Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2025 - Onderzoeksbeschrijving

Over deze publicatie

De Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) is een grootschalige jaarlijkse enquête die de veranderingen in het werk en de werkomstandigheden van werknemers in Nederland volgt en de gevolgen ervan voor hun gezondheid en duurzame inzetbaarheid. In 2025 voerden het CBS en TNO samen de een-en-twintigste NEA uit, in samenwerking met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De onderzoeksbeschrijving geeft een globale beschrijving van de uitvoering van het onderzoek en de onderwerpen die in kaart gebracht worden. Ook zijn praktische instructies bij het gebruik van de microdata opgenomen en aandachtspunten bij het maken van vergelijkingen over de tijd.

1. Inleiding

Dit document geeft een globale beschrijving van de uitvoering van het onderzoek Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) in 2025. Het CBS en TNO voeren de NEA samen uit.

1.1 Betrokken partijen

Het CBS gebruikt de NEA onder meer als primaire bron voor de EU-statistiek over arbeidsongevallen in Nederland. Hiermee voldoet Nederland aan de zogeheten ESAW-verordening (European Statistics on Accidents at Work; Commissieverordeningnummer 349/2011) van de Europese Commissie.

Voor TNO maakt de NEA deel uit van het Meerjarenprogramma. Dit programma richt zich op kennisontwikkeling op middellange termijn door het monitoren van de kwaliteit van de arbeid en risicogroepen daarin en het doen van verdiepend onderzoek naar relaties tussen enerzijds werk en werkomstandigheden en anderzijds gezondheid en inzetbaarheid.

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is regievoerder van het TNO meerjarenprogramma en levert hiernaast een directe financiële bijdrage aan het veldwerk van de NEA.

1.2 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 staat wat er in 2025 is gewijzigd ten opzichte van het voorgaande onderzoeksjaar. In hoofdstuk 3 staan de onderwerpen van de NEA 2025 beschreven en de herkomst van de vragen. In hoofdstuk 4, 5, 6 en 7 komen de dataverzameling, verwerking, responsrapportage en weging aan bod. In hoofdstuk 8 wordt de kwaliteit van de gegevens van de NEA 2025 toegelicht in relatie tot de wijzigingen die in hoofdstuk 2 zijn genoemd. In hoofdstuk 9 wordt beschreven hoe de uitkomsten van 2025 zich verhouden tot die van voorgaande jaren. Ook worden wijzigingen in voorgaande jaren beschreven. In hoofdstuk 10 worden de publicatiemogelijkheden op basis van de NEA toegelicht en enkele concrete instructies bij het microdatabestand gegeven.

1.3 Openbaarmaking van NEA-resultaten

De NEA-resultaten worden via verschillende media publiek gemaakt. In de eerste plaats zijn de globale resultaten in tabelvorm, samen met een tekstuele beschrijving terug te vinden in de publicatie ‘NEA 2025 Resultaten in Vogelvlucht’. Daarnaast zijn de uitkomsten te raadplegen via de benchmarktool van TNO, het dashboard arbeidsomstandigheden van het CBS en via StatLine. StatLine is ook als app en als Open data beschikbaar.

Ten tweede zullen TNO en het CBS diverse publicaties uitgeven op basis van de NEA, zoals wetenschappelijke artikelen, pers- en nieuwsberichten, rapporten naar aanleiding van secundaire analyses, achtergrondartikelen, maatwerktabellen, tweets, videoboodschappen, etc. Een overzicht van de TNO-publicaties is te vinden op www.monitorarbeid.nl. Een overzicht van de CBS-publicaties is te vinden op www.cbs.nl (zoekterm ‘NEA’).

1.4 Gebruik van de NEA door derden

TNO en het CBS publiceren afzonderlijk, gezamenlijk en in samenwerking met derden op basis van de NEA. Daarnaast kunnen derden zelf statistisch onderzoek doen met de microdatabestanden. Meer informatie staat in hoofdstuk 10.

Verwijzen naar deze onderzoeksbeschrijving kan als volgt:

Lautenbach, H., L.M.C. van Dam, B. Janssen, G. Hulshegge, A.J.S.F. Pleijers, P. Couzy, G.M. Gommans & G.M.J. Mars (2026). Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2025 – Onderzoeksbeschrijving. Den Haag/Heerlen/Aruba/Leiden: Centraal Bureau voor de Statistiek/TNO.

2. Wijzigingen in 2025

De NEA 2025 is grotendeels op dezelfde wijze uitgevoerd als in het voorgaande jaar met als uitzondering dat er geen oversampling was van werknemers in het primair en voortgezet onderwijs. Ook werd er in 2024 een experiment met het welkomstscherm uitgevoerd; hiervan is in 2025 geen sprake. Meer informatie over de benaderingsstrategie staat in hoofdstuk 4. Verder zijn er in de vragenlijst enkele wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van 2024.

Jaarlijks is een beperkt deel van de vragenlijst gereserveerd om vragen op te nemen over wisselende onderwerpen, zogenaamde ad hoc vragen. In 2025 zijn ad hoc vragen gesteld over buiten werken en UV-blootstelling, aandacht en afleiding, informatievoorziening veilig en gezond werken, zorgen over inkomen en vragen over loontransparantie. Meer informatie over deze onderwerpen is beschikbaar in hoofdstuk 3.

Het grootste deel van de vragenlijst is gereserveerd voor vaste onderwerpen. Voor de jaren 2022 tot en met 2025 is vastgesteld welke vragen jaarlijks gesteld worden. Dit zijn vooral onderwerpen die vóór 2022 jaarlijks of tweejaarlijks opgenomen waren. Bij de vaste vragen is de volgende kleine wijziging doorgevoerd:

  • Zachte controle op de vraag naar hoe lang men zit per dag.

3. Onderwerpen

In dit hoofdstuk staan de onderwerpen die zijn opgenomen in de vragenlijst van de NEA 2025 en hun herkomst. De precieze vraagteksten en antwoordcategorieën zijn terug te vinden in de vragenlijstdocumentatie.

Het grooste deel van de vragenlijst is gereserveerd voor vaste onderwerpen. Voor de jaren 2022 tot en met 2025 is vastgesteld welke vragen jaarlijks gesteld worden. De toelichting hierop staat in paragraaf 3.1. In paragraaf 3.2 staan de onderwerpen die in 2024 zijn uitgevraagd en waarvan nog niet vast staat of en wanneer deze herhaald worden, het ad hoc deel.

Vanaf 2022 wordt een deel van de onderwerpen aan de helft van de steekproef uitgevraagd (het split-half ontwerp). Dit geldt zowel voor vaste als voor ad hoc onderwerpen. Of een onderwerp is gesteld in cluster 1, cluster 2 of aan de hele steekproef, staat in de tabellen A.1 en A.2 in bijlage A.

In voorgaande jaren werden sommige onderwerpen jaarlijks uitgevraagd, andere tweejaarlijks en nog weer andere eenmalig of zonder vaste frequentie. Tabel A.3 in bijlage A geeft een globaal overzicht van de onderwerpen die vanaf 2014 zijn uitgevraagd in welke jaren.

3.1 Vaste onderwerpen

De vragenlijst is georganiseerd in thematische blokken. In deze paragraaf staat per blok welke onderwerpen vast uitgevraagd worden.

Dienstverband

Ten aanzien van de arbeidsmarktpositie van respondenten worden de volgende aspecten bevraagd:

  • het hebben van meerdere banen;
  • positie in de werkkring (vast/flex);
  • redenen om flex te werken;
  • anciënniteit;
  • arbeidsduur;
  • aantal dagen werkzaam in de week;
  • werken buiten kantoortijden;
  • overwerk;
  • thuiswerk.

De vraag naar het aantal betaalde banen dat iemand heeft, is een standaard vraagstelling van het CBS en is voor de NEA toegespitst op werknemers. De vraag is opgenomen om werknemers met één betaalde baan te kunnen vergelijken met werknemers die meerdere betaalde banen hebben (als werknemer of zelfstandige).

Als respondenten meerdere betaalde banen hebben, wordt gevraagd wat de belangrijkste reden is om meerdere banen te hebben. De keuze van antwoordcategorieën voor deze vraag is mede gebaseerd op Hipple (2010). De opbouw van de NEA staat niet toe dat vragen over de arbeidssituatie betrekking hebben op meer dan één dienstverband. Nadat de vragen over meerdere banen beantwoord zijn, wordt respondenten daarom gevraagd om alle verdere vragen in de enquête alleen te beantwoorden met betrekking tot de werknemersbaan waaraan men gemiddeld de meeste tijd besteedt.

De vragen naar de positie in de werkkring (aard van de arbeidsrelatie) zijn overgenomen van de Enquête Beroepsbevolking (EBB; CBS, z.d. a). Op basis hiervan kan onderscheid gemaakt worden tussen vaste en flexibele arbeidsrelaties. De EBB past sinds 2021 een nieuwe meetmethode toe en deze is vanaf 2022 overgenomen in de NEA, in een iets eenvoudigere vorm. Door de nieuwe meetmethode verandert de verhouding tussen het aantal vaste werknemers en het aantal flexwerknemers (CBS, 2022a).

Flexibele arbeidsrelaties kunnen nader verbijzonderd worden. De onderscheiden posities in de werkkring zijn:

  • vast dienstverband, vaste uren;
  • uitzicht op vast dienstverband, vaste uren;
  • tijdelijk dienstverband, vaste uren [>= 1 jaar];
  • overig tijdelijk dienstverband, vaste uren;
  • uitzendkracht;
  • oproepkracht of invalkracht;
  • werknemer flex, geen contract of onbekend.

Aan respondenten die een flexibele arbeidsrelatie hebben, wordt gevraagd wat de belangrijkste reden daarvoor is. De vraagtekst en antwoordmogelijkheden die een respondent getoond krijgt, verschillen afhankelijk van het soort flexibele arbeidsrelatie. In het verwerkingsproces wordt dit gecombineerd tot één variabele. Het onderwerp is in 2013 in de NEA geïntroduceerd met een voor de NEA ontwikkelde vraagstelling. Vanaf 2022 is de vraag gewijzigd en niet vergelijkbaar met eerdere jaren.

De vraag naar de arbeidsduur per week sluit aan op de vraagstelling in de EBB, in iets eenvoudigere vorm, en is vanaf 2022 gewijzigd in navolging van de EBB.

De vragen naar werken buiten kantoortijden sluiten aan op de in de EBB gehanteerde vragen, waarbij een andere volgorde wordt aangehouden. Vanaf 2022 wordt bovendien gevraagd naar werken in het weekend en niet meer naar zaterdag en zondag apart. Daarnaast is voor de NEA een vraag ontwikkeld naar oproepdiensten. Deze is door het vragenlab van het CBS getest.

De eerste vraag naar overwerk is afkomstig uit de EBB en de tweede uit de Monitor Arboconvenanten.

De vragen naar anciënniteit bij de werkgever en in de huidige functie sluiten aan op de EBB (maar niet exact). De vraag over de werkgever heeft vanaf 2022 gedetailleerdere toelichtingen voor uitzendkrachten en gedetacheerden. De vraag over de functie wordt vanaf 2022 na het blok Beroep gesteld en niet langer in het blok Dienstverband.

Bedrijf, beroep en onderwijs

Om vast te stellen welk onderwijsniveau respondenten behaald hebben, in welke bedrijfstak zij werken en welk beroep zij uitoefenen, heeft het CBS standaard vraagstellingen ontwikkeld. Met een standaard typeerproces worden de bedrijfstak, het beroep en het behaalde onderwijsniveau geclassificeerd (zie paragraaf 5.1).

Voor de indeling van bedrijfseenheden naar hun hoofdactiviteit hanteert het CBS de zogenaamde Standaard Bedrijfsindeling 2008 (SBI 2008). De SBI kent vijf niveaus en de respons van de NEA wordt, voor zover mogelijk getypeerd, tot op het meest gedetailleerde niveau.

Beroep wordt geclassificeerd volgens de International Standard Classification of Occupations 2008 (ISCO 2008). Dit is de internationale beroepenclassificatie van de International Labour Organization (ILO), die beroepen hiërarchisch classificeert volgens de belangrijkste taken en activiteiten. Uit de ISCO 2008 wordt tevens de Beroepenindeling ROA CBS 2014 (kortweg BRC 2014) afgeleid. De respons van de NEA wordt zo gedetailleerd mogelijk geclassificeerd.

Het behaalde onderwijsniveau wordt geclassificeerd volgens de Standaard Onderwijsindeling 2021 (SOI 2021). De NEA respons wordt geclassificeerd tot op het tweede aggregatieniveau, dat bestaat uit vijf categorieën. Ook wordt vastgesteld of werknemers actueel onderwijs volgen.

Op de website van het CBS is meer informatie beschikbaar over de classificaties, waaronder de categorieën die op de verschillende niveaus worden onderscheiden.

De standaardvraagstellingen voor bedrijf, beroep en onderwijs zijn per 2022 gewijzigd. Het typeerproces en de classificaties zijn niet gewijzigd. Wel wijzigt als gevolg van de gewijzigde vraagstelling voor beroep de verdeling van werknemers over beroepsgroepen binnen de beroepsklasse managers. Ook is het aandeel actueel onderwijsvolgenden iets kleiner.

Vestigingsgrootte en veranderingen in het bedrijf

Naast de voornaamste activiteit worden twee andere kenmerken gemeten van het bedrijf waar de respondent werkt, namelijk de vestigingsgrootte en veranderingen in het bedrijf. De vraag over vestigingsgrootte is ontleend aan de Monitor Arboconvenanten. De antwoordcategorieën zijn iets gedetailleerder omdat Eurostat deze informatie vraagt.

