4. Uitgangspunten pilot-onderzoek
4.1 Wettelijk kader uitvraag van data
Voor de pilot wordt het statistisch proces gevolgd, zoals geschetst in het vorige hoofdstuk (zie Figuur 3.1.1). De uitvraag van data wordt in de pilot door het CBS gedaan. Voor het uiteindelijke register kan de uitvraag door andere organisatie(s) worden gedaan.
Zonder in te gaan op de juridische details is het wettelijk kader waarbinnen het CBS zich begeeft anders dan die van andere organisaties (CBS, Geraadpleegd november 2025a). Zo dient het CBS de administratieve lastendruk zo laag mogelijk te houden. Dat impliceert dat alleen informatie ingezameld mag worden die in strikte zin nodig is om de statistische output samen te stellen. Geen extra informatie. Ook geldt binnen het CBS het wettelijk toepassen van de statistische geheimhouding (zie paragraaf 3.3.5).
Voor andere organisaties gelden andere wettelijke bepalingen, qua inwinning van de gegevens, de verwerking daarvan, het delen van gegevens, en de uiteindelijke openbaarmaking. Zonder in te gaan op de juridische details mogen inspectiediensten, net als het CBS, de afzetgegevens opvragen. Daarnaast mogen de inspectiediensten bij calamiteiten extra informatie binnenhalen (zover dat nodig is en binnen hun bevoegdheden valt). Hierbij zal de (extra) informatie van de ene toelatingshouder niet worden gedeeld met de andere toelatingshouders. Wel kan de ene inspectiedienst, in voorkomende gevallen, informatie delen met andere inspectiedienst(en).
Voor Nederland geldt artikel 68 lid 1 in de Europese Biocidenverordening (EU, 2012):
Artikel 68, Registratie van gegevens en rapportage
1. Houders van een toelating houden de gegevens bij betreffende de biociden die zij in de handel brengen gedurende ten minste tien jaar na het in de handel brengen of, indien dit eerder is, tien jaar nadat de toelating is ingetrokken of de geldigheidsduur ervan verstreken is. De ter zake dienende informatie in dit gegevensbestand stellen zij op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit.
Of dit een verplichting tot leveren is, hangt van de bevoegdheden van de uitvragende autoriteit af en hoe dit alles in de regelgeving is ingebed. Inspectiediensten kunnen zich in bijzondere gevallen beroepen op de Algemene wet bestuursrecht, hoofdstuk 5, dat over handhaving gaat (Overheid, Geraadpleegd november 2025b), zie artikel 5.16: “Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen”.
Dat is geen wettelijke grondslag waar het CBS zich op kan beroepen. Tijdens deze pilot werd daarom uitgegaan van een vrijwillige aanlevering van afzetgegevens door de toelatingshouders. Hiermee wordt tevens een eerste indruk gekregen van de bereidheid van toelatingshouders om vrijwillig aan de inzameling van afzetgegevens mee te werken.
4.2 Projectaanpak pilot-onderzoek
Het pilot-onderzoek wordt ondersteund door een begeleidingscommissie, bestaande uit:
- Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
- Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW)
- Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)
- College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)
- Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
- Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)
- Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
- Platform Biociden
De begeleidingscommissie heeft een adviserende rol over de inhoudelijke en praktische kanten van het pilot-onderzoek.
4.3 Reikwijdte pilot-onderzoek
Door beperkingen in tijd en geld werden niet alle afzetgegevens van biociden met het pilot-onderzoek waargenomen. De volgende keuzes zijn gemaakt:
- De focus van het pilot-onderzoek ligt vooral op de meest risicovolle middelen. In de pilot hoeven ze niet allemaal uitgevraagd te worden. Het is voor de pilot voldoende om alleen de middelen te kiezen waar het meest van kan worden geleerd.
- De te kiezen middelen dienen niet alleen de professionele markt te dekken, maar ook wat er aan consumentenmiddelen verkocht is. Buiten de scope van de CBS-uitvraag vallen de middelen waarvan de afzetgegevens, nagenoeg gelijktijdig met de CBS-uitvraag, door een andere organisatie dan het CBS wordt ingezameld.
- Het pilot-onderzoek richt zich louter op de afzetgegevens, en niet op het (regionaal) gebruik van biociden. Ook vraagt het CBS geen extra informatie op ten behoeve van een betere duiding van de waargenomen afzetgegevens of voor het leggen van een sterkere link tussen verkoophoeveelheden, toepassingsgebied en gebruikers. De CBS-uitvraag is daardoor eenvoudig en doelgericht: alleen focus op verkoophoeveelheden.
- Het inzamelen van de verkoophoeveelheden op de Nederlandse markt gebeurt alleen bij de toelatingshouders die voor de toegelaten biociden geregistreerd zijn bij het Ctgb. Om de administratieve lastendruk voor deze groep van bedrijven niet onnodig hoog te maken, wordt het aantal te benaderen toelatingshouders van tevoren op maximaal honderd gesteld.
- Er wordt aangenomen dat de database van het Ctgb voldoende stabiel en actueel is voor de koppeling van de Ctgb-gegevens (over toelatingen en toelatingshouders) aan de CBS-uitvraag. Het bestuderen van de dynamiek van de Ctgb-database, zoals toevoegingen en verwijderingen, valt buiten de scope van het pilot-onderzoek.
- Alleen de legale handel valt binnen de scope van het pilot-onderzoek. Bij de niet-legale handel gaat het bijvoorbeeld om de biociden vanuit buitenlandse webwinkels, die niet in Nederland zijn toegelaten, met daarbij als risico dat de biociden voor professioneel gebruik bij niet-professionele gebruikers terecht kunnen komen.
