriteit af en hoe dit alles in de regelgeving is ingebed. Inspectiediensten kunnen zich in bijzondere gevallen beroepen op de Algemene wet bestuursrecht, hoofdstuk 5, dat over handhaving gaat (Overheid, Geraadpleegd november 2025b), zie artikel 5.16: “Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen”.
Dat is geen wettelijke grondslag waar het CBS zich op kan beroepen. Tijdens deze pilot werd daarom uitgegaan van een vrijwillige aanlevering van afzetgegevens door de toelatingshouders. Hiermee wordt tevens een eerste indruk gekregen van de bereidheid van toelatingshouders om vrijwillig aan de inzameling van afzetgegevens mee te werken.
4.2 Projectaanpak pilot-onderzoek
Het pilot-onderzoek wordt ondersteund door een begeleidingscommissie, bestaande uit:
- Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
- Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW)
- Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)
- College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)
- Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
- Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)
- Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
- Platform Biociden
De begeleidingscommissie heeft een adviserende rol over de inhoudelijke en praktische kanten van het pilot-onderzoek.
4.3 Reikwijdte pilot-onderzoek
Door beperkingen in tijd en geld werden niet alle afzetgegevens van biociden met het pilot-onderzoek waargenomen. De volgende keuzes zijn gemaakt:
- De focus van het pilot-onderzoek ligt vooral op de meest risicovolle middelen. In de pilot hoeven ze niet allemaal uitgevraagd te worden. Het is voor de pilot voldoende om alleen de middelen te kiezen waar het meest van kan worden geleerd.
- De te kiezen middelen dienen niet alleen de professionele markt te dekken, maar ook wat er aan consumentenmiddelen verkocht is. Buiten de scope van de CBS-uitvraag vallen de middelen waarvan de afzetgegevens, nagenoeg gelijktijdig met de CBS-uitvraag, door een andere organisatie dan het CBS wordt ingezameld.
- Het pilot-onderzoek richt zich louter op de afzetgegevens, en niet op het (regionaal) gebruik van biociden. Ook vraagt het CBS geen extra informatie op ten behoeve van een betere duiding van de waargenomen afzetgegevens of voor het leggen van een sterkere link tussen verkoophoeveelheden, toepassingsgebied en gebruikers. De CBS-uitvraag is daardoor eenvoudig en doelgericht: alleen focus op verkoophoeveelheden.
- Het inzamelen van de verkoophoeveelheden op de Nederlandse markt gebeurt alleen bij de toelatingshouders die voor de toegelaten biociden geregistreerd zijn bij het Ctgb. Om de administratieve lastendruk voor deze groep van bedrijven niet onnodig hoog te maken, wordt het aantal te benaderen toelatingshouders van tevoren op maximaal honderd gesteld.
- Er wordt aangenomen dat de database van het Ctgb voldoende stabiel en actueel is voor de koppeling van de Ctgb-gegevens (over toelatingen en toelatingshouders) aan de CBS-uitvraag. Het bestuderen van de dynamiek van de Ctgb-database, zoals toevoegingen en verwijderingen, valt buiten de scope van het pilot-onderzoek.
- Alleen de legale handel valt binnen de scope van het pilot-onderzoek. Bij de niet-legale handel gaat het bijvoorbeeld om de biociden vanuit buitenlandse webwinkels, die niet in Nederland zijn toegelaten, met daarbij als risico dat de biociden voor professioneel gebruik bij niet-professionele gebruikers terecht kunnen komen.
- Ook gaat het pilot-onderzoek niet over behandelde voorwerpen, zoals houten meubelen die in het buitenland worden behandeld met biociden en daarna op de Nederlandse markt terecht komen.
- In de CBS-uitvraag ligt de nadruk primair op het verzamelen van informatie over het waarneemproces zelf: waar loop je tegenaan als je daadwerkelijk een afzetregister biociden wilt opzetten en wat zijn de ‘geleerde lessen’? Het betrouwbaar schatten van de totaalhoeveelheden biociden is niet het primaire doel van de CBS-uitvraag. In het pilot-onderzoek wordt daarom geen statistische methode ontwikkeld om met non-respons en ontbrekende waarden om te gaan.
De reikwijdte van het pilot-onderzoek beoogt dat het ’vervolgstappen (zie paragraaf 7.3) gaat opleveren die horen bij de manier waarop het afzetregister biociden geïmplementeerd kan worden.
4.4 Detailniveau afzetregister
Bij het bepalen van het detailniveau van het Nederlands afzetregister biociden gaat het niet alleen om welke middelen gemonitord worden, maar ook wat per middel wordt geregistreerd.
4.4.1 Welke biociden
Een minimale variant van het afzetregister richt zich alleen op de biociden met relatief ernstige gevaarseigenschappen. De ingeschatte impact op onze gezondheid en leefomgeving (water en natuur) is dan leidend. Bij waterkwaliteit gaat het dan bijvoorbeeld om de biociden waarvan een (te) hoge concentratie gemeten is binnen Europese Kaderrichtlijn Water (IPLO, 2000). De minimale benadering is in zekere zin volgend op informatie die al bekend is. Bij de maximale variant, alle biociden zitten in het register, krijg je ook zicht op de opkomende middelen (‘emerging trends’). Het afzetregister is dan leidend.
Om de administratieve lasten voor de bedrijven niet onnodig hoog te laten zijn, en om de pilot niet onnodig zwaar te maken qua (doorloop)tijd, wordt er gekozen voor een tussenvariant. Uit de 22 groepen biociden (producttypen, PT’s) worden de verkoopgegevens van een beperkt aantal groepen waargenomen. Het gaat om de schuingedrukte PT’s in onderstaande lijst:
Desinfecteermiddelen
PT 01 Menselijke hygiëne
PT 02 Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens en dier gebruikt wordt
PT 03 Dierhygiëne
PT 04 Voeding en diervoeders
PT 05 Drinkwater
Conserveermiddelen
PT 06 Conserveermiddelen voor producten tijdens opslag
PT 07 Filmconserveringsmiddelen
PT 08 Houtconserveringsmiddelen
PT 09 Conserveringsmiddelen voor vezels, leer, rubber en gepolymeriseerde materialen
PT 10 Conserveringsmiddelen voor bouwmaterialen
PT 11 Conserveringsmiddelen voor vloeistofkoelings- en verwerkingssystemen
PT 12 Slijmbestrijdingsmiddelen
PT 13 Vloeibare conserveringsmiddelen voor bewerking en versnijden
Plaagbestrijdingsmiddelen
PT 14 Rodenticiden
PT 15 Aviciden
PT 16 Mollusciciden, vermiciden, en producten om andere ongewervelende dieren te bestrijden
PT 17 Pisciciden
PT 18 Insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen
PT 19 Afweermiddelen en lokstoffen
PT 20 Bestrijding van andere gewervelde dieren
Andere biociden
PT 21 Aangroeiwerende middelen
PT 22 Vloeistoffen voor balsemen en opzetten
Deze 22 PT’s worden genoemd in Annex V van de Europese Biocidenverordening (EU, 2012). Daarin wordt ook uitgelegd wat elke PT inhoudt. Zo is PT14 Rodenticiden gelijk aan ‘Producten voor de bestrijding van muizen, ratten en andere knaagdieren met andere middelen dan afweren of aanlokken.’ Uit het eerdergenoemde RIVM-rapport blijkt dat ‘de gevaarlijkste stoffen in de middelen zitten tegen ratten en muizen, in insecticiden en in conserveermiddelen voor hout’ (RIVM, 2023). Gezien het belang ervan werden de verkopen van PT14 al door ILT opgevraagd. Deze PT zit daarom niet in de uitvraag door het CBS.
Van de overige schuingedrukte PT’s (08, 13, 18 en 19) worden van alle toelatingen de afzetgegevens opgevraagd. De andere PT’s vallen buiten de scope van het pilot-onderzoek. Met PT08 en PT18 zijn vooral verkopen aan professionele gebruikers in beeld. Dit is aangevuld met PT19 om ook de consumentenmarkt prominenter in beeld te krijgen. Door PT13 hieraan toe te voegen komen ook de industriële toepassingen in beeld.
4.4.2 Welke afzetgegevens
Een Nederlands afzetregister biociden zal primair de afzetgegevens bevatten van de bij het Ctgb geregistreerde toegelaten middelen (zie paragraaf 3.4). De afzetgegevens dienen geleverd te worden door de daarbij horende toelatingshouders. Per toegelaten middel dient alleen de hoeveelheid verkocht product aangeleverd te worden. Er wordt niet gevraagd naar andere (detail)informatie over de verkopen. Het leveren van een jaartotaal voor het gevraagde verslagjaar is voldoende.Ook hoeven de hoeveelheden werkzame stof niet aangeleverd te worden. Die worden berekend aan de hand van de producthoeveelheden en de Ctgb-informatie over werkzame stofgehalten. De producthoeveelheden zijn makkelijker uit de boekhouding van de toelatingshouder te halen dan de werkzame stof hoeveelheden.
5. Uitvraag afzetgegevens biociden
5.1 Scope pilot-onderzoek: welke biociden?
Zoals in hoofdstuk 4.4.1 is aangegeven, heeft het CBS in de pilot vier PT’s uitgevraagd:
- PT08 – Houtconserveringsmiddelen
- PT13 – Vloeibare conserveringsmiddelen voor bewerking en versnijden.