De vraag naar veranderingen in het bedrijf die in de voorafgaande twaalf maanden hebben plaatsgevonden, betreft een bewerking van internationaal veel gebruikte vragen, zoals die in Nederland onder meer door de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) zijn gehanteerd. Dit zijn drie vragen uit de telefonische ronde van het Arbeidsvraagpanel 2005-2006 van de OSA (tegenwoordig van het Sociaal Cultureel Planbureau [SCP]) waarin gevraagd werd of organisatorische veranderingen hebben plaatsgevonden, wat de veranderingen inhielden en waartoe ze hebben geleid.

Werkomstandigheden

In het blok Werkomstandigheden zijn vragen gesteld over de volgende fysieke en psychosociale werkomstandigheden:

  • gevaarlijk werk;
  • werken met gevaarlijke stoffen;
  • fysieke belasting;
  • autonomie;
  • taakeisen (‘werkdruk’);
  • factoren die het werktempo bepalen;
  • emotionele belasting;
  • cognitieve belasting;
  • informatie overload;
  • ontwikkelingsmogelijkheden in het werk.

Met twee vragen wordt vastgesteld hoe vaak een werknemer, naar eigen zeggen, diverse soorten gevaarlijk werk verricht. De vraagstelling is vanaf 2018 gewijzigd ten opzichte van eerdere jaren om zo beter zicht te krijgen op de frequentie waarmee werknemers, naar eigen zeggen, worden blootgesteld aan de verschillende soorten gevaarlijk werk. De eerste vraag brengt in kaart aan welke gevaren een werknemer, naar eigen zeggen, wordt blootgesteld. Binnen de NEA is een keuze gemaakt voor enkele clusters van gevaarsituaties, zoals deze ook vaak in risico-inventarisaties en -evaluaties worden onderscheiden. De tweede vraag gaat in op de frequentie van de blootstelling.

Vanaf 2022 zijn er nieuwe vragen over het werken met gevaarlijke stoffen. De vragen zijn voor de NEA ontwikkeld. Er wordt gevraagd of werknemers weleens met of dichtbij gevaarlijke stoffen werken en vervolgens of zij hiermee in direct contact komen. Ook wordt vastgesteld of werknemers de kans lopen besmet te raken met een bacterie of virus tijdens het werk, en op welke manier.

Er zijn verschillende aspecten van fysiek belastend werk die onderscheiden en bevraagd worden binnen de NEA. De vragen over kracht zetten en trillingen zijn ontleend aan de EBB. Ook de vragen over werkhouding en herhalende bewegingen zijn gebaseerd op de EBB. In de EBB zijn beide aspecten van fysieke belasting echter gecombineerd in één vraag. Blootstelling aan geluid is gemeten met de vraag of de werknemer zijn stem moet verheffen om zich verstaanbaar te maken op het werk, als indicatie voor een kritiek geluidsniveau van 80 dB(A). De vraag is afgeleid van het voormalige Permanent Onderzoek LeefSituatie (POLS; CBS, z.d. b) en de EBB.

Autonomie – oftewel zelfstandigheid – verwijst naar de mate waarin een werknemer in staat is zijn eigen werk te reguleren. Het gaat om zowel de keuzevrijheid ten aanzien van de manier van werken, als de planning en volgorde van werkzaamheden. Vijf autonomie-indicatoren zijn ontleend aan POLS en de Job Content Questionnaire (JCQ) van Karasek (1985, 1998). Hieraan is in 2011 een nieuwe vraag toegevoegd die meer inzicht geeft in de autonomie over werktijden en in 2022 een vraag over zelf bepalen waar men werk. Deze vragen zijn ontwikkeld voor de NEA.

In de NEA zijn drie vragen opgenomen over kwantitatieve taakeisen (‘werkdruk’). Deze vragen zijn ontleend aan de Job Content Questionnaire (JCQ) van Karasek (1985, 1998) en zijn ook in de TNO Arbeidssituatie Survey (TAS; Smulders e.a., 2001) gebruikt.

De vraag naar technische en organisatorische factoren die het werktempo bepalen is in 2018 ontwikkeld voor de NEA  met als vertrekpunt de EWCS 2015 (Eurofound, 2017). In 2022 zijn de antwoordcategorieën gewijzigd.

De drie items die emotionele belasting beogen te meten zijn een vertaling van vragen afkomstig uit de Copenhagen Psychosocial Questionnaire (Kristensen en Borg, 2000) en zijn eveneens in de TAS gebruikt.

De cognitieve belasting (ofwel de ‘complexiteit van het werk’) is gemeten met behulp van drie vragen die zijn afgeleid van de JCQ van Karasek (1985, 1998). De vragen geven een indicatie van de kwalitatieve kant van taakeisen, d.w.z. het beslag dat het werk geestelijk legt op de werknemer. Ook deze vragen maakten deel uit van de TAS.

Informatie overload wordt met één item vastgesteld. Deze vraag meet hoe vaak het voorkomt dat werknemers meer informatie (zoals e-mail, telefoon) aangeboden krijgen dan zij kunnen verwerken. De vraagstelling is in 2014 nieuw ontwikkeld voor de NEA en getest door het vragenlab van het CBS.

Verder wordt in dit blok de vraag gesteld of het werk gevarieerd is, of het werk vereist dat nieuwe dingen worden geleerd en of het werk creativiteit vereist. Deze drie vragen beogen het concept ‘skill discretion’ ofwel ontwikkelingsmogelijkheden in het werk te meten (Karasek e.a., 1985, 1998) en deze zijn ook gebruikt in de TAS.

Techniek

Beeldschermwerk wordt door middel van één vraag uitgevraagd. De vraag betreft de gemiddelde duur per dag van werkgerelateerd beeldschermwerk. Deze vraag is afkomstig uit de Monitor Arboconvenanten. Sinds 2014 is de toelichting van de vraag uitgebreid om zo ook de nieuwe apparaten als tablets en smartphones te omvatten.

De overige vragen in het blok gaan over het gebruik van technologie. Daarbij is er voor gekozen om niet de technologie zelf, maar vooral de gevolgen ervan op de werkvloer uit te vragen aangezien werknemers vaak niet weten welke technieken er in de verschillende (hulp)middelen verwerkt zijn.

Eerst wordt het gebruik van informatietechnologie en geavanceerde technologische hulpmiddelen uitgevraagd. Deze vragen zijn ontwikkeld voor de NEA 2018. Vanaf 2022 wordt niet meer naar communicatietechnologie gevraagd.

Vervolgens wordt gemeten of nieuwe technologische ontwikkelingen het werk hebben veranderd. De vragen zijn voor de NEA 2022 ontwikkeld. De item non-respons op deze vragen is relatief hoog.

Klanten en collega’s

Ten aanzien van de omgang met klanten en collega’s worden de volgende aspecten in kaart gebracht:

  • sociale steun door leidinggevende;
  • sociale steun door collega’s;
  • psychologische veiligheid;
  • sociaal contact;
  • conflicten;
  • ongewenst gedrag;
  • discriminatie.

De vragen rond sociale steun door de leidinggevende zijn ontleend aan het door Karasek ontwikkelde begrip ‘Supervisory support’ en zijn door Houtman e.a. (1995) vertaald. Sinds de NEA 2014 wordt gebruik gemaakt van een ingekorte schaal waarin twee van de oorspronkelijke vier vragen zijn opgenomen. De vragen waren ook opgenomen in de TAS.

De vragen over sociale steun door collega’s zijn ontleend aan het door Karasek ontwikkelde begrip ‘Co-worker support’ en zijn door Houtman e.a. (1995) vertaald en tevens gebruikt in de TAS. Ook voor deze schaal wordt sinds 2014 een ten opzichte van eerdere NEA jaren ingekorte versie met twee items gebruikt.

Vanaf 2022 zijn drie vragen opgenomen over psychologische veiligheid (Edmondson, 1999), die ook zijn opgenomen uit het Werkonderzoek dat het CBS (2022b) heeft uitgevoerd onder de arbeidsvoorwaardelijke overheidssector.

Drie vragen gaan in op het contact dat werknemers hebben met collega’s klanten, patiënten, etc. In eerste instantie wordt gevraagd hoeveel contact zij hebben. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen face-to-face contact en telefonisch/digitaal contact. Deze vragen zijn ontwikkeld voor de NEA 2018 met als vertrekpunt de EWCS 2015. Als laatste item wordt gevraagd in hoeverre mensen buiten werktijd bereikbaar zijn voor collega’s of klanten.

Het optreden van conflicten in de voorgaande twaalf maanden is in de NEA nagevraagd met betrekking tot conflicten met collega’s, leidinggevende en werkgever. Deze drie vragen zijn ontwikkeld voor de NEA.

De prevalentie van ongewenst gedrag op het werk wordt gemeten met onderscheid naar het soort gedrag en dader. Het gaat om ongewenste seksuele aandacht, intimidatie, lichamelijk geweld en pesten. Tot en met 2021 is bij elke vorm een onderscheid gemaakt tussen interne agressie (door leidinggevenden of collega’s) en externe agressie (door klanten, patiënten, leerlingen, etc.). Vanaf 2022 wordt apart naar leidinggevenden en collega’s gevraagd. Om de respondentbelasting te beperken is tegelijk een getrapte vraagstelling ingevoerd. Eerst wordt geïnventariseerd met welke vorm van ongewenst gedrag door welke dader werknemers weleens te maken hebben gehad en vervolgens wordt de frequentie uitgevraagd voor zover van toepassing. Tot en met 2021 is direct voor elke combinatie van vorm en dader naar de frequentie gevraagd.

Het blok sluit af met de vraag of werknemers zich in de afgelopen 12 maanden gediscrimineerd hebben gevoeld op het werk. Deze vraag is in 2011 ontwikkeld voor de NEA. In 2021 zijn de antwoordopties van deze vraag aangepast en zijn enkele aanvullende antwoordopties opgenomen. Deze nieuwe antwoordopties zijn gedefinieerd op basis van een analyse door TNO van de gegeven open antwoorden in eerdere NEA-jaren (wanneer een respondent aangeeft dat de discriminatie vanwege een andere reden plaatsvond), in combinatie met de definitie van discriminatie van het College voor de Rechten van de Mens (College voor de Rechten van de Mens, z.d.). In 2022 is de formulering van de vraag gewijzigd, in aansluiting op de Veiligheidsmonitor (CBS, z.d. c).

Arbeidsongevallen

Sinds 2011 levert het CBS onder de zogenoemde ESAW-verordening (European Statistics on Accidents at Work, Commissieverordening nr. 349/2011) jaarlijks microgegevens over arbeidsongevallen aan Eurostat. Daarvoor werd dit op basis van harmonisatieafspraken gedaan door TNO. Voor niet-dodelijke ongevallen met verzuim gebeurt dat op basis van de NEA. Vanaf het verslagjaar 2014 is de ESAW-levering uitgebreid met een aantal variabelen met zeer gedetailleerde classificaties. Om hierin te kunnen voorzien, is de module over arbeidsongevallen in 2014 aanzienlijk uitgebreid in vergelijking tot de vorige edities van de NEA. De oude module bevatte alleen vragen over het meest recente arbeidsongeval. Eurostat vraagt echter gedetailleerde informatie over alle arbeidsongevallen met een verzuimduur van minimaal vier dagen (Eurostat, 2001; 2012). De module is in 2014 door het vragenlab van het CBS getest.

Het aandeel werknemers met een arbeidsongeval met een verzuimduur van minimaal één dag is een kernindicator voor het ministerie van SZW. Om aan zowel de informatiebehoefte van SZW als die van Eurostat te kunnen voldoen, is in de vragenlijst het meest recente arbeidsongeval altijd uitgevraagd, ongeacht de verzuimduur van dit ongeval. Aanvullend wordt nog over maximaal twee eerdere ongevallen met minstens vier dagen verzuim informatie uitgevraagd. De detaillering van de uitvraag verschilt. Het meest recente ongeval dat leidde tot minstens vier dagen verzuim is zeer gedetailleerd bevraagd. De uitvraag over andere ongevallen met minstens vier dagen verzuim is minder gedetailleerd om respondenten niet te veel te belasten.

In de definitie van een arbeidsongeval worden zowel ongevallen met lichamelijk letsel als met geestelijke schade betrokken, maar ongevallen tijdens woon-werkverkeer niet. Verder is expliciet aangegeven dat ongevallen met uitsluitend een natuurlijke oorzaak niet meetellen. Arbeidsongevallen die langer dan twaalf maanden geleden hebben plaatsgevonden, tellen ook niet mee. Deze referentieperiode is in de vraagstelling opgenomen. Als in de verwerking blijkt dat het arbeidsongeval heeft plaatsgevonden op een datum buiten de referentieperiode (de datum van het meest recente arbeidsongeval wordt gevraagd), dan wordt dit niet meegeteld.

Vanaf 2022 wordt het soort letsel gedetailleerder uitgevraagd.

Arbomaatregelen

De mate waarin werknemers het wenselijk achten dat hun werkgever maatregelen treft, wordt nagevraagd ten aanzien van acht arborisico’s. Deze vraag is in 2003 nieuw geformuleerd ten behoeve van de NEA. Er is gekozen om die arborisico’s op te nemen die volgens het ministerie van SZW de meeste beleidsrelevantie hebben. In 2008 is besloten de vraagstelling iets aan te passen zodat deze eenduidiger geïnterpreteerd zal worden. Tevens is het aantal antwoordcategorieën uitgebreid van drie naar vier. Hierdoor wordt niet alleen inzicht verkregen in de vraag of maatregelen zijn genomen, maar ook in de vraag of maatregelen wenselijk zijn.

Vanaf 2022 wordt naar acht in plaats van tien risico’s gevraagd en is de formulering van het item over gevaarlijke stoffen gewijzigd, in aansluiting op de nieuwe vragen over werken met gevaarlijke stoffen.

Veilig en gezond werken

Over veilig en gezond werken wordt in kaart gebracht of werknemers informatie krijgen over veilig en gezond werken en of er een aanspreekpunt is rondom dit onderwerp. Daarnaast wordt met vier stellingen gemeten of werknemers zelf, hun collega’s en leidinggevenden erop letten dat er veilig wordt gewerkt.

