Pilot-onderzoek naar het opzetten van een afzetregister voor biociden in Nederland

5. Uitvraag afzetgegevens biociden

5.1 Scope pilot-onderzoek: welke biociden?

Zoals in hoofdstuk 4.4.1 is aangegeven, heeft het CBS in de pilot vier PT’s uitgevraagd:

  • PT08 – Houtconserveringsmiddelen
  • PT13 – Vloeibare conserveringsmiddelen voor bewerking en versnijden.
  • PT18 – Insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen.
  • PT19 – Afweermiddelen en lokstoffen.

5.2 Populatiekader: welke bedrijven?

De Ctgb-database van maart 2025 is gebruikt voor de selectie van bedrijven waarvan de afzetcijfers zijn opgevraagd. De volgende criteria zijn gehanteerd:

  1. De toelatingshouder had ten minste één middel binnen PT08, PT13, PT18 en PT19 met een geldige toelating tussen 1 januari 2021 en 31 december 2024.
  2. De toelatingshouder had op zijn minst één middel met actieve toelating op het moment van uitvragen.
  3. De toelatingshouder moest bekend zijn in het ABR (CBS-bedrijvenregister).

Bedrijven werden gevraagd afzetcijfers te leveren van PT08, PT13, PT18 en PT19 over één of meerdere jaren tussen 2021 en 2024, of een gemiddelde daarvan. Om die reden is opgenomen dat het middel een geldige toelating moest hebben tussen 1 januari 2021 en 31 december 2024.

Verder moest de toelatingshouder op zijn minst nog één middel met een actieve toelating hebben, omdat anders de kans op reactie minimaal werd geschat. Daarnaast moest het bedrijf bekend zijn in het ABR, zodat het CBS centraal kan bijhouden welke bedrijven uitvragen hebben ontvangen. Ook mag het CBS bedrijven die uitsluitend gevestigd zijn in het buitenland niet benaderen (door statistische wetgeving).

In de Ctgb-database zijn niet bij alle toelatingen adressen van de toelatingshouders vermeld. Deze waren echter nodig om de toelatingshouders te kunnen benaderen. De adressen zijn met behulp van het KVK-nummer opgezocht in het ABR, of online als het bedrijf niet was vermeld in het KVK-handelsregister.

In totaal waren er 112 bedrijven die voldeden aan de eerste twee criteria. Vervolgens hadden 56 bedrijven enkel een buitenlands adres en/of waren niet te vinden in het ABR (criteria 3). Hierdoor bleven er 56 bedrijven over die benaderd konden worden. In totaal waren er 563 middelen, waarvan 295 middelen bij toelatingshouders die we konden uitvragen.

In Tabel 5.2.1 is de verdeling per PT weergegeven. Zeven toelatingshouders hadden middelen van meer dan één PT. Van de bedrijven die we konden benaderen hadden twee toelatingshouders middelen van meer dan één PT. In Tabel 5.2.1 staan ook het aantal middelen per PT. In het totaal aantal middelen was één middel die onder twee PT’s viel, en geen in de uitgevraagde middelen.

Tabel 5.2.1 De totale populatie en het aantal benaderde bedrijven
ProducttypeTotaal aantal bedrijvenTotaal aantal middelenBenaderd aantal bedrijvenBenaderd aantal middelen
PT8221451028
PT131251628
PT186026030159
PT19251081280
Dubbeltelling-7-1-20
Totaal11256356295

5.3 Uitvraag: welke variabelen?

De uitvraag van afzetcijfers van biociden bij de toelatingshouders is gedaan via een Excel enquête. Deze is te vinden in Bijlage 9.1. In de Excel enquête wordt een toelichting op het onderzoek gegeven, zowel in het Nederlands als in het Engels. Verder werd aan de toelatingshouders gevraagd om de volgende informatie aan te leveren:

1. Contactgegevens

2. Beantwoorden van drie algemene vragen:

  • Zijn we aan het juiste adres voor de uitvraag van deze enquête?
  • Beheert u ook de afzet van biociden van een ander (buitenlands) bedrijf?
  • Wilt u nog iets toevoegen aan deze enquête? Heeft u bijvoorbeeld advies over de opzet van deze enquête en/of de manier van uitvragen