- PT18 – Insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen.
- PT19 – Afweermiddelen en lokstoffen.
5.2 Populatiekader: welke bedrijven?
De Ctgb-database van maart 2025 is gebruikt voor de selectie van bedrijven waarvan de afzetcijfers zijn opgevraagd. De volgende criteria zijn gehanteerd:
- De toelatingshouder had ten minste één middel binnen PT08, PT13, PT18 en PT19 met een geldige toelating tussen 1 januari 2021 en 31 december 2024.
- De toelatingshouder had op zijn minst één middel met actieve toelating op het moment van uitvragen.
- De toelatingshouder moest bekend zijn in het ABR (CBS-bedrijvenregister).
Bedrijven werden gevraagd afzetcijfers te leveren van PT08, PT13, PT18 en PT19 over één of meerdere jaren tussen 2021 en 2024, of een gemiddelde daarvan. Om die reden is opgenomen dat het middel een geldige toelating moest hebben tussen 1 januari 2021 en 31 december 2024.
Verder moest de toelatingshouder op zijn minst nog één middel met een actieve toelating hebben, omdat anders de kans op reactie minimaal werd geschat. Daarnaast moest het bedrijf bekend zijn in het ABR, zodat het CBS centraal kan bijhouden welke bedrijven uitvragen hebben ontvangen. Ook mag het CBS bedrijven die uitsluitend gevestigd zijn in het buitenland niet benaderen (door statistische wetgeving).
In de Ctgb-database zijn niet bij alle toelatingen adressen van de toelatingshouders vermeld. Deze waren echter nodig om de toelatingshouders te kunnen benaderen. De adressen zijn met behulp van het KVK-nummer opgezocht in het ABR, of online als het bedrijf niet was vermeld in het KVK-handelsregister.
In totaal waren er 112 bedrijven die voldeden aan de eerste twee criteria. Vervolgens hadden 56 bedrijven enkel een buitenlands adres en/of waren niet te vinden in het ABR (criteria 3). Hierdoor bleven er 56 bedrijven over die benaderd konden worden. In totaal waren er 563 middelen, waarvan 295 middelen bij toelatingshouders die we konden uitvragen.
In Tabel 5.2.1 is de verdeling per PT weergegeven. Zeven toelatingshouders hadden middelen van meer dan één PT. Van de bedrijven die we konden benaderen hadden twee toelatingshouders middelen van meer dan één PT. In Tabel 5.2.1 staan ook het aantal middelen per PT. In het totaal aantal middelen was één middel die onder twee PT’s viel, en geen in de uitgevraagde middelen.
| Producttype | Totaal aantal bedrijven | Totaal aantal middelen | Benaderd aantal bedrijven | Benaderd aantal middelen |
|---|---|---|---|---|
| PT8 | 22 | 145 | 10 | 28 |
| PT13 | 12 | 51 | 6 | 28 |
| PT18 | 60 | 260 | 30 | 159 |
| PT19 | 25 | 108 | 12 | 80 |
| Dubbeltelling | -7 | -1 | -2 | 0 |
| Totaal | 112 | 563 | 56 | 295 |
5.3 Uitvraag: welke variabelen?
De uitvraag van afzetcijfers van biociden bij de toelatingshouders is gedaan via een Excel enquête. Deze is te vinden in Bijlage 9.1. In de Excel enquête wordt een toelichting op het onderzoek gegeven, zowel in het Nederlands als in het Engels. Verder werd aan de toelatingshouders gevraagd om de volgende informatie aan te leveren:
1. Contactgegevens
2. Beantwoorden van drie algemene vragen:
- Zijn we aan het juiste adres voor de uitvraag van deze enquête?
- Beheert u ook de afzet van biociden van een ander (buitenlands) bedrijf?
- Wilt u nog iets toevoegen aan deze enquête? Heeft u bijvoorbeeld advies over de opzet van deze enquête en/of de manier van uitvragen
3. De afzetcijfers van de middelen die de toelatingshouder beheert met de volgende informatie:
- Verslagjaar
- Middelnaam
- Toelatingsnummer
- Producttype
- Totale jaarafzet met de eenheid/aantal stuks met de verpakkingsgrootte en verpakkingseenheid
- Soortelijke massa
5.4 Beschrijving waarneemproces
De Nederlandse toelatingshouders hebben eind juni een eerste brief ontvangen (zie Bijlage 9.2). Deze brief bevatte het verzoek om voor 24 augustus afzetcijfers aan te leveren van de biociden waarvan zij toelatingen hadden. In de brief werd informatie gegeven over het onderzoek en de website van het onderzoek werd vermeld: www.cbs.nl/biociden (zie Bijlage 9.3), samen met een unieke gebruikersnaam en een wachtwoord. Op de website kon het Excelbestand worden gedownload. Nadat het bestand was ingevuld, kon het op de website weer worden geüpload. De bedrijven die niet op 24 augustus gereageerd hadden, ontvingen op 26 augustus een rappel, en vervolgens nog een keer op 9 september.
Het CBS heeft in november een mail gestuurd naar bedrijven die na twee rappels geen reactie gaven om te vragen wat hiervan de achterliggende reden is. Met de antwoorden wilde het CBS een beeld krijgen of het niet aanleveren van afzetcijfers te maken had met een van de volgende redenen:
- Dat de brieven niet ontvangen waren.
- Dat het niet verplicht was om de afzetcijfers te leveren.
- Dat het bedrijf geen biociden verkocht die vallen onder PT08, PT13, PT18 of PT19.
- Dat het te veel tijd kostte om de gevraagde informatie aan te leveren.
De buitenlandse toelatingshouders, waarvan het CBS op grond van de nationale en Europese statistische wetgeving geen uitvraag van afzetcijfers mocht doen, hebben eind augustus een mail ontvangen met de volgende vragen:
- Worden er biociden verkocht in Nederland waarvan uw bedrijf de toelatingshouder is?
- Indien ja, van welke producttypen en is er een Nederlands contact dat we kunnen benaderen?
- Indien nee, kunt u uitleggen waarom uw bedrijf de toelating actief houdt van de biociden?
Met het antwoord op deze vragen wilde het CBS een beeld krijgen van de manier waarop buitenlandse toelatingshouders de verkoop van biociden in Nederland regelen. Van de 56 toelatingshouders met uitsluitend een buitenlands adres zijn 40 toelatingshouders benaderd via de mail. Van de overige buitenlandse toelatingshouders kon geen emailadres worden gevonden of hadden zij op het moment van uitvragen geen actieve toelating meer in PT08, PT13, PT18 of PT19 volgens de Ctgb-database.
5.5 Respons
In Tabel 5.5.1 staat de ontvangen respons op de enquête. In totaal heeft 50% gereageerd op de enquête en 36% heeft daadwerkelijk afzetcijfers aangeleverd. Van de 20 bedrijven die cijfers hebben aangeleverd, hebben 7 bedrijven aangegeven ook middelen te hebben waarvan ze op dat moment niks verkochten (nul-verkopen). Deze bedrijven zijn via de mail benaderd om te vragen waarom ze toelatingen actief houden waarvan er geen middelen worden verkocht.
| Aantal bedrijven dat heeft gereageerd | 28 |
|---|---|
| - Deel dat aangaf geen toelatingen te hebben in PT08, PT13, PT18 of PT19 | 8 |
| - Deel dat afzetcijfers heeft aangeleverd | 20 |
| Aantal bedrijven waarvan de brief retour is gekomen of is geweigerd | 4 |
| Aantal bedrijven dat niet heeft gereageerd | 24 |
5.5.1 Respons op uitgestuurde mails
Van drie bedrijven is er een reactie ontvangen waarom zij een toelating actief houden waarvan een nul-verkoop is gemeld. Samengevat gaat het om onderstaande redenen:
- Het is de bedoeling het middel wel weer te gaan verkopen.
- Het is erg tijdrovend en kostbaar om een toelating weer actief te maken nadat het inactief is geweest.
- Het middel wordt nog wel verkocht in de detailhandel.
Hier kan ook spelen dat een hoofdtoelating ondanks een voortdurende nul-verkoop actief gehouden wordt, omdat de afgeleide toelatingen hiervan afhankelijk zijn. Afgeleide toelatingen zijn makkelijker om aan te vragen. Het gaat dan om hetzelfde, of een zeer vergelijkbaar, product onder een andere naam.Drie bedrijven hebben antwoord gegeven op de mail waarom ze niet gereageerd hebben op de enquête. De volgende reacties zijn ontvangen:
- Het was te tijdrovend om de opgevraagde cijfers te verzamelen en te leveren.
- De brief is niet ontvangen.
Van de 40 buitenlandse toelatingshouders die via de mail zijn benaderd, hebben 8 bedrijven gereageerd. De meeste van deze bedrijven antwoordden dat de verkoop van biociden in Nederland via een lokale distributeur gaat. Een enkel bedrijf verkocht alleen aan bedrijven en gaf aan daarom geen lokale distributeur of lokaal kantoor nodig te hebben. Ook gaf een enkel bedrijf aan dat zij geen biociden hebben in PT08, PT13, PT18 of PT19, ook al staat dit wel in de Ctgb-database. Verder werd door een aantal bedrijven aangegeven dat het voorkomt dat er tijdelijk geen verkopen zijn van een bepaald middel, maar dat het bedrijf de toelating wel doorzet om in de toekomst in te kunnen spelen op incidenten of trends.