De module is ten bate van de NEA 2015 ontwikkeld, heeft raakvlakken met de in eerdere jaren opgenomen module Bedrijfsveiligheid en is in 2022 aangepast.

Gezondheid

Om de effecten van werk op gezondheid te kunnen vaststellen zijn de volgende indicatoren opgenomen:

  • algemene gezondheidstoestand;
  • psychische vermoeidheid door het werk (burn-outklachten);
  • sedentair gedrag;
  • klachten aan het bewegingsapparaat;
  • aanpassingen aan het werk;
  • preventief gezondheidsonderzoek;
  • contact met bedrijfsarts;
  • vertrouwenspersoon.

De algemene gezondheidstoestand van werknemers wordt in kaart gebracht met één vraag. Deze vraag is ontleend aan de Gezondheidsenquête van het CBS.

Psychische vermoeidheid door het werk, ‘burn-outklachten’, wordt gemeten met vijf vragen die grotendeels zijn overgenomen uit POLS. De vragen uit POLS zijn een bewerking van items uit de Utrechtse Burn-out Schaal (UBOS; Schaufeli & van Dierendonck, 2000).

Met behulp van drie vragen wordt in kaart gebracht hoeveel uur werknemers zittend doorbrengen op een gemiddelde werkdag. Hierbij wordt werknemers gevraagd om een inschatting te maken van het aantal uur dat zij tijdens het werk, tijdens het woon-werk verkeer en in de vrije tijd zittend doorbrengen. Deze vragen zijn ontwikkeld voor de NEA 2017 met als vertrekpunt de vragen over sedentair gedrag in de Leefstijl Monitor (LSM; CBS, RIVM en VeiligheidNL, 2015).

Klachten aan het bewegingsapparaat worden uitgevraagd met behulp van zes vragen. De eerste vier vragen geven inzicht in het voorkomen van RSI-gerelateerde gezondheidsklachten in de voorafgaande 12 maanden. Deze vragen zijn afkomstig uit TAS en gebaseerd op werk van Blatter (2000). In 2008 zijn hier twee vragen naar klachten aan de rug en aan heupen/benen/knieën/voeten aan toegevoegd.

Het blok bevat tevens de vraag of er in verband met de gezondheidstoestand (verdere) aanpassingen in de werkplek nodig zijn. Tot en met 2013 is deze vraag gesteld in het blok ‘Chronische aandoeningen’.

Verder wordt gevraagd of werknemers het afgelopen jaar in de gelegenheid zijn gesteld om deel te nemen aan een preventief onderzoek rond gezondheid of vitaliteit.

Vervolgens wordt een aantal vragen over het contact met de bedrijfsarts gesteld. Deze vragen zijn specifiek ontwikkeld voor de NEA. De eerste vragen gaan over de mogelijkheid om een bedrijfsarts te raadplegen en of respondenten dat ooit gedaan hebben. In 2020 is een nieuwe vraag hieraan toegevoegd, met betrekking tot het vertrouwen in de bedrijfsarts. Respondenten worden gevraagd – wanneer zij aangeven contact met een bedrijfsarts te hebben gehad – in welke mate zij vertrouwen hebben in de bedrijfsarts. Als laatste worden twee vragen gesteld over de mogelijkheid tot het aanvragen van een second opinion bij een andere bedrijfsarts en de behoefte daaraan.

Het blok sluit af met een tweetal vragen over de vertrouwenspersoon.

Ziekteverzuim

Met een drietal vragen wordt het verzuimverleden van de werknemer in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête nagegaan. Daarbij wordt voorafgaand aan deze vragen een definitie van verzuim gegeven. In de eerste plaats wordt nagegaan of er sprake was van verzuim. Indien er sprake was van verzuim worden er ook vragen gesteld over het aantal keren verzuim (de verzuimfrequentie) en de totale verzuimduur (in werkdagen). De vragen zijn een bewerking van vragen uit de TAS en de Monitor Arboconvenanten.

Laatste verzuimgeval

Het laatste verzuimgeval kan eventueel langer dan twaalf maanden geleden zijn, zodat ook een antwoord gegeven kan worden door werknemers die niet in de afgelopen twaalf maanden, maar wel daarvoor hebben verzuimd. Als eerste wordt gevraagd naar het soort klachten waarmee men de laatste keer heeft verzuimd. Vervolgens wordt nagegaan wat de duur van het verzuim was, of de klachten aan werk gerelateerd waren en welke aspecten van het werk hebben bijgedragen aan het ontstaan van de klachten. Ten slotte wordt gevraagd of er tijdens de laatste verzuimperiode verzuimcontrole plaats heeft gevonden en of men contact heeft gehad met de huisarts of een specialist. Daarbij wordt bekeken of de huisarts en/of specialist aandacht had(den) voor de mogelijke werkgebondenheid van het verzuim.

De vraag naar de duur van het laatste verzuim is door TNO opgesteld in 2003. De andere vragen over het laatste verzuimgeval zijn een bewerking van vragen uit het onderdeel ‘verzuimgegevens’ van de module ‘Verzuim’ van de Monitor Arboconvenanten (Zwart e.a., 2002). De antwoordcategorieën voor de klachten waarmee is verzuimd en de redenen in het werk zijn in 2022 gewijzigd. Vanaf 2022 krijgen vrouwen de vraag of de klachten samenhingen met zwangerschap, menstruatie of overgang.

Chronische ziekte of aandoening

In dit blok wordt ten eerste gevraagd of werknemers één of meer van de genoemde langdurige ziekten, aandoeningen of handicaps hebben en ten tweede of zij door deze gezondheidsproblemen belemmerd wordt bij het uitvoeren van het werk. Als laatste wordt gevraagd of de ziekte, aandoening of handicap het gevolg is van het werk dat men deed. Deze vraag is in 2012 toegevoegd ter vervanging van de minder werkgerichte vraag ‘Waardoor is de ziekte of aandoening veroorzaakt?’. De vragen uit deze module zijn, met uitzondering van de derde vraag, afgeleid van de vragen over arbeidsbelemmeringen (voorheen ‘arbeidsgehandicapten’) in de EBB.

Beroepsziekten

Voor de NEA 2014 is in samenwerking met het Nederlands Centrum voor beroepsziekten (NCvB) en het RIVM een blok over Beroepsziekten ontwikkeld. Dit bestaat uit een drietal vragen die inzicht geven in de prevalentie en incidentie van beroepsziekten. Ten eerste wordt gevraagd of werknemers één of meer van de dertien genoemde beroepsziekten hebben. Ten tweede wordt gevraagd of deze klachten meer dan twaalf maanden geleden zijn ontstaan en ten slotte wordt gevraagd of de beroepsziekte is vastgesteld door een arts.

Werk-privébalans

Het blok bevat twee vragen over de wederzijdse beïnvloeding van de werk- en thuissituatie. De thuis-werk-interferentie en werk-thuis-interferentie zijn ontleend aan de TAS, maar zijn oorspronkelijk opgesteld door Fox en Dwyer (1999).

Functioneren en inzetbaarheid

Het blok begint met vijf vragen over de inzetbaarheid. Allereerst worden twee vragen over het werkvermogen, oftewel de fysieke en psychische geschiktheid voor de huidige baan, gesteld. Vervolgens twee vragen over ‘loopbaan self efficacy’, het gemak waarmee een nieuwe baan/functie verkregen kan worden. Deze vragen zijn in 2010 nieuw ontwikkeld voor de NEA. Het vijfde item is in 2013 specifiek voor de NEA ontwikkeld en vraagt naar de geneigdheid om bij de huidige werkgever te blijven werken.

In 2020 is er een vraag toegevoegd over de verbondenheid die de respondent voelt met de organisatie waar hij/zij voor werkt. Deze vraag is specifiek voor de NEA 2020 ontwikkeld.

Vervolgens wordt met drie items naar bevlogenheid gevraagd, dat wil zeggen de mate van toewijding en energie waarmee iemand werkt. De items zijn overgenomen uit de Utrechtse Bevlogenheidschaal (UBES; Schaufeli e.a., 2006). De vragen zijn de meest kenmerkende items uit de drie UBES-subschalen, vitaliteit, toewijding en absorptie. De formulering van de hoofdvraag en antwoordcategorieën is aangepast ten opzichte van de originele UBES zodat de formulering meer in lijn is met die van de vragen over psychische vermoeidheid door het werk, ‘burn-outklachten’.

Met drie vragen wordt vastgesteld hoe de werknemer zijn prestaties ten aanzien van de eigen functie beoordeelt (‘in-role performance’). Dit betreft vragen naar het behalen van werkdoelen, het goed kunnen uitvoeren van werktaken en het goed presteren in het werk. Deze drie vragen zijn in 2007 nieuw ontwikkeld voor de NEA. De prestatie-indicatoren genoemd door Goodman en Svyantek (1999) waren een inspiratiebron voor deze vragen. 

Er zijn vier vragen opgenomen rond het thema innovatief vermogen. De vraag over de aanmoediging om na te denken over manieren om het werk beter te doen is –met aanpassing– afkomstig van de General Nordic Questionnaire for Psychological and Social Factors at Work (Lindström e.a., 1997). De vraag over tijd krijgen voor het ontwikkelen van nieuwe ideeën is afgeleid van een vraag die in Vlaanderen in 2004 is gesteld in het Panel Survey of Organisations, het PASO werkgeverspanel (KU Leuven, 2004). De twee vragen over het bedenken en verbeteren van (nieuwe) producten/diensten zijn afgeleid van vragen uit de Erasmus Concurrentie en Innovatiemonitor 2006 voor werkgevers (Jansen, 2006).

Er volgt een aantal vragen over veranderingen op het werk. De eerste vraag gaat over het al of niet optreden van veranderingen op het werk, ten aanzien van werkmethodes, technologieën, producten en klantcontacten. Deze vraag is vergelijkbaar met de vraag zoals deze ook in STREAM wordt gesteld en is oorspronkelijk gebaseerd op de European Skills and Jobs Survey (ESJ; CEDEFOP, 2015). De vervolgvragen zijns specifiek voor de NEA ontwikkeld en betreft de aanpassingen die volgens de werknemers zelf nodig zijn om zich aan de veranderingen aan te kunnen passen, evenals de manier waarop werknemers betrokken zijn bij de veranderingen.

De laatste vragen in dit blok gaan over kwalificatieveroudering en zijn ontleend aan het STREAM onderzoek (Van den Heuvel e.a., 2014).

Opleiding en ontwikkeling

Het blok start met een vraag over de aansluiting van kennis en vaardigheden bij het werk dat men doet. Deze vraag is sinds 2010 in de NEA opgenomen en gebaseerd op overeenkomstige items in de 2008 vragenlijst voor werkenden van het Arbeidsaanbodpanel van de OSA (tegenwoordig van het SCP).

Ook wordt gevraagd naar de mate waarin de leidinggevende de ontwikkeling van kennis en vaardigheden stimuleert en of een opleiding of cursus is gevolgd voor het werk. Deze vragen zijn een ingekorte versie van de in 2012 voor de NEA ontwikkelde module Opleiding. Vervolgens is voor respondenten die in de afgelopen twee jaar een opleiding of cursus hebben gevolgd een vraag opgenomen over het doel hiervan. Ook wordt ingegaan op de behoefte aan een opleiding of cursus.

Aan werknemers wordt gevraagd of zij informeel leren op het werk. Met andere woorden: of zij kennis en vaardigheden oppikken en leren van hun collega’s tijdens het werk. De vragen in deze module zijn in 2020 voor de NEA ontwikkeld.

Loopbaan

Het blok start met vier vragen over functieverandering, functie-uitbreiding, promotie en teruggaan in functieniveau. Bij deze vragen wordt de voorafgaande twee jaar als referentieperiode genomen. De vragen over functieverandering, functie-uitbreiding en promotie zijn afkomstig uit de TAS en zijn oorspronkelijk ontleend aan Verboon e.a. (1999). De vraag naar teruggaan in functieniveau is in 2012 toegevoegd aan de NEA en is afkomstig uit het NEA-cohortonderzoek (Koppes e.a., 2011).

Vervolgens wordt gevraagd of werknemers zich zorgen maken over het behoud van de huidige baan en of zij in de afgelopen 12 maanden iets gedaan hebben om ander werk te vinden. Deze vragen zijn afkomstig uit de TAS en oorspronkelijk ontleend aan Goudswaard e.a. (1998).

Ten slotte zijn, sinds NEA 2011, twee vragen opgenomen over de leeftijd tot waarop men wil doorwerken en de leeftijd tot waarop men denkt (lichamelijk en geestelijk) in staat te zijn het huidige werk voort te zetten. De eerste vraag is afkomstig van het NEA-cohortonderzoek (Koppes e.a., 2011). De tweede vraag is specifiek geformuleerd voor de NEA en afgeleid van een vraag uit het NEA-cohortonderzoek. Daarnaast worden twee vragen gesteld over determinanten van willen en kunnen doorwerken. Deze vragen zijn in 2010 ontwikkeld voor de NEA.

Tevredenheid

Wat betreft tevredenheid wordt de tevredenheid met arbeidsomstandigheden en de tevredenheid met het werk in het algemeen gemeten. Het gaat hierbij om een totaal oordeel over alle aspecten van arbeidsomstandigheden, respectievelijk van het werk. Beide vragen zijn door TNO opgesteld ten behoeve van de NEA.

Arbeidsvoorwaarden

Het blok Arbeidsvoorwaarden vraagt naar de tevredenheid met en het belang van een dertiental aspecten van een baan. Eerst wordt gevraagd naar het belang van de genoemde aspecten in de huidige baan en vervolgens wordt gevraagd in hoeverre men tevreden is met deze aspecten.