3. De afzetcijfers van de middelen die de toelatingshouder beheert met de volgende informatie:

  • Verslagjaar
  • Middelnaam
  • Toelatingsnummer
  • Producttype
  • Totale jaarafzet met de eenheid/aantal stuks met de verpakkingsgrootte en verpakkingseenheid
  • Soortelijke massa

5.4 Beschrijving waarneemproces

De Nederlandse toelatingshouders hebben eind juni een eerste brief ontvangen (zie Bijlage 9.2). Deze brief bevatte het verzoek om voor 24 augustus afzetcijfers aan te leveren van de biociden waarvan zij toelatingen hadden. In de brief werd informatie gegeven over het onderzoek en de website van het onderzoek werd vermeld: www.cbs.nl/biociden (zie Bijlage 9.3), samen met een unieke gebruikersnaam en een wachtwoord. Op de website kon het Excelbestand worden gedownload. Nadat het bestand was ingevuld, kon het op de website weer worden geüpload. De bedrijven die niet op 24 augustus gereageerd hadden, ontvingen op 26 augustus een rappel, en vervolgens nog een keer op 9 september.

Het CBS heeft in november een mail gestuurd naar bedrijven die na twee rappels geen reactie gaven om te vragen wat hiervan de achterliggende reden is. Met de antwoorden wilde het CBS een beeld krijgen of het niet aanleveren van afzetcijfers te maken had met een van de volgende redenen:

  • Dat de brieven niet ontvangen waren.
  • Dat het niet verplicht was om de afzetcijfers te leveren.
  • Dat het bedrijf geen biociden verkocht die vallen onder PT08, PT13, PT18 of PT19.
  • Dat het te veel tijd kostte om de gevraagde informatie aan te leveren.

De buitenlandse toelatingshouders, waarvan het CBS op grond van de nationale en Europese statistische wetgeving geen uitvraag van afzetcijfers mocht doen, hebben eind augustus een mail ontvangen met de volgende vragen:

  1. Worden er biociden verkocht in Nederland waarvan uw bedrijf de toelatingshouder is?
  2. Indien ja, van welke producttypen en is er een Nederlands contact dat we kunnen benaderen?
  3. Indien nee, kunt u uitleggen waarom uw bedrijf de toelating actief houdt van de biociden?

Met het antwoord op deze vragen wilde het CBS een beeld krijgen van de manier waarop buitenlandse toelatingshouders de verkoop van biociden in Nederland regelen. Van de 56 toelatingshouders met uitsluitend een buitenlands adres zijn 40 toelatingshouders benaderd via de mail. Van de overige buitenlandse toelatingshouders kon geen emailadres worden gevonden of hadden zij op het moment van uitvragen geen actieve toelating meer in PT08, PT13, PT18 of PT19 volgens de Ctgb-database.

5.5 Respons

In Tabel 5.5.1 staat de ontvangen respons op de enquête. In totaal heeft 50% gereageerd op de enquête en 36% heeft daadwerkelijk afzetcijfers aangeleverd. Van de 20 bedrijven die cijfers hebben aangeleverd, hebben 7 bedrijven aangegeven ook middelen te hebben waarvan ze op dat moment niks verkochten (nul-verkopen). Deze bedrijven zijn via de mail benaderd om te vragen waarom ze toelatingen actief houden waarvan er geen middelen worden verkocht.

Tabel 5.5.1 Ontvangen respons op de CBS-enquête
Aantal bedrijven dat heeft gereageerd28
- Deel dat aangaf geen toelatingen te hebben in PT08, PT13, PT18 of PT198
- Deel dat afzetcijfers heeft aangeleverd20
Aantal bedrijven waarvan de brief retour is gekomen of is geweigerd 4
Aantal bedrijven dat niet heeft gereageerd24

5.5.1 Respons op uitgestuurde mails

Van drie bedrijven is er een reactie ontvangen waarom zij een toelating actief houden waarvan een nul-verkoop is gemeld. Samengevat gaat het om onderstaande redenen:

  • Het is de bedoeling het middel wel weer te gaan verkopen.
  • Het is erg tijdrovend en kostbaar om een toelating weer actief te maken nadat het inactief is geweest.
  • Het middel wordt nog wel verkocht in de detailhandel.