5.6 Dataverwerking
In totaal zijn er afzetgegevens ontvangen van 200 middelen. Hiervan hadden bedrijven van 131 middelen (66%) geen toelatingsnummer meegestuurd. Bij 54 middelen (27%) is geen eenheid opgegeven. Van 50 middelen (25%) is de ontvangen data volledig. De ontvangen afzetgegevens gingen over verslagjaar 2024, een gemiddelde over meerdere jaren, of er was niet vermeld op welk verslagjaar ze betrekking hadden.
Bij middelen zonder toelatingsnummer is met de wel ontvangen informatie handmatig gepoogd om hiervoor alsnog een toelatingsnummer te vinden. Na deze stap was het toelatingsnummer bekend van 160 van de 200 middelen. Hieruit bleek een groot deel van de middelen niet onder PT08, PT13, PT18 of PT19 te vallen. Van de middelen die opgegeven zijn zonder eenheid was het niet mogelijk om de eenheid alsnog te bepalen. Uiteindelijk is de afzet van 102 van de 200 middelen bepaald.
In Tabel 5.6.1 wordt per PT getoond hoeveel middelen in de populatie zaten, hoeveel middelen uitgevraagd zijn en hoeveel er ontvangen zijn. De kolom met het aantal ontvangen middelen laat de aantallen zien na de handmatige slag waarbij toelatingsnummers zijn toegevoegd waar deze niet waren opgegeven. Per PT is van 6,9% (PT08), 9,8% (PT13), 19,6% (PT18) en 34,3% (PT19) van het aantal middelen de afzet ontvangen. Alle PT’s samengenomen was er van 18,3% van het totaal aantal middelen de afzet te bepalen.
| Product-type | Aantal middelen | Aantal uitgevraagde middelen | Aantal ontvangen middelen met toelatingsnummer (na handmatige slag) | Percentage |
|---|---|---|---|---|
| PT08 | 145 | 28 | 10 | 6,9 |
| PT13 | 51 | 28 | 5 | 9,8 |
| PT18 | 260 | 159 | 51 | 19,6 |
| PT19 | 108 | 80 | 37 | 34,3 |
| Totaal | 564 | 295 | 1031) | 18,3 |
| 1)1 middel valt onder twee PT’s | ||||
De informatie die is ontvangen van de toelatingshouders (toelatingsnummer, middelnaam, PT) is vervolgens vergeleken met informatie uit de Ctgb-database. Hier vallen een aantal zaken op:
- Zes toelatingshouders hebben afzetcijfers geleverd van middelen waarvan zij volgens de Ctgb-database niet de toelatingshouder zijn.
- De middelnamen ontvangen van de toelatingshouders komen in een groot aantal gevallen niet overeen met de middelnamen in de Ctgb-database.
- In een aantal gevallen gaf een toelatingshouder een andere PT door dan bekend bij het Ctgb.
5.7 Resultaten en bevindingen
Het pilot-onderzoek heeft geleid tot een aantal belangrijke bevindingen die relevant zijn voor het opzetten van een afzetregister. Hieronder worden deze puntsgewijs behandeld.
Tegelijkertijd wordt de vergelijking gemaakt met het onderzoek dat ILT heeft uitgevoerd naar de afzet van biociden in PT14. De aanschrijfbrief en resultaten van het onderzoek van ILT zijn te vinden in Bijlagen 9.4 en 9.5.
1. Buitenlandse toelatingshouders
Een groot deel van de bedrijven met toelatingen voor de verkoop van biociden in Nederland had geen Nederlands adres. In de onderzochte producttypen ging het om de helft van de toelatingshouders. Deze buitenlandse toelatingshouders regelen de verkoop in Nederland over het algemeen via lokale distributeurs.
Doordat het CBS geen uitvraag mag doen bij bedrijven met uitsluitend een buitenlands adres, kon de helft van de toelatingshouders niet worden benaderd. Het maken van een overzicht van lokale distributeurs is erg tijdrovend en zou mogelijk elk jaar een update vereisen. Daardoor is het onwaarschijnlijk dat dit een geschikte optie is om de afzet van biociden in Nederland door buitenlandse toelatingshouders in kaart te brengen. Het direct benaderen van buitenlandse toelatingshouders heeft de voorkeur.
ILT loopt niet tegen dit probleem aan. Zij zijn bevoegd om buitenlandse bedrijven te benaderen. Hierdoor hebben zij de afzet van toelatingshouders met uitsluitend een buitenlands adres ook kunnen uitvragen voor PT14.
2. De ontvangen respons
De uitvraag die het CBS heeft gedaan bij toelatingshouders was op vrijwillige basis. De helft van de bedrijven die het CBS heeft aangeschreven heeft gereageerd en 36% heeft daadwerkelijk afzetcijfers aangeleverd. Verder iss een deel van de ontvangen cijfers niet bruikbaar doordat er relevante informatie mist, zoals een toelatingsnummer en/of eenheid. Hierdoor heeft het CBS handmatig toelatingsnummers moeten toevoegen waar mogelijk, wat een tijdrovende klus is. Samen met de niet-benaderde buitenlandse toelatingshouders is hierdoor de afzet van maar 18% van de toelatingen van PT08, PT13, PT18 en PT19 met dit onderzoek in kaart te brengen.
Het aanleveren van afzetcijfers aan ILT is verplicht voor bedrijven. Hierdoor heeft ILT de afzet in PT14 volledig in kaart kunnen brengen. Wel mist bij zowel de uitvraag van het CBS als de uitvraag van de ILT de illegale verkoop van biociden.
Voor een afzetregister is het belangrijk dat het aanleveren van afzetcijfers door bedrijven verplicht is. Hierdoor wordt de respons een stuk hoger dan bij deelname op vrijwillige basis.
3. De manier waarop bedrijven cijfers hebben aangeleverd
Zoals bij punt 2 aangegeven hebben niet alle bedrijven de afzetcijfers aangeleverd op de manier waarop het CBS had gevraagd. Zo heeft een aantal bedrijven een deel van hun eigen administratie opgestuurd en niet de Excel enquête ingevuld die het CBS hiervoor had aangeleverd. Hierdoor mist er informatie die nodig is om de totale afzet te kunnen berekenen. Zo is niet van alle middelen het toelatingsnummer, de eenheid, de middelnaam zoals in de Ctgb-database, of de soortelijke massa ontvangen.
Zonder toelatingsnummer is het moeilijk om de koppeling met de Ctgb-database te maken en vervolgens de werkzame stoffen in dat middel erbij te vinden. Zonder eenheid kan de afzet niet worden bepaald. Zo was het bij een aantal opgaven niet duidelijk of de aangeleverde cijfers in kilogrammen, liters, euro’s of een andere eenheid waren. Door deze data-omissies was het niet zinvol om in het pilot-onderzoek een volledige omrekening van producthoeveelheden naar hoeveelheden werkzame stof uit te voeren.
Wanneer afzetcijfers worden opgevraagd, is het belangrijk om duidelijk aan te geven dat het aanleveren van alle gevraagde informatie noodzakelijk is, tenzij anders aangegeven. Dit kan extra administratieve last opleveren voor de bedrijven die niet alle informatie direct beschikbaar hebben. Dit was mogelijk het geval bij de bedrijven die niet de informatie hebben aangeleverd waar het CBS om gevraagd had. Toch is redelijkerwijs te verwachten dat de informatie die het meest essentieel is relatief eenvoudig te achterhalen is. In Tabel 5.7.1 staat welke informatie (niet) essentieel is. Essentiele variabelen zijn toelatingsnummer, eenheid en afzet (in gewichtsmaat; bij opgave in volumemaat is soortelijke massa ook essentieel).
ILT heeft om afzetcijfers gevraagd in kilogrammen of liters en het ook op deze manier ontvangen van alle bedrijven in PT14. Voor de eenvoudigste dataverwerking hebben kilogrammen de voorkeur, omdat bij liters ook de soortelijke massa uitgevraagd moet worden. Een opgave in euro’s heeft niet de voorkeur. Mocht de afzet wel in euro’s worden opgegeven dan is ook de prijs per verpakking en de verpakkingsgrootte nodig om het om te rekenen naar kilogrammen of liters.
| Variabele | Belang |
|---|---|
| Toelatingsnummer | Essentieel |
| Middelnaam | Niet essentieel |
| Eenheid | Essentieel |
| Producttype | Niet essentieel |
| Soortelijke massa | Alleen essentieel bij opgave afzet in volumemaat |
| Afzet | Essentieel |
4. Verschillen tussen de administratie van de toelatingshouders en de Ctgb-database
De ontvangen gegevens van de toelatingshouders zijn vergeleken met de gegevens van diezelfde toelatingshouders uit de Ctgb-database. Opvallend is dat deze niet altijd overeenkwamen. Zo gaven enkele bedrijven aan geen toelatingen te hebben in PT08, PT13, PT18 of PT19, terwijl dit wel het geval was volgens de Ctgb-database. Ook gaven de toelatingshouders enkele keren aan dat hun toelatingen in een andere PT vallen dan volgens de Ctgb-database of hanteerden ze een ander middelnaam. Opvallend is ook dat bedrijven in meerdere gevallen afzetcijfers hebben opgegeven van toelatingen waarvan zij volgens de Ctgb-database niet de toelatingshouder zijn.