De vragen naar belang en tevredenheid zijn in 2008 geformuleerd voor de NEA. In 2016 is de module uitgebreid met vragen naar de pensioenregeling. In 2022 is de manier waarop respondenten vragen kunnen overslaan gewijzigd. Tot en met 2021 konden respondenten een vraag leeg overslaan, maar dit werd niet expliciet aangegeven. Vanaf 2022 wordt expliciet de antwoordoptie ‘geen antwoord’ aangeboden.

Het blok sluit af met een vraag over de aanwezigheid van een vorm van personeelsvertegenwoordiging in het bedrijf en een vraag naar vakbondslidmaatschap (cf. AVON; Sloten e.a., 2005) en, indien ontkennend wordt geantwoord, naar de redenen om geen lid te zijn (in 2007 opgesteld ten behoeve van de NEA).

3.2 Ad hoc onderwerpen

Een beperkt deel van de vragenlijst is gereserveerd voor onderwerpen die in principe eenmalig uitgevraagd worden, de zogenaamde ad hoc onderwerpen. Het staat nog niet vast of en wanneer deze herhaald worden. De ad hoc onderwerpen van 2025 staan in deze paragraaf beschreven.

Buiten werken en UV-blootstelling

Om beter in kaart te kunnen brengen hoeveel werknemers potentieel blootgesteld worden aan UV-straling (door de zon) tijdens hun werk, zijn er in 2025 enkele vragen hierover opgenomen. Allereerst wordt uitgevraagd in welke seizoenen werknemers weleens buiten werken en hoe vaak dat voorkomt. Omdat werkpatronen en blootstelling kunnen verschillen tussen seizoenen, worden beiden op deze manier in kaart gebracht.

Ook is in het lijstje met gewenste arbomaatregelen een extra vraag opgenomen, of er (aanvullende) maatregelen nodig zijn tegen blootstelling aan de zon of UV-straling of dat er al voldoende maatregelen genomen zijn. Vervolgens wordt er doorgevraagd over ofwel 1) de (aanvullende) maatregelen die volgens de werknemer nog nodig zijn of 2) de maatregelen die al door de werkgever genomen zijn. Dit om in kaart te brengen welke maatregelen er genomen worden of waar nog winst te behalen is.

Aandacht en afleiding

Om in kaart te brengen hoe vaak werknemers afgeleid worden door hun omgeving en of werknemers hun aandacht makkelijk bij het werk kunnen houden zijn twee vragen opgenomen na de vragen over de moeilijkheidsgraad van het werk. De vraag over afgeleid worden door de omgeving was eerder in 2020 ook toegevoegd aan de NEA. De tweede vraag is daar in 2025 aanvullend aan toegevoegd.

Informatievoorziening veilig en gezond werken

Op verzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie zijn enkele vragen opgenomen in de NEA rondom de informatievoorziening over veilig en gezond werken. Zo wordt er doorgevraagd of de informatie die gegeven wordt duidelijk is en of zij betrokken worden door hun werkgever bij het maken van nieuwe plannen of regels voor veilig werken. Ook is er een doorvraag opgenomen bij de vragen rondom de veiligheidscultuur. Wanneer werknemers het (helemaal) oneens zijn met de stelling dat men zich op hun werk aan de regels over veilig werken houdt, wordt gevraagd waarom dat volgens hen zo is. Hier kunnen ze kiezen uit meerdere antwoordmogelijkheden die ingaan op of mensen de regels kennen, begrijpen, nuttig vinden of dat het bijvoorbeeld teveel tijd of moeite kost om de regels te volgen.

Ook is er op verzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie een doorvraag opgenomen bij de vragen rondom arbeidsongevallen. Hier wordt in 2025 aan werknemers die een ongeval hebben meegemaakt doorgevraagd of de werkgever naar aanleiding van het arbeidsongeval maatregelen heeft genomen om dit soort ongevallen in de toekomst te voorkomen.

Zorgen over rondkomen

In de NEA 2025 is op verzoek van het ministerie van SZW ruimte gemaakt om drie vragen te stellen over of werknemers zich weleens zorgen maken of zij rond kunnen komen met het inkomen van hun huidige baan en zo niet, waar dat mee te maken heeft. De vragen worden alleen gesteld aan uitzendkrachten en oproep-/invalkrachten met (deels) wisselende werkuren of oproepcontracten (0-urencontracten). De vragen zijn ontwikkeld om in kaart te brengen of deze werknemers financiële onzekerheid ervaren.

Loontransparantie

Op verzoek van het ministerie van SZW zijn enkele vragen met betrekking tot de richtlijn loontransparantie ontwikkeld voor de NEA. Deze vragen gaan over of werknemers weten aan welke eisen zij moeten voldoen om een bepaald salaris te krijgen, of zij het belangrijk vinden om te weten wat hun collega’s ongeveer verdienen (en of zij dat weten) en hoe ze hierachter zijn gekomen.

Deze vragen zijn opgenomen als nulmeting, omdat er op korte termijn een wet van kracht gaat die werkgevers verplichten gelijke beloning voor gelijk werk naar te streven en hier transparant over te zijn.

4. Dataverzameling

4.1 Steekproef

Steekproefkader en doelpopulatie

De doelpopulatie bestaat uit alle werknemers van 15 tot en met 74 jaar die in Nederland werken. Het steekproefkader wordt afgeleid uit de meest recente Polisadministratie van maart 2025. De Polisadministratie, in beheer van het UWV, bevat gegevens over alle banen van werknemers die verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen en voor wie loonbelasting verschuldigd is. Om tot het steekproefkader te kunnen worden gerekend moeten personen uit de Polisadministratie een aantal eigenschappen hebben. De persoon:

  • is minimaal 15 jaar en maximaal 74 jaar op 1 oktober 2025;
  • is geregistreerd als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) in juli 2025;
  • behoort tot een particulier huishouden in juli 2025.

Tot het kader behoren 8,3 miljoen personen.

Steekproefontwerp

Voor de NEA 2025 wordt uit dit steekproefkader een personensteekproef getrokken volgens een gestratificeerd steekproefontwerp. Hierbij wordt gestratificeerd naar bedrijfsklasse op SBI-40 niveau. Een overzicht van de bedrijfsklassen is gegeven in tabel B.1 in bijlage B. Dit zijn de zogenaamde ‘strata’.

Het steekproefontwerp dient aan de volgende randvoorwaarden te voldoen.

  1. De standaardfout voor het percentage werknemers met een arbeidsongeval per SBI-klasse is maximaal 1% m.u.v. SBI-klasse 40.
  2. Het verwacht aantal responsen per SBI-klasse is minstens 233 m.u.v. SBI-klasse 40. Deze randvoorwaarde is opgenomen om per cluster per SBI-klasse voldoende waarnemingen voor publicaties te hebben.
  3. Het aantal te benaderen steekproefpersonen is 158.500.
  4. Gegeven bovenstaande info dient de precisie van de uitkomsten op landelijk niveau zo groot mogelijk zijn.

Om aan randvoorwaardes 3 en 4 te voldoen worden eerst de 158.500 te benaderen steekproefpersonen zodanig over de SBI-klassen verdeeld dat het verwachte aantal bruikbare respondenten per SBI-klasse evenredig is met de populatie. Uit randvoorwaardes 1 en 2 volgt echter ook een minimum uitzet voor SBI-klasse 1 tot en met 39. Voor de SBI-klassen waarin na de evenredige verdeling niet aan randvoorwaardes 1 en/of 2 wordt voldaan, wordt de uitzet opgehoogd naar de minimum uitzet om wel aan deze voorwaardes te voldoen. Dat gaat ten koste van de beschikbare uitzet voor de overige SBI-klassen. De overgebleven uitzet wordt verdeeld over de overige SBI-klassen waarna wordt gecontroleerd of nu wel aan randvoorwaardes 1 en 2 wordt voldaan. Dit proces wordt herhaald totdat alle SBI-klassen, met uitzondering van SBI-klasse 40, aan randvoorwaardes 1 en 2 voldoen.

Split-half ontwerp

Ten behoeve van het spit-half ontwerp wordt gebruik gemaakt van de hulpvariabele Cluster. De waarde hiervan wordt voor de ene random helft van de steekproefelementen op 1 gezet en voor de andere helft op 2.

4.2 Benaderingsstrategie

Steekproefpersonen kunnen via internet (cawi) deelnemen aan het onderzoek. De volgende benaderingsstrategie wordt daarbij gehanteerd. Steekproefpersonen ontvangen een aanschrijfbrief met daarin het verzoek om via internet deel te nemen aan het onderzoek en de bijbehorende inloggegevens. Bij de aanschrijfbrief wordt een folder gevoegd die specifiek is samengesteld voor de NEA. Na twee, vijf en zeven weken ontvangen steekproefpersonen een rappelbrief. Na acht weken sluit de waarneming.

In de aanschrijfbrief en de drie rappelbrieven wordt opgenomen dat respondenten kans maken op een conditionele beloning ter waarde van €300 in de vorm van een cadeaukaart of een Apple Watch. Daarnaast hanteert het CBS het beleid dat aan personen van 12 tot en met 15 jaar toestemming wordt gevraagd aan de ouders/ verzorgers om deel te mogen nemen aan het onderzoek. Voor de NEA is die regel dus van toepassing op de 15-jarigen. Vanaf 16 jaar wordt dit niet meer gedaan.

De steekproef wordt in zes gelijke porties uitgezet. De eerste aanschrijfbrieven zijn verzonden op 16 september 2025. De waarneming van de laatste portie is gesloten op 21 december 2025.

4.3 Vragenlijstontwikkeling

De onderwerpen die in de vragenlijst aan bod komen, staan beschreven in Hoofdstuk 3.

Split-half

Hoewel het grootste deel van de vragenlijst aan alle respondenten gesteld wordt, wordt voor een deel van de vragenlijst een split-halfmethode gebruikt. In de steekproef worden respondenten random toebedeeld aan een 1- of een 2-groep (SE_Cluster = 1 of 2). Dit bepaalt de route en het deel van de vragenlijst dat ze krijgen. Soms gaat het om hele blokken die alleen voor de 1- of een 2-groep zijn. Meestal gaat het echter om vragen binnen blokken.

Taal

Net als in 2024, is het in 2025 mogelijk om de NEA in het Engels in te vullen. Respondenten kunnen door middel van een vlaggetje bovenin het scherm van taal switchen. Deze switches worden vastgelegd in de vragenlijst. Nieuwe vragen en andere tekstuele wijzigingen zijn vertaald door het vertaalbureau van de Vrije Universiteit Amsterdam.

4.4 Veldwerk

Responsdoel is een ongewogen responspercentage van 30,5%. Het ongewogen responspercentage wordt daarbij berekend door het aantal gerealiseerde responsen (bruikbaar + niet bruikbaar) te delen door de uitgezette steekproefomvang. In totaal zijn 56.851 responsen gerealiseerd, wat neerkomt op een responspercentage van 35,9%. Daarmee wordt voldaan aan het responsdoel. Tevens wordt verwacht dat het aantal bruikbare responsen per SBI-klasse minstens 200 is, met uitzondering van SBI-klasse 40. In SBI-klasse 25 is met 195 bruikbare responsen net niet voldaan aan deze verwachting, in de resterende SBI-klassen wel.

Gewogen responspercentage

Na afloop van het onderzoek is een gewogen responspercentage uitgerekend waarbij het responspercentage wordt gecorrigeerd voor over- en ondervertegenwoordiging van bepaalde groepen in de steekproef ten opzichte van een proportioneel getrokken steekproef. Dit betekent dat het responspercentage mag worden gewogen naar insluitkans, omdat de steekproef niet evenredig is getrokken. Het gewicht van een steekproefpersoon is 1 gedeeld door de kans waarmee die persoon is geselecteerd in de steekproef. Op deze manier tellen personen met een grotere insluitkans minder zwaar mee dan personen met een kleinere insluitkans.

Het gewogen responspercentage bedraagt 36,8%. Dat is 1,8% lager dan het gewogen responspercentage bij de NEA 2024 (was 38,6%). Opgemerkt moet worden dat bij de NEA 2024 sprake was van een oversampling binnen SBI-klasse 34 (onderwijs); dit is in 2025 niet het geval. Daardoor zijn de responspercentages van 2024 en 2025 niet zondermeer vergelijkbaar.

Gerealiseerde vragenlijstduur

Gemiddeld genomen hebben respondenten 25,8 minuten gedaan over het invullen van de vragenlijsten. Daarmee is de gemiddelde vragenlijstduur met 0,2 minuten zeer beperkt toegenomen ten opzichte van de NEA 2024 (25,6 minuten).

5. Verwerken

De gegevens die via het veldwerk binnenkomen zijn niet direct geschikt voor analysedoeleinden. Om tot een bruikbaar databestand te komen worden eerst een aantal bewerkingsslagen op de data uitgevoerd. Hieronder staan de voornaamste onderdelen van het verwerkingsproces vermeld.

5.1 Typeren

Om vast te stellen welk onderwijsniveau respondenten behaald hebben, in welke bedrijfstak zij werken en welk beroep zij uitoefenen, heeft het CBS standaard vraagstellingen ontwikkeld. Met een standaard typeerproces worden vervolgens de bedrijfstak, het beroep en het behaalde onderwijsniveau geclassificeerd. Op de website van het CBS is meer informatie beschikbaar over de classificaties.

Het behaalde onderwijsniveau is volledig automatisch geclassificeerd volgens de SOI 2021.

De bedrijfstak waarin respondenten werken is in het merendeel van de gevallen vastgesteld op basis van registerinformatie (Polisadministratie). Onder bepaalde voorwaarden is de bedrijfstak getypeerd (deels automatisch en deels handmatig), namelijk als de respondent uitzendkracht of gedetacheerd is of recent bij de huidige werkgever is komen werken. Als de respondent korter dan vier maanden geleden bij de huidige werkgever is komen werken, heeft de registerinformatie mogelijk nog betrekking op de bedrijfstak van de vorige werkgever. Uitzendkrachten en gedetacheerden behoren volgens de polisadministratie tot de zakelijke dienstverlening. Het bedrijf waarnaartoe zij zijn uitgezonden, zal in de praktijk vaak in een andere bedrijfstak actief zijn. Het typeerproces levert een SBI 2008 code op. Deze wordt gebruikt voor publicatie.

