3. Komst en toelating van arbeidsmigranten
In dit hoofdstuk staan de opvattingen van mensen over de komst en toelating van arbeidsmigranten centraal. Vinden mensen het een goed of slecht idee dat arbeidsmigranten in Nederland komen werken? En welke gevolgen denken ze dat de komst van arbeidsmigranten heeft voor Nederland? Hoeveel arbeidsmigranten zou Nederland moeten toelaten? Uit welke landen mogen deze arbeidsmigranten komen en in welke bedrijfstakken moeten ze gaan werken? En mogen ze hun gezin meenemen? Deze en andere vragen worden in dit hoofdstuk beantwoord.
3.1 Wat vinden mensen van de komst van arbeidsmigranten?
Ruim de helft is vóór komst arbeidsmigranten
Een kleine meerderheid van de volwassen bevolking, namelijk 56 procent, vindt het een (heel) goed idee dat arbeidsmigranten in Nederland komen werken. Iets minder dan een derde (31 procent) vindt dit niet goed, maar ook niet slecht. Een tiende (10 procent) vindt het een (heel) slecht idee en de rest (3 procent) zegt het niet te weten.
Mannen (59 procent) vinden het iets vaker een (heel) goed idee dat arbeidsmigranten in Nederland komen werken dan vrouwen (54 procent). Ook onderwijsniveau en herkomst spelen een rol, waarbij hbo’ers en universitair geschoolden (66 procent) dit vaker een (heel) goed idee vinden dan (v)mbo- of vergelijkbaar geschoolden (48 procent) en mensen geboren in het buitenland (72 procent) vaker dan mensen geboren in Nederland (ongeveer 55 procent). Ten slotte speelt ook het contact met arbeidsmigranten een rol (zie tabel 3.1 van de tabellenset). Mensen die in de afgelopen twaalf maanden maandelijks of vaker contact hadden met arbeidsmigranten, staan vaker positief tegenover de komst van arbeidsmigranten (61 procent) dan mensen die weinig of geen contact hadden met arbeidsmigranten (53 procent).
| (Heel) goed (% van 18-plussers) | Niet goed, niet slecht (% van 18-plussers) | (Heel) slecht (% van 18-plussers) | Weet niet (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Totaal | 56,3 | 30,7 | 10,0 | 2,9 |
| Geslacht | ||||
| Mannen | 58,9 | 27,9 | 10,6 | 2,6 |
| Vrouwen | 53,7 | 33,5 | 9,5 | 3,3 |
| Onderwijsniveau | ||||
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 48,2 | 33,9 | 12,9 | 5,0 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 48,5 | 36,3 | 13,6 | 1,6 |
| Hbo, wo | 66,3 | 25,8 | 6,0 | 1,9 |
| Herkomst | ||||
| Geboren in Nederland, ouders geboren in Nederland | 52,3 | 33,8 | 11,7 | 2,2 |
| Geboren in Nederland, ouder(s) geboren in het buitenland | 56,1 | 32,2 | 7,8 | 3,9 |
| Geboren in het buitenland | 71,7 | 18,3 | 4,5 | 5,5 |
Drie kwart denkt dat arbeidsmigratie personeelstekorten oplost
In het onderzoek werd gevraagd of mensen denken dat de komst van arbeidsmigranten bepaalde gevolgen heeft voor Nederland. Van de voorgelegde gevolgen beamen de meesten het oplossen van het personeelstekort in bepaalde bedrijfstakken, doordat er meer personeel beschikbaar is. Drie kwart (75 procent) denkt dat arbeidsmigratie personeelstekorten kan oplossen en 17 procent denkt dat dit misschien kan. Jongeren van 18 tot 25 jaar (84 procent), hbo’ers en universitair geschoolden (85 procent) en mensen in huishoudens met de hoogste welvaart (82 procent) zien arbeidsmigratie vaker als een oplossing voor het personeelstekort dan mensen in de andere leeftijdsgroepen, (v)mbo- of vergelijkbaar geschoolden en mensen in huishoudens met een lagere welvaart (zie tabel 3.3 van de tabellenset).