Voor een toekomstig registerhouder is het belangrijk om nauw samen te werken met het Ctgb om de database die gebruikt wordt voor de uitvraag van afzetcijfers van biociden zo correct en up-to-date mogelijk te houden. Ook is het mogelijk dat het Ctgb in de toekomst geen database met biociden toelatingen meer gaat bijhouden, maar dat alles in de ECHA-database komt te staan. De registerhouder dient er dus rekening mee te houden dat het populatiekader op den duur gevoed gaat worden vanuit de ECHA-database en niet meer vanuit de Ctgb-database.
5. Toelatingen die onder twee of meer PT’s vallen
Het is mogelijk dat een toelating onder twee of meer PT’s valt. Hier dient rekening mee gehouden te worden bij het publiceren van de afzetcijfers. Als de afzetcijfers worden gepubliceerd op het niveau van de werkzame stof en niet per PT dan geeft het geen problemen. Als de afzetcijfers worden gepubliceerd per PT dan kan het zorgen voor dubbeltellingen als de afzetcijfers toegekend worden aan alle PT’s waar het middel onder valt. Het is belangrijk voor de registerhouder om zich te realiseren dat in het laatste geval de afzetcijfers per PT niet bij elkaar opgeteld mogen worden om tot de totale afzet te komen.
6. Profielschets registerhouder
In de eerdere CBS-dataverkenning (CBS, 2024a) werden de mogelijkheden van een register verkend. In combinatie met de opgedane inzichten uit het pilot-onderzoek geeft dit inzicht in de benodigde en wenselijke eigenschappen van een toekomstige registerhouder. Deze informatie is relevant bij het zoeken naar een geschikte registerhouder.
6.1 Institutioneel krachtenveld
De profielschets van de registerhouder wordt beïnvloed door het institutioneel krachtenveld waarin de registerhouder zich begeeft. Figuur 6.1.1 toont dat de registerhouder te maken heeft met het Ctgb, de opdrachtgever(s) (voor zowel Ctgb als de registerhouder), en de toelatingshouders in de biociden sector.6.2 Communicatie
6.2.1 Communicatie met Ctgb
De registerhouder onderhoudt contact met het Ctgb over de toelatingshouders en de daaraan gekoppelde toegelaten middelen. Via het Ctgb weet de registerhouder welke gehalten er nodig zijn om de producthoeveelheden om te rekenen naar werkzame stof hoeveelheden. Ook geeft het Ctgb essentiële informatie over welke toelatingshouders tot het populatiekader voor het register horen. Door regelmatig contact te hebben met het Ctgb, via bijvoorbeeld de openbare API (Application Programming Interface), kan de registerhouder inspelen op veranderingen in de dynamiek van de toelatingen. De registerhouder houdt de mutaties, zoals toevoegingen en verwijderingen, in het populatiekader bij. De registerhouder gebruikt daarvoor telkens op gezette tijden de meest actuele Ctgb-informatie.Tijdens de uitvraag kunnen verschillen naar voren komen tussen wat het Ctgb over toelatingen geregistreerd heeft en wat de toelatingshouders bij de uitvraag door de registerhouder naar voren brengen. Ook werd in paragraaf 3.4 beschreven dat de Ctgb-database naar verwachting niet volledig compleet zal zijn. De registerhouder stemt met het Ctgb af wat er met verschillen en missende informatie gedaan dient te worden.
In het ideale geval gebruikt de registerhouder exact dezelfde informatie als wat bij het Ctgb geregistreerd is. In de praktijk ontstaat al snel de situatie dat de registerhouder een eigen populatiekader gaat hanteren, dat op bepaalde punten afwijkt van wat in de Ctgb-database staat. Het hangt van de wensen van de opdrachtgever(s) en het beschikbare budget af in welke mate de Ctgb-database en het populatiekader van de registerhouder overeen dienen te komen.
6.2.2 Communicatie met opdrachtgever(s)
Zowel de registerhouder als het Ctgb zijn gebonden aan wat zij aan financiering krijgen voor de uit te voeren taken. De communicatie met de opdrachtgever(s) is een regelmatig terugkerende afstemming over budget, (beleids)wensen en (on)mogelijkheden om de taken uit te voeren. De registerhouder spreekt met de opdrachtgever(s) over huidige en nieuwe beleidswensen, zoals de frequentiebehoefte. In het pilot-onderzoek werd uitgegaan van een jaarfrequentie, maar het kan ook vaker, minder vaak, of voor sommige PT’s nooit. Dit hangt van de scope van het op te zetten afzetregister af (zie paragraaf 7.3).
6.2.3 Communicatie met toelatingshouders
De registerhouder dient bevoegd te zijn om contact op te nemen met alle toelatingshouders met toelatingen voor de Nederlandse markt. Van de PT’s die werden onderzocht in de pilot heeft de helft een adres in Nederland en de andere helft uitsluitend een adres in het buitenland. Het is niet voor alle potentiële registerhouders evident, dat ze contact mogen leggen met de buitenlandse toelatingshouders. Het is daarbij nog een open vraag in hoeverre de benaderde toelatingshouders, in binnen- en buitenland, wettelijk verplicht zijn om de afzetgegevens aan te leveren. In paragraaf 2.2 werd al geconstateerd dat er extra wetgeving nodig lijkt om de inwinning van afzetgegevens beter afdwingbaar te maken.
Los van het precieze wettelijk kader om afzetgegevens bij de toelatingshouders binnen te halen, is het belangrijk dat de registerhouder goede contacten onderhoudt met (branche)organisaties in de biociden sector. Hoe meer draagvlak er in de biociden sector bestaat voor de inwinning van hun afzetgegevens, des te meer toelatingshouders bereid zullen zijn om hun afzetgegevens aan te leveren. Ook willen de bedrijven zekerheid dat er correct met hun data wordt omgegaan.
Om een hoger draagvlak te creëren in de biociden sector kunnen de volgende overwegingen van belang zijn:
- De ontwikkeling van een afzetregister op Europees niveau heeft voor de biociden sector een belangrijk voordeel ten opzichte van een afzetregister dat uitsluitend nationaal wordt ingericht. Een Europese aanpak draagt bij aan het borgen van een gelijk speelveld voor marktpartijen en voorkomt dat de bedrijven in de afzonderlijke EU-lidstaten worden geconfronteerd met uiteenlopende verplichtingen en administratieve lasten.
- Er kan meer aandacht worden besteed aan de vraag of en op welke wijze illegale middelen binnen een dergelijk afzetregister in beeld kunnen worden gebracht. De focus op alleen de legale verkopen negeert de toenemende zorg over de verschuiving van legaal naar illegaal via buitenlandse webwinkels. Ook is het wenselijk dat een extra (administratieve) last niet alleen gevoeld wordt door de legale handel, maar dat dit in balans is met een soortgelijke extra last bij de illegale handel (bijvoorbeeld door een strengere handha
- Het beoogde doel, gebruik en uitgangspunten van het afzetregister kunnen concreter neergezet worden. Een nadere duiding van de specifieke beleidsvragen die het register moet ondersteunen, evenals van de wijze waarop de verzamelde data daarvoor zal worden ingezet, kan bijdragen aan een beter begrip van het nut en de toegevoegde waarde van het afzetregister.
In de communicatie met de toelatingshouders en (branche)organisaties kunnen soortgelijke overwegingen door opdrachtgever(s) en registerhouder opgehaald worden, die meegenomen kunnen worden als het afzetregister biociden daadwerkelijk geïmplementeerd gaat worden.
6.3 Andere eigenschappen
6.3.1 Doel en gebruik
De registerhouder heeft geen tegenstrijdige belangen en is transparant. De registerhouder legt duidelijk het beoogde doel en gebruik van het afzetregister biociden uit, benoemt ook waarvoor het register niet gebruikt wordt, en beschrijft hoe de data beveiligd en geanalyseerd worden. De toelatingshouders worden ook geïnformeerd over wat er gepubliceerd wordt en in welke mate er statistische beveiliging is toegepast. De registerhouder dient niet alleen een eerste versie van het afzetregister te implementeren en te onderhouden, maar ook voldoende flexibel te zijn om in de toekomst extra functionaliteiten toe te voegen.
6.3.2 Expertise en betrouwbaarheid
De registerhouder beschikt over de benodigde expertise om de binnengehaalde gegevens te verwerken tot geaggregeerde totalen. Denk hierbij aan de expertise op het gebied van data-analyse en de inhoudelijke kennis over biociden, voor bijvoorbeeld het herkennen van de onmogelijke waardes in de data en het eventueel imputeren van missende waarden.
De registerhouder heeft een betrouwbare naam op het gebied van dataopslag en beveiliging. De IT-omgeving waarin het register staat is niet zomaar toegankelijk voor meer personen dan nodig: er wordt expliciet aangegeven wie toegang heeft. Het onderliggende autorisatieproces en bijhorende IT-maatregelen dienen transparant te zijn. De gedetailleerde uitwerking van hoe deze betrouwbaarheid vorm wordt gegeven, is sterk afhankelijk van het type organisatie van de registerhouder. Er kan worden gedacht aan ISO 9001 en ISO 27001 certificeringen. In paragraaf 3.5 van de eerdere CBS-dataverkenning (CBS, 2024a) staan een aantal aanbevelingen over de beveiligingsmaatregelen rondom de microdata.