Nadat de bedrijfstak is getypeerd, is het beroep getypeerd. Dit gebeurt deels automatisch en deels handmatig. Het typeerproces maakt gebruik van de informatie die in het blok Beroep is verzameld, SBI en onderwijsniveau. Het typeerproces resulteert in een ISCO 2008 code, waarvan tevens een BRC 2014 code wordt afgeleid.

Er is een classificatiefile ontwikkeld om volledig automatisch het beroep te kunnen typeren van respondenten die de vragen over het beroep in het Engels hebben doorlopen.

5.2 Verrijken

De bruikbare respons wordt verrijkt met data uit registers over de volgende kenmerken:

  • Herkomst,
  • Samenstelling van het huishouden,
  • Regio en stedelijkheid,
  • Bedrijfsomvang,
  • Wel of niet CAO van toepassing en CAO-sector,
  • Wel of niet arbeidsongeschiktheidsregeling van toepassing,
  • Inkomen en welvaart.

5.3 Afleiden

In het verwerkingsproces wordt een aantal variabelen afgeleid. Voor nieuwe en gewijzigde afgeleide variabelen zijn de specificaties afgestemd door CBS en TNO. Voor bestaande afgeleide variabelen zijn de bestaande specificaties gehanteerd, die eerder zijn afgestemd of door CBS zijn gemaakt conform programmatuur van TNO.

Enkele afgeleide variabelen zijn schalen. Hierop zijn betrouwbaarheidsanalyses uitgevoerd, waarbij gekeken is of alle items voldoende onderdeel zijn van het concept dat de schaal pretendeert te meten. Zie paragraaf 4.2 van het methodologierapport van de NEA 2021 (Van Dam et al., 2022) en paragraaf 4.2 van het methodologierapport van de NEA 2020 (Hooftman et al., 2021).

Enkele andere afgeleide variabelen zijn combinatiematen voor risicofactoren. Dit wordt gedaan bij vragen waar blootstelling aan één van de gemeten risicofactoren al een ongewenste situatie of verhoogd risico oplevert. Combinatiematen geven aan of respondenten op één van de in de maat opgenomen subvragen een ongunstig antwoord hebben gegeven. Het betreft de volgende concepten:

  • Fysiek belastend werk,
  • Gevaarlijk werk,
  • Conflict met collega’s, leidinggevende en/of werkgever,
  • Ongewenst gedrag (meerdere combinatiematen),
  • Bewegingsapparaat (KANS) klachten,
  • Werk-privé en/of privé-werk disbalans.

5.4 Correcties

Sinds 2018 wordt de NEA volledig via internet met een elektronische vragenlijst waargenomen. Respondenten volgen daardoor automatisch de correcte route naar de volgende vraag. Bij meerdere vragen zijn controles ingebouwd op het antwoord dat een respondent invult. In de verwerking achteraf worden ook nog enkele controles en correcties uitgevoerd. Als bijvoorbeeld uit de datum van het arbeidsongeval blijkt, dat het arbeidsongeval buiten de referentieperiode valt, dan wordt dit in de verwerking gewijzigd naar ‘geen’ arbeidsongeval. Een ander voorbeeld betreft de gegevens over beroepsziekten. TNO typeert de open antwoorden over dit onderwerp. Als het geen beroepsziekte betreft, wordt dit in de verwerking gewijzigd naar ‘geen’ beroepsziekte.

6. Responsrapportage

6.1 Bruikbare respons

Niet alle ontvangen respons is bruikbaar voor publicatie. Een bruikbare respons is een respons van een persoon die:

  1. de persoon uit de steekproef is,
  2.  op de enquêtedatum betaald werk als werknemer heeft,
  3. een geldig antwoord heeft gegeven op minimaal 75% van de vragen die aan alle respondenten worden gesteld.

Van de 56.852 ontvangen responsen zijn er 53.317 bruikbaar. Zie tabel 6.1.1. Het verschil zit vooral bij respondenten die geen werknemer zijn op het moment van invullen: 3.421 responsen vallen om deze reden af. Dat komt overeen met 6,0% en is hoger dan het voorgaande jaar (4,9%). De bruikbare respons is vrij gelijk verdeeld over cluster 1 en 2.

6.2 Representativiteit van de respons

De tabellen in bijlage C geven de verdeling naar enkele achtergrondkenmerken van de populatie, de uitgezette steekproef en de bruikbare respons. Dit geeft een beeld van de representativiteit van de respons. Het betreft de kenmerken die zijn opgenomen in het weegmodel (zie paragraaf 7.2).

Als een categorie is over- of juist ondervertegenwoordigd in de bruikbare respons ten opzichte van de populatie, kan dit het gevolg zijn van het steekproefontwerp. De steekproefuitzet is immers in enkele strata (bedrijfstakken) opgehoogd om bepaalde responsaantallen te realiseren (zie paragraaf 4.1). Maar ook andere zaken kunnen een rol spelen. Werknemers in een categorie kunnen gemiddeld genomen meer of minder geneigd zijn te responderen. Ook zal de kans om uit te stromen als werknemer tussen het peilmoment van de steekproef en het invulmoment van de enquête voor sommige categorieën werknemers groter zijn dan voor andere. Voor de verschillen tussen de verdeling in de respons en in de populatie wordt gecorrigeerd in de weging (zie hoofdstuk 7).

Tabel C.1 geeft de verdeling naar bedrijfstak van de populatie, de uitgezette steekproef en de respons. Het betreft de registergegevens en indeling (stratum) die bij de steekproeftrekking gebruikt zijn (zie bijlage B voor de stratumindeling).

Ondervertegenwoordigd in de respons vergeleken met de steekproef zijn vooral werknemers in de zakelijke dienstverlening (stratum 32) en de logiesverstrekking (stratum 23). Werknemers in deze strata maken respectievelijk 2,8 en 1,5 procentpunt minder uit van de respons dan van de steekproef. Tot de zakelijke dienstverlening behoren onder andere uitzendkrachten.

Tabellen C.2 en C.3 geven de verdeling naar geslacht en leeftijd van de populatie, de uitgezette steekproef en de respons. Het betreft het geslacht en de leeftijd volgens de steekproefgegevens. De verdeling van mannen en vrouwen in de respons en in de steekproef laat zien dat in verhouding vrouwen meer dan mannen hebben meegedaan aan de NEA. Vrouwen zijn ook oververtegenwoordigd in de steekproef ten opzichte van de populatie. Dit is een uitvloeisel van de oversampling van bedrijfstakken en verschillen in de verdeling van mannen en vrouwen over bedrijfstakken. Werknemers tot 35 jaar zijn ondervertegenwoordigd in de bruikbare respons ten opzichte van de steekproef en de populatie. Het meest oververtegenwoordigd zijn werknemers van 55 tot 65 jaar.

Tabel C.4 geeft de verdeling naar herkomst en tabel C.5 naar herkomstland. Personen geboren in Nederland met twee Nederlandse ouders zijn oververtegenwoordigd in de respons. Personen geboren buiten Nederland en personen met ouders geboren buiten Europa zijn ondervertegenwoordigd in de respons. Uitgedrukt in procentpunten zijn personen met herkomst Overig Afrika, Azië, Amerika, Oceanië en onbekend het meest ondervertegenwoordigd in de respons.

Tabel C.6 geeft de verdeling naar type huishouden. Personen die behoren tot een huishouden van gehuwde paren, zowel met als zonder kinderen, zijn oververtegenwoordigd in de respons. Eenpersoonshuishoudens en eenouderhuishoudens zijn ondervertegenwoordigd.

Tabel C.7 geeft de verdelingen naar type contract. Werknemers met een flexibel contract zijn in de respons ondervertegenwoordigd ten opzichte van de populatie en de steekproef.

Tabel C.8 geeft de verdeling naar primair inkomen. Personen in de hogere decielen zijn oververtegenwoordigd in de respons en personen in de lagere decielen ondervertegenwoordigd.

6.3 Engelstalige respons

De vragenlijst wordt tweetalig aangeboden. Respondenten kunnen middels een knop op elk moment wisselen tussen Nederlands en Engels. Er zijn 233 respondenten die de vragenlijst in het Engels eindigden, waarvan er 1688 de vragenlijst van begin tot eind in het Engels doorlopen hebben.

7. Weging

7.1 Weegmethode

De steekproef is willekeurig in twee helften verdeeld, cluster 1 en 2, en in de vragenlijst is sturing aanwezig waardoor een deel van de vragen alleen aan cluster 1 wordt getoond en een ander deel van de vragen alleen aan cluster 2, het split-half ontwerp.

Omdat er uitspraken gedaan dienen te worden over zowel beide helften als over de hele populatie worden er twee wegingen uitgevoerd: één weging voor cluster 1 en één weging voor cluster 2. Achteraf worden de gewichten van beide wegingen gecombineerd via zogenaamde proportionele gewichten. De twee clusters wegen mee naar rato van de respons. Dit leidt in het algemeen tot iets nauwkeurigere schattingen dan wanneer de twee clusters gelijk meewegen. Bovendien is het gemiddelde proportionele gewicht niet alleen in de totale respons, maar ook in beide clusters gelijk aan 1 als de beide clusters naar rato van de respons meewegen.

Daarnaast is het bij de NEA gebruikelijk dat er twee soorten gewichten in het microdatabestand zijn opgenomen: zogenaamde ophooggewichten die optellen tot de populatieomvang en zogenaamde proportionele gewichten die optellen tot de steekproefomvang.

Het microdatabestand bevat daarom meerdere gewichten. In paragraaf 10.2 staan instructies voor gebruikers van het bestand voor het gebruik van de verschillende weegfactoren, waaronder enkele aandachtspunten voor het gebruik van de jaren 2020 en 2021.

7.2 Weegmodel

Voor de NEA 2025 is het volgende weegmodel gebruikt:

[Geslacht(2) × Leeftijd(6)] +

 [Stratum(44)]

 [Herkomst(5)] +

[Type huishouden(7)] +

 [Type contract(2)] +

[Primair inkomen(10)] +

[landnegendeling(9)]

Al deze variabelen zijn categoriaal. Het aantal categorieën staat bij elke variabele aangegeven tussen haakjes. Het weegmodel maakt uitsluitend gebruik van registergegevens. De verdeling van het steekproefkader, de steekproef en de bruikbare respons over de categorieën van deze variabelen is in paragraaf 6.2 beschreven.

7.3 Gewichten

Voor cluster 1 en 2 is een lineaire weging uitgevoerd op alle bruikbare responsen, waarbij enerzijds rekening wordt gehouden met ongelijke insluitkansen en anderzijds met mogelijk selectieve non-respons. Uitvoeren van de wegingen levert correctie- en eindgewichten op zoals weergegeven in figuur 7.3.1 en 7.3.2.

7.3.1 Spreiding van correctiegewichten, NEA 2025
Productgroep Waarde Correctiegewichten
Cluster 1 Minimum 0,2
Cluster 1 1e kwartiel 0,77
Cluster 1 Mediaan 0,96
Cluster 1 3e kwartiel 1,2
Cluster 1 Maximum 4,55
Cluster 2 Minimum 0,26
Cluster 2 1e kwartiel 0,77
Cluster 2 Mediaan 0,96
Cluster 2 3e kwartiel 1,22
Cluster 2 Maximum 4,25
7.3.1 Spreiding van correctiegewichten, NEA 2025
 Cluster 1Cluster 2
Correctiegewichten4.54.25
Bron: CBS, TNO

Het weegmodel is robuust. De verdelingen van zowel de correctie- als eindgewichten is vergelijkbaar voor cluster 1 en 2. Er zijn geen negatieve gewichten en het aantal ‘grote’ correctiegewichten is beperkt. Daarnaast zijn er geen eindgewichten kleiner dan 1 (het is niet logisch als een persoon voor minder dan zichzelf meetelt). Ook de celvulling is voldoende: de kleinste cel bevat 47 personen voor cluster 1 en 50 personen voor cluster 2.

7.3.2 Spreiding van eindgewichten, NEA 2025
Productgroep Waarde Eindgewichten
Cluster 1 Minimum 27,6
Cluster 1 1e kwartiel 246,3
Cluster 1 Mediaan 296,1
Cluster 1 3e kwartiel 362,5
Cluster 1 Maximum 1014
Cluster 2 Minimum 30
Cluster 2 1e kwartiel 244,9
Cluster 2 Mediaan 291,9
Cluster 2 3e kwartiel 359,7
Cluster 2 Maximum 974,5
7.3.2 Spreiding van eindgewichten, NEA 2025
 Cluster 1Cluster 2
Eindgewichten1014974.5
Bron: CBS, TNO

8. Kwaliteit

In de vragenlijst van de NEA 2025 zijn een aantal vragen (eenmalig) toegevoegd, de zogenaamde ad hoc vragen, en een paar vragen in het vaste deel van de vragenlijst gewijzigd.  In paragraaf 8.1 wordt de item non-respons beschreven van de vaste vragen. In het blok Gezondheid is een zachte controle toegevoegd aan de vragen over het gemiddeld aantal uren dat werknemers zitten tijdens werk, woon-werkverkeer en in vrije tijd. De uitkomsten daarvan komen in paragraaf 8.2 aan bod. De resterende drie paragrafen behandelen de kwaliteit van de in 2025 toegevoegde ad hoc vragen: paragraaf 8.3 betreft de vragen over buiten werken in de verschillende seizoenen en zonbeschermende maatregelen, paragraaf 8.4 gaat in op de vragen over regels en informatie rondom veilig en gezond werken, paragraaf 8.5 betreft de vragen rondom aandacht bij het werk kunnen houden. Paragraaf 8.6 bespreekt de extra vraag rondom maatregelen genomen na een arbeidsongeval en paragraaf 8.7 gaat in op de vragen rondom zorgen om rond te komen en loontransparantie.