Hier kan ook spelen dat een hoofdtoelating ondanks een voortdurende nul-verkoop actief gehouden wordt, omdat de afgeleide toelatingen hiervan afhankelijk zijn. Afgeleide toelatingen zijn makkelijker om aan te vragen. Het gaat dan om hetzelfde, of een zeer vergelijkbaar, product onder een andere naam.Drie bedrijven hebben antwoord gegeven op de mail waarom ze niet gereageerd hebben op de enquête. De volgende reacties zijn ontvangen:

  • Het was te tijdrovend om de opgevraagde cijfers te verzamelen en te leveren.
  • De brief is niet ontvangen.

Van de 40 buitenlandse toelatingshouders die via de mail zijn benaderd, hebben 8 bedrijven gereageerd. De meeste van deze bedrijven antwoordden dat de verkoop van biociden in Nederland via een lokale distributeur gaat. Een enkel bedrijf verkocht alleen aan bedrijven en gaf aan daarom geen lokale distributeur of lokaal kantoor nodig te hebben. Ook gaf een enkel bedrijf aan dat zij geen biociden hebben in PT08, PT13, PT18 of PT19, ook al staat dit wel in de Ctgb-database. Verder werd door een aantal bedrijven aangegeven dat het voorkomt dat er tijdelijk geen verkopen zijn van een bepaald middel, maar dat het bedrijf de toelating wel doorzet om in de toekomst in te kunnen spelen op incidenten of trends.

5.6 Dataverwerking

In totaal zijn er afzetgegevens ontvangen van 200 middelen. Hiervan hadden bedrijven van 131 middelen (66%) geen toelatingsnummer meegestuurd. Bij 54 middelen (27%) is geen eenheid opgegeven. Van 50 middelen (25%) is de ontvangen data volledig. De ontvangen afzetgegevens gingen over verslagjaar 2024, een gemiddelde over meerdere jaren, of er was niet vermeld op welk verslagjaar ze betrekking hadden.

Bij middelen zonder toelatingsnummer is met de wel ontvangen informatie handmatig gepoogd om hiervoor alsnog een toelatingsnummer te vinden. Na deze stap was het toelatingsnummer bekend van 160 van de 200 middelen. Hieruit bleek een groot deel van de middelen niet onder PT08, PT13, PT18 of PT19 te vallen. Van de middelen die opgegeven zijn zonder eenheid was het niet mogelijk om de eenheid alsnog te bepalen. Uiteindelijk is de afzet van 102 van de 200 middelen bepaald.

In Tabel 5.6.1 wordt per PT getoond hoeveel middelen in de populatie zaten, hoeveel middelen uitgevraagd zijn en hoeveel er ontvangen zijn. De kolom met het aantal ontvangen middelen laat de aantallen zien na de handmatige slag waarbij toelatingsnummers zijn toegevoegd waar deze niet waren opgegeven. Per PT is van 6,9% (PT08), 9,8% (PT13), 19,6% (PT18) en 34,3% (PT19) van het aantal middelen de afzet ontvangen. Alle PT’s samengenomen was er van 18,3% van het totaal aantal middelen de afzet te bepalen.

Tabel 5.6.1 Totaal aantal middelen in de populatie en dat is uitgevraagd en ontvangen
Product-typeAantal middelenAantal uitgevraagde middelenAantal ontvangen middelen met toelatingsnummer (na handmatige slag)Percentage
PT0814528106,9
PT13512859,8
PT182601595119,6
PT19108803734,3
Totaal5642951031)18,3
1)1 middel valt onder twee PT’s

De informatie die is ontvangen van de toelatingshouders (toelatingsnummer, middelnaam, PT) is vervolgens vergeleken met informatie uit de Ctgb-database. Hier vallen een aantal zaken op:

  • Zes toelatingshouders hebben afzetcijfers geleverd van middelen waarvan zij volgens de Ctgb-database niet de toelatingshouder zijn.
  • De middelnamen ontvangen van de toelatingshouders komen in een groot aantal gevallen niet overeen met de middelnamen in de Ctgb-database.
  • In een aantal gevallen gaf een toelatingshouder een andere PT door dan bekend bij het Ctgb.