De registerhouder gebruikt software met een lage foutgevoeligheid voor menselijk handelen, die goed gedocumenteerd is (alle onderdelen en de samenhang daartussen is beschreven) en ook makkelijk overdraagbaar is tussen gebruikers. Dit verhoogt de reproduceerbaarheid van de software en voorkomt dat er een te grote afhankelijkheid ontstaat van individuen.
6.3.3 Wettelijke zaken
De registerhouder moet wettelijk bevoegd zijn tot het uitvragen, verwerken en opslaan van de (micro)data uit binnen- en buitenland. Hoe dit precies wettelijk geregeld is, hangt af van de institutionele setting waarbinnen de registerhouder fungeert. De toelatingsautoriteit (Ctgb), de inspectiediensten (zoals ILT en NVWA), andere overheidsinstituten (zoals RIVM) en de niet-overheid organisaties (zoals Fytostat met hun rol in het afzetregister gewasbescherming) hebben elk hun eigen wettelijk kader waarbinnen ze activiteiten uitvoeren.
Het gaat te ver om hier uitgebreid het al bestaande wettelijke kader voor al deze organisaties te beschrijven in relatie tot welk wettelijk kader er voor het register precies benodigd is, en welke extra wetgeving daartoe geïmplementeerd dient te worden. Er wordt hier alleen geschetst wat er speelt aan de input- en outputkant, zonder de juridische details in te duiken.
Aan de inputkant is het denkbaar dat extra wetgeving nodig is om inwinning van afzetgegevens afdwingbaar te maken (zie paragraaf 2.2). Een zeer hoge respons is nodig, omdat het te vaak voorkomt dat één werkzame stof aan slechts één toelatingshouder gekoppeld is. Wanneer bij de één-op- één koppeling de gegevens van de toelatingshouder missen, dan is het onbekend wat er aan desbetreffende werkzame stof verkocht is. De verkoop van deze specifieke werkzame stof niet kan niet worden afgeleid aan de hand van wat andere toelatingshouders aangeleverd hebben, omdat dit over andere werkzame stoffen gaat. Om die zeer hoge respons te halen, helpt het als de registerhouder direct in contact staat met de biociden sector.
Aan de outputkant speelt het Verdrag van Aarhus een rol. Dit verdrag geeft het publiek recht op toegang tot milieu-informatie. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft in 2024 een handreiking gepubliceerd over de openbaarheid van milieu-informatie en emissiegegevens (IenW, 2024). In hoofdstuk 5 van de handreiking wordt uitgelegd wat emissiegegevens zijn. Uit de jurisprudentie volgt dat de afzetgegevens van gewasbeschermingsmiddelen gezien moeten worden als emissiegegevens. Het is denkbaar dat ook de afzetgegevens van biociden als emissiegegevens gezien gaan worden, maar daarover is geen jurisprudentie bekend.
In paragraaf 7.3 van de handreiking staat:
“Gaat het om emissiegegevens, dan gelden de absolute en relatieve uitzonderingsgronden in het geheel niet; openbaarmaking van deze gegevens kan op grond van de Wet open overheid (Woo, 2025) niet worden geweigerd. Indien door een bedrijf informatie is aangeleverd die als emissiegegevens moet worden gekwalificeerd, dan komt het betreffende bedrijf geen beroep op vertrouwelijkheid toe ten aanzien van de emissiegegevens. Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt.”
De potentiële toekomstige opvraagbaarheid van de afzetgegevens van biociden (via de Wet open overheid) kan voor toelatingshouders een drempel zijn om hun verkoopdata aan een overheidsorganisatie te leveren. Ze doen dit liever geaggregeerd (namens een groep toelatingshouders) en niet per individuele toelatingshouder. Om individuele herleidbaarheid te voorkomen (zie bevinding 5 in paragraaf 3.5) is het raadzaam om een geschikte classificatie op te stellen om daarmee een aggregatie naar stofgroepen (of ‘submarkten’) uit te voeren.
De toelatingshouders en hun brancheorganisaties kunnen een stem krijgen in het definiëren van de ‘submarkten’ waar naartoe de gegevens geaggregeerd kunnen worden. Het draagvlak van de biociden sector kan ook iets verhoogd worden door bij Platform Biociden en de andere brancheorganisaties gedragsregels omtrent Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen op te stellen, zoals CropLife NL (brancheorganisatie gewasbescherming) dat gedaan heeft voor hun leden, Code of Conduct (CropLifeNL, 2024).
Een aanvullende mogelijkheid is om het afzetregister alleen te vullen met de trends van de verkochte hoeveelheden, bijvoorbeeld in de vorm van een index met 2025=100 (is de verkoop in 2026 met 5 procent toegenomen, dan is de indexwaarde voor dat verslagjaar gelijk aan 105). Voor de werkzame stoffen c.q. stofgroepen (of ‘submarkten’) die niet individueel te herleiden zijn, kunnen naast de trends ook het aantal verkochte kilogrammen per jaar getoond worden, eventueel aangevuld met de risicoklasse waarin het valt. Voor het resterende deel worden dan naast de trends geen kilogrammen gegeven. Het is een optie om hier alleen de hoog-risico trends te tonen. Verder kan de bedrijfsgevoeligheid van de gegevens iets verminderd worden door de verkoopdata van biociden vertraagd naar buiten te brengen en/of deels (tijdelijk) te verbergen achter een wachtwoord.
6.3.4 Minimalisatie van lastendruk
De registerhouder doet per toelatingshouder niet meer dan één uitvraag van de data. Het kan voorkomen dat één toelatingshouder meerdere toelatingen houdt. Daarom is het belangrijk dat in het populatiekader van het register zowel de toelatingen beschreven worden (eenheden van de doelpopulatie met specifieke producten) als ook de toelatingshouders en de relatie tussen de toelatingen en de toelatingshouder. Zo kan de registerhouder de uitvraag over meerdere toelatingen bundelen per toelatingshouder, om zo de lastendruk te minimaliseren. Dit om te voorkomen dat een toelatingshouder afzonderlijk gecontacteerd wordt over elke toelating.
Hoe hoger de frequentie, hoe hoger de administratieve lastendruk voor de toelatingshouders. De frequentie van de uitvraag dient te passen bij het beoogde doel en gebruik van afzetregister biociden. Als het louter gebruikt wordt voor risicoberekeningen (door onderzoekers), dan kan een eenmalige uitvraag naar het aantal kilogrammen voldoende zijn, die na een aantal jaar kan worden herhaald. Voor toezichthouders en beleidsmakers zijn juist de trends belangrijk om tijdig actie te kunnen ondernemen. Een jaarlijkse uitvraag heeft dan de voorkeur.
Om op basis van trends proactief te kunnen handelen, in plaats van reactief, dient eigenlijk alles minimaal elke drie jaar in kaart gebracht te worden, omdat anders de informatie onvolledig en verouderd is. Voor de verschillende soorten biociden kan een andere frequentie gehanteerd worden, bijv. de hoog-risico trends kunnen jaarlijks (of zelfs maandelijks) uitgevraagd worden, terwijl de laag-risico trends met een (veel) lagere frequentie uitgevraagd kunnen worden, zover dat nodig is voor risicoberekeningen en proactief handelen.
6.3.5 Datakwaliteit
De registerhouder voert regelmatig kwaliteitscontroles uit en informeert tijdig het Ctgb en de opdrachtgever(s) over de bevindingen. Denk hierbij aan automatische kwaliteitscontroles op zowel de toelatingshouders als de toelatingen, zoals de correctheid van de identificeerbare kenmerken of de dekkingsgraad van de doelpopulatie. Zie paragraaf 3.10 uit de eerdere CBS-dataverkenning (CBS, 2024a) voor meer details.
De registerhouder voert op een consistente manier verschillende stappen uit ter verbetering van de kwaliteit waar nodig. Denk hierbij aan stappen zoals: het verwijderen van waarden met kwaliteitsproblemen, het doen van navraag bij de toelatingshouder over de variabelen met kwaliteitsproblemen, het overschrijven van waarden die overduidelijke fouten bevatten of het imputeren van missende waarden.
Om de respons te verhogen (voor een betere statistische kwaliteit) heeft de registerhouder een actief beleid van rappelleren mochten de gegevens niet op tijd zijn aangeleverd. Het moment van rappelleren en de manier waarop (schriftelijk, elektronisch of mondeling) worden vooraf vastgelegd. De registerhouder kan ook contact opnemen met de toelatingshouders als de geleverde gegevens van onvoldoende statistische kwaliteit zijn, bijvoorbeeld omdat gegevens ontbreken of omdat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de opgeleverde gegevens mogelijk onjuist zijn. Er wordt dan verzocht om ofwel aanvullende gegevens aan te leveren ofwel te controleren of de geleverde gegevens wel kloppen.