8.1 Item non-respons vaste vragen

In de NEA zijn respondenten niet verplicht om vragen te beantwoorden. In het verleden werd de NEA (ook) op papier ingevuld en was het niet mogelijk om dit te verplichten. Bij de introductie van internetwaarneming is ervoor gekozen om het bij internetwaarneming mogelijk te maken dat vragen leeg worden overgeslagen, vanuit de gedachte dat waarneming via papier en internet dan wat non-respons mogelijkheid betreft zoveel mogelijk op elkaar lijken. Als uitvloeisel daarvan kunnen veel vragen die al jaren in de NEA worden gesteld oningevuld overgeslagen worden.

Sinds 2018 wordt de NEA uitsluitend via internet waargenomen. De mogelijkheid om vragen over te slaan is bij de meeste bestaande vragen behouden om mogelijke trendbreuken te voorkomen. Nieuwe vragen kunnen echter niet meer overgeslagen worden. In plaats daarvan wordt de antwoordmogelijkheid ‘geen antwoord’ aangeboden. Zo is voor alle respondenten duidelijk dat het mogelijk is om een vraag niet te beantwoorden en toch verder te gaan met de vragenlijst. Ook is zo duidelijk dat een respondent bewust geen antwoord heeft gegeven en niet per ongeluk op ‘volgende’ heeft geklikt terwijl nog geen antwoord gekozen was.

Gemiddeld wordt een vraag in de NEA door 3,5 procent van de respondenten niet beantwoord. Niet alle vragen worden aan alle respondenten gesteld. De berekening van de item non-respons is gebaseerd op respondenten waaraan de betrokken vraag is gesteld. Bij sommige vragen geven meer respondenten geen antwoord dan bij andere. Tabel 8.1.1 geeft een overzicht van alle vaste vragen waarop 5 procent of meer van de respondenten in 2025 geen antwoord heeft gegeven (‘geen antwoord’ of vraag overgeslagen).

8.2 Bevindingen aanpassingen vaste vragen rondom zitgedrag

In het blok Gezondheid bevat een drietal vragen over zitgedrag. Meer concreet wordt er gevraagd hoeveel uren respondenten gemiddeld zitten per een dag: 1) op het werk 2) in het woon-werk verkeer en 3) in hun vrije tijd. Op deze vragen zit een harde controle om ervoor te zorgen dat respondenten niet meer uren kunnen invullen dan 24 uur. Dit jaar is er na de harde controle een zachte controle toegevoegd, omdat een deel van de respondenten in 2024 een relatief hoog aantal uren opgaf. Met de aanpassing wordt een respondent geholpen om een zo reëel mogelijk aantal uren per dag op te geven. Respondenten die op de vragen naar het gemiddeld aantal uur zitten per dag op het werk en in hun vrije tijd een antwoord gaven tussen 13 en 24 uur kregen de controlevraag of hun antwoord klopt. Zo nodig konden zij hun antwoord nog aanpassen of ze konden aangeven dat hun antwoord klopt. Dezelfde zachte controle is toegevoegd aan de vraag naar het gemiddeld aantal uren zitten per dag tijdens woon-werkverkeer. Daar werd de controle gedaan bij respondenten die een antwoord gaven tussen 9 en 24 uur. De resultaten van de (al dan niet gecorrigeerde) antwoorden die gegeven zijn na zachte controle in de NEA 2025 zijn vergeleken met de resultaten op de betreffende vragen uit de NEA 2024. Bij alle drie de vragen is in 2025 het percentage respondenten dat het hoge aantal uren (boven de 12 of 8 uur per dag) heeft ingevuld afgenomen.  

8.3 Ad hoc vragen rondom buiten werken en zonbeschermende maatregelen

Een van de ad hoc onderwerpen betreft dit jaar de vragen rondom buiten werken in de verschillende seizoenen.  In het blok Werkomstandigheden wordt aan de respondent gevraagd of zij wel eens buiten werken in de lente, zomer, herfst of winter. Respondenten konden hier aangeven of dat ze dat (bijna) altijd, vaak, soms of nooit doen. De item non-respons op deze vragen is relatief laag:  1,5 procent. 

In het blok Arbomaatregelen zijn een viertal vragen toegevoegd rondom beschermende maatregelen tegen de zon. Het vaste deel van de vragenlijst bevat een aantal werkomstandigheden, zoals werkdruk, fysiek zwaar werk, langdurig beeldschermwerk, stoffen die ongezond kunnen zijn, enzovoort. Met betrekking tot elk van deze aspecten wordt gevraagd of de respondent het nodig vindt dat de werkgever (extra) beschermende maatregelen neemt. Aan deze lijst van aspecten is ‘blootstelling aan de zon of UV-straling’ toegevoegd. De item non-respons dit onderdeel van de vraag is laag: minder dan 1 procent.

Aan de personen die aangaven dat er geen of onvoldoende maatregelen genomen worden tegen de zon of UV-straling werd gevraagd welke maatregelen de werkgever dan (nog) zou moeten nemen. Aan personen die aangaven dat er wel maatregelen genomen zijn door de werkgever werd gevraagd welke maatregelen de werkgever nu al genomen heeft. Ten slotte is aan respondenten wiens werkgever maatregelen heeft genomen de vraag toegevoegd aan of zij gebruik maken van die door de werkgever genomen maatregelen.  

De item non-respons op deze drie vragen is relatief hoog: variërend van 10 tot 17 procent.  

8.4 Ad hoc vragen rondom regels en informatie veilig en gezond werken

Aan de respondenten in cluster 1 zijn in de NEA 2025 in het blok Veiligheidscultuur een drietal vragen gesteld rondom maatregelen over gezond en veilig werken. Allereerst is er een vervolgvraag gesteld aan personen die hebben aangegeven dat werknemers op hun werk zich niet altijd aan de regels rondom gezond en veilig werken houden. Het gaat om de reden dat men zich niet altijd aan die regels houdt. De volgende redenen zijn uitgevraagd: Niet iedereen kent de regels, Niet iedereen begrijpt de regels, Niet iedereen vindt de regels nuttig, Het kost te veel tijd om je aan de regels te houden, Het kost te veel moeite om je aan de regels te houden, Anderen houden zich ook niet aan de regels, Er is geen controle / werkgever vindt het niet belangrijk of een andere reden. De item non-respons op deze vraag is gemiddeld: 3,5 procent.

Aan personen die hebben aangegeven dat er op hun werk informatie wordt gegeven over hoe gezond en veilig te werken, is aanvullend gevraagd of die regels (bijna) altijd, vaak, soms of (bijna) nooit duidelijk zijn, of dat de vraag niet van toepassing is. Op deze vraag is de item non-respons laag: minder dan 0,5 procent.

Aan alle respondenten in het blok Veiligheidscultuur is ten slotte een vraag toegevoegd: ‘Vraagt uw werkgever werknemers om advies als er nieuwe regels of plannen voor veilig werken worden gemaakt?’. Zij konden daarop antwoorden of dat (bijna) altijd, vaak, soms of (bijna) nooit gebeurt.  

De item non-respons op deze vraag is hoog: 28 procent van de respondenten die deze vraag kreeg heeft deze niet beantwoord.

8.5 Ad hoc vragen rondom aandacht bij het werk houden

In de vaste vragenlijst zijn al een aantal aspecten van aandacht opgenomen, bijvoorbeeld: ‘Vergt uw werk dat u er uw gedachten bij houdt?’ en ‘Vereist uw werk intensief nadenken?’. Respondenten kunnen dan aangeven of ze daar nooit, soms, vaak of altijd mee te maken hebben in hun werk. In het blok Werkomstandigheden zijn in 2025 twee vragen toegevoegd rondom het aandacht kunnen houden bij het werk. De eerste vraag is alleen aan cluster 1 gevraagd en is een aanvulling op de vaste lijst van aspecten van aandacht. Het gaat dan om de vraag: ‘Hoe vaak wordt u door uw omgeving afgeleid van uw werk?’. Na de items over aandacht houden is aan beide clusters de vraag gesteld: ‘Hoe moeilijk of makkelijk kunt u in het algemeen uw aandacht bij uw werk houden?’. De antwoordopties waren: (heel) moeilijk, niet moeilijk en niet makkelijk of (heel) makkelijk. De non-respons op beide toegevoegde vragen was minder dan 1 procent.

8.6 Ad hoc vragen rondom maatregelen arbeidsongevallen

In 2025 is aan het blok Arbeidsongevallen (aan beide clusters gesteld) één vraag toegevoegd. Deze vraag volgt na de gedetailleerde informatie over het meest recente arbeidsongeval : ‘Heeft uw werkgever naar aanleiding van dit ongeval maatregelen genomen om dit soort ongevallen in de toekomst te voorkomen?’. Respondenten konden hierop antwoorden: ‘Ja’, ‘Nee, maar wel nodig’, ‘Nee, en niet nodig of mogelijk’ of ‘Weet ik niet/nog onbekend’. Het antwoord ‘nee’ is in twee categorieën gesplitst, om respondenten de mogelijkheid te geven wat genuanceerder te antwoorden. Dat geeft meer inzicht in de achtergrond van het ontkennende antwoord. De item non-respons op deze vraag is 4,5 procent.

8.7 Ad hoc vragen rondom zorgen rondkomen en loontransparantie

In de NEA 2025 zijn in het blok Uw verdere loopbaan twee vragen opgenomen rondom inkomensonzekerheid en welke factoren hierbij een rol spelen. Deze vragen zijn alleen in cluster 2 geplaatst en aan een specifieke groep werknemers gesteld. Voor de routing zijn bestaande vragen gebruikt. De vragen werden gesteld aan uitzendkrachten en oproep-/invalkrachten met (deels) wisselende werkuren of oproepcontracten (0-urencontracten). De eerste vraag luidt als volgt: ‘Maakt u zich weleens zorgen of u kunt rondkomen met het inkomen van uw huidige baan?’ ‘Ja, (bijna) altijd’, ‘Ja, vaak’, ‘Ja, soms’, ‘Nooit’. De tweede vraag, gesteld aan respondenten die zich weleens zorgen zeiden te maken (soms of vaak) ging over de factoren waar de zorgen mee te maken hebben. Zij konden een keuze maken uit de volgende antwoorden: ‘Mijn uurloon is te laag’, ‘Ik word te weinig ingeroosterd’, ‘Onzekerheid door wisselende roosters’, ‘Ik kan zelf niet altijd werken (bijv. vanwege gezondheid of zorgtaken)’, ‘Stijgende prijzen/alles wordt duurder’, ‘Mijn thuis- of woonsituatie is veranderd (bijv. scheiding, nieuw huis, kind)’ of ‘Met iets anders’. De eerste vraag heeft een relatief hoge item non-respons van 9 procent. De vervolgvraag heeft een item non-respons van 3 procent.

Een kanttekening bij deze vragen is dat de werknemers met een dergelijk dienstverband voornamelijk uit jongeren (15 tot 25 jaar) bestaan en dat de leeftijdsgroepen 55 tot 65 jaar en 65 tot 74 jaar die zich zorgen maakten om rond te komen van hun baan te klein zijn om over te kunnen publiceren. Het is op basis van de vraagstelling niet uitgesloten dat deze personen nog andere bronnen van inkomsten hebben en of de vraag derhalve zinvol beantwoord kon worden.

In het blok Arbeidsvoorwaarden zijn in 2025 vier vragen rondom loontransparantie toegevoegd. Ook deze vragen waren alleen in cluster 2 opgenomen. De eerste vraag luidt als volgt: ‘Is het binnen uw organisatie duidelijk of onduidelijk aan welke eisen je moet voldoen om een bepaald salaris te krijgen?’ Respondenten konden antwoorden in hoeverre ze dit (heel) duidelijk, niet duidelijk en niet onduidelijk of (heel) onduidelijk vonden. De tweede vraag gaat over hoe belangrijk werknemers het vinden om te weten wat collega’s in hun organisatie met dezelfde functie verdienen (antwoorden: ‘(heel) belangrijk’, ‘niet belangrijk en niet onbelangrijk’, ‘(heel) onbelangrijk’ of ‘n.v.t., ik ben de enige met deze functie’). Aan respondenten voor wie deze vraag van toepassing was, werd een derde vraag gesteld, namelijk of zij weten wat hun collega’s in eenzelfde functie ongeveer verdienen. Antwoordopties waren: ‘Ja, van de meeste wel’, ‘Ja, van sommige’, ‘Nee’ of ‘N.v.t., ik ben de enige met deze functie’. Personen die aangaven dat ze het van de meeste of van sommige collega’s wisten, kregen nog een vierde vraag hoe zij te weten waren gekomen wat hun collega’s verdienen. Zij konden hierbij kiezen uit de volgende antwoordopties: ‘Door salarisschalen of een functiehuis’, ‘Dit is in de CAO geregeld’, ‘Ik heb dit aan mijn werkgever gevraagd’, ‘Mijn werkgever deelt deze informatie zelf’, ‘Mijn collega’s hebben dit zelf verteld’ of ‘Anders’.

De item non-respons op de eerste vraag rondom loontransparantie is relatief hoog: 6 procent. De item non-respons op de overige drie vragen varieert van 2 tot 4 procent.

Opgemerkt dient te worden dat de antwoordcategorie ‘n.v.t., ik ben de enige met deze functie’ zowel in de tweede als de derde vraag is opgenomen. De derde vraag is alleen gesteld aan respondenten voor wie de tweede vraag van toepassing was. Toch was de derde vraag voor een deel van de respondenten alsnog niet van toepassing. Bij de tweede vraag heeft 4,9 procent het antwoord ‘n.v.t., ik ben de enige met deze functie’ gekozen en bij de derde vraag 3,5 procent.