Ook minder woningen beschikbaar voor Nederlanders (62 procent ja; 25 procent misschien), het versterken van de Nederlandse economie (51 procent ja; 33 procent misschien) en het binnenhalen van meer kennis en ervaring (47 procent ja; 35 procent misschien) zijn voor relatief veel mensen een gevolg van arbeidsmigratie. Jongeren tot 25 jaar geven met 70 procent het vaakst aan dat er door arbeidsmigratie minder woningen beschikbaar zullen zijn voor Nederlanders. In de andere leeftijdsgroepen is dat ongeveer 60 procent. Starters op de woningmarkt zijn overigens vaker immigranten die voor werk of studie naar Nederland komen dan jongeren die uit huis gaan (CBS, 2026c). Hbo’ers en universitair geschoolden denken relatief vaak (59 procent) dat de komst van arbeidsmigranten meer kennis en ervaring oplevert, vergeleken met (v)mbo- of vergelijkbaar geschoolden (rond 37 procent).
Kwart voorziet minder banen voor Nederlanders en meer overlast en criminaliteit
Minder banen beschikbaar voor Nederlanders en meer overlast en criminaliteit zien mensen minder snel gebeuren door de komst van arbeidsmigranten. Een kwart voorziet deze gevolgen, iets meer mensen denken dat ze misschien zullen plaatsvinden. Mensen met een uitkering geven met 37 procent relatief vaak aan dat door arbeidsmigratie minder banen beschikbaar zullen zijn voor Nederlanders (zie tabel 3.5 van de tabellenset).
| Ja (% van 18-plussers) | Misschien (% van 18-plussers) | Nee (% van 18-plussers) | Weet niet (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Oplossen van het personeelstekort | 74,8 | 17,0 | 5,8 | 2,3 |
| Minder woningen voor Nederlanders | 61,8 | 25,1 | 9,3 | 3,7 |
| Versterken van de economie | 50,8 | 32,6 | 11,1 | 5,5 |
| Binnenhalen van kennis en ervaring | 47,4 | 35,3 | 13,3 | 3,9 |
| Minder banen voor Nederlanders | 25,8 | 30,0 | 38,8 | 5,4 |
| Meer overlast en criminaliteit | 24,5 | 35,9 | 30,2 | 9,3 |
3.2 Hoe denken mensen over het toelaten van arbeidsmigranten?
Meerderheid is voor begrensd toelaten van arbeidsmigranten
Van de volwassen bevolking vindt ongeveer een zesde (17 procent) dat Nederland alle arbeidsmigranten moet toelaten. Een meerderheid (68 procent) vindt dat Nederland arbeidsmigranten moet toelaten, maar met een maximum aantal. Iets meer dan een tiende (12 procent) is van mening dat Nederland zo weinig mogelijk arbeidsmigranten moet toelaten en de rest (3 procent) zegt dat Nederland helemaal geen arbeidsmigranten moet toelaten.
Hbo’ers en universitair geschoolden vinden met 24 procent ruim 2 keer zo vaak dat Nederland alle arbeidsmigranten moet toelaten dan (v)mbo- of vergelijkbaar geschoolden (11 procent). Ook in zeer sterk stedelijke gemeenten verwelkomen meer mensen alle arbeidsmigranten dan in minder stedelijke gemeenten. Hetzelfde geldt voor mensen geboren in het buitenland vergeleken met mensen geboren in Nederland (zie tabel 3.8 in de tabellenset).
Over het toelaten van een maximum aantal arbeidsmigranten verschillen vooral welvaartsgroepen van mening. Mensen met de laagste welvaart (59 procent) vinden minder vaak dat Nederland begrensd arbeidsmigranten moet toelaten dan mensen met een hogere welvaart (ongeveer 70 procent). Ten slotte vinden vooral mensen van 45 jaar of ouder (15 procent) dat Nederland zo weinig mogelijk arbeidsmigranten moet toelaten, tegen ongeveer 8 procent van de mensen tot 45 jaar.