De registerhouder draagt zorg dat het register op een consistente wijze wordt gevuld zodat de gegevens over de tijd heen vergelijkbaar zijn. Bij eventuele toekomstige veranderingen wordt een afweging gemaakt tussen vergelijkbaarheid en de noodzaak van de verandering. Het is aan te raden om bij de start van het uitvragen van gegevens voor minimaal twee jaren aan gegevens uit te vragen. Bij een volgende uitvraag kan er een vergelijking gemaakt worden van jaar t met de al beschikbare jaren t-1 of t-2 en zo kan na verloop van tijd een inschatting gemaakt worden van de datakwaliteit van de gehele tijdreeks.
6.4 Zoektocht naar geschikte registerhouder
Het is niet aan het CBS om expliciete aanbevelingen te doen over welke organisatie het beste de rol van registerhouder kan vervullen. In plaats daarvan zet het CBS twee observaties neer, die de zoektocht naar een geschikte registerhouder kunnen vergemakkelijken.
6.4.1 Observatie 1: afzetregister gewasbescherming
De manier waarop het afzetregister gewasbescherming in Nederland is neergezet, is een voorbeeld voor hoe het Nederlands afzetregister biociden geïmplementeerd kan worden. Bij gewasbescherming heeft Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) momenteel de rol van registerhouder, in opdracht van het Ministerie van LVVN. Een groot deel van de gegevens over de verkochte hoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen krijgt RVO van Fytostat, die de uitvraag uitvoert in opdracht van CropLife NL.
De uitvraag van Fytostat gebeurt op maandelijkse basis. Fytostat heeft daarvoor contact met de CropLife NL deelnemers (nu 11 bedrijven). Dat zijn de grotere bedrijven binnen de productie en verkoop van gewasbeschermingsmiddelen. Fytostat heeft geen contact met de andere toelatingshouders. De verkopen van dit veel kleinere, resterende deel wordt op jaarbasis uitgevraagd door RVO in opdracht van het Ministerie van LVVN. RVO verzamelt en bundelt de data, zet dat in een Excelbestand en stuurt dat aan het eind van het jaar naar het Ministerie van LVVN, opdat ze hun eigen analyses kunnen doen.
Een soortgelijke route is ook denkbaar voor het afzetregister biociden. De opdrachtgever is dan het Ministerie van IenW. Het is niet noodzakelijk dat RVO dan de registerhouder is. Het kan een andere overheidsorganisatie zijn. Ook de data-uitvraag kan bij biociden op een andere manier georganiseerd worden. Het institutionele speelveld is bij biociden complexer. Bij biociden gaat het om flink meer toelatingshouders dan bij gewasbescherming. Bij biociden zijn het vooral de meerdere kleine bedrijven die substantieel optellen in de totaalverkoop in Nederland. Bij gewasbescherming wordt de totaalverkoop vooral bepaald door de grote bedrijven die lid zijn van CropLife NL.
Het is daarom geen vanzelfsprekendheid dat een vergelijkbare opzet voor biociden gerealiseerd kan worden. Hier geldt ook de kanttekening dat Platform Biociden slechts een deel van de biociden-sector vertegenwoordigt. Er zijn meerdere brancheorganisaties.
6.4.2 Observatie 2: Verdrag van Aarhus
In paragraaf 6.3.3 is een korte beschrijving gegeven van het verdrag van Aarhus. Dit verdrag geeft het publiek recht op toegang tot milieu-informatie en emissiegegevens. Juridisch worden de afzetgegevens van gewasbeschermingsmiddelen gezien als emissiegegevens en het is niet uit te sluiten dat dit voor de afzet van biociden ook gaat gelden. Het kan daarom een optie zijn om de rol van registerhouder bij een organisatie neer te leggen die ervaring heeft met het naar buiten brengen van emissiegegevens.
Een logisch voorbeeld is de Emissieregistratie (RIVM, Geraadpleegd januari 2026a). Dit is een samenwerkingsorganisatie, die ondergebracht is bij het RIVM. Of denk bijvoorbeeld aan het elektronisch Milieujaarverslag (e-MJV) (RIVM, Geraadpleegd januari 2026b). De uitvoering van het e-MJV wordt gecoördineerd vanuit het RIVM. Met de e-MJV webapplicatie kunnen de bedrijven hun (industriële) emissies opstellen en indienen, inclusief de uitstoot van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) naar lucht en water.
RIVM is hier neergezet als voorbeeld, maar dit impliceert niet dat RIVM een voor de hand liggende kandidaat is om bij het Nederlands afzetregister biociden de rol van registerhouder op zich te nemen. De biociden-expertise van RIVM ligt namelijk vooral bij het toepassen van biociden en het inschatten van de risico’s, en niet direct aan de verkoopkant. Het RIVM, in samenhang met het Verdrag van Aarhus, is hier vooral neergezet als één van de denkrichtingen bij de zoektocht naar een geschikte registerhouder, aanvullend op de eerdere observatie over afzetregister gewasbescherming.
Voor beide observaties geldt dat het altijd mogelijk blijft om naast een structurele inbedding ook alternatieve databronnen aan te boren, zoals de recente PT14 uitvraag door ILT. Het is hier dan vooral de uitdaging om deze alternatieve databronnen periodiek binnen te halen (niet incidenteel, of zelfs eenmalig).
7. Conclusies en aanbevelingen
7.1 Terugkijkend naar het pilot-onderzoek
Zonder hier te veel de details in te gaan, kan gezegd worden dat de pilot geslaagd is. De pilot heeft veel informatie opgeleverd. Zowel over de uitvraag van de data zelf, als ook over de inrichting van het register en het profiel van de registerhouder.
Er kan ook geconcludeerd worden dat het haalbaar is om daadwerkelijk een afzetregister te implementeren om daarmee de legale verkoop in Nederland in beeld te brengen. Niet alles is uitgekristalliseerd, maar dit rapport biedt voldoende houvast, indien gewenst, om de implementatie van het afzetregister het komend jaar in gang te zetten. Hieronder volgt een samenvatting van de voornaamste bevindingen die voortkwamen uit het pilot-onderzoek.
I. Bevindingen over de implementatie van het afzetregister
Om de implementatie succesvol te laten verlopen, is het verstandig om het waarneemproces niet te complex te maken (bevinding 1 in paragraaf 3.5). Vraag alleen de jaarverkopen van de toelatingshouders uit (op productniveau) en start met een beperkte set aan PT’s. Zorg daarbij voor een transparante, beheersbare en reproduceerbare dataverwerking (bevinding 2 in paragraaf 3.5), waarbij de gehele datastroom, van input tot output, zoveel mogelijk geautomatiseerd is.
II. Bevindingen over de data-uitvraag en de publicatie daarvan
De registerhouder is verantwoordelijk voor de data-uitvraag en kan het deels uitbesteden aan externe partijen. De verzamelde data dienen alleen het statistische doel van het afzetregister biociden en dienen dus geen andere organisatiedoelen (bevinding 3 in paragraaf 3.5). Voor de andere doelen kunnen de vrijgegeven data gebruikt worden (zie Figuur 3.1.1), rekening houdend met de toelatingen die onder twee PT’s kunnen vallen (bevinding 5 in paragraaf 5.7). De statistische beveiliging die het CBS op de vrijgegeven data zou moeten toepassen is te strikt (bevinding 4 in paragraaf 3.5). Dit is één van de redenen dat het CBS geen geschikte registerhouder zal zijn.
III. Bevindingen over de bruikbare respons en het effect van wetgeving daarop
Het streven is honderd procent bruikbare respons (bevinding 5 in paragraaf 3.5). Voor het CBS was dit onhaalbaar (PT08, PT13, PT18 en PT19), terwijl het toezichthouder ILT bij PT14 wel gelukt is (bevinding 2 in paragraaf 5.7). Het CBS kwam in deze pilot niet verder dan 36 procent respons bij de toelatingshouders die aangeschreven waren. Dit lage percentage kwam door het vrijwillige karakter van de uitvraag door het CBS. Het wettelijk kader ontbrak om toelatingshouders te dwingen hun data aan te leveren.
De uiteindelijke bruikbare respons was bij het CBS zelfs de helft lager (18 procent). Dit kwam doordat het CBS wettelijk gezien geen uitvraag mag doen bij toelatingshouders met een buitenlands adres (bevinding 1 in paragraaf 5.7). Van enkele buitenlandse toelatingshouders is alsnog een geschikt Nederlands adres gevonden, maar uiteindelijk kon de helft van de toelatingshouders niet aangeschreven worden. Daardoor kan de respons bij het CBS niet hoger uitvallen dan vijftig procent. Dit is de tweede reden dat het CBS geen geschikte registerhouder zal zijn.
De PT14 data-uitvraag door ILT had deze hindernissen niet. Buitenlandse bedrijven mogen door ILT benaderd worden als zij toelatingshouder zijn van biociden op de Nederlandse markt. Daarnaast had de ILT-uitvraag genoeg wettelijke bevoegdheden om het aanleveren van PT14 afzetgegevens (door Nederlandse en buitenlandse toelatingshouders) afdwingbaar te maken. Echter, de Europese ervaringen laten zien dat er extra wetgeving nodig lijkt te zijn om de inwinning van de afzetgegevens van biocidetoelatingen nog beter afdwingbaar te maken. Het helpt hierbij om in Europees verband ervaringen te delen. Sommige EU-lidstaten geven aan dat de Europese Biocidenverordening hier tekortschiet (zie paragraaf 2.2).