5.7 Resultaten en bevindingen

Het pilot-onderzoek heeft geleid tot een aantal belangrijke bevindingen die relevant zijn voor het opzetten van een afzetregister. Hieronder worden deze puntsgewijs behandeld.

Tegelijkertijd wordt de vergelijking gemaakt met het onderzoek dat ILT heeft uitgevoerd naar de afzet van biociden in PT14. De aanschrijfbrief en resultaten van het onderzoek van ILT zijn te vinden in Bijlagen 9.4 en 9.5.

1. Buitenlandse toelatingshouders

Een groot deel van de bedrijven met toelatingen voor de verkoop van biociden in Nederland had geen Nederlands adres. In de onderzochte producttypen ging het om de helft van de toelatingshouders. Deze buitenlandse toelatingshouders regelen de verkoop in Nederland over het algemeen via lokale distributeurs.

Doordat het CBS geen uitvraag mag doen bij bedrijven met uitsluitend een buitenlands adres, kon de helft van de toelatingshouders niet worden benaderd. Het maken van een overzicht van lokale distributeurs is erg tijdrovend en zou mogelijk elk jaar een update vereisen. Daardoor is het onwaarschijnlijk dat dit een geschikte optie is om de afzet van biociden in Nederland door buitenlandse toelatingshouders in kaart te brengen. Het direct benaderen van buitenlandse toelatingshouders heeft de voorkeur.

ILT loopt niet tegen dit probleem aan. Zij zijn bevoegd om buitenlandse bedrijven te benaderen. Hierdoor hebben zij de afzet van toelatingshouders met uitsluitend een buitenlands adres ook kunnen uitvragen voor PT14.

2. De ontvangen respons

De uitvraag die het CBS heeft gedaan bij toelatingshouders was op vrijwillige basis. De helft van de bedrijven die het CBS heeft aangeschreven heeft gereageerd en 36% heeft daadwerkelijk afzetcijfers aangeleverd. Verder iss een deel van de ontvangen cijfers niet bruikbaar doordat er relevante informatie mist, zoals een toelatingsnummer en/of eenheid. Hierdoor heeft het CBS handmatig toelatingsnummers moeten toevoegen waar mogelijk, wat een tijdrovende klus is. Samen met de niet-benaderde buitenlandse toelatingshouders is hierdoor de afzet van maar 18% van de toelatingen van PT08, PT13, PT18 en PT19 met dit onderzoek in kaart te brengen.

Het aanleveren van afzetcijfers aan ILT is verplicht voor bedrijven. Hierdoor heeft ILT de afzet in PT14 volledig in kaart kunnen brengen. Wel mist bij zowel de uitvraag van het CBS als de uitvraag van de ILT de illegale verkoop van biociden.

Voor een afzetregister is het belangrijk dat het aanleveren van afzetcijfers door bedrijven verplicht is. Hierdoor wordt de respons een stuk hoger dan bij deelname op vrijwillige basis.

3. De manier waarop bedrijven cijfers hebben aangeleverd

Zoals bij punt 2 aangegeven hebben niet alle bedrijven de afzetcijfers aangeleverd op de manier waarop het CBS had gevraagd. Zo heeft een aantal bedrijven een deel van hun eigen administratie opgestuurd en niet de Excel enquête ingevuld die het CBS hiervoor had aangeleverd. Hierdoor mist er informatie die nodig is om de totale afzet te kunnen berekenen. Zo is niet van alle middelen het toelatingsnummer, de eenheid, de middelnaam zoals in de Ctgb-database, of de soortelijke massa ontvangen.