9. Vergelijkbaarheid over de tijd

De NEA wordt sinds 2005 uitgevoerd en veel vragen worden al meerdere jaren gesteld. Dat maakt het mogelijk om de NEA te gebruiken om trends te beschrijven. Tot en met 2013 kan dat voor werknemers van 15 tot 65 jaar en vanaf 2014 voor werknemers van 15 tot 75 jaar.

In de loop der jaren zijn wijzigingen doorgevoerd in de wijze van gegevensverzameling en ‑verwerking. Daardoor zijn cijfers mogelijk niet in alle gevallen volgtijdelijk vergelijkbaar. De volgende paragrafen geven een beknopt overzicht van wijzigingen in de gegevensverzameling die samen lijken te gaan met wijzigingen in de uitkomsten.

9.1 Vergelijkbaarheid 2024 en 2025 met eerdere jaren

In 2024 en 2025 zijn er geen wijzigingen geweest met gevolgen voor de vergelijkbaarheid over de tijd.

9.2 Vergelijkbaarheid 2023 met eerdere jaren

In 2023 zijn in het vaste deel van de NEA vragenlijst enkele wijzigingen doorgevoerd die gevolgen hebben voor de vergelijkbaarheid over de tijd.

Ten eerste is ‘Long COVID’ toegevoegd aan de antwoordmogelijkheden bij de vragen over chronische ziekten en beroepsziekten. Het lijkt aannemelijk dat mede hierdoor de incidentie en prevalentie van beroepsziekten vanaf 2023 iets hoger ligt dan in eerdere jaren. Bij de chronische ziekten wijzen de cijfers er niet op dat het toevoegen van de extra antwoordcategorie grote invloed heeft gehad op de uitkomsten.

Ten tweede zijn de antwoordmogelijkheden uitgebreid bij de vraag waar men medische hulp heeft gehad na het meest recente arbeidsongeval. De uitkomsten zijn hierdoor niet vergelijkbaar.

Tot slot lijken cijfers over de tevredenheid van werknemers met de vertegenwoordiging van hun belangen door vakbonden mogelijk vanaf 2023 niet vergelijkbaar te zijn met eerdere jaren, doordat een toelichting bij de vraag is opgenomen.

Meer informatie is beschikbaar in de onderzoeksbeschrijving van de NEA 2023, in het bijzonder hoofdstuk 8 en 9.

9.3 Vergelijkbaarheid 2022 met eerdere jaren

Vanaf het verslagjaar 2022 verschilt de wijze waarop gegevens voor de NEA zijn verzameld en verwerkt op een aantal punten van eerdere verslagjaren. Daardoor zijn de cijfers vanaf 2022 mogelijk niet in alle gevallen vergelijkbaar met de cijfers tot en met 2021. Het betreft de volgende wijzigingen:

  • split-half ontwerp: de steekproef wordt, nadat deze is getrokken, willekeurig in twee helften (‘clusters’) verdeeld en de twee clusters krijgen deels andere vragen;
  • -vaste versus ad hoc vragen: voor de jaren 2022 tot en met 2025 is vastgesteld welke vragen jaarlijks gesteld worden en daarnaast is er beperkt ruimte voor wisselende onderwerpen
  • meertalige vragenlijst: de vragenlijst is in het Nederlands en in het Engels beschikbaar;
  • wijziging vraagstelling vaste onderwerpen: voor enkele vaste onderwerpen zijn devraagteksten herzien en/of vereenvoudigd;
  • item non-responsoptie: de vragen over de tevredenheid met en het belang van arbeidsvoorwaarden kunnen voortaan niet meer leeg overgeslagen worden en hebben in plaats daarvan de antwoordmogelijkheid ‘geen antwoord’;
  • -oversamplingstrategie: de steekproefuitzet wordt verhoogd onder werknemers in een aantal bedrijfstakken om voldoende waarnemingen voor publicatie te realiseren, maar niet langer onder jongeren en personen met een niet-westerse herkomst;
  • weegmethode: de weging wordt apart uitgevoerd voor cluster 1 en 2 en vervolgens worden de gewichten gecombineerd;
  • weegmodel: het weegmodel is vervangen door een nieuw ontworpen weegmodel.

 

Bovenstaande brengt met zich mee dat bij vragen waarvan de formulering identiek is gebleven, de context veranderd is. Dit kan ertoe leiden dat respondenten anders antwoorden.

Een voorbeeld van andere uitkomsten door een gewijzigde context lijken de vragen over tevredenheid met het werken en met de arbeidsomstandigheden te zijn. De uitkomsten hiervoor verschillen in 2022 tussen de beide clusters en dit is ook in 2023 het geval. Een voorbeeld van onvergelijkbare uitkomsten door een gewijzigde vraagstelling betreft het onderwerp ongewenst gedrag. Met de nieuwe vraagstelling is in 2022 minder ongewenst gedrag gemeten dan in voorgaande jaren. Met name ‘een enkele keer ongewenst gedrag meegemaakt’ komt in 2022 minder voor dan eerst, wat samen kan hangen met het invoeren van een getrapte vraagstelling. Een nadere beschrijving van de gevolgen van de wijzigingen is beschikbaar in de onderzoeksbeschrijving van de NEA 2022, in het bijzonder hoofdstuk 8 en 9.

Hoewel er een groot aantal wijzigingen is doorgevoerd in 2022 en hierdoor sommige onderwerpen niet volgtijdelijk vergelijkbaar zijn, zijn er ook onderwerpen waarvoor het wel mogelijk lijkt om de cijfers volgtijdelijk te vergelijken. TNO en het CBS doen dit uitsluitend als de vraagstelling niet is gewijzigd, gebruik van het vorige weegmodel voor de cijfers over 2022 niet tot andere conclusies leidt over verschillen tussen 2021 en 2022, en er geen andere ‘aannemelijke redenen’ zijn om een methodebreuk te vermoeden.

9.4 Volgtijdelijke vergelijkbaarheid in eerdere jaren

In 2021 en 2020 zijn alle vragen in het blok ‘Werkomstandigheden’ niet gesteld aan werknemers waarvan het werk op de enquêtedatum stillag/niet mocht worden uitgevoerd vanwege coronamaatregelen. Het betreft 0,5% van alle werknemers in 2021 en 2,5% in 2020. Binnen bedrijfstakken, beroepen, leeftijdsklassen en andere kenmerken kan dit percentage hoger of lager uitvallen. De cijfers voor de variabelen in dit blok zijn berekend voor werknemers waarvan het werk op de enquêtedatum niet stillag vanwege coronamaatregelen.

In 2019 zijn de vragen over conflicten op het werk weggelaten (Hooftman e.a., 2020). Dit leek effect te hebben op de prevalentie van ongewenst gedrag dat in dat jaar meer voor kwam dan in eerdere jaren. In 2020 zijn de vragen over conflicten op het werk weer opgenomen in de vragenlijst.

Sinds 2018 start het blok over arbeidsvoorwaarden jaarlijks met de vraag over tevredenheid, alleen in oneven jaren gevolgd door de vraag over het belang daarvan (Hooftman e.a., 2019). Zo worden beide onderwerpen steeds in dezelfde context uitgevraagd. Deze contextwijziging werkt eenmalig door in de uitkomsten. De uitkomsten over het belang zijn niet vergelijkbaar tussen 2019 en 2017 en de uitkomsten over de tevredenheid niet tussen 2018 en 2017.

In 2018 is ook de wijze van gegevensverzameling gewijzigd: de vragenlijst kan sindsdien uitsluitend via internet en niet meer op papier ingevuld worden (Hooftman e.a., 2019). Dit kan systematische effecten hebben op de uitkomsten. De verwachting was (Roberts e.a., 2017) dat dit niet of nauwelijks gevolgen zou hebben voor de uitkomsten op een aantal kernindicatoren. De resultaten van de NEA 2018 bevestigden deze aanname. Desondanks is het bij het maken en interpreteren van trendbeschrijvingen, waarin zowel gegevens uit de jaren vóór 2018 als gegevens uit 2018 en later worden gebruikt, van belang hier alert op te zijn.

In 2014 is de NEA grootschaliger veranderd, onder andere ten aanzien van de benaderingsstrategie (zie Hooftman e.a., 2015). Het CBS en TNO hebben elk de vergelijkbaarheid van de NEA-uitkomsten van vóór en na 2014 onderzocht (zie: Mars e.a. (2015), Mars e.a. (2016) en Hooftman e.a. (2016)). Deze analyses leiden deels, maar niet geheel tot dezelfde conclusies. Bij het maken en interpreteren van trendbeschrijvingen waarin zowel gegevens uit de jaren vóór 2014 als gegevens uit 2014 en later worden gebruikt is het van belang om rekening te houden met deze mogelijke methodologische trendbreuken.

10. Gebruik van de NEA door derden

TNO en het CBS publiceren afzonderlijk, gezamenlijk en in samenwerking met derden op basis van de NEA. Daarnaast kunnen derden zelf statistisch onderzoek doen met de microdatabestanden.

Vanaf april 2027 zullen de NEA 2025-data – onder voorwaarden – aan geautoriseerde instellingen toegankelijk worden gemaakt via CBS Microdata Services. Hierbij bestaat de mogelijkheid om de NEA-gegevens te koppelen aan andere databronnen uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden van het CBS. Meer informatie hierover is te vinden op de pagina ‘Zelf onderzoek doen’ van het CBS.

Vanaf april 2027 is ook een statistisch beveiligd bestand beschikbaar via DANS. Statistische beveiliging voorkomt dat er inhoudelijke conclusies over herkenbare eenheden kunnen worden getrokken.

10.1 Publicatiemogelijkheden deelpopulaties

De uitkomsten van de NEA kunnen niet alleen voor alle werknemers beschreven worden, maar ook voor deelpopulaties. Uitsplitsingen zijn beschikbaar via de benchmarktool van TNO en via StatLine , de elektronische databank van het CBS. Verder bevat de publicatie ‘NEA 2025 Resultaten in vogelvlucht’, naast een globale beschrijving van de uitkomsten, een uitgebreide tabel met uitkomsten voor alle werknemers en uitsplitsingen voor mannen en vrouwen, vier leeftijdsklassen en dertien bedrijfstakken. Verder kunnen via het dashboard arbeidsomstandigheden uitkomsten voor werknemers op basis van de NEA vergeleken worden met uitkomsten voor zelfstandig ondernemers op basis van de Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA) van TNO en CBS. TNO en het CBS kunnen op verzoek andere of meer gedetailleerde uitsplitsingen samenstellen. Geautoriseerde onderzoeksinstellingen kunnen dit ook zelf doen.

Een deel van de vragen in de NEA zijn specifiek in de NEA opgenomen om deelpopulaties te kunnen beschrijven. Het gaat daarbij om demografische gegevens, onderwijs, dienstverband, bedrijf en beroep. Voor hetzelfde doel is de bruikbare respons van de NEA verrijkt met een aantal registergegevens, zie paragraaf 5.2.

NEA onderwerpen kunnen naar de kenmerken in deze modules uitgesplitst worden in meer of mindere mate van detail. Er kan bijvoorbeeld alleen onderscheid gemaakt worden tussen werknemers met een vaste en een flexibele arbeidsrelatie, of ook tussen verschillende soorten flexibele arbeidsrelaties. Het behaalde onderwijsniveau kan in drie of vijf categorieën verdeeld worden. Voor bedrijf en beroep zijn zeer gedetailleerde classificaties beschikbaar (5 respectievelijk 4 digit niveau), maar er kan ook gepubliceerd worden op het hoofdniveau van de indelingen. Het detailniveau tot waarop uitsplitsingen mogelijk zijn, hangt af van het onderliggende aantal responsen. TNO en het CBS kunnen desgevraagd nagaan of publicatie over een specifieke deelpopulatie mogelijk is.

Vanaf 2022 is het split-half ontwerp ingevoerd en in 2021 en 2020 is hiermee geëxperimenteerd. Onderwerpen die slechts aan één cluster zijn voorgelegd kunnen minder gedetailleerd uitgesplitst worden dan onderwerpen die aan de hele steekproef zijn voorgelegd. Tabel A.1 in bijlage A beschrijft in welk cluster de vaste onderwerpen zijn uitgevraagd vanaf 2022. Tabel A.2 doet dit voor de ad hoc onderwerpen van de NEA 2025.

Overigens wordt in de NEA naar achtergrondkenmerken gevraagd om NEA onderwerpen voor deelpopulaties te kunnen beschrijven en niet om de omvang van deze deelpopulaties te schatten. Voor dit laatste doel kan beter gebruik gemaakt worden van de EBB. Zie hiervoor StatLine publicaties over arbeidsdeelname en de werkzame beroepsbevolking. Datzelfde geldt voor de omvang van de doelpopulatie. De NEA ‘telt’ namelijk niet ‘zelf’ hoeveel werknemers er in Nederland zijn, maar hoogt middels een weegfactor uitkomsten op naar populatieaantallen die bekend zijn uit registergegevens.

10.2 Instructies bij bestand

Geslacht en leeftijd

De variabelen die het geslacht en de leeftijd van de respondent beschrijven, betreffen registergegevens gecorrigeerd voor zelfrapportage. De leeftijd is de leeftijd op enquêtedatum. Tot de doelpopulatie behoren personen die op 1 oktober van het waarneemjaar 15 tot 75 jaar oud zijn. Personen die 1 oktober nog geen 75 jaar oud zijn, maar op de enquêtedatum wel, zijn als bruikbare respons met leeftijd ‘75’ in het bestand opgenomen en worden bij de hoogste leeftijdsklasse ingedeeld.

Split-halfontwerp

De variabele SE_Cluster beschrijft of een persoon aan split-halfcluster 1 of 2 is toebedeeld. In de vragenlijstdocumentatie is met ‘(1)’ en ‘(2)’ beschreven welke vragen aan welk cluster gesteld worden.