IV. Bevindingen over het beheer van het populatiekader (Ctgb -> ECHA)
De informatie van het Ctgb over de toelatingshouders en toelatingen is essentieel om het Nederlands afzetregister biociden succesvol te implementeren. Het dient als primaire input voor het populatiekader (bevinding 6 in paragraaf 3.5). De Ctgb-informatie wordt op reguliere basis binnengehaald (bij voorkeur via een API), waarna het verrijkt kan worden met de eigen informatie van de registerhouder. Het populatiekader zal geen exacte kopie zijn van wat het Ctgb geregistreerd heeft (bevinding 4 in paragraaf 5.7).
Daarnaast zal gaandeweg de database van ECHA (Europees agentschap voor chemische stoffen) de rol van de Ctgb-database overnemen. Hoewel deze transitie een tijdje gaat duren (tien jaar?), is het verstandig om de verantwoordelijkheid voor het beheer van het populatiekader volledig bij de registerhouder neer te leggen. Hoe dit beheer precies vormgegeven dient te worden is in het pilot-onderzoek niet onderzocht.
Het is de verwachting dat de informatie van het Ctgb geschikt zal zijn voor de eerste versie van het populatiekader. Naarmate in de praktijk ervaring wordt opgedaan, krijgt de registerhouder steeds meer grip op de compleetheid en de correctheid van het populatiekader en krijgt het ook steeds meer inzicht in wat er (technisch) nodig is om in de toekomst over te gaan naar de ECHA-database ter vervanging van de Ctgb-input.
V. Bevindingen over de uit te vragen variabelen
Alles overziend kan het Nederlands afzetregister biociden geïmplementeerd worden op basis van de ontwerpschets in Hoofdstuk 3, waarin de uitvoering van de data-uitvraag gebeurt zoals beschreven in Hoofdstuk 5. In het bijzonder is bevinding 3 in paragraaf 5.7 van belang. De daarin gegeven Tabel 5.4 geeft een overzicht van welke variabelen essentieel zijn, en welke niet. Niet alle dataverwerking-aspecten zijn in de pilot uitgebreid onderzocht. Zo is niet gekeken naar het effect van vervallen middelen binnen het waarneemproces. Bij een groot risico worden middelen direct van de markt gehaald. Als er geen groot risico bestaat, dan mogen vervallen middelen nog maximaal 180 dagen verkocht worden. Dit kan over de jaargrens heen gaan. In het jaarlijkse waarneemproces moet daar rekening mee gehouden worden.In de pilot is ook niet uitvoerig gekeken naar de omrekening van producthoeveelheid naar werkzame stof hoeveelheid. Data-technisch is dit geen lastige berekening (producthoeveelheid x gehalte = hoeveelheid werkzame stof), maar de daarvoor benodigde gehalten dienen te komen van Ctgb en/of ECHA. Het zal tijd kosten om een compleet hulpbestand samen te stellen waarin deze gehalten staan. Het kan bij biociden ingewikkelder zijn dan bij gewasbeschermingsmiddelen, omdat een biocide in verschillende vormen op de markt kan komen (vloeibaar, gas, verschillende concentraties, etc.). Bij gewasbescherming is de toepassingsvorm eenduidiger.
Het is niet aan te raden om bij de toelatingshouders de hoeveelheden werkzame stof op te vragen in plaats van de producthoeveelheden. Zo zorgt de data-uitvraag op productniveau voor een lagere administratieve lastendruk voor de toelatingshouders. De producthoeveelheden zijn namelijk makkelijker uit de boekhouding van de toelatingshouder te halen dan de werkzame stof hoeveelheden. Bovendien registreert het Ctgb de toelatingen op productniveau, waardoor ook de koppeling met het populatiekader makkelijker te leggen is. De registerhouder heeft ook meer grip op de statistische kwaliteit van de afzetgegevens als de registerhouder het omrekenen van product naar werkzame stof zelf doet (en het niet oncontroleerbaar overlaat aan de toelatingshouders).
In paragraaf 4.3 wordt beschreven dat de reikwijdte van het pilot-onderzoek beperkt is. De focus van de pilot richt zich op de afzetgegevens vanuit de toelatingshouders, horend bij ‘afzet’ in de keten ‘productie - afzet - gebruik - verspreiding - belasting mens en milieu’. Het is een optie om in de toekomst ook naar andere relevante afzetgegevens in deze keten te kijken. Aan de linkerzijde van ‘afzet’ kan gekeken worden naar de hoeveelheden bulkchemicaliën die gebruikt worden om biociden te produceren. Aan de rechterzijde van ‘afzet’ kan het een optie zijn om met de EAN-codes (streepjescode; European Article Number) data in te zamelen over de verkoop van biociden in de detailhandel (bijv. DEET-verkoop bij drogisterijen). Zo’n twintig jaar geleden heeft het CBS de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen bij tuincentra met EAN-codes waargenomen. Ook kan het interessant zijn om de internationale handelsketen beter te onderzoeken, inclusief de illegale handel en wat er via webwinkels verkocht wordt.
7.2 Aanbevelingen profiel registerhouder
Vanwege de beperkingen bij het benaderen van toelatingshouders met een buitenlands adres (bevinding 1 in paragraaf 5.7) en de statistische beveiliging (bevinding 4 in paragraaf 3.5) zal het CBS niet geschikt zijn voor de rol als registerhouder. Ter ondersteuning bij de verdere zoektocht naar een geschikte registerhouder, bevelen we een registerhouder aan die voldoet aan de volgende profielschets (zie Hoofdstuk 6 voor meer details):
- De organisatorische doelen van de registerhouder dienen aan te sluiten op het beoogde doel en gebruik van het register.
- De registerhouder communiceert regelmatig met de opdrachtgever(s) over onder andere (beleid)wensen, (on)mogelijkheden en budget om de taken uit te voeren.
- De registerhouder minimaliseert de administratieve lastendruk en vraagt niet meer uit dan wat strikt noodzakelijk is voor het beoogde doel en gebruik van het register.
- De registerhouder onderhoudt contact met het Ctgb over de toelatingshouders en de daaraan gekoppelde toegelaten middelen.
- De registerhouder is bevoegd om contact op te nemen met alle toelatingshouders voor de Nederlandse markt, in binnen- en buitenland.
- De registerhouder is wettelijk bevoegd tot het uitvragen, verwerken en opslaan van de (micro)data uit binnen- en buitenland.
- De registerhouder beschikt over de benodigde expertise om de binnengehaalde gegevens te verwerken tot geaggregeerde totalen.
- De registerhouder voert regelmatig kwaliteitscontroles uit en informeert tijdig het Ctgb en de opdrachtgever(s) over de bevindingen.
In de zoektocht naar een geschikte registerhouder kan gebruik gemaakt worden van de twee observaties die beschreven zijn in paragraaf 6.4.
7.3 Vervolgstappen opzetten afzetregister
De belangrijkste uitkomst van het pilot-onderzoek is, dat het haalbaar is om een afzetregister biociden te implementeren en om daarmee de legale verkoop in Nederland in beeld te brengen. Als het Ministerie van IenW hiertoe positief besluit, dan dient eerst in kaart gebracht te worden wat de scope is van het op te zetten afzetregister, hoeveel budget daarvoor benodigd is, en in welke mate het wettelijk kader aangepast dient te worden.
A. Scope afzetregister
De scope van het op te zetten register zal grotendeels hetzelfde zijn als wat in het pilot-onderzoek beschreven is. Er is bewegingsruimte in wat de input dient te zijn (welke PT’s), met welke frequentie de input verzameld dient te worden, wat openbaar gemaakt moet worden, en wat de precieze output dient te zijn. Dit alles hangt af van het beoogde doel, gebruik en uitgangspunten van het register. Het is aan het Ministerie van IenW om dat vorm te geven.
Bij de input van het afzetregister kan gekozen worden om de jaarverkopen van enkele PT’s in te zamelen bij de toelatingshouders (zoals in het pilot-onderzoek), of als uiterste keuzes slechts één PT of alle PT’s. Per gekozen PT kunnen alle toelatingen uitgevraagd worden (zoals in het pilot-onderzoek) of slechts een deel ervan. Het minimaliseren van de administratieve lastendruk speelt hierin een rol. Vraag alleen datgene uit, dat echt nodig is. In de te maken afweging dient rekening gehouden te worden met de risico-inschattingen tezamen met wat voor de bijsturing van beleid nodig is.
Normaal gesproken worden jaarverkopen met een jaarlijkse frequentie uitgevraagd. Ook hier zijn variaties mogelijk. Sommige PT’s kunnen met een hogere frequentie ingezameld worden (per maand, bij seizoenafhankelijkheid) en andere PT’s met een lagere frequentie, of zelfs nooit. Ook kan aan ‘rouleren’ gedacht worden: bijvoorbeeld in oneven jaren de ene groep PT’s en in even jaren een andere groep PT’s (en allerlei variaties daarop).
Bij het inzamelen van de verkoopgegevens kan een deel door de registerhouder zelf ingezameld worden, en een ander deel door anderen. Voor het eerste deel vraagt de registerhouder de verkochte producthoeveelheden bij de toelatingshouder uit en doet daarna zelf de omrekening naar werkzame stoffen. Voor het tweede deel maakt de registerhouder afspraken met de dataleverancier of hier producthoeveelheden worden aangeleverd of (kant-en-klare) werkzame stof hoeveelheden (eventueel opgeteld naar stofgroepen c.q. ‘submarkten’).