Zonder toelatingsnummer is het moeilijk om de koppeling met de Ctgb-database te maken en vervolgens de werkzame stoffen in dat middel erbij te vinden. Zonder eenheid kan de afzet niet worden bepaald. Zo was het bij een aantal opgaven niet duidelijk of de aangeleverde cijfers in kilogrammen, liters, euro’s of een andere eenheid waren. Door deze data-omissies was het niet zinvol om in het pilot-onderzoek een volledige omrekening van producthoeveelheden naar hoeveelheden werkzame stof uit te voeren.

Wanneer afzetcijfers worden opgevraagd, is het belangrijk om duidelijk aan te geven dat het aanleveren van alle gevraagde informatie noodzakelijk is, tenzij anders aangegeven. Dit kan extra administratieve last opleveren voor de bedrijven die niet alle informatie direct beschikbaar hebben. Dit was mogelijk het geval bij de bedrijven die niet de informatie hebben aangeleverd waar het CBS om gevraagd had. Toch is redelijkerwijs te verwachten dat de informatie die het meest essentieel is relatief eenvoudig te achterhalen is. In Tabel 5.7.1 staat welke informatie (niet) essentieel is. Essentiele variabelen zijn toelatingsnummer, eenheid en afzet (in gewichtsmaat; bij opgave in volumemaat is soortelijke massa ook essentieel).

ILT heeft om afzetcijfers gevraagd in kilogrammen of liters en het ook op deze manier ontvangen van alle bedrijven in PT14. Voor de eenvoudigste dataverwerking hebben kilogrammen de voorkeur, omdat bij liters ook de soortelijke massa uitgevraagd moet worden. Een opgave in euro’s heeft niet de voorkeur. Mocht de afzet wel in euro’s worden opgegeven dan is ook de prijs per verpakking en de verpakkingsgrootte nodig om het om te rekenen naar kilogrammen of liters.

Tabel 5.7.1 Belang van variabelen voor het berekenen van de afzet
VariabeleBelang
ToelatingsnummerEssentieel
MiddelnaamNiet essentieel
EenheidEssentieel
ProducttypeNiet essentieel
Soortelijke massaAlleen essentieel bij opgave afzet in volumemaat
AfzetEssentieel

4. Verschillen tussen de administratie van de toelatingshouders en de Ctgb-database

De ontvangen gegevens van de toelatingshouders zijn vergeleken met de gegevens van diezelfde toelatingshouders uit de Ctgb-database. Opvallend is dat deze niet altijd overeenkwamen. Zo gaven enkele bedrijven aan geen toelatingen te hebben in PT08, PT13, PT18 of PT19, terwijl dit wel het geval was volgens de Ctgb-database. Ook gaven de toelatingshouders enkele keren aan dat hun toelatingen in een andere PT vallen dan volgens de Ctgb-database of hanteerden ze een ander middelnaam. Opvallend is ook dat bedrijven in meerdere gevallen afzetcijfers hebben opgegeven van toelatingen waarvan zij volgens de Ctgb-database niet de toelatingshouder zijn.

Voor een toekomstig registerhouder is het belangrijk om nauw samen te werken met het Ctgb om de database die gebruikt wordt voor de uitvraag van afzetcijfers van biociden zo correct en up-to-date mogelijk te houden. Ook is het mogelijk dat het Ctgb in de toekomst geen database met biociden toelatingen meer gaat bijhouden, maar dat alles in de ECHA-database komt te staan. De registerhouder dient er dus rekening mee te houden dat het populatiekader op den duur gevoed gaat worden vanuit de ECHA-database en niet meer vanuit de Ctgb-database.

5. Toelatingen die onder twee of meer PT’s vallen

Het is mogelijk dat een toelating onder twee of meer PT’s valt. Hier dient rekening mee gehouden te worden bij het publiceren van de afzetcijfers. Als de afzetcijfers worden gepubliceerd op het niveau van de werkzame stof en niet per PT dan geeft het geen problemen. Als de afzetcijfers worden gepubliceerd per PT dan kan het zorgen voor dubbeltellingen als de afzetcijfers toegekend worden aan alle PT’s waar het middel onder valt. Het is belangrijk voor de registerhouder om zich te realiseren dat in het laatste geval de afzetcijfers per PT niet bij elkaar opgeteld mogen worden om tot de totale afzet te komen.