- Ook gaat het pilot-onderzoek niet over behandelde voorwerpen, zoals houten meubelen die in het buitenland worden behandeld met biociden en daarna op de Nederlandse markt terecht komen.
- In de CBS-uitvraag ligt de nadruk primair op het verzamelen van informatie over het waarneemproces zelf: waar loop je tegenaan als je daadwerkelijk een afzetregister biociden wilt opzetten en wat zijn de ‘geleerde lessen’? Het betrouwbaar schatten van de totaalhoeveelheden biociden is niet het primaire doel van de CBS-uitvraag. In het pilot-onderzoek wordt daarom geen statistische methode ontwikkeld om met non-respons en ontbrekende waarden om te gaan.
De reikwijdte van het pilot-onderzoek beoogt dat het ’vervolgstappen (zie paragraaf 7.3) gaat opleveren die horen bij de manier waarop het afzetregister biociden geïmplementeerd kan worden.
4.4 Detailniveau afzetregister
Bij het bepalen van het detailniveau van het Nederlands afzetregister biociden gaat het niet alleen om welke middelen gemonitord worden, maar ook wat per middel wordt geregistreerd.
4.4.1 Welke biociden
Een minimale variant van het afzetregister richt zich alleen op de biociden met relatief ernstige gevaarseigenschappen. De ingeschatte impact op onze gezondheid en leefomgeving (water en natuur) is dan leidend. Bij waterkwaliteit gaat het dan bijvoorbeeld om de biociden waarvan een (te) hoge concentratie gemeten is binnen Europese Kaderrichtlijn Water (IPLO, 2000). De minimale benadering is in zekere zin volgend op informatie die al bekend is. Bij de maximale variant, alle biociden zitten in het register, krijg je ook zicht op de opkomende middelen (‘emerging trends’). Het afzetregister is dan leidend.
Om de administratieve lasten voor de bedrijven niet onnodig hoog te laten zijn, en om de pilot niet onnodig zwaar te maken qua (doorloop)tijd, wordt er gekozen voor een tussenvariant. Uit de 22 groepen biociden (producttypen, PT’s) worden de verkoopgegevens van een beperkt aantal groepen waargenomen. Het gaat om de schuingedrukte PT’s in onderstaande lijst:
Desinfecteermiddelen
PT 01 Menselijke hygiëne
PT 02 Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens en dier gebruikt wordt
PT 03 Dierhygiëne
PT 04 Voeding en diervoeders
PT 05 Drinkwater
Conserveermiddelen
PT 06 Conserveermiddelen voor producten tijdens opslag
PT 07 Filmconserveringsmiddelen
PT 08 Houtconserveringsmiddelen
PT 09 Conserveringsmiddelen voor vezels, leer, rubber en gepolymeriseerde materialen
PT 10 Conserveringsmiddelen voor bouwmaterialen
PT 11 Conserveringsmiddelen voor vloeistofkoelings- en verwerkingssystemen
PT 12 Slijmbestrijdingsmiddelen
PT 13 Vloeibare conserveringsmiddelen voor bewerking en versnijden
Plaagbestrijdingsmiddelen
PT 14 Rodenticiden
PT 15 Aviciden
PT 16 Mollusciciden, vermiciden, en producten om andere ongewervelende dieren te bestrijden
PT 17 Pisciciden
PT 18 Insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen
PT 19 Afweermiddelen en lokstoffen
PT 20 Bestrijding van andere gewervelde dieren
Andere biociden
PT 21 Aangroeiwerende middelen
PT 22 Vloeistoffen voor balsemen en opzetten
Deze 22 PT’s worden genoemd in Annex V van de Europese Biocidenverordening (EU, 2012). Daarin wordt ook uitgelegd wat elke PT inhoudt. Zo is PT14 Rodenticiden gelijk aan ‘Producten voor de bestrijding van muizen, ratten en andere knaagdieren met andere middelen dan afweren of aanlokken.’ Uit het eerdergenoemde RIVM-rapport blijkt dat ‘de gevaarlijkste stoffen in de middelen zitten tegen ratten en muizen, in insecticiden en in conserveermiddelen voor hout’ (RIVM, 2023). Gezien het belang ervan werden de verkopen van PT14 al door ILT opgevraagd. Deze PT zit daarom niet in de uitvraag door het CBS.
Van de overige schuingedrukte PT’s (08, 13, 18 en 19) worden van alle toelatingen de afzetgegevens opgevraagd. De andere PT’s vallen buiten de scope van het pilot-onderzoek. Met PT08 en PT18 zijn vooral verkopen aan professionele gebruikers in beeld. Dit is aangevuld met PT19 om ook de consumentenmarkt prominenter in beeld te krijgen. Door PT13 hieraan toe te voegen komen ook de industriële toepassingen in beeld.
4.4.2 Welke afzetgegevens
Een Nederlands afzetregister biociden zal primair de afzetgegevens bevatten van de bij het Ctgb geregistreerde toegelaten middelen (zie paragraaf 3.4). De afzetgegevens dienen geleverd te worden door de daarbij horende toelatingshouders. Per toegelaten middel dient alleen de hoeveelheid verkocht product aangeleverd te worden. Er wordt niet gevraagd naar andere (detail)informatie over de verkopen. Het leveren van een jaartotaal voor het gevraagde verslagjaar is voldoende.Ook hoeven de hoeveelheden werkzame stof niet aangeleverd te worden. Die worden berekend aan de hand van de producthoeveelheden en de Ctgb-informatie over werkzame stofgehalten. De producthoeveelheden zijn makkelijker uit de boekhouding van de toelatingshouder te halen dan de werkzame stof hoeveelheden.