Ook bij het gebruiken en openbaar maken van de registergegevens dienen er keuzes gemaakt te worden. Een deel van de ingezamelde gegevens zal vanwege het Verdrag van Aarhus op den duur openbaar gemaakt moeten worden. Bij het afzetregister gewasbescherming gaat de openbaarmaking alleen om werkzame stof hoeveelheden (en niet om de producthoeveelheden). Het is bij afzetregister gewasbescherming zo geregeld dat de in jaar T verkochte werkzame stof hoeveelheden in het daaropvolgend jaar (T+1) nog niet openbaar zijn, en vanaf het jaar daarna (T+2) wel. Het is nog niet bekend hoe het de overheid het vrijgeven van de data bij afzetregister biociden gaat regelen. Er moet nog besloten worden wat er precies openbaar gemaakt gaat worden, wanneer dat gaat gebeuren, op welke wijze, en in welke mate andere organisaties dan de registerhouder gebruik mogen maken van de (nog) niet-openbare gegevens.
Ook bij de te publiceren output zijn keuzes te maken. Op welk detailniveau worden de werkzame stof hoeveelheden naar buiten gebracht? Is dat per afzonderlijke stof of is het opgeteld naar stofgroepen c.q. ‘submarkten’. Welke classificatie gebruiken we? Brengen we absolute hoeveelheden naar buiten of doen we dat in de vorm van een index met 2025=100? Tonen we alleen de hoog-risico trends? Soortgelijke keuzes zijn ook nodig voor het deel van het register dat (nog) niet openbaar is: wat blijft hoe dan ook vertrouwelijk bij de registerhouder (zoals contactgegevens), wat mag er precies onderling gedeeld worden en met wie (denkend aan doelbinding), en in welke mate wordt ervoor gezorgd dat het niet individueel herleidbaar is?
B. Benodigd budget en wettelijk kader
Nadat de scope in voldoende mate is neergezet, moet er gekeken worden wat voor budget daarvoor nodig is. Bij het regelen van voldoende budget gaat het om zowel incidentele kosten voor het opzetten van het register als om structurele kosten voor het onderhoud en het doen van de periodieke uitvraag. Het is aan het Ministerie van IenW om uit te zoeken welke financiering vanuit de overheid benodigd is.
Een volledig vrijwillige aanlevering van afzetgegevens door de toelatingshouders zal zorgen voor een te lage respons. Het streven is honderd procent respons; ofwel, een volledig gevuld register. Om een zeer hoog respons te halen, richting honderd procent, is een voldoende goed wettelijk kader nodig om de aanlevering van de afzetgegevens af te dwingen. Afhankelijk van welke organisatie de rol van registerhouder krijgt (zie de observaties in paragraaf 6.4) dient bekeken te worden of het huidig wettelijk kader voldoende voldoet, en in hoeverre aanpassingen benodigd zijn.
Er bestaan signalen dat er extra wetgeving nodig is (nationaal en/of Europees), zie paragraaf 2.2, maar het is in het pilot-onderzoek niet onderzocht of dat ook voor Nederland geldt. In de data-uitvraag door het CBS werd uitgegaan van een vrijwillige aanlevering van afzetgegevens. Dit zorgde voor een te laag respons, ruim onder de honderd procent. Slechts 36 procent van de aangeschreven toelatingshouders respondeerde.
In het pilot-onderzoek werd niet onderzocht of de respons verhoogd kan worden met andere maatregelen. Zo kan een ‘wortel of stok’-aanpak tot een hogere respons leiden. De toelatingshouder krijgt dan voordelen als het bruikbare afzetgegevens aanlevert (wortel = beloning) of de toelatingshouder voelt nadelen als hetgeen (of onbruikbare) afzetgegevens aanlevert (stok = sanctie/straf). Een heldere en effectieve communicatie tussen de registerhouder en de toelatingshouders kan ook respons verhogend werken.
Na het maken van de keuzes over scope, budget en wettelijk kader kan er gestart worden met de zoektocht naar een geschikte registerhouder. Dit zal een iteratief proces zijn, uit te voeren door het Ministerie van IenW, omdat rekening gehouden moet worden met uiteenlopende wensen. Er is een goede communicatiestructuur nodig, waarin de belanghebbenden hun stem kunnen laten horen, tijdens het gehele implementatieproces.
8. Referenties
AP. (Geraadpleegd december 2025). De AVG in het kort. Opgehaald van https://www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/themas/basis-avg/avg-algemeen/de-avg-in-het-kort
CBS. (2024a). Het opzetten van een nieuw register over de afzet van biociden in Nederland. Opgehaald van https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistische-diensten/2024/het-opzetten-van-een-nieuw-register-over-de-afzet-van-biociden-in-nederland
CBS. (Geraadpleegd november 2025a). Centraal Bureau voor de Statistiek - Onze organisatie. Opgehaald van https://www.cbs.nl/nl-nl/over-ons/dit-zijn-wij/onze-organisatie
CBS. (Geraadpleegd november 2025b). Zo waarborgt het CBS een beveiligde uitwisseling van gegevens. Opgehaald van https://www.cbs.nl/nl-nl/deelnemers-enquetes/bedrijven/meer-over-cbs-enquetes/zo-waarborgt-het-cbs-een-beveiligde-uitwisseling-van-gegevens
CropLifeNL. (2024). https://www.croplife.nl/croplife.nl/media/Documenten/Basisdocumenten/20240620-Code-of-Conduct-CropLife-NL.pdf. Opgehaald van Code of Conduct.
EU. (2012). Verordening (EU) Nr. 528/2012 van het Europees parlementen de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biocide. Opgehaald van https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:02012R0528-20240611&qid=1763465032511
EU. (Geraadpleegd december 2025). Zero Pollution Action Plan. Opgehaald van https://environment.ec.europa.eu/strategy/zero-pollution-action-plan_en
IenW. (2022). Impulsprogramma Chemische Stoffen (2023-2026). Opgehaald van https://open.overheid.nl/documenten/ronl-5692b6d36f2097834252e6c9f904963c4fe16b0e/pdf
IenW. (2024). Openbaarheid van milieu-informatie en emissiegegevens : handreiking. Opgehaald van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/01/31/openbaarheid-van-milieu-informatie-en-emissiegegevens-handreiking
IPLO. (2000). Europese Kaderrichtlijn Water. Opgehaald van https://iplo.nl/thema/water/oppervlaktewater/kaderrichtlijn-water/
Overheid. (Geraadpleegd november 2025a). Wet op het Centraal Bureau voor de Statistiek. Opgehaald van https://wetten.overheid.nl/BWBR0015926/2025-09-01
Overheid. (Geraadpleegd november 2025b). Algemene wet bestuursrecht. Opgehaald van https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2025-09-01/0#Hoofdstuk5
Rijksoverheid. (2023). Strategisch kader voor de inzet van biociden bij het voorkomen en beheersen van ongewenste organismen. Opgehaald van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/10/19/bijlage-2-strategisch-kader-voor-de-inzet-van-biociden-bij-het-voorkomen-en-beheersen-van-ongewenste-organismen
RIVM. (2023). Verkenning risicofactoren biocidegebruik. Aanbevelingen voor toezicht, onderzoek en beleid. Opgehaald van https://www.rivm.nl/publicaties/verkenning-risicofactoren-biocidegebruik-aanbevelingen-voor-toezicht-onderzoek-en
RIVM. (Geraadpleegd januari 2026a). Emissieregistratie. Opgehaald van https://www.emissieregistratie.nl/.
RIVM. (Geraadpleegd januari 2026b). Elektronisch Milieujaarverslag. Opgehaald van https://www.e-mjv.nl/.
UmweltBundesamt. (2024). Shaping a proper use of biocides. Opgehaald van https://www.umweltbundesamt.de/sites/default/files/medien/479/publikationen/sop_shaping_a_proper_use_of_biocides.pdf
UmweltBundesamt. (2025). Take EU biocides legislation to the next level. Opgehaald van https://www.umweltbundesamt.de/sites/default/files/medien/376/publikationen/25_09_11_scop_biozid-vo_fuer_eab_v2.pdf
Woo. (2025). Wet open overheid (1 juli 2025). Opgehaald van https://wetten.overheid.nl/BWBR0045754/2025-07-01/0
9. Bijlagen
9.1 Excel CBS-uitvraag
Er zijn drie tabbladen. Hieronder telkens eerst de Nederlandse versie en daarna de Engelse.






9.2 CBS brief toelatingshouders

9.3 CBS website biociden


9.4 ILT-uitvraag: aanschrijfbrief

9.5 ILT uitvraag: resultaten


9. Bijlagen
9.1 Excel CBS-uitvraag
Er zijn drie tabbladen. Hieronder telkens eerst de Nederlandse versie en daarna de Engelse.






9.2 CBS brief toelatingshouders

9.3 CBS website biociden


9.4 ILT-uitvraag: aanschrijfbrief

9.5 ILT uitvraag: resultaten