Weegfactoren

In het microdatabestand zijn twee soorten weegfactoren opgenomen: een proportioneel gewicht dat optelt tot de steekproefomvang en ophooggewichten die optellen tot de populatieomvang. Schattingen voor gemiddeldes en percentages zijn consistent op basis van beide soorten gewichten.

De weegmethode is vanaf de NEA 2022 gewijzigd. Zie voor meer informatie de onderzoeksbeschrijving van de NEA 2022. Bovendien is in de NEA 2020 en NEA 2021 geëxperimenteerd met het split-half design en zijn daarbij andere keuzes in de weging gemaakt dan vanaf de NEA 2022. Gebruikers van het bestand moeten daarom goed opletten welke weegfactor voor de gewenste analyses van toepassing is. Tabel 10.2.1 beschrijft voor welk onderwerp welke weegfactor voor welk jaar aangezet kan worden. Voor enkele onderwerpen geldt een uitzondering.

Voor percentages, gemiddelden en andere beschrijvingsmaten kan het proportionele gewicht ‘weeg’ voor elk onderwerp en elk jaar gebruikt worden, ongeacht of het onderwerp bij de hele steekproef of slechts in één cluster is uitgevraagd. Voor 2021 en 2020 geldt voor enkele onderwerpen een uitzondering, zie hieronder.

Voor populatieaantallen is het ophooggewicht nodig. ‘Weegpop’ is van toepassing voor onderwerpen die in de hele steekproef zijn uitgevraagd. Dit geldt voor alle jaren.

‘Weegpop_cluster1’ is van toepassing voor onderwerpen die vanaf 2022 bij cluster 1 zijn uitgevraagd. De variabele ‘weegpop_cluster1’ wordt vanaf 2022 gemaakt, maar is ook voor eerdere jaren gevuld. Voor 2014-2021 is weegpop_cluster1 gevuld met ‘weegpop’. Gebruikers van het bestand kunnen zo direct een gewogen reeks uitdraaien voor een onderwerp dat vanaf 2022 in een cluster is uitgevraagd en in eerdere jaren in de hele steekproef.

‘Weegpop_cluster2’ is van toepassing voor onderwerpen die vanaf 2022 bij cluster 2 zijn uitgevraagd. De variabele ‘weegpop_cluster2’ wordt vanaf 2022 gemaakt, maar is ook voor eerdere jaren gevuld. Voor 2014-2021 is weegpop_cluster2 gevuld met ‘weegpop’. Gebruikers van het bestand kunnen zo direct een gewogen reeks uitdraaien voor een onderwerp dat vanaf 2022 in een cluster is uitgevraagd en in eerdere jaren in de hele steekproef.

Extra aandacht is nodig voor de onderwerpen ‘informeel leren’ en ‘bevlogenheid’. Hiervoor kan niet zonder meer een reeks met één gewicht voor alle jaren uitgedraaid worden, omdat de onderwerpen in 2020 in het experimentele split-half ontwerp zijn uitgevraagd. In dat jaar is de weging van het split-half ontwerp anders aangepakt.

Voor het onderwerp ‘bevlogenheid’ moet voor 2020 ‘weeg_B’ of ‘weegpop_B’ aangezet worden en voor overige jaren weegpop_cluster 2 (voor 2014 is weegpop_cluster2 gevuld met weegpop). Zie Tabel 10.2.2.

Voor het onderwerp ‘informeel leren’ moet voor 2020 ‘weeg_B’ of ‘weegpop_B’ aangezet worden en voor overige jaren weegpop_cluster2. Zie Tabel 10.2.3.

In 2020 en 2021 zijn nog enkele andere onderwerpen in het experimentele split-half ontwerp uitgevraagd. Deze onderwerpen zijn uitsluitend in die jaren uitgevraagd. De gewichten die van toepassing zijn staan in tabel 10.2.4. Deze gewichten blijven in het microdatabestand beschikbaar.

Stratum

Gebruikers die verschillen willen toetsen volgens een methode die rekening houdt met het steekproefontwerp, hebben de steekproefstrata nodig. De variabele Afl_marges_stratum beschrijft het stratum waartoe de respondent bij steekproeftrekking behoort. Vanaf 2018 zijn er substrata voor het onderwijs en vanaf 2022 substrata voor het primair onderwijs. Daarom zijn vanaf 2018 en 2022 andere stratumcodes gevuld dan in de voorgaande jaren.

Literatuur

Blatter, B.M., Bongers, P.M., Kraan, K.O., en S. Dhondt (2000). RSI-klachten in de werkende populatie. De mate van vóórkomen en de relatie met beeldschermwerk, muisgebruik en andere ICT gerelateerde factoren. Hoofddorp: TNO.   

CBS (z.d. a). Enquête Beroepsbevolking (EBB). Den Haag/Heerlen/Aruba: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (z.d. b). Permanent Onderzoek LeefSituatie (POLS), Basisvragenlijst: 1997-2008. Den Haag/Heerlen/Aruba: Centraal Bureau voor de Statistiek. 

CBS (z.d. c). Veiligheidsmonitor (vanaf 2021). Den Haag/Heerlen/Aruba: Centraal Bureau voor de Statistiek. 

CBS (2022a). Minder flexwerkers dan voor coronacrisis ondanks toename. Den Haag/Heerlen/Aruba: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2022b). Werkonderzoek 2022. Den Haag/Heerlen/Aruba: Centraal Bureau voor de Statistiek. 

Centraal Bureau voor de Statistiek, RIVM en VeiligheidNL (2015). Leefstijlmonitor 2015. 

CEDEFOP (2015). European skills and jobs survey (ESJS).

College voor de Rechten van de Mens (z.d.). Discriminatie uitgelegd. 

Dam, L.M.C. van, G.M.J. Mars, J.C.M. Knops, S.G. van den Heuvel, E.M.M. de Vroome, A.J.S.F. Pleijers, M.M.M.J. Ramaekers en B.J.M. Janssen (2022). Nationale enquête arbeidsomstandigheden 2021: Methodologie. Leiden/Den Haag/Heerlen/Aruba: TNO/CBS.

Edmondson, A. (1999). Psychological safety and learning behavior in work teams. Administrative Science Quarterly 44(2), 350-383.

Eurofound (2017). Sixth European Working Conditions Survey – Overview report (2017 update). Luxemburg: Publications Office of the European Union.

Eurostat (2001). Europese statistiek van arbeidsongevallen (ESAO). Methodiek. Uitgave 2001. Luxemburg: Europese Commissie – Directoraat Generaal Werkgelegenheid en Sociale Zaken.

Eurostat (2012). Europese statistieken inzake arbeidsongevallen (ESAO); beknopte methodiek editie 2012. Eurostat Methodologies and working papers. Luxemburg: Europese Commissie.

Fox, M.L. en D.J. Dwyer (1999). An investigation of the effects of time and involvement in the relationship between stressors and work-family conflict. Journal of Occupational Health Psychology, 4, 164-174.

Goodman, S.A. en D.J. Svyantek (1999). Person–Organization Fit and Contextual Performance: Do Shared Values Matter, J. Voc Behavior, 55(2), 254-275.

Goudswaard, A., S. Dhondt en K. Kraan (1998). Flexibilisering en Arbeid in de Informatie-maatschappij; werknemersvragenlijst, bestemd voor werknemers van organisaties die deelnemen aan het SZW Werkgeverspanel 1998. Hoofddorp: TNO.

Heuvel, S. van den, G. Geuskens, L. van der Meer, A. de Wind en F. Leijten (2014). Study on Transitions in Employment, Ability and Motivation (STREAM). Technical report. Hoofddorp: TNO.

Hipple, S.F. (2010). Multiple jobholding during the 2000s. Monthly Labor Review, 7, 21-32.

Hooftman, W.E., G.M.J. Mars, B. Janssen, E.E.M. de Vroome en S.N.J. van den Bossche (2015). Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2014: Methodologie en globale resultaten. Leiden/Den Haag/Heerlen/Aruba: TNO/CBS.

Hooftman, W.E., E.E.M. de Vroome en S.N.J. van den Bossche (2016). Trendanalyses op basis van de NEA: een beschouwing van de NEA designwijzigingen per 2014. Leiden: TNO.

Hooftman W.E., G.M.J. Mars, B. Janssen, E.E.M. de Vroome, B.J.M. Janssen, A.J.S.F. Pleijers, M.M.M.J. Ramaekers en S.N.J. van den Bossche (2019). Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2018: Methodologie en globale resultaten. Leiden/Den Haag/Heerlen/Aruba: TNO/CBS.

Hooftman W.E., G.M.J. Mars, J.C.M. Knops, L.M.C. van Dam, E.M.M. de Vroome, B.J.M. Janssen, A.J.S.F. Pleijers en S.N.J. van den Bossche (2020). Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2019: Methodologie en globale resultaten. Leiden/Den Haag/Heerlen/Aruba: TNO/CBS.

Hooftman W.E., G.M.J. Mars, J.C.M. Knops, L.M.C. van Dam, E.M.M. de Vroome, M.M.M.J. Ramaekers en B.J.M. Janssen (2021). Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2020: Methodologie. Leiden/Den Haag/Heerlen/Aruba: TNO/CBS.

Houtman, I.L.D., A. Goudswaard, S. Dhondt, M. van der Grinten, V. Hildebrandt en M. Kompier (1995). Evaluatie van de monitorstudie naar stress en lichamelijke belasting. Den Haag: VUGA.

Jansen, J.J.P., F.A.J. van den Bosch en H.W. Volberda (2006). Erasmus Concurrentie- en InnovatieMonitor. Vragenlijst. Rotterdam: Erasmus Universiteit/Rotterdam School of Management (RSM).

Karasek, R.A. (1985). Job Content Questionnaire and User’s Guide. Lowell, University of Massachusetts, Department of Work Environment.

Karasek, R.A., Chr. Brisson, N. Kawakami, I.L.D. Houtman, P. Bongers en B. Amick (1998). The Job Content Questionnaire (JCQ): an instrument for internationally comparative assessments of psychosocial job characteristics. Journal of Occupational Health Psychology, 3, 322-355.

Koppes, L.L.J., E.M.M. de Vroome en S.N.J. van den Bossche (2011). NEA Cohortonderzoek 2007-2009; Methoden en eerste resultaten. Hoofddorp: TNO.

Kristensen, T. en V. Borg. (2000). Copenhagen Psychosocial Questionnaire (COPSOQ), Copenhagen: National Institute of Occupational Health.

KU Leuven (2004). PASO (Panel Survey of Organisations). Vragenlijst. Leuven: Katholieke Universiteit Leuven.

Lindström, K., M. Dallner, A.L. Elo, F. Gamberale, S. Knardahl, A. Skogstad en E. Orhade (1997). Review of Psychological and social factors at work and suggestions for the General Nordic questionnaire (QPS Nordic). Copenhagen: Nordic Council of Ministers.

Mars, G.M.J., A.J.S.F. Pleijers en R.M.A. Willems (2015). Analyse methodebreuk Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden – Bedrijfsongevallen Nederland (NEA-BON) 2014. Intern rapport. Den Haag/Heerlen: CBS.

Mars, G.M.J., J.J.M. Michiels en R.M.A. Willems (2016). Follow-up analyse methodebreuk Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden – Bedrijfsongevallen Nederland (NEA-BON) 2014. Den Haag/Heerlen: CBS.

Roberts, A., D. Groffen en B. Schouten (2017). Analyse toegevoegde waarde schriftelijke vragenlijsten NEA. Interne nota. Den Haag | Heerlen: CBS.

Schaufeli, W.B. en D. van Dierendonck (2000). Handleiding van de Utrechtse Burnout Schaal (ubos). Lisse: Swets & Zeitlinger.

Schaufeli, W.B., A.B. Bakker en M. Salanova (2006). The measurement of work engagement with a short questionnaire: A cross-national study. Educational and Psychological Measurement, 66, 701-716.

Sloten, G.C. van, A. Nauta, en P.R.A. Oeij (2005). Arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen op ondernemingsniveau: AVON monitor 2004. Den Haag: TNO.

Smulders, P.G.W., F. Andries en F.W.J. Otten (2001). Hoe denken Nederlanders over hun werk ...? : opzet, kwaliteit en eerste resultaten van de TNO Arbeidssituatie Survey. Hoofddorp: TNO.

Verboon, F.C, M.G. de Feyter en P.G.W. Smulders (1999). Arbeid en zorg, inzetbaarheid en beloning: het werknemersperspectief. Hoofddorp: TNO.

Zwart, B.C.H. de, W.M. Heijdel en T.J. Veerman (2002). Ontwikkeling vragenlijstmodule ziekteverzuim en reïntegratiebeleid: in het kader van uniformering monitoring arboconvenanten (UMA). Leiden: AStri.

Bijlage A. Overzicht van onderwerpen in de vragenlijst

De tabellen in deze bijlage zijn bedoeld als naslagwerk voor gebruikers van de NEA. Tabel A.1 beschrijft de vraagnamen van de vaste onderwerpen in de NEA 2025, of deze aan cluster 1, 2 of beide gesteld zijn en met welke weegfactor cijfers over het onderwerp samen te stellen zijn. Tabel A.2 doet hetzelfde voor de ad hoc onderwerpen van de NEA 2025.

Tabel A.3 geeft vanaf de NEA 2014 een globaal overzicht welke onderwerpen in welk jaar zijn opgenomen in de vragenlijst. Gedetailleerdere informatie is beschikbaar in de onderzoeksbeschrijvingen (methodologische rapporten) van de desbetreffende jaren. Deze zijn beschikbaar op de websites van TNO link methodologierapporten TNO en het methodologierapporten CBS.

Bijlage B Overzicht van strata bij steekproeftrekking

Bijlage C Representativiteit van de respons