| Alle (% van 18-plussers) | Maximum aantal (% van 18-plussers) | Zo weinig mogelijk (% van 18-plussers) | Helemaal geen (% van 18-plussers) | |
|---|---|---|---|---|
| Totaal | 17,2 | 67,7 | 12,5 | 2,6 |
| Leeftijd | ||||
| 18 tot 25 jaar | 13,9 | 76,7 | 7,6 | 1,7 |
| 25 tot 45 jaar | 21,0 | 67,7 | 9,2 | 2,0 |
| 45 tot 65 jaar | 16,3 | 65,1 | 15,2 | 3,3 |
| 65 jaar of ouder | 15,0 | 67,2 | 15,1 | 2,6 |
| Onderwijsniveau | ||||
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 11,3 | 65,7 | 18,3 | 4,7 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 11,4 | 70,9 | 14,8 | 2,8 |
| Hbo, wo | 23,8 | 68,0 | 7,5 | 0,7 |
| Financiële welvaart | ||||
| 1e 20%-groep (laagst) | 21,8 | 58,7 | 14,1 | 5,5 |
| 2e 20%-groep | 12,4 | 69,2 | 15,1 | 3,3 |
| 3e 20%-groep | 15,6 | 66,9 | 14,9 | 2,5 |
| 4e 20%-groep | 16,2 | 70,5 | 10,9 | 2,4 |
| 5e 20%-groep (hoogst) | 17,4 | 71,0 | 10,4 | 1,2 |
Zowel laag- als hoogbetaalde arbeidsmigranten zijn welkom
Veruit de meeste volwassenen die positief zijn over het toelaten van arbeidsmigranten, vinden dat zowel laagbetaalde arbeidsmigranten (die bijvoorbeeld in de landbouw of in de bouw werken) als hoogbetaalde arbeidsmigranten (die bijvoorbeeld bij technologiebedrijven of aan universiteiten werken) in Nederland mogen komen werken, namelijk 82 procent. Hbo’ers en universitair geschoolden vinden dit vaker dan (v)mbo- of vergelijkbaar geschoolden. Maar een klein deel van de volwassenen vindt dat alleen laagbetaalde arbeidsmigranten (3 procent) of alleen hoogbetaalde arbeidsmigranten (7 procent) in Nederland mogen komen werken, en de rest (8 procent) zegt het niet te weten.
Arbeidsmigranten uit zowel EU als niet-EU zijn welkom
Een meerderheid van de volwassenen die vinden dat arbeidsmigranten in Nederland mogen komen werken, is van mening dat arbeidsmigranten zowel uit landen binnen als buiten de Europese Unie (EU) mogen komen (63 procent). Vooral mensen tot 45 jaar (bijna 70 procent) geven dit aan, tegen ongeveer 60 procent van de mensen in de andere leeftijdsgroepen. Iets meer dan een kwart (28 procent) vindt dat arbeidsmigranten alleen uit EU-landen mogen komen. Minder dan 1 procent vindt dat arbeidsmigranten alleen uit landen buiten de EU mogen komen. Ten slotte zegt iets minder dan een tiende (9 procent) het niet te weten.
Opvattingen over gezinshereniging verdeeld
Een kleine meerderheid van de volwassenen die arbeidsmigranten willen toelaten in Nederland, vindt dat zij hun gezinnen mee mogen nemen (58 procent). Iets minder dan een kwart (24 procent) vindt van niet en 18 procent zegt het niet te weten. Vooral in het buitenland geboren mensen zijn voor gezinshereniging (bijna 70 procent). Zie ook tabel 3.12 in de tabellenset.
Iets minder dan de helft van de volwassen die arbeidsmigranten willen toelaten, vindt dat zij alleen in bepaalde bedrijfstakken - bijvoorbeeld waar een personeelstekort is - mogen komen werken (48 procent). Een ongeveer even groot deel (46 procent) vindt dat arbeidsmigranten in alle bedrijfstakken mogen komen werken. De rest (6 procent) zegt het niet te weten. Vooral mensen in de laagste welvaartsgroep en mensen geboren in het buitenland vinden dat arbeidsmigranten in alle bedrijfstakken mogen werken.
| (% instemmers van 18-plussers die arbeidsmigranten willen toelaten) | |
|---|---|
| Zowel laag- als hoogbetaalde arbeidsmigranten | 82,3 |
| Zowel arbeidsmigranten uit EU als niet-EU | 63,3 |
| Gezinsleden van arbeidsmigranten | 57,8 |
| In alle bedrijfstakken | 45,9 |